Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2015:3192

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
11-08-2015
Datum publicatie
12-08-2015
Zaaknummer
HD 200.170.300_01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzoek schorsing uitvoerbaarheid bij voorraad. Omgang.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer HD 200.170.300/01

arrest van 11 augustus 2015

gewezen in het incident in de zaak van

[de moeder],

wonende te [woonplaats] ,

appellante,

hierna aan te duiden als de moeder,

advocaat: mr. S.C.H. Poelman te Brunssum,

tegen

[de vader] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde,

hierna aan te duiden als de vader,

advocaat: mr. A. Carli te Roermond,

op het bij exploot van dagvaarding van 12 mei 2015 ingeleide hoger beroep van het vonnis van de voorzieningenrechter van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 15 april 2015, gewezen tussen de moeder als gedaagde in conventie, eiseres in reconventie en de vader als eiser in conventie, verweerder in reconventie.

1 Het geding in eerste aanleg (zaaknr. C/03/203075/KG ZA 15-102)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding in hoger beroep met grieven en producties, tevens houdende een incidentele vordering tot schorsing van de werking van de uitvoerbaarverklaring bij voorraad van voormeld vonnis in kort geding;

  • -

    de antwoordmemorie in het incident, tevens memorie van antwoord met producties;

  • -

    de brief van mr. Carli van 9 juli 2015.

2.2.

Bij brief d.d. 23 juli 2015 heeft het hof partijen bericht dat op de incidentele vordering tot schorsing van de werking van de uitvoerbaarverklaring bij voorraad van het bestreden vonnis, op de stukken zal worden beslist.

2.3.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald.

3 De beoordeling

3.1.

In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten.

  1. Partijen hebben een affectieve relatie gehad. Uit die relatie is geboren [de dochter] (hierna: [de dochter] ), op [geboortedatum] 2007 te [geboorteplaats] .
    De vader heeft [de dochter] erkend. De moeder is belast met het eenhoofdig gezag over [de dochter] .

  2. Begin december 2009 is de affectieve relatie van partijen geëindigd.

  3. Op 15 mei 2014 heeft een viergesprek plaatsgevonden tussen partijen en hun advocaten. Tijdens dit gesprek is besloten om de omgang tussen de vader en [de dochter] , die toen al enkele jaren niet had plaatsgevonden, gefaseerd op te bouwen.

  4. Vanaf de vrijdag na het gesprek van 15 mei 2014 heeft er bij de moeder thuis vrijwel iedere vrijdagmiddag (of op een andere dag in de week) omgang plaatsgevonden tussen de vader en [de dochter] .

  5. Na verloop van een half jaar heeft de advocaat van de vader de advocaat van de moeder aangeschreven met het verzoek de omgang te laten plaatsvinden buiten aanwezigheid van de moeder (een dag per week in het weekend van 10.00 uur tot 19.00 uur en gedurende de helft van de feestdagen, zonder overnachting). Na ommekomst van een half jaar zou de omgang dan verder kunnen worden uitgebreid.

  6. Vanaf eind 2014 heeft de moeder niet meer meegewerkt aan omgang.

3.2.

In de onderhavige procedure vordert de vader de vaststelling van een voorlopige omgangsregeling en veroordeling van de moeder tot nakoming van de informatieplicht.

De moeder vordert in de onderhavige procedure dat de rechter bij wijze van voorlopige voorziening bepaalt dat het recht op omgang tussen de vader en [de dochter] voorlopig voor bepaalde tijd aan de vader wordt ontzegd.

3.3.

Bij vonnis d.d. 15 april 2015 heeft de voorzieningenrechter, voor zover thans van belang – uitvoerbaar bij voorraad – bepaald dat de moeder de vader eenmaal per drie maanden schriftelijk dient te informeren over gewichtige aangelegenheden betreffende de persoon en het vermogen van [de dochter] en de moeder veroordeeld om mee te werken aan een omgang tussen de vader en [de dochter] buiten aanwezigheid van de moeder gedurende een door partijen in onderling overleg te bepalen dagdeel van vier uren per weekend, op verbeurte van een dwangsom van € 100,- per keer dat de moeder deze veroordeling niet naleeft vanaf twee dagen na betekening van dit vonnis, met een maximum van € 3.000,-. Voorts heeft de voorzieningenrechter het door de moeder gevorderde afgewezen.

3.4.

De moeder heeft in hoger beroep vijf grieven aangevoerd. De moeder heeft geconcludeerd tot schorsing van de werking van de uitvoerbaarverklaring bij voorraad van voormeld vonnis en tot vernietiging daarvan en – zakelijk weergegeven – tot het alsnog toewijzen van haar vorderingen en het afwijzen van de vorderingen van de vader.

