Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2015:302

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
30-01-2015
Datum publicatie
06-03-2015
Zaaknummer
13-01079
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2013:6481, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Belanghebbende erft van overleden echtgenoot (onder meer) tegoeden op een verzwegen buitenlandse bankrekening. Over de verkrijging was aanvankelijk geen aanslag opgelegd, omdat de omvang, na pensioenimputatie, onder de voor echtgenoten geldende vrijstelling bleef. Nadat belanghebbende op grond van de inkeerregeling het buitenlandse tegoed had aangegeven, legt de Inspecteur een navorderingsaanslag in het recht van successie op met gebruikmaking van de verlengde navorderingstermijn van artikel 16, lid 4, AWR. In geschil is (A) of de Inspecteur bij het voorbereiden en opleggen van de navorderings¬aanslag voldoende voortvarend gehandeld heeft, (B) belanghebbende het bedrag van de voor echtgenoten geldende vrijstelling geheel in mindering brengen kan brengen op de buitenlandse verkrijging en (C) of belanghebbende recht heeft op een vergoeding van immateriële schade wegens de lange duur van het bezwaar en/of het (hoger) beroep?

Hof: het Europeesrechtelijke vereiste dat de Inspecteur bij het voorbereiden en opleggen van een aanslag voldoende voortvarend handelt, geldt ook voor aanslagen in het recht van successie. De voortvarendheidstoets vangt aan op het moment dat de belastingautoriteiten aanwijzingen hebben ontvangen over in het buitenland aangehouden vermogen. Dat is in het onderhavige geval het moment dat belanghebbende de inspecteur IB verzocht om toepassing van de inkeerregeling. Daaraan kan niet afdoen dat deze inspecteur binnen de organisatie van de belastingdienst niet belast was met regelen van navorderingsaanslagen in het recht van successie.

Het Hof onderschrijft de oordelen van de Rechtbank dat (a) de Inspecteur de omvang van de erfrechtelijke verkrijging alleen kon vaststellen als hij beschikte over de tot aan de datum van overlijden van erflater verschuldigde bedragen aan IB/PVV en vermogensbelasting, (b) dat deze bedragen werden vastgesteld door de inspecteur IB en dat de Inspecteur met het opleggen van de navorderingsaanslag in het recht van successie mocht wachten tot hij de relevante bedragen van de inspecteur IB had ontvangen, (c) dat de inspecteur IB bij het verzamelen van de relevante gegevens voldoende voortvarend gehandeld had en (d) dat vervolgens de Inspecteur de navorderingsaanslag in het recht van successie eveneens met voldoende voortvarendheid heeft vastgesteld.

Het Hof verwerpt de stelling van belanghebbende dat de Inspecteur de navorderingsaanslag terstond, zo nodig onder het innemen van een “maximumpositie” had kunnen opleggen, om deze later eventueel ambtshalve te verminderen. Het Hof oordeelt voorts dat de Inspecteur de navorderingsaanslag juist heeft berekend, en dat de wijze waarop de echtgenotenvrijstelling werd toegepast niet een vermomde navordering over het binnenlands vermogen inhoudt.

De Rechtbank heeft belanghebbendes verzoek om een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn terecht afgewezen, omdat vanaf het moment van ontvangst van het bezwaarschrift door de Inspecteur tot het moment waarop de Rechtbank uitspraak deed, minder dan twee jaren zijn verstreken. Het is niet relevant of de Rechtbank om tot een snelle afdoening te komen, gekozen heeft voor een mondelinge in plaats van een schriftelijke uitspraak. Evenmin is van belang dat belanghebbende na de uitspraak nog geruime tijd op het proces-verbaal van het verhandelde ter zitting heeft moeten wachten.

