Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2015:308

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
03-02-2015
Datum publicatie
04-02-2015
Zaaknummer
HD 200.074.910_01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Acquisitiefraude door verzending van spookbrieven. Bewijslast en bewijslevering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ̓s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer HD 200.074.910/01

arrest van 3 februari 2015

in de zaak van

1 [Beheer] Beheer B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats], kantoorhoudende te [kantoorplaats],

2. [appellant 2],

wonende te [woonplaats],

3. [appellant 3],

zonder bekende woon- of verblijfplaats,

4. [appellant 4],

wonende te [woonplaats],

5. [Industries] Industries B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats], kantoorhoudende te [kantoorplaats] (België),

appellanten,

advocaat: mr. A.M. Rottier te ’s-Hertogenbosch,

tegen:

1 [K.I.N.] S.A.,

gevestigd te [vestigingsplaats] (Frankrijk),

2. [geïntimeerde 2]

gevestigd te [vestigingsplaats],

geïntimeerden,

advocaat: mr. O.F.A.W. van Haperen te Rotterdam,

op het bij exploot van dagvaarding van 27 september 2010 ingeleide hoger beroep van de door de rechtbank ’s-Hertogenbosch gewezen vonnissen van 14 april 2010 en 7 juli 2010 tussen appellanten - [appellanten c.s.] - als gedaagden en geïntimeerden - [geïntimeerden] - als eiseressen.

1 Het geding in eerste aanleg (zaaknummer/rolnummer: 195511/HA ZA 09-1478)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormelde vonnissen en naar de tussenvonnissen van 16 september 2009 en 12 mei 2010.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep van 27 september 2010 met een productie;

- de memorie van grieven van [appellanten c.s.] van 20 maart 2012;

- de memorie van antwoord van [geïntimeerden] van 13 augustus 2013 met twee producties.

Partijen hebben arrest gevraagd. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De gronden van het hoger beroep

Voor de inhoud van de grieven verwijst het hof naar de memorie van grieven.

4 De beoordeling

4.1

De vaststelling van de feiten in het tussenvonnis van 14 april 2010 onder 2. is niet bestreden, zodat het hof ook in hoger beroep hiervan uitgaat. Deze vaststelling luidt als volgt (met verbetering van enkele kennelijke tikfouten):

2.1.

[geïntimeerden] is al zestig jaar actief en thans internationaal marktleider op het gebied van het verzamelen en tegen betaling aan haar klanten beschikbaar stellen van “business-informatie”. Zij beschikt in dat verband over merkinschrijvingen.

2.2.

In december 2009 werd [geïntimeerden] geconfronteerd met een grote acquisitiefraude, waarbij haar (handels)naam en merken werden gebruikt. Op (niet van [geïntimeerden] afkomstig) briefpapier met haar merk en logo, ondertekend door “Ing. Mr. [Algemeen Directeur], Algemeen Directeur” werden (potentiële) klanten van [geïntimeerden] benaderd met verzoek om bedrijfsgegevens ter beschikking te stellen. Het gaat daarbij om honderden van dergelijke spookbrieven.

Deze spookbrieven vermelden in het briefhoofd:

- het adres “[adres 1]”, zijnde de woning van [appellant 2], en tot voor kort ook het woonadres van [appellant 3] en het vestigingsadres van [Beheer] BV;

- het telefoon- en faxnummer [telefoon- en faxnumer] (sedert februari 2009 buiten gebruik) dat van “Standindustries Exhibition Services”, met een postbus te [vestigingsplaats] was;

- een niet bestaand banknummer [banknummer] en een niet bestaand btw-nummer [btw-nummer].

2.3.

De gegevens die klanten van [geïntimeerden] in haar databestanden kunnen verkrijgen, worden uitsluitend via het opgegeven emailadres van de klant beschikbaar gesteld. Na onderzoek bleek dat zich in november 2008 als klant van [geïntimeerden] had gemeld: “[appellant 4]”, namens “[Industries] BV, [vestigingsadres] te [vestigingsplaats]” en dat [geïntimeerden] naar het daarbij opgegeven emailadres “[emailadres]” in november 2008 ruim 500 bedrijfsadressen had verzonden.

2.4.

Op 25 februari 2009 heeft [geïntimeerden] aan het adres [adres 1] te [plaats] conservatoir beslag doen leggen op:

- een doos met circa 700 vellen van het spookbriefpapier met het logo van [geïntimeerden];

- enveloppen met het logo van [geïntimeerden];

- diverse bestanden op twee aldaar aanwezige computers, waaronder in een Toshiba laptop een Word-document dat in het beslagexploot wordt omschreven als: een brief d.d. 30 oktober 2008 van [geïntimeerden] B.V., gericht aan Sony GMBH, welke brief blijkens de aan het proces-verbaal van beslaglegging gehechte kopie inhoudelijk identiek is aan de hiervoor beschreven spookbrieven.

