Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2015:3050

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
06-08-2015
Datum publicatie
08-09-2015
Zaaknummer
F 200.170.732-01 en F 200.170.748-01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Uithuisplaatsing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak : 6 augustus 2015

Zaaknummers : F 200.170.732/01 en F 200.170.748/01

Zaaknummers 1e aanleg: C/01/291440/JE RK 15-373 en C/01/291435 / JE RK 15-371

in de zaken in hoger beroep van:

[de vrouw],

wonende te [woonplaats] ,

appellante,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: mr. A.A.J. Soffers,

tegen

Raad voor de Kinderbescherming,

regio Oost-Brabant, locatie [locatie] ,

verweerder,

hierna te noemen: de raad.

Als belanghebbende in beide zaken wordt aangemerkt:

- Stichting Bureau Jeugdzorg Noord-Brabant (hierna te noemen: de stichting).

Als belanghebbenden in de zaak met nummer F 200.170.732/01 worden aangemerkt:

  • -

    mevrouw [belanghebbende 1] , de pleegmoeder van de nader te noemen minderjarige [minderjarige 1] ;

  • -

    de heer [belanghebbende 2] en mevrouw [belanghebbende 3] , de pleegouders van de nader te noemen minderjarige [minderjarige 2] .

Als belanghebbenden in de zaak met nummer F 200.170.747/01 worden aangemerkt:

- de heer [belanghebbende 4] en mevrouw [belanghebbende 5] , de pleegouders van de nader te noemen minderjarige [minderjarige 3] .

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikkingen van de rechtbank Oost-Brabant van 1 april 2015.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij twee beroepschriften met producties, beide ingekomen ter griffie op 2 juni 2015, heeft de moeder verzocht:

Primair: voormelde beschikkingen te vernietigen, voor zover het de uithuisplaatsing van de nader te noemen minderjarigen [minderjarige 1] , [minderjarige 2] betreft (F 200.170.732/01) en voor zover het de uithuisplaatsing van de nader te noemen [minderjarige 3] betreft (F 200.170.748/01) en in beide zaken het verzoek van de raad alsnog af te wijzen;

Subsidiair: een onderzoek te gelasten naar de mogelijkheden van terugplaatsing van de nader te noemen [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] bij de moeder.

2.2.

Gelet op de bijzondere verknochtheid van de ter griffie onder de nummers

F 200.170.732/01 en F 200.170.748/01 ingeschreven zaken heeft het hof de voeging daarvan gelast, opdat zij gezamenlijk zullen worden behandeld en dat in één beschikking op zal worden beslist.

2.3.

Bij verweerschriften met producties, ingekomen ter griffie op 22 juni 2015, heeft de stichting verzocht de verzoeken van de moeder in hoger beroepen af te wijzen met bekrachtiging van de bestreden beschikkingen.

2.4.1.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 14 juli 2015. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

  • -

    de moeder, bijgestaan door haar advocaat;

  • -

    de raad, vertegenwoordigd door mevrouw [vertegenwoordiger van de raad] ;

  • -

    de stichting, vertegenwoordigd door gezinsvoogd, de heer [vertegenwoordiger van de stichting] .

Hoewel behoorlijk opgeroepen, zijn geen van de eerder genoemde pleegouders verschenen.

2.4.2.

Het hof heeft de minderjarige [minderjarige 1] in de gelegenheid gesteld haar mening kenbaar te maken. Zij heeft het hof bij brief, ingekomen op 18 juni 2015, laten weten dat zij hiervan geen gebruik wenst te maken.

2.5.1.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

  • -

    de processen verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg op 1 april 2015;

  • -

    de twee V-formulieren d.d. 30 juni 2015 en 7 juli 2015, beide met bijlagen, overgelegd door de advocaat van de moeder.

2.5.2.

Zoals ter zitting van het hof met partijen besproken, is na de mondelinge behandeling in hoger beroep nog ingekomen:

- de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 30 oktober 2014 (zaaknummer C/01/277684 / JE RK 14/598MZ13-1), overgelegd door de stichting.

3 De beoordeling

3.1.

Uit de inmiddels verbroken relatie van de moeder en [oud-relatie 2] zijn geboren:

  • -

    [minderjarige 1] (hierna te noemen: [minderjarige 1] ), op [geboortedatum] 2003 [geboorteplaats] ;

  • -

    [minderjarige 2] (hierna te noemen: [minderjarige 2] ), op [geboortedatum] 2007 te [geboorteplaats] .

Vervolgens is uit de inmiddels verbroken relatie met [oud-relatie 1] geboren:

- [minderjarige 3] (hierna te noemen: [minderjarige 3] ), op [geboortedatum] 2012 te [geboorteplaats] .

