Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2015:3188

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
11-08-2015
Datum publicatie
12-08-2015
Zaaknummer
HD 200.149.163_02
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

Arbeidszaak. Kort geding; uitleg relatiebeding; overgang van onderneming.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 7
Burgerlijk Wetboek Boek 7 662
Burgerlijk Wetboek Boek 7 663
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2015-0767
JAR 2015/243 met annotatie van prof. mr. R.M. Beltzer
JIN 2015/191 met annotatie van J.L. Luiten
AR 2015/1496
JAR 2015/243 met annotatie van prof. mr. R.M. Beltzer
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer HD 200.149.163/02

arrest van 11 augustus 2015

in de zaak van

[ARP] -ARP [plaats] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

appellante,

hierna aan te duiden als [appellante] ,

advocaat: mr. R. van Biezen te Leidschendam,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde,

hierna aan te duiden als [geïntimeerde] ,

advocaat: mr. A.G.W. Verstraten te Tilburg,

op het bij exploot van dagvaarding van 7 mei 2014 ingeleide hoger beroep van het vonnis in kort geding van de kantonrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Tilburg, van 9 april 2014, gewezen tussen [appellante] als gedaagde in conventie tevens eiseres in reconventie en [geïntimeerde] als eiser in conventie tevens verweerder in reconventie.

1 Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer 2876366/VV EXPL 14-25)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding in hoger beroep met 9 grieven en producties;

  • -

    de memorie van antwoord met producties;

  • -

    het pleidooi, waarbij partijen pleitnotities hebben overgelegd;

  • -

    de verwijzing naar mediation;

  • -

    de ambtshalve doorhaling van de zaak op 3 maart 2015;

  • -

    de akte van [appellante] van 16 juni 2015 met de mededeling dat de mediation zonder resultaat is geëindigd en met het verzoek tot hervatting van de zaak.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg. Ter gelegenheid van het pleidooi is met partijen besproken dat de producties H10 en H11, genoemd in de pleitnota van de advocaat van [geïntimeerde] , niet bij de beoordeling worden betrokken. Deze producties zijn niet ter kennis van het hof gebracht.

3 De beoordeling

3.1.

De feiten

In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de door de kantonrechter vastgestelde feiten, die voor zover nodig door het hof zijn aangevuld.

a. [geïntimeerde] is in 2002 in dienst getreden bij HVB Accountants B.V. (hierna: HVB) in de functie van projectuitvoerder.

b. [geïntimeerde] heeft op 27 december 2007 met HVB een relatiebeding gesloten. De inhoud van dit relatiebeding luidt, voor zover hier van belang, als volgt: “(…) Het is de werknemer verboden direct, dan wel indirect, al dan niet tegen betaling werkzaamheden te verrichten voor cliënten van de werkgever, gedurende een termijn van 2 jaar na beëindiging van de arbeidsovereenkomst. Bij overtreding van bovenstaand omschreven verbod verbeurt werknemer ten behoeve van werkgever een dadelijk opvorderbare boete van € 2.500,-- voor elke dag, dat hij in overtreding is (…)”.

c. Per 1 oktober 2008 zijn de activiteiten van HVB overgenomen door [Co] & Co [plaats] B.V. Artikel 1.2 van de als productie I.A bij de pleitnota van de advocaat van [geïntimeerde] in eerste aanleg overgelegde “koopovereenkomst activa” luidt als volgt:

“(…) Als gevolg van de overname door Koper van het Verkochte zullen de werknemers zoals gespecificeerd op de als Annex 1 van Bijlage 10 aan deze overeenkomst gehechte lijst conform artikel 7:662 en verder Burgerlijk Wetboek (“BW”) per de Overnamedatum van rechtswege in dienst zijn bij Koper tegen de op de voornoemde lijst opgenomen arbeidsvoorwaarden. De werknemers (al dan niet voorheen) in dienst van Verkoper die ingevolge artikel 7:662 BW per de Overnamedatum in dienst van Koper zullen zijn, worden hierna de ‘Werknemers’, individueel ‘Werknemer’ genoemd (…)”.

