Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2015:3049

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
06-08-2015
Datum publicatie
08-09-2015
Zaaknummer
F 200.170.489-01 en F 200.170.489-02
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ondertoezichtstelling.

rechtbank stelt kinderen onder toezicht.

De moeder gaat in hoger beroep.

Hof constateert dat ouders niet in staat zijn tot constructieve communicatie.

Ontwikkelingsbedreiging voor de kinderen ligt verankerd in problemen ouders onderling.

Hof houdt beslissing half jaar aan met toepassing van de “schottentheorie”

: Ouders stemmen in met voorstel hof om een half jaar lang geen enkel contact met elkaar te hebben, met als doel rust creëren voor de kinderen èn voor de ouders.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak : 6 augustus 2015

Zaaknummers : F 200.170.489/01 (hoofdzaak)

F 200.170.489/02 (incidentele verzoeken)

Zaaknummer 1e aanleg : C/02/296873 / JE RK 15-566

in de zaken in hoger beroep van:

[de vrouw],

wonende te [woonplaats] ,

appellante,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: mr. M.T.E. Kranenburg,

tegen

Raad voor de Kinderbescherming,

regio Zuidwest Nederland, locatie [locatie] ,

verweerder,

hierna te noemen: de raad.

Als belanghebbenden worden aangemerkt:

[belanghebbende] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna te noemen: de vader,

advocaat: mr M.Czarnota.

Stichting Bureau Jeugdzorg Noord-Brabant, locatie [locatie] (hierna te noemen: de stichting).

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 14 april 2015, alsmede naar de verbeterbeschikking van 28 april 2015.

2 Het geding in hoger beroep

In de zaak met zaaknummer F 200.170.489/01 (de hoofdzaak)

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 22 mei 2015, door de griffie geregistreerd onder zaaknummer F 200.170.498/01, heeft de moeder verzocht voormelde beschikking te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, het verzoek van de raad af te wijzen dan wel de raad anderszins in zijn verzoek niet-ontvankelijk te verklaren.

In de zaak met zaaknummer F 200.170.489/02 (de incidentele verzoeken)

2.2.

Bij verzoekschrift, ingekomen ter griffie op 26 mei 2015, door het hof geadministreerd onder zaaknummer F 200.170.489/02, heeft de moeder aanvullend verzocht, kort gezegd:

  • -

    bij wege van voorlopige voorziening ex artikel 810a lid 2 Rv het NIFP als deskundige te benoemen voor het doen uitvoeren van een persoonlijkheidsonderzoek bij beide ouders;

  • -

    voor de duur van de procedure in hoger beroep dan wel voor de duur van het NIFP onderzoek de executie van de bestreden beschikking te schorsen, althans de raad te bevelen de tenuitvoerlegging van de bestreden beschikking op te schorten totdat in de appelprocedure onherroepelijk is beslist dan wel het NIFP onderzoek is afgerond.

2.3.

Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 25 juni 2015, heeft de stichting verzocht het hoger beroep van de moeder af te wijzen met bekrachtiging van de bestreden beschikking.

2.4.

Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 25 juni 2015 heeft de vader verzocht de moeder niet-ontvankelijk te verklaren in haar appel, althans haar grieven af te wijzen met bekrachtiging van de bestreden beschikking.

2.5.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 14 juli 2015. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

  • -

    de moeder, bijgestaan door haar advocaat;

  • -

    de raad, vertegenwoordigd door mevrouw [vertegenwoordiger van de raad] ;

  • -

    de vader, bijgestaan door mr. E. Gadzo;

  • -

    de stichting, vertegenwoordigd door de gezinsvoogd mevrouw [vertegenwoordiger van de stichting] .

2.6.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

  • -

    het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg op 2 mei 2015;

  • -

    het raadsrapport d.d. 24 maart 2015, overgelegd door de raad bij brief van 8 juni 2015;

  • -

    de V-formulieren met bijlagen d.dis 1 juli 2015 en 9 juli 2015 van de advocaat van de moeder;

  • -

    de ter zitting door de advocaat van de moeder overgelegde pleitnota.

3 De beoordeling

3.1.

Uit het inmiddels door echtscheiding ontbonden huwelijk van de moeder en de vader (gezamenlijk: de ouders) zijn geboren:

  • -

    [minderjarige 1] (hierna te noemen: [minderjarige 1] ), op [geboortedatum] 2004 te [geboorteplaats] ;

  • -

    [minderjarige 1] (hierna te noemen: [minderjarige 1] ), op [geboortedatum] 2008 te [geboorteplaats] .

Uit de inhoud van het dossier is gebleken dat de kinderen van vrijdag 17.00 uur tot en met maandag 19.30 uur bij de moeder verblijven en de overige dagen van de week bij de vader.