De moeder is alleen belast met het gezag over deze drie kinderen.

3.2.

De kinderen staan sinds 27 maart 2012 onder toezicht van de stichting en zij verblijven sinds maart 2012 in verscheidene pleeggezinnen.

[minderjarige 3] verblijft sinds 21 september 2012 in het huidige (perspectiefbiedende) pleeggezin van de familie [familie 1] .

[minderjarige 1] en [minderjarige 2] verblijven sinds april 2014 in verschillende pleeggezinnen: [minderjarige 1] bij mevrouw [belanghebbende 1] en [minderjarige 2] bij de familie [familie 2] .

3.3.

Uit de inhoud van de stukken is gebleken dat de moeder één dag in de drie weken onbegeleid contact heeft met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en dat er één keer in de zes weken een begeleid bezoek plaatsvindt van één uur tussen de moeder en [minderjarige 3] .

3.4.

Bij de bestreden beschikkingen heeft de rechtbank [minderjarige 1] en [minderjarige 2] met ingang van 13 april 2015, en [minderjarige 3] met ingang van 6 april 2015, onder toezicht gesteld van de stichting voor de duur van een jaar. Verder heeft de rechtbank een machtiging tot uithuisplaatsing in een voorziening voor pleegzorg voor de duur van de ondertoezichtstelling verleend,

van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] met ingang van 13 april 2015 en van [minderjarige 3] met ingang van 6 april 2015.

3.5.

De moeder kan zich met deze beslissingen niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen. In haar beroepschriften voert ze, kort samengevat, aan dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de veiligheid van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij de moeder onvoldoende wordt gewaarborgd en dat de noodzakelijke verzorging en opvoeding niet wordt geboden en dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de moeder in de afgelopen jaren heeft laten zien dat zij de kinderen geen structurele, veilige en stabiele leefomgeving kan bieden. De moeder staat al jaren onder behandeling van de GGZ voor haar psychische klachten en de behandeling is afgesloten, omdat de moeder stabiel is en de voorgeschreven medicijnen gebruikt. Sinds enige weken hoeft de moeder van de GGZ geen medicijnen meer te gebruiken, nu zij is genezen.

Verder stelt de moeder dat zij een groot sociaal netwerk heeft, waarop zij kan terugvallen. De moeder houdt zich aan de afspraken met de hulpverlening; zij woont alleen en heeft geen partner. Met de twee vaders van de kinderen heeft zij geen of nauwelijks contact. De moeder is bereid om alle noodzakelijke hulp te aanvaarden, waarbij zij het belang van de kinderen uiteraard voorop stelt. Zij is in staat om grenzen te stellen en vast te houden. De moeder acht het in het belang van de kinderen dat zij bij haar kunnen opgroeien.

De moeder voert verder aan dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat Stichting Oosterpoort geen meerwaarde ziet in een nieuw aanvullend onderzoek naar de mogelijkheid van terugplaatsing van de kinderen bij haar. De moeder vindt dat er een nieuw onderzoek dient te komen. De moeder krijgt geen eerlijke kans om te bezien wat de mogelijkheden zijn; verwijten en fouten uit het verleden blijven de moeder in alle rapportages achtervolgen, hetgeen de moeder niet rechtvaardig vindt.

Resumerend stelt de moeder dat zij zichzelf in staat acht om [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] te verzorgen en op te voeden.

3.6.

De stichting voert in de verweerschriften, kort samengevat, aan dat zij de in het inleidende verzoekschrift van de raad aangevoerde gronden onderschrijft. Ten aanzien van de drie kinderen stelt de stichting het volgende:

 [minderjarige 3]

In de afgelopen drie jaar zijn de bezoekmomenten tussen de moeder en [minderjarige 3] afgebouwd. Er vindt al bijna twee jaar één keer in de zes weken begeleid bezoek plaats tussen de moeder en [minderjarige 3] . Volgens de stichting wordt de ontwikkeling van [minderjarige 3] ernstig bedreigd als zij niet zou opgroeien bij haar huidige pleegouders, omdat de moeder in de afgelopen jaren, en met name in de cruciale eerste levensjaren waarin het hechtingsproces van het kind zich ontwikkelt, heeft laten zien geen structurele, veilige en stabiele leefomgeving te kunnen bieden aan [minderjarige 3] . [minderjarige 3] ervaart haar pleegmoeder als haar moeder en heeft geen emotionele affectieve band met haar biologische moeder. Daarnaast wisselt de moeder in haar mening over wat goed is voor [minderjarige 3] . Het ene moment staat zij achter de langdurige pleeggezin plaatsing, het andere moment niet. Met [minderjarige 3] zelf gaat het goed. Het is een lief kind dat het goed kan vinden met de andere kinderen in het pleeggezin. Zij heeft, met name, een goede band met haar pleegmoeder.