d. Hoewel ook [geïntimeerde] - blijkens het als productie I.B bij de hiervoor genoemde pleitnota overgelegde overzicht - in beginsel onder voornoemde overdracht viel, kreeg [geïntimeerde] echter de mededeling dat hij niet in dienst zou treden bij [Co] & Co [plaats] B.V., maar bij [Accountants] & Co Accountants B.V. In dit kader heeft [Accountants] & Co Accountants B.V. aan [geïntimeerde] een (nieuwe) arbeidsovereenkomst aangeboden, die [geïntimeerde] niet heeft ondertekend, onder meer in verband met het bepaalde in de artikelen 4, 5 en 6 van die overeenkomst (geheimhoudingsbeding, concurrentiebeding, verbod tewerkstelling van/samenwerking met personeel, vennoten en partners). (Het hof heeft dit punt verduidelijkt naar aanleiding van grief 1. Dat leidt echter niet tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep.)

e. Op 8 december 2008 is de naam [Co] & Co [plaats] B.V. gewijzigd in [ARP] -ARP [plaats] B.V. ( [appellante] ).

f. Per 1 januari 2010 is [geïntimeerde] in dienst getreden van [appellante] . Bij brief van 9 februari 2010 is, voor zover hier relevant, het navolgende aan [geïntimeerde] meegedeeld:

“(…) Op dit moment ben je in dienst van [Accountants] & Co Accountants B.V. Je bent destijds in dienst getreden van deze BV als gevolg van de inzichten en omstandigheden van dat moment ten aanzien van de WTA en alle aanverwante wet- en regelgeving. De AFM vergunning heeft hierbij ook een belangrijke rol gespeeld. Inmiddels zijn wij tot de conclusie gekomen dat die opzet een te grote druk legt op onze interne administratie en dat het daarom wenselijk is jouw dienstverband te continueren met [ARP] -ARP [plaats] B.V. (…) We vragen je vriendelijk om op basis van bovenstaande in te stemmen met de wijziging per 1 januari 2010 van jouw arbeidsovereenkomst met [Accountants] & Co Accountants B.V. door [ARP] -ARP [plaats] B.V. Graag ontvangen wij indien akkoord één exemplaar van deze brief ondertekend en gedateerd retour aan de afdeling P&O. Volledigheidshalve merken wij hier op dat alle rechten en plichten uiteraard voor ons als werkgever en jou als werknemer onverminderd van kracht blijven. Alle bedingen uit je (schriftelijke) arbeidsovereenkomst blijven dus onverkort en onverminderd van kracht, ook een relatiebeding of andere bedingen of aanspraken (…)”.

g. De brief van 9 februari 2010 is op 10 februari 2010 voor akkoord ondertekend door [geïntimeerde] .

h. Bij brief van 14 januari 2014 heeft [geïntimeerde] zijn dienstverband met [appellante] opgezegd tegen 1 april 2014. Naar aanleiding van de opzegging door [geïntimeerde] van zijn dienstverband bij [appellante] heeft [geïntimeerde] gesprekken gehad met de heer [directeur bij appellante] (hierna: [directeur bij appellante] ), directeur bij [appellante] (tot 4 maart 2014). In die gesprekken heeft [geïntimeerde] te kennen gegeven een aanbod te hebben gehad van een klant van [appellante] om aldaar voor de duur van twee jaar (op parttime basis) in dienst te treden in de functie van financial coach. Voorts heeft [geïntimeerde] bespreekbaar willen maken om, onder eventueel nader overeen te komen condities, na 1 april 2014 werkzaamheden te mogen doen voor enkele klanten van [appellante] , waarmee [geïntimeerde] een bijzondere band heeft opgebouwd. Ten aanzien van dit laatste aspect heeft [directeur bij appellante] [geïntimeerde] verwezen naar de heer [indirect aandeelhouder] (indirect aandeelhouder in [appellante] ). (Het hof ziet geen reden dit punt aan te passen naar aanleiding van grief 1).

i. De heer [indirect aandeelhouder] heeft zich in dit verband beroepen op het destijds tussen [geïntimeerde] en HVB gesloten relatiebeding en heeft zich op het standpunt gesteld dat indiensttreding bij [bedrijf X] B.V. (hierna: [bedrijf X] ) een overtreding oplevert van het relatiebeding, evenals het na 1 april 2014 werken voor klanten die op 31 maart 2014 nog klant zijn bij [appellante] .