2.5.

Kort na deze beslagleggingen heeft [Beheer] BV haar vestigingsadres verplaatst van: [adres 1] te [vestigingsplaats] naar [vestigingsadres] te [vestigingsplaats], het woonadres van [appellant 4] en vestigingsadres van [Industries] Industries BV.

2.6.

De voor [appellant 2] bestemde dagvaarding in deze zaak is door de deurwaarder op het adres [adres 1] uitgereikt aan: “..de heer [Algemeen Directeur], haar vriend aldaar aanwezig die mij toezegde deze stukken af te geven aan gedaagde”.

4.2

In deze procedure stelt [geïntimeerden] dat het verzenden van de spookbrieven een inbreuk vormt op haar auteursrechten, merkrechten en handelsnaam, althans jegens haar onrechtmatig is. [geïntimeerden] houdt [appellanten c.s.] hiervoor aansprakelijk, omdat uit de zaken en informatie die in beslag zijn genomen op het toenmalige vestigingsadres van [Beheer] BV aan de [adres 1] te [vestigingsplaats] blijkt dat [Beheer] BV die onrechtmatige daad heeft gepleegd althans dat die is gepleegd op haar toenmalige vestigingsadres. Toentertijd was [appellant 2] enig aandeelhoudster en met [appellant 3] bestuurder van [Beheer] BV. Zij zijn volgens [geïntimeerden] medeverantwoordelijk voor het onrechtmatig handelen door [Beheer] BV op haar vestigingsadres.[appellant 4] en [Industries] Industries BV zijn hierin volgens [geïntimeerden] als mededaders aan te merken, omdat [Industries] Industries BV (bestuurder: [appellant 4]) zich als klant bij [geïntimeerden] heeft geprofileerd en de bedrijfsgegevens heeft verkregen van de bedrijven aan wie de spookbrieven zijn geschreven.

Op grond hiervan vorderde [geïntimeerden] in eerste aanleg, samengevat:

  1. een verklaring voor recht dat gedaagden ieder voor zich door het verzenden van de spookbrieven inbreuk maken op de auteursrechten, de merkrechten en de handelsnaam van [geïntimeerden], althans jegens [geïntimeerden] onrechtmatig handelen;

  2. een verklaring voor recht dat zij ieder voor zich hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade die daarvan het gevolg is;

hoofdelijke veroordeling van gedaagden

om iedere inbreuk op die rechten van [geïntimeerden] te staken;

tot afdracht van bescheiden, voorzien van een accountantsverklaring, waaruit alle activiteiten, verdiensten en omzet blijken als gevolg van de inbreuken;

tot het verbeuren van een dwangsom van € 5.000,= per dag ten aanzien van C. en D.;

tot betaling van een schadevergoeding € 517.403,= exclusief btw, met wettelijke handelsrente vanaf 8 december 2008 (€ 505.000,= eiseres sub 1, € 12.403,= eiseres sub 2);

tot betaling van een factuur van € 750,= met rente en incassokosten;

tot betaling van alle daadwerkelijk gemaakte gerechtelijke kosten, tot aan de dagvaarding begroot op € 20.035,= exclusief btw.

I. tot betaling van de proceskosten.

[appellanten c.s.] heeft de vorderingen van [geïntimeerden] bestreden. [appellanten c.s.] ontkent iedere betrokkenheid bij het verzenden van de spookbrieven of het verkrijgen van bedrijfsgegevens uit de databestanden van [geïntimeerden]. Volgens [appellanten c.s.] heeft een zekere [ene zekere] op het adres [adres 1] kantoorruimte gehuurd en waren de in beslag genomen computers en het briefpapier kennelijk van hem.

4.3

Bij tussenvonnis van 16 september 2009 heeft de rechtbank een comparitie van partijen bepaald. Deze heeft op 6 april 2010 plaatsgevonden.