Wetsverwijzingen
Algemene wet inzake rijksbelastingen 16
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2015/489
V-N 2015/19.20.12
FutD 2015-0321
NTFR 2015/1239 met annotatie van
PFR-Updates.nl 2015-0073
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ‘s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht

Meervoudige Belastingkamer

Kenmerk: 13/01079

Uitspraak op het hoger beroep van

[belanghebbende],

wonende te [woonplaats], hierna: belanghebbende,

tegen de uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West Brabant te Breda (hierna: de Rechtbank) van 5 september 2013, nummer AWB 13/1521 in het geding tussen

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst Oost Brabant/[vestigingsplaats],

hierna: de Inspecteur,

met betrekking tot de hierna te noemen navorderingsaanslag in het recht van successie.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De Inspecteur heeft aan belanghebbende een navorderingsaanslag in het recht van successie opgelegd ten bedrage van € 9.437, met als dagtekening 20 september 2011. Belanghebbende heeft daartegen op regelmatige wijze bij brief met dagtekening 23 september 2011 bezwaar gemaakt. Bij uitspraak op bezwaar van 29 januari 2013 heeft de Inspecteur het bezwaar afgewezen en de navorderingsaanslag gehandhaafd.

1.2.

Belanghebbende is van deze uitspraak in beroep gekomen bij de Rechtbank. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van de Rechtbank van belanghebbende een griffierecht geheven van € 44. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

1.3.

Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 118. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.4.

De zitting heeft plaatsgehad op 6 november 2014 te Arnhem. De zaken geregistreerd bij het Hof onder de nummers 13/01079 en 13/01080 zijn met toestemming van partijen tegelijkertijd behandeld. Verschenen en gehoord zijn de heer [A], als gemachtigde van belanghebbende, alsmede, namens de Inspecteur, de heer [B].

1.5.

Belanghebbende heeft op de zitting een pleitnota voorgedragen en kopieën daarvan overhandigd aan het Hof en aan de wederpartij.

1.6.

Het Hof heeft het onderzoek gesloten.

1.7.

Van de zitting is geen proces-verbaal opgemaakt.

2 Feiten

2.1.

Belanghebbende was in gemeenschap van goederen gehuwd met de heer [E] (erflater) en heeft krachtens erfrecht verkregen door diens overlijden op 18 februari 2002.

2.2.

De door belanghebbende krachtens erfrecht verkregen vermogensbestanddelen die zich binnen Nederland bevonden (“binnenlandse vermogensbestanddelen”) hadden een waarde van € 45.821. Daarnaast was sprake van een fictieve verkrijging van € 256.318. De totale waarde van de “binnenlandse” verkrijging bedroeg derhalve € 302.139.

2.3.

De vrijstelling voor echtgenoten bedroeg € 467.848. Na een vermindering met de pensioenimputatie resteerde van deze vrijstelling een bedrag van € 329.649. Het bedrag van de vrijstelling was dus hoger dan het bedrag van de verkrijging, zodat geen aanslag in het recht van successie werd opgelegd.

2.4.

Met dagtekening 29 december 2009 stuurde (de toenmalige gemachtigde van) belanghebbende een brief aan de Inspecteur, waarin zij verzocht om toepassing van de inkeerregeling zoals beschreven in artikel 67n van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) in verband met een in België bij de KBC bank aangehouden bankrekening. Belanghebbende en haar echtgenoot hadden deze bankrekening niet eerder aangegeven voor de inkomstenbelasting of vermogensbelasting.

2.5.

Vervolgens vond een mondeling en schriftelijk overleg plaats tussen de met de heffing van inkomstenbelasting belaste inspecteur (hierna: de inspecteur IB) en belanghebbende. De inspecteur IB stelde vragen en vroeg bewijsstukken met als doel de herkomst en de precieze omvang van het (overige) buitenlandse vermogen te achterhalen. In het kader van die onderhandelingen heeft de inspecteur IB aan belanghebbende een vaststellingsovereenkomst ter ondertekening aangeboden.

2.6.

Gedagtekend 11 juli 2011 schrijft de inspecteur IB aan de toenmalige gemachtigde van belanghebbende een brief bevattende de volgende passages:

“Ik heb in 2010 meerdere gesprekken met u en mevrouw [belanghebbende] afzonderlijk gevoerd over dit verzoek inkeerregeling buitenlands vermogen. Het bedrag waarvoor mevrouw [belanghebbende] het inkeerverzoek heeft gedaan, stemt niet overeen met de bedragen die u had opgegeven voor de inkeerregeling.

