Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2015:3182

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
11-08-2015
Datum publicatie
13-08-2015
Zaaknummer
HD 200.135.298_01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

derdenwerking exoneratiebeding

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 217
Burgerlijk Wetboek Boek 6 227
Burgerlijk Wetboek Boek 6 233
Burgerlijk Wetboek Boek 6 235
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RCR 2015/82
JA 2015/129
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer HD 200.135.298/01

arrest van 11 augustus 2015

in de zaak van

1 Varkens K.I. Nederland B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,

2. Topigs Nederland B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,

appellanten in het principaal hoger beroep,

geïntimeerden in het incidenteel hoger beroep,

hierna aan te duiden als Varkens K.I. c.s.,

advocaat: mr. G.R.A.G. Goorts te Deurne,

tegen

[geïntimeerde] , voorheen h.o.d.n. [geïntimeerde] Advies,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde in het principaal hoger beroep,

appellante in het incidenteel hoger beroep,

hierna aan te duiden als [geïntimeerde] ,

advocaat: mr. G.C. Vergouwen te Eindhoven,

op het bij exploot van dagvaarding van 19 augustus 2013 ingeleide hoger beroep van het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 5 juni 2013, gewezen tussen Varkens K.I. c.s. als eiser en [geïntimeerde] als gedaagde.

1 Het geding in eerste aanleg (zaaknr. C/02/242623/HA ZA 11-1491)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding in hoger beroep;

  • -

    de memorie van grieven, tevens akte houdende wijziging van eis, met één productie;

  • -

    de memorie van antwoord in principaal appel, tevens houdende memorie van grieven in incidenteel appel;

  • -

    de memorie van antwoord in incidenteel appel.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De beoordeling

In het principaal en incidenteel hoger beroep.

3.1.

In dit hoger beroep zal, bij gebreke van daartegen gerichte grieven, worden uitgegaan van de feiten zoals vastgesteld in 3.1. van het bestreden vonnis.

In het principaal hoger beroep.

3.2.

In de onderhavige procedure vorderen Varkens K.I. c.s., met wijziging van eis in hoger beroep, kort samengevat vernietiging van het bestreden vonnis, vernietiging van de algemene voorwaarden van [geïntimeerde] voor zover deze van toepassing zijn tussen [geïntimeerde] en Varkens KI en/of CVZ, schadevergoeding ten behoeve van Varkens KI ten bedrage van

€ 415.375,-- en ten behoeve van Topigs van € 166.847,-- met rente, terugbetaling van proceskosten ingevolge het vonnis in eerste aanleg, betaling van buitengerechtelijke kosten ten bedrage van € 5.160,-- met rente en veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten met nakosten en wettelijke rente. Voor een volledige weergave van de vordering van Varkens K.I. c.s. wordt verwezen naar hetgeen is vermeld op blz. 23 en 24 van de memorie van grieven onder de conclusie I tot en met V.

3.3.

Aan deze vordering hebben Varkens K.I. c.s. ten grondslag gelegd dat [geïntimeerde] tekort is geschoten in de nakoming van haar verplichtingen uit een overeenkomst van opdracht, dan wel dat [geïntimeerde] onrechtmatig jegens Varkens K.I. c.s. heeft gehandeld.

Varkens K.I. c.s. verwijten [geïntimeerde] dat zij de Staat niet namens de juiste rechtspersonen, te weten Varkens K.I. c.s., aansprakelijk heeft gesteld voor door Varkens K.I. c.s. geleden schade als gevolg van door de Staat opgelegde fokverboden, welke onverbindend zijn gebleken. Hierdoor is het vorderingsrecht van Varkens K.I. jegens de Staat verjaard.

3.4.

Varkens K.I. c.s. hebben in hoger beroep zes grieven aangevoerd. Voor de inhoud daarvan wordt naar de memorie van grieven verwezen.

3.5.

[geïntimeerde] heeft verweer gevoerd tegen voormelde vorderingen en concludeert tot bekrachtiging van het vonnis, waarvan beroep.

In het incidenteel hoger beroep.

3.6.