Formeel heeft [minderjarige 1] haar hoofdverblijfplaats bij de moeder en [minderjarige 1] bij de vader.

3.2.

Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank [minderjarige 1] en [minderjarige 1] onder toezicht gesteld voor de duur van een jaar. De rechtbank heeft daartoe, kort gezegd, overwogen dat de kinderen jarenlang zijn blootgesteld aan de voortdurende en hardnekkige strijd tussen de ouders. Als gevolg hiervan is er bij de kinderen sprake van een loyaliteitsconflict en vertonen beide kinderen gedragsproblemen.

3.3.

Voor de volledigheid merkt het hof op dat de rechtbank op 28 april 2015 een beschikking heeft gegeven waarin meerdere wijzigingsverzoeken van de moeder (betreffende het ouderlijk gezag over de kinderen, de hoofdverblijfplaats van [minderjarige 1] en de invulling van de zorgregeling) zijn aangehouden tot 28 januari 2016 in afwachting van het verloop van de ondertoezichtstelling.

3.4.

De moeder kan zich met de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 1] niet verenigen en is hiervan in hoger beroep gekomen.

Voor de stellingen van partijen en belanghebbenden volstaat het hof in dit stadium van het hoger beroep, gelet op het verloop van de procedure, met een verwijzing naar de inhoud van het beroepschrift van de moeder en de inhoud van de verweerschriften van de stichting en de vader.

Het hof overweegt als volgt.

In de hoofdzaak

3.5.1.

Tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft het hof met partijen en belanghebbenden besproken dat beide ouders niet in staat zijn om op constructieve wijze met elkaar te communiceren. Hoewel de moeder zowel in de stukken als ter zitting van het hof persisteert in haar standpunt dat zij geen problemen heeft in de communicatie met de vader, heeft de vader ter zitting verklaard dat hij de communicatie met de moeder als één grote oorlog ervaart. Het hof heeft de ouders voorgehouden dat de problemen die zij met elkaar hebben, hun weerslag hebben op de kinderen. De hulpverlening stelt, en zoals eveneens door de rechtbank overwogen in de bestreden beschikking, dat de voornaamste ontwikkelingsbedreiging van de kinderen (zij hebben te kampen met gedragsproblemen en een loyaliteitsconflict) ligt verankerd in de problemen tussen de ouders onderling. De moeder heeft hierop verklaard dat alle problemen zijn opgelost als de kinderen meer bij haar zijn en de vader stelt op zijn beurt dat hij het liefste zou willen dat de kinderen een groter gedeelte van de tijd bij hem zouden verblijven.

Het hof constateert, zoals ook aan de ouders is voorgehouden tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep, dat er tussen de ouders nog sprake is van een strijd op ex-partnerniveau die zich met name manifesteert in de tussen de ouders wederzijdse ontstane onvrede over de hoofdverblijfplaats van de kinderen en de invulling en het verloop van de zorgregeling.

3.5.2.

Gelet op de verharde strijd waarin de ouders met elkaar zijn verwikkeld en het effect dat dit volgens de hulpverlening heeft op [minderjarige 1] en [minderjarige 1] , heeft het hof ter zitting aan de ouders een voorstel gedaan, inhoudende dat zij voor de periode van een half jaar op geen enkele wijze contact met elkaar zullen zoeken of onderhouden, ook niet per e-mail of geschrift. Contact tussen de ouders is hoogstens denkbaar indien dit vanuit de hulpverleningstrajecten van de kinderen bezien noodzakelijk wordt geacht. Deze periode dient te worden benut om rust te creëren: rust voor de ouders en met name voor de kinderen. Alle communicatie die de ouders met elkaar wensen te voeren, zal via de stichting (de gezinsvoogd) geschieden en de gezinsvoogd dient door een ouder te worden betrokken bij problemen die zich voordoen en geen uitstel kunnen dulden.

Wisselingen van de kinderen van de ene ouder naar de andere ouder binnen de uitvoering van de zorgregeling dienen eveneens door tussenkomst van de stichting (bijvoorbeeld op kantoor van de stichting) te geschieden, tenminste dient te worden gewaarborgd dat de ouders niet met elkaar in contact (kunnen) treden tijdens wisselingen.

Na deze rustperiode, waarin de ouders de strijd volledig hebben los te laten, is het wenselijk dat de ouders, onder begeleiding van hun raadslieden, met elkaar evalueren of het huidige ouderschapsplan in hun ogen nog steeds wijziging behoeft.

3.5.3.

Na een korte schorsing van de zitting in hoger beroep hebben beide ouders ingestemd met voornoemd traject van rust gedurende de periode van een half jaar. De stichting en de raad hebben ter zitting verklaard zich te kunnen vinden in deze door het hof voorgestelde en door de ouders geaccepteerde tussenoplossing, die zij eveneens in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 1] achten.

3.5.4.