Bij tussenvonnis van 14 april 2010 heeft de rechtbank geoordeeld dat het vermoeden gerechtvaardigd is dat [appellanten c.s.] de spookbrieven heeft verzonden en wel op grond van een aantal omstandigheden die in het vonnis als volgt zijn omschreven:

a. Het spookbriefpapier en -enveloppen zijn aangetroffen op het toenmalige vestigingsadres van [Beheer] BV, in het woonhuis van [appellant 2] aan de [adres 1] te [woonplaats].

b. Aldaar werden op de Toshiba-laptop de Word-bestanden aangetroffen van de tekst van de spookbrieven.

c. Bij het uitbrengen van de dagvaarding aan [appellant 2] op de [adres 1] te [woonplaats] trof de deurwaarder een persoon die zich uitgaf als “[Algemeen Directeur]” dat is: met dezelfde achternaam als de ondertekenaar van de spookbrieven. Dat kan geen toeval zijn.

d. De profielen die bij [geïntimeerden] zijn geopend om de adressen waarheen de spookbrieven zijn verzonden te verkrijgen, zijn aangevraagd door [Industries] Industries BV, gevestigd aan de [vestigingsadres] te [vestigingsplaats]. Dat pand is eigendom van [appellant 3]. In het voorjaar van 2009 heeft [appellant 3] de vestiging van [Beheer] BV verplaatst naar dat hem in eigendom toebehorende huis te [vestigingsplaats]. Dat alles kan geen toeval zijn.

e. De in d. bedoelde profielen zijn geopend door de persoon “[appellant 4]” namens [Industries]. “[Industries].com” was overigens daadwerkelijk de domeinnaam van [Industries] Industries BV. [roepnaam] is de roepnaam van [appellant 3]. De combinatie van diens roepnaam met de familienaam van [appellant 4] kan geen toeval zijn.

f. De gelijktijdigheid van het verkrijgen van de adressen en het verzenden van de spookbrieven kan geen toeval zijn.

g. Op het woonadres van [appellant 4] aan de [vestigingsadres] te [vestigingsplaats] is ook gevestigd:

- AMBS Schoonmaakdiensten BV, waarvan [appellant 3] enig aandeelhouder is.

- Zino BV, waarvan [appellant 2] enig aandeelhoudster is en [appellant 3] bestuurder.

h. In dit verband is ook van betekenis dat volgens het handelsregister [Beheer] BV geen personeel in dienst heeft, zodat het gestelde onrechtmatig handelen van [Beheer] BV samenvalt met dat van haar bestuurders [appellant 2] en [appellant 3].

De rechtbank heeft [appellanten c.s.] toegelaten tot tegenbewijs tegen dit vermoeden. Een verzoek van [appellanten c.s.] om van dit tussenvonnis tussentijds hoger beroep open te stellen is door de rechtbank bij tussenvonnis van 12 mei 2010 afgewezen.

[appellanten c.s.] heeft afgezien van het leveren van tegenbewijs, waarop de vorderingen van [geïntimeerden] bij eindvonnis van 7 juli 2010 in grote lijnen zijn toegewezen; wat onderdeel F. betreft is ten aanzien van eiseres sub 1 schadevergoeding op te maken bij staat toegewezen en niet het gevorderde bedrag van € 505.000,=.

4.4

[appellanten c.s.] heeft tegen het tussenvonnis van 14 april 2010 twee grieven gericht en tegen het eindvonnis van 7 juli 2010 vier grieven. Volgens [appellanten c.s.] hadden de vorderingen van [geïntimeerden] integraal afgewezen moeten worden, aangezien zij niet betrokken is geweest bij de verzending van de spookbrieven. De rechtbank heeft volgens [appellanten c.s.] ten onrechte uit een aantal omstandigheden waarvan niet vast staat dat deze juist zijn een vermoeden van betrokkenheid van [appellanten c.s.] afgeleid en haar vervolgens met tegenbewijs belast. [geïntimeerden] heeft niet (incidenteel) geappelleerd tegen de gedeeltelijke afwijzing van haar vorderingen zodat die vorderingen in zoverre in dit hoger beroep niet aan de orde zijn.