[geïntimeerde] vordert in incidenteel hoger beroep, samengevat, gedeeltelijke vernietiging van het vonnis waarvan beroep conform de door haar aangevoerde grieven en opnieuw afwijzing van de vorderingen van Varkens K.I. c.s. en veroordeling van Varkens KI in de proceskosten met wettelijke rente en nakosten. Zij heeft hiertoe drie grieven opgeworpen

Voor de inhoud daarvan wordt naar de memorie van grieven in het incidenteel appel verwezen.

3.7.

Varkens K.I. c.s. hebben verweer gevoerd tegen de door [geïntimeerde] aangevoerde grieven.

In het principaal hoger beroep.

3.8.

Hierna zullen allereerst de grieven in het principaal hoger beroep worden besproken.

Overeenkomst van opdracht tussen Varkens K.I. c.s. en [geïntimeerde] ?

3.9.

Grief I van Varkens K.I. c.s. richt zich tegen het oordeel van de rechtbank dat Varkens K.I. c.s. hun stelling, dat tussen hen en [geïntimeerde] een overeenkomst van opdracht tot stand is gekomen, onvoldoende feitelijk hebben onderbouwd.

[geïntimeerde] heeft deze grief betwist.

3.10.

Met de overwegingen van de rechtbank in 3.7. van het bestreden vonnis is het hof het eens. Ingevolge artikel 6:217 BW komt een overeenkomst tot stand door een aanbod en de aanvaarding daarvan. Varkens K.I. c.s. hebben echter geen feiten of omstandigheden gesteld op grond waarvan zou kunnen worden geconcludeerd dat Varkens K.I. c.s. een aanbod hebben gedaan aan [geïntimeerde] of vice versa om Varkens K.I. c.s. juridisch te adviseren ter zake van de aansprakelijkstelling van de Staat voor door Varkens K.I. c.s. geleden schade vanwege onverbindend gebleken fokverboden en dat zo’n aanbod is aanvaard door [geïntimeerde] .

Evenmin is gesteld wie van Varkens K.I. c.s. bij de totstandkoming van de gestelde overeenkomst van opdracht is betrokken, dat wil zeggen wie van hen een aanbod heeft gedaan aan [geïntimeerde] .

Voorts is niet gesteld wanneer het aanbod zou zijn gedaan en wanneer het zou zijn aanvaard.

Tenslotte is niets gesteld over de inhoud van de overeenkomst. Immers ingevolge artikel 6:227 BW dienen de verbintenissen die partijen op zich nemen, bepaalbaar te zijn.

3.11.

De brief van [geïntimeerde] van 1 juli 1998, waarnaar Varkens K.I. c.s. in de toelichting op hun grief verwijzen, is een bevestiging van afspraken tussen CVZ-Groep B.V. en [geïntimeerde] . De zinsnede in die brief dat [geïntimeerde] door een van de werkmaatschappijen (waaronder Varkens K.I. c.s.) zal worden ingeschakeld voor het geven van adviezen en het uitvoeren van werkzaamheden op juridisch gebied, brengt niet mee dat daarmee reeds een overeenkomst ook tussen Varkens K.I. c.s. en [geïntimeerde] tot stand is gekomen, noch dat Varkens K.I. c.s. aan [geïntimeerde] daadwerkelijk hebben verzocht hen bij te staan bij de aansprakelijkstelling van de Staat, welke aansprakelijkstelling pas aan de orde kwam nadat het College van beroep voor het bedrijfsleven in haar uitspraak van 3 augustus 2001 de fokverboden onverbindend had verklaard, en dat [geïntimeerde] dit verzoek heeft aanvaard. Hieromtrent stelt Varkens K.I. echter niets.

3.12.

Varkens K.I. c.s. voeren in de toelichting op hun grief voorts nog aan dat het vóór 1 juli 1998 praktijk was dat [geïntimeerde] in rechtstreekse opdracht van de werkmaatschappijen werkzaam is geweest. Ook deze stelling betreffende een algemene praktijk kan niet tot de conclusie leiden dat tussen partijen daadwerkelijk ter zake het specifieke geval van de aansprakelijkstelling van de Staat in augustus 2001 een overeenkomst van opdracht tot stand is gekomen. Een dergelijke conclusie kan ook niet worden getrokken op basis van de aansprakelijkstelling zelf, die is verzonden op briefpapier van CVZ-Groep en die blijkens haar inhoud ook een schade van CVZ-Groep betreft.

3.13.