3.5.

In het incident

3.5.1.

Het hof stelt voorop dat bij de beoordeling van een incidenteel verzoek tot schorsing van de tenuitvoerlegging van een uitvoerbaar bij voorraad verklaarde uitspraak in beginsel moet worden uitgegaan van de beslissing van de vorige rechter en een terughoudende toetsing plaatsvindt in die zin dat geen sprake is van een nieuwe afweging van alle feiten en omstandigheden op basis waarvan (de voorzieningenrechter) de rechtbank heeft geoordeeld. Een dergelijke uitgebreide toetsing vindt pas plaats in de procedure in de hoofdzaak van het hoger beroep.

3.5.2.

Voor toewijzing van een incidenteel verzoek tot schorsing van de tenuitvoerlegging is plaats in geval van misbruik van recht, dan wel indien een afweging van belangen van partijen in het licht van nieuwe – door incidenteel verzoeker te stellen – omstandigheden daartoe aanleiding geeft.

Als nieuwe omstandigheden komen alleen in aanmerking omstandigheden die zich hebben voorgedaan na afsluiting van de behandeling van de zaak in eerste aanleg. De kans van slagen van het aangewende rechtsmiddel dient bij de belangenafweging in de regel buiten beschouwing te blijven.

3.5.3.

Uit het door de moeder gestelde blijkt naar het oordeel van het hof niet dat sprake is van misbruik van recht dan wel van nieuwe omstandigheden in de hiervoor bedoelde zin.

3.5.4.

De moeder heeft geen nieuwe feiten of omstandigheden aangevoerd die niet reeds door de voorzieningenrechter van de rechtbank bij diens oordeel zijn betrokken. Nieuwe feiten en omstandigheden kunnen ook niet worden afgeleid uit het door de moeder in het geding gebrachte verslag van psycholoog mevrouw drs. [psycholoog] . Van de door de moeder gestelde feitelijke misslag is het hof voorts niet gebleken.

3.5.5.

Eveneens is naar het oordeel van het hof niet gebleken van een situatie die een noodtoestand voor de moeder of [de dochter] zou inhouden indien het bestreden vonnis zal worden geëxecuteerd. Ten aanzien van het door de moeder ingebrachte verslag van de psycholoog kan de vraag worden gesteld of dit verslag op de juiste wijze tot stand is gekomen, nu uit het verslag niet blijkt of en op welke wijze de vader bij het onderzoek van de psycholoog is betrokken. Echter ook indien het hof ervan uit gaat dat het verslag op juiste en zorgvuldige wijze tot stand is gekomen maakt de inhoud van het door de moeder in het geding gebrachte verslag van psycholoog mevrouw drs. [psycholoog] , het oordeel van het hof niet anders.. Uit het verslag blijkt niet dat omgang tussen [de dochter] en de vader niet in haar belang zou zijn, maar dat – zoals de moeder terecht opmerkt – de omgang in het belang van [de dochter] langzaam zou moeten worden opgebouwd. Een voorzichtig contactherstel heeft echter feitelijk reeds plaatsgevonden (zie hiervoor overweging 3.1. onder d). Dat er na dit contactherstel weer de nodige tijd is verstreken heeft de voorzieningenrechter naar het oordeel van het hof voldoende gewogen door de door hem bepaalde voorlopige omgang in duur te beperken tot een dagdeel van vier uur per weekend.

3.6.

Het vorenstaande voert het hof tot de slotsom dat zich geen omstandigheden voordoen die een schorsing van de uitvoerbaar verklaring bij voorraad van het vonnis waarvan beroep, zoals door de moeder verzocht rechtvaardigen, zodat het daartoe strekkend verzoek van de moeder moet worden afgewezen. Het hof komt daarmee ook niet toe aan het subsidiaire voorstel van de moeder om aan schorsing de voorwaarde te verbinden dat moeder de vader volledig op de hoogte zal houden van het traject bij de psycholoog,

3.7.

De incidentele vordering tot schorsing van de werking van de uitvoerbaarverklaring bij voorraad van het bestreden vonnis van de voorzieningenrechter zal worden afgewezen.

In de hoofdzaak

3.8.

In de hoofdzaak zal een pleidooi plaatsvinden op 1 oktober 2015 te 14.00 uur. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

4 De beslissing

Het hof:

in het incident:

wijst af het verzoek tot schorsing van de werking van de uitvoerbaarverklaring bij voorraad van het vonnis van de voorzieningenrechter van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht van 15 april 2015,

in de hoofdzaak:

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. C.D.M. Lamers, J.H.J.M. Mertens-Steeghs en E.L. Schaafsma-Beversluis en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 11 augustus 2015.

griffier rolraadsheer