3.2.

Het geschil in eerste aanleg

3.2.1.

[geïntimeerde] heeft - kort gezegd - in eerste aanleg in conventie gevorderd:

I Primair: bepaling dat [appellante] geen rechten kan ontlenen aan het tussen [geïntimeerde] en HVB gesloten relatiebeding;

Subsidiair: bepaling dat bedoeld beding niet in de weg staat aan indiensttreding door [geïntimeerde] als parttime financial coach per 1 april 2014 bij [bedrijf X] ;

Meer subsidiair: bepaling dat de werking van het relatiebeding met onmiddellijke ingang wordt geschorst;

Meer subsidiair: bepaling dat de werking van het relatiebeding aldus wordt geschorst dat indiensttreding van [geïntimeerde] bij [bedrijf X] als parttime financial coach kan plaatsvinden;

II Bepaling dat bij afwijzing van de vorderingen onder I [appellante] aan [geïntimeerde] ter compensatie ex artikel 7:653 lid 4 BW een vergoeding dient te betalen van € 5.650,-- per maand.

3.2.2.

[appellante] heeft - kort gezegd - in reconventie gevorderd:

1. [geïntimeerde] te verbieden om in de periode van 1 april 2014 tot 1 april 2016 in loondienst te treden bij [bedrijf X] op verbeurte van de overeengekomen boete dan wel een dwangsom;

2. [geïntimeerde] te verbieden om in de periode van 1 april 2014 tot 1 april 2016 direct dan wel indirect werkzaamheden te verrichten voor cliënten van [appellante] , meer in het bijzonder voor een aantal bij eis in reconventie tevens akte overlegging producties met name genoemde cliënten, op verbeurte van de overeengekomen boete dan wel een dwangsom.

3.2.3.

De kantonrechter heeft bij vonnis waarvan beroep in conventie de primaire en subsidiaire vordering afgewezen omdat dit declaratoire vorderingen betreffen die naar hun aard niet voorlopig kunnen zijn en voorts de (tweede) meer subsidiaire vordering aldus toegewezen, dat de werking van het relatiebeding, zoals opgenomen in de overeenkomst met HVB d.d. 27 december 2007, met ingang van 1 april 2014 is geschorst totdat in een bodemprocedure daarover bij in kracht van gewijsde gegaan vonnis zal zijn beslist, onder bepaling dat in afwachting daarvan geen boete zal worden verbeurd. Verder is [appellante] in de proceskosten veroordeeld en is het meer of anders gevorderde afgewezen.

De kantonrechter heeft in reconventie de vorderingen van [appellante] afgewezen en haar in de proceskosten van [geïntimeerde] veroordeeld.

3.3.

De vorderingen in hoger beroep; spoedeisend belang

[appellante] vordert in hoger beroep alsnog toewijzing van haar vorderingen in reconventie en afwijzing van de vorderingen van [geïntimeerde] in conventie.

[geïntimeerde] heeft geconcludeerd tot bekrachtiging van het vonnis waarvan beroep in conventie en in reconventie.

Het hof is van oordeel dat het vereiste spoedeisend belang aan zijde van beide partijen bij de gevraagde voorzieningen ook in hoger beroep aanwezig is gelet op de aard het geschil.

3.4.

Overgang van onderneming 2008

3.4.1.

In haar tweede grief heeft [appellante] gesteld dat de kantonrechter ten onrechte heeft overwogen dat per 1 oktober 2008 geen sprake is geweest van een overgang van onderneming toen [geïntimeerde] in dienst trad bij [Accountants] & Co Accountants B.V.

3.4.2.

Partijen zijn het er over eens zijn dat de overgang van HVB naar [appellante] in 2008 een overgang van onderneming ex artikel 7:662 BW is geweest (zie mva punt 9). Dit blijkt ook uit r.o. 3.1. sub c. (en e.).

Volgens [geïntimeerde] geldt deze overgang echter niet voor hem en zijn collega [collega van geïntimeerde] (AA/FB); zij zijn in dienst zijn gekomen van [Accountants] & Co Accountants B.V.