Het hof geeft de ouders mee dat voor het slagen van een succesvolle rustperiode het van groot belang is dat de moeder accepteert dat de kinderen een groter deel van de week bij de vader verblijven en voor de vader geldt dat hij de wijze waarop de moeder invulling geeft aan de momenten dat de kinderen bij haar verblijven, zal accepteren. Zowel de vader en de moeder dienen hierin elkaars grenzen te respecteren, zodat [minderjarige 1] en [minderjarige 1] op geen enkele wijze (verder) in het loyaliteitsconflict zullen geraken en zich bij zowel de moeder als bij de vader veilig en geborgen kunnen en mogen voelen. Het hof verzoekt de ouders in dit kader zich in de komende periode op de eigen rol te concentreren en zich niet in te laten met wat er bij de andere ouder speelt, hetgeen de ontwikkeling van de kinderen ten goede zal komen.

3.5.5.

Het voorgaande leidt ertoe dat het hof de beslissing in de hoofdzaak zal aanhouden voor de duur van een half jaar.

Het hof zal in februari 2016 de mondelinge behandeling voortzetten teneinde de periode van rust te evalueren en de vervolgstappen met de ouders te bespreken. Tevens zal alsdan, tenzij de moeder dit mogelijkerwijs niet langer wenst te handhaven, het inhoudelijk appel van de moeder tegen de ondertoezichtstelling worden behandeld.

Het incidentele verzoek tot uitvoeren persoonlijkheidsonderzoek ex artikel 810 a lid 2 Wetboek van burgerlijke rechtsvordering (Rv)

3.6.1.

Ingevolge artikel 810a lid 2 Rv kan de rechter in kinderbeschermingszaken op verzoek van een ouder een deskundige benoemen, mits dat mede tot de beslissing van de zaak kan leiden en het belang van het kind zich daar niet tegen verzet.

3.6.2.

Ter zitting heeft de moeder toegelicht dat zij een onderzoek van het NIFP wenst omdat de raad stelt dat er bij haar (en bij de vader) sprake is van psychiatrische problematiek. Met een onderzoek, afgenomen voor het NIFP, beoogt de moeder haar geschiktheid als ouder te bewijzen. Het hof leest echter niet in de stukken dat de stelling van raad inhoudt dat de moeder door de raad ongeschikt wordt bevonden als ouder of dat haar geschiktheid als ouder door de raad wordt aangetast. Een deskundigenbericht ten aanzien van de geschiktheid als ouder kan dan ook niet mede tot beslissing van de zaak leiden.

Verder overweegt het hof dat het onvermijdelijk is dat een deskundigenonderzoek in het leven van de kinderen de nodige spanningen teweeg brengt, hetgeen niet strookt met de doelstelling van het traject dat het komend half jaar wordt ingegaan: rust. Het hof acht het schadelijk voor de kinderen indien zij aan een deskundigenonderzoek bloot worden gesteld en het hof is dan ook van oordeel dat de belangen van de kinderen zich verzetten tegen een onderzoek als door de moeder is verzocht.

3.6.3.

Op grond van het vorenstaande wijst het hof dit incidentele verzoek van de moeder af.

Het incidentele verzoek tot het schorsen van de uitvoerbaarheid bij voorraad

3.7.

Het hof heeft de moeder tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep voorgehouden dat de betrokkenheid van de gezinsvoogd de komende periode van essentieel belang is en dat het niet wenselijk is als de werking van de ondertoezichtstelling wordt geschorst. Met name waar het de wisselmomenten binnen de zorgregeling betreft, kan het traject dat thans is ingezet – waarbij de ouders op geen enkele wijze contact met elkaar dienen te hebben – niet ten uitvoer worden gelegd zonder tussenkomst van de stichting. Hierop heeft de moeder ter zitting van het hof ermee ingestemd dat het schorsingsverzoek bij deze beschikking zal worden afgewezen.

De raad, de vader en de stichting hebben zich eveneens akkoord verklaard met deze wijze van afdoening.

3.8.

Alles overziend beslist het hof als volgt.

4 De beslissing

Het hof:

In de zaak met zaaknummer F 200.170.489/01 (de hoofdzaak):

houdt de behandeling van de zaak aan tot de zitting van dinsdag 2 februari 2016 ter fine als onder rechtsoverweging 3.5.2. weergegeven;

In de zaak met zaaknummer F 200.170.489/02 (de incidentele verzoeken):

wijst af het verzoek van de moeder tot het gelasten van een deskundigenonderzoek ex artikel 810 a lid 2 Rv;

wijst af het verzoek van de moeder tot schorsing van de uitvoerbaar verklaring bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mrs. E.L. Schaafsma-Beversluis, C.A.R.M. van Leuven en M.J. van Laarhoven en in het openbaar uitgesproken op 6 augustus 2015.