In de toelichting op hun grief beroepen Varkens K.I. c.s. zich nog op bijlage 17 bij hun akte in eerste aanleg, een door [geïntimeerde] opgesteld stuk waarin zij op pagina 2 (zesde alinea) opmerkt dat zij, [geïntimeerde] , met opzet de aansprakelijkstelling van CVZ-groep B.V. heeft laten uitgaan, omdat de holding altijd zal blijven bestaan ongeacht alle fusies e.d. van de dochters. Dit kan echter evenmin tot de conclusie leiden dat tussen partijen een overeenkomst van opdracht is gesloten. Voormeld stuk geeft geen enkel aanknopingspunt voor de conclusie dat Varkens K.I. c.s. opdrachtgever van [geïntimeerde] waren toen [geïntimeerde] de aansprakelijkstellingen van 4 september 2001, 14 december 2001 en 19 juli 2002 heeft opgesteld.

3.14.

Tenslotte geeft ook de verklaring van Ir. [oud-directeur] , overgelegd bij memorie van grieven, geen enkel handvat voor de conclusie dat Varkens K.I. c.s. aan [geïntimeerde] opdracht hebben gegeven werkzaamheden ter zake van voormelde aansprakelijkstelling te verrichten.

3.15.

De slotsom op grond van het voorgaande is dat Varkens K.I. c.s. onvoldoende feiten en omstandigheden hebben gesteld, die -indien ze zouden vast komen te staan- tot de conclusie zouden kunnen leiden dat tussen Varkens K.I. en [geïntimeerde] een overeenkomst van opdracht tot stand is gekomen. Het bewijsaanbod van Varkens K.I. wordt op grond van het voorgaande gepasseerd. Al het voorgaande maakt dat grief I faalt.

Algemene voorwaarden van [geïntimeerde] overeengekomen tussen CVZ-groep B.V. en [geïntimeerde] ?

3.16.

Grief III richt zich tegen het oordeel van de rechtbank dat CVZ-Groep B.V. en [geïntimeerde] de tot 1 januari 2001 door [geïntimeerde] gehanteerde algemene voorwaarden zijn overeengekomen.

[geïntimeerde] is het met dit oordeel eens.

3.17.

De stelling van Varkens K.I. c.s., dat de overeenkomst tussen CVZ-Groep B.V. en [geïntimeerde] tot stand is gekomen door aanvaarding door CVZ-Groep B.V. op 9 maart 1998 van het door [geïntimeerde] op 2 maart 1998 gedane aanbod, zoals een en ander blijkt uit bijlage 16 bij conclusie van repliek, laat onverlet dat de brief van 1 juli 1998, waarvan bij conclusie van antwoord als productie 1 slechts het eerste blad is overgelegd maar waarvan de rechtbank onbestreden heeft overwogen dat CVZ deze brief voor akkoord heeft getekend, uitdrukkelijk de algemene voorwaarden van [geïntimeerde] van toepassing verklaart. In het geval dat, zoals Varkens K.I. c.s. betoogt, al op 9 maart 1998 een overeenkomst tussen [geïntimeerde] en CVZ-Groep B.V. tot stand is gekomen waarop niet de algemene voorwaarden van [geïntimeerde] van toepassing zijn verklaard, dient de brief van 1 juli 1998 van [geïntimeerde] gezien te worden als een voorstel tot aanvulling van de op 9 maart 1998 gesloten overeenkomst. Nu tussen partijen vast staat dat de brief van 1 juli 1998 voor akkoord werd ondertekend door CVZ-Groep B.V., zijn de toen geldende algemene voorwaarden van [geïntimeerde] tussen haar en CVZ-Groep B.V. overeengekomen.

3.18.

Varkens K.I. c.s. stellen, dat [geïntimeerde] geen opdrachtbevestiging voor de onderhavige werkzaamheden in het geding heeft gebracht, zodat het theoretisch denkbaar is dat de onderhavige werkzaamheden zijn verricht onder gewijzigde condities.

Het opperen van een theoretische mogelijkheid wordt als een onvoldoende stelling van Varkens K.I. c.s. beschouwd. Zij hebben ook geen feiten of omstandigheden gesteld op grond waarvan zou kunnen worden geconcludeerd dat [geïntimeerde] en CVZ-Groep B.V. ter zake van de aansprakelijkstelling van de Staat andere voorwaarden zijn overeengekomen dan de door [geïntimeerde] gestelde.