[appellante] stelt dat de Wet Toezicht Accountantsorganisaties (WTA)/AFM-richtlijnen ertoe dwongen bepaalde controlewerkzaamheden, waarvoor een AFM-vergunning nodig is, in een aparte onderneming onder te brengen. Dat is volgens haar de reden dat het binnen het concern zo was ingericht dat de accountspraktijk, inclusief de opdrachten van de cliënten en de betrokken medewerkers, was ondergebracht bij [Accountants] & Co Accountants B.V. [appellante] heeft daarom ook een deel van de van HVB gekochte onderneming, te weten de accountantspraktijk, in laatstgenoemde bv ondergebracht vanwege de WTA wet- en regelgeving en de AFM-vergunning. [geïntimeerde] is - als AA - daarom in dienst van [Accountants] & Co Accountants B.V. gekomen, aldus [appellante] .

Naar het oordeel van het hof is voormelde stelling van [appellante] aannemelijk. [geïntimeerde] heeft de reden van het feit dat hij in dienst van [Accountants] & Co Accountants B.V. kwam - hoewel dat kennelijk aanvankelijk niet de bedoeling was, zie r.o. 3.1. sub d. - ook niet betwist.

Volgens het arrest in de zaak [partij] / [tegenpartij] (HvJEG 12 februari 2009, C-466/07) kan Richtlijn 2001/23/EG (welke richtlijn is omgezet in nationaal recht in artikel 7:662 e.v. BW) ook worden toegepast in een situatie waarin het overgedragen onderdeel van de onderneming of de vestiging niet als organisatorische eenheid blijft bestaan, op voorwaarde dat de functionele band tussen de verschillende overgegane productiefactoren wordt gehandhaafd en deze de verkrijger de mogelijkheid biedt om deze productiefactoren te gebruiken om dezelfde of een soortgelijke economische activiteit voort te zetten. Er kan in zoverre een parallel met dit arrest getrokken worden, dat in de onderhavige zaak een onderdeel van de van HVB gekochte onderneming, te weten de accountantspraktijk (met o.a. [geïntimeerde] als AA), om de door [appellante] genoemde reden geïntegreerd is in de door haar gecreëerde structuur. Daarbij is van belang dat door [geïntimeerde] niet dan wel onvoldoende is betwist dat de van HVB gekochte accountantswerkzaamheden één op één zijn gecontinueerd vanuit een nevenvestiging van [Accountants] & Co Accountants B.V, in dezelfde kantoorruimte als die van [appellante] , en dat de van HVB overgenomen adviespraktijk en de administratieve dienstverlening zijn ondergebracht in [appellante] . Voorshands acht het hof dus aannemelijk dat de functionele band tussen de accountantswerkzaamheden enerzijds en de adviespraktijk en administratieve dienstverlening anderzijds is gehandhaafd.

Grief 2 slaagt.

Dat betekent dat het hof voorshands van oordeel is dat de arbeidsovereenkomst van [geïntimeerde] met HVB, inclusief het relatiebeding, op 1 oktober 2008 van rechtswege is overgegaan op [Accountants] & Co Accountants B.V.

3.5.

Overgang van onderneming 2010

3.5.1.

In haar derde grief heeft [appellante] gesteld dat de kantonrechter ten onrechte heeft overwogen dat ook in 2010 geen sprake is geweest van een overgang van onderneming, zodat het relatiebeding in 2010 opnieuw schriftelijk overeengekomen had moeten worden.

3.5.2.

[appellante] heeft gesteld dat per 1 januari 2010 de splitsing (in [appellante] en [Accountants] & Co Accountants B.V.) ongedaan is gemaakt omdat in 2009 was gebleken dat ook op andere wijze aan de eisen voor de AFM-vergunning kon worden voldaan. De AA’s/RA’s mochten volgens nieuwe regels werkzaam zijn bij hun eigen onderneming. De in [Accountants] & Co Accountants B.V. ondergebrachte accountantspraktijk is om die reden met de AA’s/RA’s overgegaan naar [appellante] . Aldus [appellante] .

[geïntimeerde] heeft de door [appellante] gestelde reden voor de overgang - in zijn visie een contractsovername - niet betwist.