4.5

Het hof overweegt hierover het volgende. De vaststaande feiten, zoals hiervoor weergegeven onder 4.1, bieden aanwijzingen voor de juistheid van de stelling van [geïntimeerden] dat [appellanten c.s.] verantwoordelijk is voor de verzending van de spookbrieven. De reconstructie van de feitelijke gang van zaken, schematisch weergegeven in het overzicht van [geïntimeerden] ten behoeve van de comparitie van partijen in eerste aanleg, is gedeeltelijk gebaseerd op de vaststaande feiten en gedeeltelijk op omstandigheden die volgens [geïntimeerden] bijdragen aan de aannemelijkheid van haar stellingen over de betrokkenheid van ieder van appellanten. Het gaat hierbij met name om de omstandigheden die naar het oordeel van de rechtbank (hiervoor onder 4.3 aangehaald) geen toeval kunnen zijn. Alleen op grond van de vaststaande feiten kan naar het oordeel van het hof niet als vaststaand worden aangenomen dat appellanten ieder voor zich door de verzending van de spookbrieven inbreuk hebben gemaakt op de auteursrechten, merkrechten en handelsnaamrechten van [geïntimeerden] dan wel (anderszins) jegens haar onrechtmatig hebben gehandeld, zoals de centrale stelling van [geïntimeerden] luidt. De overige omstandigheden die [geïntimeerden] heeft aangevoerd en die zij in haar reconstructie heeft opgenomen onderbouwen die stelling weliswaar, maar bieden - in onderlinge samenhang bezien - niet het bewijs daarvan. Naar het oordeel van het hof bieden deze dat bewijs ook niet in die mate dat kan worden gezegd dat [geïntimeerden] voorshands, behoudens tegenbewijs, het bewijs van haar stelling heeft geleverd. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat de reconstructie van [geïntimeerden] onduidelijkheden/ongerijmdheden bevat, zoals met name het doel dat [appellanten c.s.] met de spookbrieven zoals deze zijn ingericht (met onjuiste gegevens) zouden hebben kunnen bereiken, de vermelding van een postbusnummer dat aan een buitenstaander toebehoort, een niet nader onderbouwd contact tussen [geïntimeerden] en een onbekend gebleven drukker en de identiteit van de persoon die de dagvaarding voor Jozefowicz heeft aangenomen en die door de deurwaarder niet is vastgesteld (mva noot 13).

4.6

[appellanten c.s.] heeft de stellingen van [geïntimeerden] naar het oordeel van het hof (in ieder geval: in hoger beroep) voldoende gemotiveerd weersproken. Voor de aanwezigheid van de zaken die bij het bewijsbeslag zijn aangetroffen heeft [appellanten c.s.] een verklaring gegeven door te verwijzen naar een huurder, [ene zekere]. Deze verklaring maakt weliswaar geen bijzonder overtuigende indruk, maar kan daarom nog niet op voorhand terzijde geschoven worden. Voorts is het hof van oordeel dat het hierop gebaseerde verweer van [appellanten c.s.] niet kan worden aangemerkt als een bevrijdend verweer, waarvan zij de bewijslast draagt. Met dit verweer betoogt [appellanten c.s.] immers dat de stelling van [geïntimeerden] over de betrokkenheid van [appellanten c.s.] bij de verzending van de spookbrieven niet op waarheid berust. Van die stelling rust tegenover (onder meer) deze betwisting ervan door [appellanten c.s.] de bewijslast overeenkomstig artikel 150 Rv op [geïntimeerden].

4.7

Het hof zal [geïntimeerden] overeenkomstig haar bewijsaanbod toelaten tot (nader) bewijs van haar stelling dat appellanten, ieder voor zich, betrokken zijn bij het verzenden van de spookbrieven. Wanneer [geïntimeerden] niet in dit bewijs slaagt, ontvalt de grondslag aan haar vorderingen zodat deze in dat geval afgewezen worden. Wanneer [geïntimeerden] het gevraagde (nader) bewijs levert, staat daarmee naar het oordeel van het hof vast dat sprake is van inbreuk op rechten van [geïntimeerden] en (daardoor) van onrechtmatig handelen jegens haar. De mate waarin dit in dat geval ten aanzien van de verschillende appellanten het geval is, is mede afhankelijk van de bewijslevering en komt daarom na afronding daarvan aan de orde. Dat geldt ook voor het overige verweer van [appellanten c.s.]

4.8

Het hof houdt iedere verdere beslissing aan.

5 De uitspraak

Het hof:

laat [geïntimeerden] toe feiten en omstandigheden te bewijzen die de conclusie rechtvaardigen dat appellanten, ieder voor zich, betrokken zijn bij het verzenden van de spookbrieven;

bepaalt, voor het geval [geïntimeerden] bewijs door getuigen wil leveren, dat getuigen zullen worden gehoord ten overstaan van mr. Y.L.L.A.M. Delfos-Roy als raadsheer-commissaris, die daartoe zitting zal houden in het Paleis van Justitie aan de Leeghwaterlaan 8 te 's-Hertogenbosch op een door deze te bepalen datum;

verwijst de zaak naar de rol van 17 februari 2015 voor opgave van het aantal getuigen en van de verhinderdata van partijen zelf, hun advocaten en de getuige(n) op dinsdagen in de periode van 4 tot 12 weken na de datum van dit arrest;

bepaalt dat de raadsheer-commissaris na genoemde roldatum dag en uur van het getuigenverhoor zal vaststellen;

bepaalt dat de advocaat van [geïntimeerden] ten minste zeven dagen voor het verhoor de namen en woonplaatsen van de te horen getuigen zal opgeven aan de wederpartij en aan de civiele griffie;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. B.A. Meulenbroek, Y.L.L.A.M. Delfos-Roy en J.H.C. Schouten en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 3 februari 2015.