Het voorgaande brengt mee dat ervan dient te worden uitgegaan dat de brief van 1 juli 1998 en de daarin genoemde algemene voorwaarden de grondslag vormen voor de door [geïntimeerde] in opdracht van CVZ-Groep B.V. uitgevoerde werkzaamheden ter zake de aansprakelijkstelling van de Staat.

3.19.

Grief III wordt verworpen op bovenstaande gronden.

Algemene voorwaarden vernietigbaar?

3.20.

In grief IV stellen Varkens K.I. c.s. dat de algemene voorwaarden niet aan CVZ-Groep B.V. en niet aan Varkens K.I. c.s. ter hand zijn gesteld, zodat aan hen geen redelijke mogelijkheid is geboden om van de voorwaarden kennis te nemen. Daarom komen de algemene voorwaarden op grond van artikel 6:233 sub b BW voor vernietiging in aanmerking, hetgeen Varkens K.I. c.s. thans in hoger beroep vorderen.

[geïntimeerde] heeft dit betwist.

3.21.

Ingevolge artikel 6:235 aanhef en sub a en b BW kan op voormelde vernietigingsgrond geen beroep worden gedaan door een rechtspersoon bedoeld in artikel 360 van Boek 2, die ten tijde van het sluiten van de overeenkomst laatstelijk zijn jaarrekening openbaar heeft gemaakt of bij wie op dat moment vijftig of meer personen werkzaam zijn. In artikel 2:360 lid 1 BW wordt de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid genoemd. Van deze rechtsvorm bedient CVZ-Groep B.V. zich kennelijk.

In haar conclusie van dupliek (nr. 70) heeft [geïntimeerde] naar voren gebracht dat Varkens K.I. c.s. in 1998 en tot en met 2002 hun eigen jaarrekeningen openbaar hebben gemaakt, en dat er bovendien bij de onderneming van Varkens K.I. c.s. ten tijde van het sluiten van de overeenkomst tussen CVZ en [geïntimeerde] meer dan vijftig personen werkzaam waren. Varkens K.I. c.s. hebben het voorgaande niet betwist, zodat dit vast staat. Aan Varkens K.I. c.s. komt dus reeds op deze grond geen beroep toe op de aangevoerde vernietigingsgrond.

3.22.

Grief IV slaagt niet, zoals volgt uit hetgeen hiervoor is overwogen.

Onrechtmatig handelen van [geïntimeerde] jegens Varkens K.I. c.s.?

3.23.

Grief II van Varkens K.I., welke uitgaat van de juistheid van het oordeel van de rechtbank dat [geïntimeerde] onrechtmatig jegens Varkens K.I. c.s. heeft gehandeld, richt zich tegen het oordeel van de rechtbank, dat Varkens K.I. de algemene voorwaarden van [geïntimeerde] , waaronder een exoneratiebeding in artikel 11 lid 1 van die voorwaarden, tegen zich moet laten gelden. [geïntimeerde] heeft in incidenteel hoger beroep betwist dat zij jegens Varkens K.I. c.s. onrechtmatig zou hebben gehandeld. Voorts heeft zij aangevoerd dat zij de beperking van aansprakelijkheid tot gevallen van opzet of grove schuld wel aan Varkens K.I. c.s. kan tegenwerpen.

3.24.

Het hof zal grief II hieronder bespreken. Daarbij gaat het hof veronderstellenderwijs uit van de juistheid van het oordeel van de rechtbank onder 3.9. en 3.10. van het bestreden vonnis, dat [geïntimeerde] onrechtmatig jegens Varkens K.L. c.s. heeft gehandeld.

Exoneratie?