Naar het voorlopig oordeel van het hof moet de overgang van de accountspraktijk van [Accountants] & Co Accountants B.V. eveneens worden beschouwd als een overgang van onderneming in de zin van artikel 7:662 BW. Voldoende aannemelijk is dat de accountspraktijk inclusief de opdrachten van de cliënten en de medewerkers een onderdeel met een eigen identiteit is en dat dit onderdeel in zijn geheel (inclusief opdrachten en medewerkers) is ondergebracht bij [appellante] .

Grief 3 slaagt.

Dat betekent dat het hof voorshands van oordeel is dat de arbeidsovereenkomst van [geïntimeerde] met [Accountants] & Co Accountants B.V., inclusief het relatiebeding als vermeld onder r.o. 3.1. sub b., op 1 januari 2010 van rechtswege is overgegaan op [appellante] .

3.6.

Brief 9 februari 2010 van [appellante] aan [geïntimeerde]

Volgens [geïntimeerde] dient uit de brief van 9 februari 2010 te worden afgeleid dat sprake is geweest van contractsovername en dus niet van een overgang van de onderneming, omdat anders niet valt in te zien waarom zijn medewerking werd gevraagd om bij [appellante] in dienst te komen. [geïntimeerde] ziet er met die stelling aan voorbij dat een overgang van een onderneming in de zin van artikel 7:622 BW van rechtswege werkt, zodat niet relevant is of al dan niet de medewerking wordt verlangd. Hooguit betreft het één van de factoren die van belang zijn voor de beoordeling of van een overgang in vorenbedoelde zin sprake is. Het hof is voorshands van oordeel dat dit niet het geval is. Het hiervoor overwogene houdt voorts in dat grief 5, waarin [appellante] stelt dat de kantonrechter ten onrechte heeft geoordeeld dat met de brief van 9 februari 2010 (zie onder r.o. 3.1. sub f. en g.) niet aan het schriftelijkheidsvereiste is voldaan, geen bespreking behoeft.

3.7.

Uitleg relatiebeding

3.7.1.

De zesde grief van [appellante] is gericht tegen de overweging van de kantonrechter dat het relatiebeding niet in de weg staat aan de indiensttreding door [geïntimeerde] bij [bedrijf X] .

3.7.2.

Volgens [appellante] is aan alle verbodsvoorwaarden voldaan gezien de tekst van het relatiebeding. Verder is het relatiebeding volgens haar overduidelijk bedoeld om de werkgever te beschermen tegen het meenemen/wegvallen van omzet. In het geval van [bedrijf X] gaat het om een functie die directe concurrentie met [appellante] meebrengt. Er zal volgens [appellante] een omzet van € 63.000,- per jaar wegvallen.

[geïntimeerde] betoogt dat de ratio van een concurrentie-/relatiebeding is dat de voormalige werkgever niet wordt aangetast in zijn bedrijfsdebiet. [geïntimeerde] stelt dat zijn indiensttreding bij [bedrijf X] daartoe niet leidt. [bedrijf X] is nog steeds klant bij [appellante] ; [geïntimeerde] heeft volgens hem zelfs positief bijgedragen aan het continueren van de relatie tussen [bedrijf X] en [appellante] . [geïntimeerde] nuanceert het door [appellante] genoemde omzetverlies. Deze zou het gevolg zijn van incidentele factoren in 2013 en verder is één van de medewerksters van [bedrijf X] na het afronden van haar opleiding in staat een deel van de voorheen door [appellante] verrichte werkzaamheden over te nemen.

3.7.3.

Het hof oordeelt voorshands als volgt.

De uitleg van een relatiebeding als het onderhavige dient - ook in kort geding - te geschieden aan de hand van de Haviltex-norm. De betekenis van het beding moet worden vastgesteld aan de hand van hetgeen partijen over en weer hebben verklaard en uit elkaars verklaringen en gedragingen, overeenkomstig de zin die zij daaraan in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs mochten toekennen, hebben afgeleid en van hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten.