 [minderjarige 2]

In het begin van de pleeggezinplaatsing gedroeg [minderjarige 2] zich teruggetrokken, sliep zij slecht en kon zij fel reageren. Mede door de goede zorgen van haar pleegmoeder, is [minderjarige 2] stapsgewijs uit haar schulp gekropen. [minderjarige 2] heeft veel traumatische ervaringen opgedaan in het verleden; hiervoor is traumabehandeling van Herlaarhof ingezet. In het algemeen ontwikkelt [minderjarige 2] zich positief.

 [minderjarige 1]

[minderjarige 1] heeft, mede vanwege haar leeftijd, veel meegekregen van de conflicten bij de moeder thuis. Zij is een binnenvetter geworden. Het komt [minderjarige 1] ’s ontwikkeling ten goede wanneer Herlaarhof haar ondersteunt in het uiten van haar emoties. [minderjarige 1] geeft zelf aan dat ze, wanneer ze niet naar de moeder kan, graag tot haar achttiende bij de pleegmoeder blijft.

Het hof overweegt het volgende.

3.7.1.

Ter zitting heeft de moeder bevestigd dat het door haar ingestelde hoger beroep geen betrekking heeft op de ondertoezichtstelling

3.7.2.

Ingevolge het tot 1 januari 2015 geldende artikel 1:261 lid 1 (oud) Burgerlijk Wetboek (BW) respectievelijk het sinds 1 januari 2015 geldende nieuwe artikel 1:265b lid 1 BW kan de kinderrechter de stichting als bedoeld in artikel 1 Wet op de jeugdzorg respectievelijk de gecertificeerde instelling als bedoeld in artikel 1.1 Jeugdwet, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.

Ten aanzien van [minderjarige 3]

3.7.3.

[minderjarige 3] verblijft sinds het moment dat zij zeven maanden oud was in het huidige (perspectiefbiedende) pleeggezin. [minderjarige 3] heeft geen herinnering aan haar oorspronkelijke thuissituatie; in haar beleving woont ze al haar hele leven bij de familie [familie 1] . Uit de stukken is gebleken dat [minderjarige 3] binnen haar pleeggezin een gezonde en leeftijdsadequate ontwikkeling laat zien waarbij haar voldoende aandacht, affectie en regelmaat wordt geboden. Voorts is gebleken dat [minderjarige 3] goed is gehecht aan haar pleegouders en dat zij één uur in de zes weken contact heeft met de moeder. In het najaar van 2012 heeft de stichting reeds het opvoedingsbesluit genomen dat het perspectief van [minderjarige 3] niet langer bij de moeder ligt. Ter zitting van het hof heeft de stichting verklaard dat er op korte termijn een verzoek aan de raad tot het verrichten van een onderzoek naar een verderstrekkende maatregel zal worden gedaan.

Hoewel het hof zich kan indenken dat de moeder voor al haar dochters wil strijden en dat zij geen onderscheid maakt en voelt tussen ieder van hen, kan naar het oordeel van het hof onder de hiervoor geschetste omstandigheden geen sprake zijn van een plaatsing van [minderjarige 3] bij de moeder.

De bestreden beschikking onder zaaknummer C/01/291435 / JE RK 15-371 ligt hiermee voor bekrachtiging gereed.

Ten aanzien van [minderjarige 1] en [minderjarige 2]

3.7.4.

Het hof overweegt dat uit de inhoud van de stukken, hetgeen door de moeder niet wordt betwist, is gebleken dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] jarenlang zijn opgegroeid in een onveilig en instabiel opvoedingsklimaat, waar zij getuige zijn geweest van huiselijk geweld en zij beiden slachtoffer zijn geworden van lichamelijke, emotionele- en affectieve verwaarlozing. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben in meerdere pleeggezinnen gewoond.

Het hof constateert dat de thans 12-jarige [minderjarige 1] en de bijna 8-jarige [minderjarige 2] in hun jonge leven al veel hebben meegemaakt. Het zijn kwetsbare kinderen die veel vragen van hun opvoeders en waarmee uiterst zorgvuldig dient te worden omgegaan. Sinds juli 2014 staan zij onder behandeling bij Herlaarhof voor de verwerking van hun trauma’s.

3.7.5.