3.25

Voorop wordt gesteld dat uitgangspunt is dat overeenkomsten alleen partijen bij die overeenkomst binden en dat derhalve contractuele bedingen in beginsel alleen van kracht zijn tussen handelende partijen. Dit beginsel kan onder bepaalde omstandigheden uitzondering lijden in dier voege dat een derde een overeenkomst of haar bedingen in redelijkheid tegen zich moet laten gelden. Die uitzondering kan slechts worden aangenomen indien hiertoe een voldoende rechtvaardiging kan worden gevonden in de aard van het desbetreffende geval. Dit kan aan de orde zijn door gedragingen van de derde en door de bijzondere aard van de relatie waarin de derde stond tot de partij die zich op de overeenkomst beroept, waardoor bij laatstgenoemde partij het gerechtvaardigde vertrouwen werd gewekt dat zij zich ook jegens de derde op de overeenkomst of haar bedingen kan beroepen (zie HR 7 maart 1969 NJ 1969, 249; HR 12 januari 1979 NJ 1979, 362; HR 21 januari 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA4429; HR 24 september 2009, ECLI:NL:HR:2004:AO9069; HR 20 januari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BT7496; HR 26 november 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM9757; HR 11 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1627; Hof ’s-Hertogenbosch 17 maart 2015, ECLI:NL:GHSHE:2015:915) .

3.26.

Tussen CVZ-Groep B.V. en [geïntimeerde] gold, gezien hetgeen hiervoor ten aanzien van grieven III en IV is overwogen, het exoneratiebeding van artikel 11 lid 1 van de algemene voorwaarden van [geïntimeerde] . In voormelde bepaling is in beide overgelegde versies van de algemene voorwaarden gelijkluidend bepaald:

“Juridisch adviesburo [geïntimeerde] is tegenover de opdrachtgever aansprakelijk voor de schade door deze geleden als rechtstreeks gevolg van grove schuld van Juridisch adviesburo [geïntimeerde] zelf of van degene die Juridisch adviesburo [geïntimeerde] met de uitvoering van de opdracht heeft belast, met inachtneming van de beperkingen zoals hieronder geformuleerd (hof: verwezen wordt naar de leden 2 tot en met 6 van dit artikel) en de overigens op de opdracht toepasselijke bepalingen en met uitsluiting van iedere verdere aansprakelijkheid.”

3.27.

Uit de bij memorie van grieven overgelegde verklaring van Ir. [oud-directeur] , blijkt dat hij, [oud-directeur] een schadeberekening heeft opgesteld, dat CVZ die door [geïntimeerde] heeft laten indienen bij de Staat, dat hij, [oud-directeur] , als directeur van Varkens K.I. Noord Brabant (rechtsvoorganger van Varkens K.I. Nederland B.V.) intensief betrokken is geweest bij de opstelling van de schadeclaim, dat hij, [oud-directeur] , de drijvende kracht is geweest in het doorzetten van het proces richting het ministerie toen bleek dat de overheid laakbaar had gehandeld bij het instellen van het fokverbod, dat dit langlopend proces vanaf den beginne is begeleid door [geïntimeerde] en dat in het begin de overleggen frequent waren. Uit het voorgaande blijkt een nauwe samenwerking tussen CVZ-Groep B.V., Varkens K.I. c.s. en [geïntimeerde] ter zake van de aansprakelijkstelling van de Staat.

Voorts is van belang dat, nu daaromtrent door Varkens K.I. c.s. niets anders is gesteld of gebleken, het er voor wordt gehouden dat Varkens K.I. c.s. aan CVZ-Groep B.V. bij het door haar, CVZ-Groep B.V., verlenen van de opdracht aan [geïntimeerde] ter zake van de aansprakelijkstelling van de Staat de vrije hand hebben gelaten, terwijl de schade, zoals Varkens K.I. c.s. zelf stelt, door Varkens K.I. c.s. is geleden.

Van belang wordt ook nog geacht dat voormelde aansprakelijkheidsbeperking niet van dien aard is dat Varkens K.I. c.s. met het bestaan van een dergelijk beding geen rekening hadden behoeven te houden.

Tenslotte wordt van belang geacht dat Varkens K.I. c.s. 100% dochtervennootschappen van CVZ-Groep B.V. zijn.

Gelet op het voorgaande hebben Varkens K.I. c.s. een situatie in het leven geroepen waarin [geïntimeerde] ervan uit kon en mocht gaan dat de exoneratie ook jegens Varkens K.I. c.s. zouden gelden.

Dit brengt mee dat de rechtbank, uitgaande van haar oordeel dat [geïntimeerde] de belangen van Varkens K.I. c.s. heeft behartigd, terecht heeft geoordeeld dat Varkens K.I. c.s. voormelde exoneratie tegen zich moeten laten gelden.