In dit geval gaat het om de partijen HVB en [geïntimeerde] . Uit de schriftelijke verklaring van de heer [medewerker van HVB] van HVB (hierna: [medewerker van HVB] ) (prod. 11 inl. dagv.) volgt dat het relatiebeding slechts bedoeld was om te verhinderen dat [geïntimeerde] voor bestaande klanten van HVB werkzaamheden zou gaan verrichten en dat het nimmer de bedoeling is geweest dat indiensttreding bij een klant niet zou kunnen of mogen. Verder heeft [medewerker van HVB] verklaard dat het vaker voorkwam dat medewerkers van HVB in dienst traden bij klanten van HVB.

Het hof ziet - anders dan [appellante] - voorshands geen aanleiding om aan de juistheid van deze verklaring te twijfelen. Het hof onderschrijft hetgeen de kantonrechter in r.o. 3.11. van het vonnis waarvan beroep omrent de verklaring van [medewerker van HVB] heeft overwogen.

Naar het voorlopig oordeel van het hof moet aan het relatiebeding dan ook uitsluitend de betekenis worden toegekend dat door [geïntimeerde] geen concurrerende werkzaamheden voor relaties van de ex-werkgever, [appellante] , mogen worden verricht. De werkzaamheden van [geïntimeerde] , inmiddels in dienst getreden van [bedrijf X] als financial coach, kunnen naar het voorlopig oordeel van het hof niet als zodanig worden beoordeeld. Verder staat als onbetwist vast dat [bedrijf X] nog steeds cliënt bij [appellante] is. Gezien de gemotiveerde betwisting door [geïntimeerde] is voorshands niet aannemelijk dat door zijn indiensttreding bij [bedrijf X] , [appellante] omzet zal verliezen. Het hof acht tot slot van belang dat [appellante] kennelijk aanvankelijk geen probleem heeft gemaakt van het feit dat [geïntimeerde] een aanbod had om in dienst te treden bij een klant van [appellante] . [geïntimeerde] heeft dit medio januari 2014 aan [directeur bij appellante] , toen nog directeur van [appellante] , meegedeeld (zie r.o. 3.1. sub h.). Eerst uit de brief van 10 maart 2014 volgt dat [appellante] bezwaar had tegen het dienstverband van [geïntimeerde] bij [bedrijf X] (prod. 9 inl. dagv.).

Grief 6 faalt.

Waar dat toe leidt is weergegeven in r.o. 3.10.

3.7.4.

Grief 7, die er kennelijk van uitgaat dat de kantonrechter heeft geoordeeld dat sprake was van voorafgaande toestemming van [directeur bij appellante] voor de indiensttreding van [geïntimeerde] bij [bedrijf X] , berust op een verkeerde lezing van het vonnis waarvan beroep en behoeft gezien het in r.o. 3.7.3. overwogene overigens geen verdere bespreking.

3.8.

Zwaarder gaan drukken relatiebeding per 1 januari 2010?

3.8.1.

In haar vierde grief heeft [appellante] gesteld dat de kantonrechter ten onrechte heeft overwogen dat het relatiebeding door een gewijzigde functie zo zwaar is gaan drukken, dat het beding in 2010 opnieuw schriftelijk overeengekomen had moeten worden.

3.8.2.

Het hof oordeelt voorshands als volgt. Een relatiebeding, zoals het onderhavige (zie r.o. 3.7.), is een bijzondere vorm van een concurrentiebeding. Een relatiebeding beperkt de werknemer, [geïntimeerde] , echter minder dan een concurrentiebeding omdat het slechts geldt voor de relaties van de (ex)werkgever, [appellante] . Een relatie is een relatie, ongeacht de functie van de door het beding getroffen werknemer, [geïntimeerde] . De discussie omtrent een eventuele functiewijziging en/of aanzienlijke salarisverhoging van [appellante] kan daarom als niet relevant in het midden blijven. Alleen een aanzienlijke uitbreiding van de kring van relaties van de werkgever, [appellante] , zou er wellicht toe kunnen leiden dat het relatiebeding een verderstrekkende omvang krijgt dan bij aanvang van de arbeidsovereenkomst. Dat is echter gesteld noch gebleken.

Dit betekent dat, zij het op andere gronden, grief 4 slaagt.

3.9.