Voorts overweegt het hof dat de moeder haar stelling, dat zij thans over voldoende pedagogische vaardigheden en inzicht beschikt om [minderjarige 1] en [minderjarige 2] datgene te bieden wat zij momenteel nodig hebben, onvoldoende aannemelijk heeft kunnen maken. Uit de eindevaluatie d.d. 1 oktober 2014 blijkt dat de moeder het door haar doorlopen O&O-traject – waar de afweging is gemaakt of [minderjarige 1] en [minderjarige 2] wel of niet terug kunnen naar de moeder – negatief heeft afgerond: zo lukt het de moeder onvoldoende om echt af te stemmen op de kinderen en worden de kinderen onvoldoende gezien en gehoord in hun behoefte. Verder concludeert Stichting Oosterpoort dat over het geheel genomen de moeder onvoldoende overzicht heeft en onvoldoende vaardig is om over beide kinderen de regie te voeren en naar beide kinderen toe consequent te handelen.

Aan een opvoeder van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , twee getraumatiseerde kinderen die in therapie zitten en voor wie het van essentieel belang is dat zij opgroeien in een stabiel en gestructureerd opvoedingsklimaat waarin onder meer affectie en veiligheid voorop staan, , worden zeer hoge eisen gesteld. Het hof is met de raad en de stichting van oordeel dat de moeder niet aan die eisen voldoet. Uit de inhoud van de stukken blijkt verder dat het nu naar omstandigheden goed gaat met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] binnen hun huidige pleeggezinnen en dat zij zich redelijk positief ontwikkelen binnen het opvoedingsklimaat dat hen thans wordt geboden.

Op grond van het vorenstaande is het hof van oordeel dat de uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] noodzakelijk is ter waarborging van hun veilige ontwikkeling.

De bestreden beschikking onder zaaknummer C/01/291440/JE RK 15-373 zal eveneens worden bekrachtigd.

Verzoek tot gelasten nieuw onderzoek

3.7.6.

De moeder heeft subsidiair verzocht een onderzoek te gelasten naar de mogelijkheden van terugplaatsing van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] bij haar. Uit de inhoud van de stukken is gebleken dat er in de afgelopen jaren meerdere onderzoeken zijn gedaan waarbij de kinderen betrokken zijn geweest. Een nieuw onderzoek zal nieuwe onrust opleveren voor de kinderen , zodat naar het oordeel van het hof het belang van de kinderen zich tegen een nieuw onderzoek verzet. Het hof neemt daarbij verder in aanmerking dat [minderjarige 3] volledig gehecht is in het pleeggezin en dat, zoals reeds overwogen in ro. 3.7.3., de stichting op korte termijn de raad zal verzoeken een onderzoek in te stellen naar een gezagsbeëindigende maatregel van de moeder over [minderjarige 3] , [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn zwaar getraumatiseerde kinderen die op dit moment in hun huidige pleeggezinnen goed gedijen en de stichting heeft verklaard dat er ten aanzien van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] een zelfde verzoek aan de raad zal worden gedaan, afhankelijk van de uitkomst van dit hoger beroep. Een terugplaatsing bij de moeder is op dit moment niet aan de orde zodat een verzoek van de moeder tot benoeming van een deskundige met betrekking tot onderzoek naar haar pedagogische kwaliteiten, zoals kennelijk door de moeder wordt beoogd, thans niet tot een andere beslissing in deze zaken zal kunnen leiden. Op een onderzoek naar een gezagsbeëindigende maatregel wenst het hof thans niet vooruit te lopen.

Tot slot

3.7.7.

Het hof bedrukt tot slot dat het hof overtuigd is van de goede bedoelingen van de moeder; het feit dat de moeder er niet in is geslaagd om voor de kinderen een stabiel opvoedingsklimaat te creëren komt, zo beschouwt het hof, niet voort uit onwil, maar uit onmacht. Voorts geeft het hof de moeder mee dat door de stichting is erkend dat de moeder op juiste wijze invulling geeft aan de bezoekmomenten met de kinderen, en dat in ieder geval [minderjarige 1] en [minderjarige 2] aangeven graag naar hun moeder te gaan. Ondanks dat het hoger beroep van de moeder faalt, benadrukt het hof dat [minderjarige 1] , [minderjarige 2] (en ook [minderjarige 3] ) er baat bij hebben dat de moeder de door haar ingezette positieve ontwikkeling voortzet en in staat is om zo invulling te blijven geven aan de contacten met de kinderen.

3.7.8.

Beslist wordt als volgt.

4 De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de bestreden beschikkingen;

verzoekt de griffier krachtens het bepaalde in het Besluit Gezagsregisters een afschrift van deze uitspraak toe te zenden aan de griffier van de rechtbank Oost-Brabant, afdeling civiel recht, team familie- en jeugdrecht ter attentie van het centraal gezagsregister;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. E.L. Schaafsma-Beversluis, C.A.R.M. van Leuven en M.J. van Laarhoven en in het openbaar uitgesproken op 6 augustus 2015.