3.28.

Varkens K.I. c.s. voeren voorts aan dat, indien zij het exoneratiebeding tegen zich moet laten gelden, het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat [geïntimeerde] hierop een beroep doet. Varkens K.I. c.s. brengen hiertoe naar voren dat [geïntimeerde] opzettelijk en bewust de Staat aansprakelijk heeft gesteld namens een andere partij dan degene die de schade heeft geleden en dat [geïntimeerde] dus wist dat de door haar ondernomen actie juridisch niet juist was.

[geïntimeerde] heeft dit betwist.

3.29.

Varkens K.I. c.s. beroepen zich ter onderbouwing van hun voormelde stelling op bijlage 17 bij hun akte. Echter uit die bijlage blijkt niet dat [geïntimeerde] , wetende dat of de aanmerkelijke kans aanvaardende dat een aansprakelijkstelling van de Staat, uitgaande van CVZ-Groep B.V. de lopende verjaringstermijn voor Varkens K.I. c.s. niet zou stuiten, toch heeft gewild dat alleen door CVZ-Groep B.V. een aansprakelijkstelling zou uitgaan.

Dit beroep wordt dus verworpen.

3.30.

Tenslotte hebben Varkens K.I. c.s. aangevoerd dat [geïntimeerde] zich niet kan exonereren omdat [geïntimeerde] verzekerd is.

[geïntimeerde] heeft dit betwist.

3.31.

Het enkele feit dat [geïntimeerde] zich heeft verzekerd tegen aansprakelijkheid, kan er niet toe leiden dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat [geïntimeerde] een beroep op het exoneratiebeding doet.

3.32.

Grief II wordt op grond van al het bovenstaande verworpen.

Grove schuld?

3.33.

In grief V werpen Varkens K.I. c.s. op dat er sprake is van grove schuld van [geïntimeerde] , omdat zij er welbewust voor heeft gekozen om de Staat niet aansprakelijk te stellen namens Varkens K.I. c.s., dat zij dit zonder overleg met Varkens K.I. heeft gedaan en dat [geïntimeerde] heeft getracht de schadevergoeding bij CVZ-Groep B.V. terecht te laten komen.

[geïntimeerde] heeft het voorgaande betwist.

3.34.

In artikel 11 lid 1 van de algemene voorwaarden, gedateerd 1 februari 1994, is bepaald dat [geïntimeerde] tegenover de opdrachtgever aansprakelijk is voor de schade door deze geleden als rechtstreeks gevolg van grove schuld van [geïntimeerde] en met uitsluiting van iedere verdere aansprakelijkheid.

Het begrip grove schuld is in de algemene voorwaarden niet nader gedefinieerd. Nu daaromtrent niets anders is gesteld of gebleken gaat het hof uit van hetgeen daaronder in de rechtspraak doorgaans wordt verstaan, te weten een in laakbaarheid aan opzet grenzende schuld.

Ter onderbouwing van hun standpunt verwijzen Varkens K.I. c.s. naar bijlage 17 bij hun akte in eerste aanleg. Zoals al in 3.19. is overwogen blijkt uit voormelde bijlage niet dat [geïntimeerde] , wetende of de aanmerkelijke kans aanvaardende dat een aansprakelijkstelling van de Staat, uitgaande van CVZ-Groep B.V. de lopende verjaringstermijn voor Varkens K.I. c.s. niet zou stuiten, toch heeft gewild dat alleen door CVZ-Groep B.V. een aansprakelijkstelling zou uitgaan. Evenmin blijkt uit die verklaring dat [geïntimeerde] enige kans heeft aanvaard dat de door haar opgestelde aansprakelijkstelling de verjaringstermijn niet zou stuiten en dat zij niettemin de aansprakelijkstelling zo heeft laten uitgaan zoals zij gedaan heeft. [geïntimeerde] heeft de aansprakelijkstelling kennelijk zo doen uitgaan in de, achteraf onjuist gebleken, veronderstelling dat het zo juist juridisch het veiligste was.

Dat, zoals Varkens K.I. c.s. stelt, [geïntimeerde] geen overleg heeft gehad met Varkens K.I. c.s. over de wijze van aansprakelijkstelling maakt niet dat [geïntimeerde] grove schuld kan worden verweten ten aanzien van haar opdracht om de Staat aansprakelijk te stellen en de verjaringstermijn te stuiten.