De reconventionele vorderingen

Gezien hetgeen hiervoor is overwogen moet de achtste grief van [appellante] aldus begrepen worden, dat de kantonrechter ten onrechte de reconventionele vorderingen van [appellante] niet heeft toegewezen.

Deze grief slaagt in zoverre, dat het - kort gezegd - [geïntimeerde] gedurende twee jaar na het einde van zijn dienstverband met [appellante] niet is toegestaan werkzaamheden te verrichten voor relaties van [appellante] in de zin als in r.o. 3.7.3. is overwogen.

Voor toewijzing van de wettelijke rente ziet het hof geen grond. Deze komt pas aan de orde indien sprake is van overtreding van het beding door [geïntimeerde] . Eerst dan zal ook een ingangsdatum van de wettelijke rente bekend zijn.

In r.o. 3.10. is weergegeven wat een en ander betekent voor het dictum.

3.10.

Slotsom

Het voorgaande leidt ertoe dat het vonnis waarvan beroep in conventie en in reconventie vernietigd dient te worden. De vordering in conventie als toegewezen door de kantonrechter kan niet gehandhaafd worden. [geïntimeerde] heeft geen incidenteel appel ingesteld. Dat heeft tot gevolg dat (onder meer) de afwijzing van zijn vordering I subsidiair (zie r.o. 3.2.1) niet aan het oordeel van het hof is onderworpen. Wel volgt uit hetgeen hiervoor is overwogen, dat de vordering in reconventie gedeeltelijk wordt toegewezen, in die zin (naar het voorshandse oordeel van het hof) dat het relatiebeding niet in de weg staat aan de indiensttreding bij [bedrijf X] . Omwille van de duidelijkheid zal het hof in conventie verstaan dat het relatiebeding niet aan indiensttreding van [geïntimeerde] bij [bedrijf X] in de weg staat.

De reconventionele vordering onder (r.o. 3.2.2.) 1. wordt afgewezen.

De vordering van [geïntimeerde] in conventie tot betaling van een vergoeding ter compensatie (r.o. 3.2.1. II) wordt niet toegewezen. Er is gelet op het hiervoor overwogene voorshands geen dan wel onvoldoende sprake van een belemmering als bedoeld in artikel 7:653 lid 4 BW.

Grief 9, betreffende het dictum van het vonnis in eerste aanleg, behoeft geen bespreking meer.

Partijen hebben te gelden als over en weer in het ongelijk gesteld in eerste aanleg in conventie en in reconventie. In hoger beroep zijn partijen eveneens over en weer in het ongelijk gesteld. Dat betekent dat de kostenveroordelingen in eerste aanleg vernietigd moeten worden en dat de proceskosten van het hoger beroep tussen partijen gecompenseerd worden.

4 De uitspraak

Het hof:

vernietigt het vonnis in kort geding waarvan beroep in conventie en in reconventie;

opnieuw rechtdoende:

in conventie

verstaat dat het relatiebeding niet aan de indiensttreding van [geïntimeerde] bij [bedrijf X] in de weg staat;

in reconventie

verbiedt [geïntimeerde] om tot 1 april 2016 direct dan wel indirect al dan niet tegen betaling werkzaamheden te verrichten voor cliënten van [appellante] , meer in het bijzonder voor huisartsenpraktijk Het Koetshuis, Serviceresidentie Molenwijck en diverse vennootschappen binnen de Faunagroep op verbeurte van de contractueel overeengekomen boete van

€ 2.500,-- per dag dat [geïntimeerde] handelt in strijd met dit verbod, met dien verstande dat dit verbod niet geldt voor de indiensttreding van [geïntimeerde] bij [bedrijf X] ;

verklaart dit verbod uitvoerbaar bij voorraad;

in conventie en in reconventie

compenseert de proceskosten van de procedure in eerste aanleg tussen partijen zodanig, dat iedere partij de eigen kosten draagt;

compenseert de proceskosten van het hoger beroep tussen partijen zodanig, dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst het meer of anders door partijen in conventie en in reconventie gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. C.E.L.M. Smeenk-van der Weijden, M. van Ham en

R.J. Voorink en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 11 augustus 2015.

griffier rolraadsheer