Tenslotte brengt de door Varkens K.I. gestelde omstandigheid, dat [geïntimeerde] heeft getracht de vergoeding bij CVZ-Groep B.V. terecht te laten komen, evenmin mee dat tot grove schuld kan worden geconcludeerd. Immers ook al heeft [geïntimeerde] in een sommatie het rekeningnummer van CVZ – degene namens wie de aansprakelijkstelling uitging - genoemd, daarmee is nog niet gezegd dat bedoeld was de schadevergoeding niet bij de werkmaatschappijen te laten terechtkomen.

Het voorgaande brengt mee dat Varkens K.I. c.s. onvoldoende hebben gesteld om te kunnen concluderen dat [geïntimeerde] grove schuld bij de uitvoering van haar opdracht kan worden verweten. [geïntimeerde] komt derhalve een beroep toe op voormeld exoneratiebeding.

3.35.

Op grond van het voorgaande faalt grief V.

Bewijs.

3.36.

Varkens K.I. c.s. doen nog een bewijsaanbod, maar dit wordt gepasseerd omdat er geen relevante feiten of omstandigheden vaststelling behoeven die tot de beslissing van deze zaak kunnen leiden.

Slotsom.

3.37.

Aangezien alle grieven in het principaal hoger beroep falen, zal het bestreden vonnis worden bekrachtigd. Het voorgaande brengt mee dat [geïntimeerde] geen belang heeft bij bespreking van haar weren, voor zover die hiervoor niet zijn besproken.

Proceskosten.

3.38.

Nu het bestreden vonnis zal worden bekrachtigd, zal grief VI van Varkens K.I. c.s., waarin bezwaren worden geuit tegen de proceskostenveroordeling door de rechtbank, worden verworpen.

Varkens K.I. c.s. zullen als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van het hoger beroep worden veroordeeld. Die kosten aan de zijde van [geïntimeerde] zullen worden vastgesteld op € 1.553,- aan griffierecht, op € 3.985,- voor salaris advocaat overeenkomstig het liquidatietarief (1 punt; Tarief VII bij principaal appel van rechtbank op hof) en op € 131,- ter zake van de na de uitspraak nog vallende salariskosten voor de advocaat..
De door [geïntimeerde] gevorderde wettelijke rente over de proceskostenveroordeling zal als gevorderd worden toegewezen.

In het incidenteel hoger beroep.

3.39

Aangezien de grieven in het principaal appel zijn verworpen en het bestreden vonnis zal worden bekrachtigd, is het niet nodig om de grieven in het incidenteel appel te bespreken.

[geïntimeerde] vordert in het incidenteel appel immers geen andere uitspraak dan de rechtbank al heeft uitgesproken, welke uitspraak wordt bekrachtigd.

3.40

Overigens merkt het hof op dat de vraag of [geïntimeerde] onrechtmatig heeft gehandeld jegens Varkens K.I. c.s. (grieven a en b) onbesproken kan blijven, omdat ook als dat het geval zou zijn, zoals bij de bespreking van grief II is aangenomen, de beperking van aansprakelijkheid tot opzet of grove schuld aan toewijzing van het door Varkens K.I. c.s. gevorderde in de weg staat.

Grief c betreffende het beroep van [geïntimeerde] op verval op grond van artikel 11 lid 3 van haar algemene voorwaarden en de verweren van [geïntimeerde] ter zake van verval op grond van artikel 6:89 BW, verjaring en rechtsverwerking, behoeven gelet op het voorgaande geen bespreking.

3.41.

Nu, gegeven het voorgaande, het incidenteel appel niet nodig was, zal daarvoor geen kostenveroordeling worden uitgesproken.

4 De uitspraak

Het hof:

In het principaal en incidenteel hoger beroep

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt Varkens K.I. c.s. hoofdelijk aan [geïntimeerde] haar proceskosten te betalen, welke worden begroot op € 5.669,-, te vermeerderen met de wettelijke rente wanneer voormeld bedrag niet binnen 14 dagen na dit arrest is voldaan en verklaart deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. P.M.A. de Groot-van Dijken, O.G.H. Milar en R.J.M. Cremers en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 11 augustus 2015.

griffier rolraadsheer