Informatie

Mevrouw [belanghebbende] had slechts informatie (van een gedeelte van de saldi) op de (buitenlandse) rekening(en) verstrekt. Deze rekeningen betreffen zowel een spaarrekening als een effectenrekening. Het saldo van de Belgische rekening was aanzienlijk hoger dan gespaard zou kunnen zijn. Er moest volgens mijn berekening geld gestort zijn uit een op dat moment voor mij onbekende bron.

In het eerste gesprek verklaarde mevrouw [belanghebbende] dat zij niet begreep waar dit bedrag vandaan kwam. Haar overleden echtgenoot regelde altijd de financiële zaken. Mevrouw bemoeide zich daar niet mee. Na veel heen en weer gepraat verklaarde mevrouw [belanghebbende] uiteindelijk dat zij, samen met wijlen haar echtgenoot, het geld uit de kluis op de Belgische rekening heeft gestort.

(…)

Mevrouw [belanghebbende] heeft het geld dat, volgens haar verklaring, thuis in de kluis lag in gedeelten naar de bank in België gebracht. Het geld dat zich in de kluis lag was volgens haar afkomstig van:

- in 1966 gestart met ongeveer ƒ 5000

- in 1971 een huis verkocht met ongeveer ƒ 10.000 winst

- in 1974 een huis verkocht met ongeveer ƒ 50.000 winst

- [diverse schenkingen en erfenissen; Hof]

- (…)

Ik heb een verklaring, gedagtekend 24 oktober 2010, ontvangen van de broer van mevrouw [belanghebbende], waarin hij verklaart dat (…) geregeld giften in geld zijn overgemaakt (…) vanwege haar ouders (…)

Van bovenstaande verklaring zijn geen schriftelijke bewijsstukken of bankstortingen voor handen.

(…)

Slotconclusie

Tot op heden hebben wij de aangeboden vaststellingsovereenkomst (dagtekening 4 april 2011) niet ondertekend retour ontvangen.

Bij de totstandkoming van de vaststellingsovereenkomst ben ik, om tot een oplossing te komen, belastingplichtige op een aantal punten tegemoet gekomen. Vanwege het feit dat ik deze niet tijdig ondertekend retour heb ontvangen, trek ik hierbij dit gedane aanbod in. Dit betekent dat, voor wat betreft de zaken die niet zijn aangetoond, ik uit ga van de maximumpositie (vanwege omkering bewijslast dient belastingplichtige het bewijs te leveren).

Ontbreken bewijs

- Mevrouw [belanghebbende] heeft niet aangetoond dat er in haar woning (…) een kluis aanwezig is. Ik ben er voor de vaststellingsovereenkomst vanuit gegaan dat het geld ook daadwerkelijk uit “een kluis” afkomstig was. Nu mevrouw [belanghebbende] weigert de vaststellingsovereenkomst te ondertekenen zie ik mij genoodzaakt mijn toezeggingen, die ik in het kader van de vaststellingsovereenkomst heb gedaan, in te trekken.

- Vanwege het ontbreken van schriftelijke bewijsstukken van de van familie afkomstige schenkingen en verklaringen hieromtrent, stel ik dat het hier in het buitenland aangehouden tegoeden betreffen waarop jaarlijkse rendementen behaald zijn.”.

2.7.

Vervolgens legde de inspecteur IB met dagtekening 24 september 2011 navorderingsaanslagen op voor de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) over de jaren 1997 tot en met 2005, en voor de vermogensbelasting over de jaren 1998 tot en met 2000.

2.8.

De Inspecteur heeft op basis van die gegevens bij belanghebbende voor het successierecht per 18 februari 2002 een verkrijging aangenomen van in het buitenland aangehouden vermogensbestanddelen (“buitenlandse vermogensbestanddelen”) ter grootte van € 121.088. Dit bedrag is 50% (het erfdeel van belanghebbende) van het saldo op de Belgische bankrekening, zijnde € 276.500, verminderd met de huwelijkse helft van de verschuldigde IB/PVV, zijnde € 34.324.

2.9.

Belanghebbendes totale verkrijging krachtens erfrecht kwam daarmee uit op € 423.227, namelijk de som van de binnenlandse vermogensbestanddelen ter grootte van € 302.139 en de buitenlandse vermogensbestanddelen ter grootte van € 121.088. Deze bedragen zijn tussen partijen niet in geschil. Na aftrek van de voor echtgenoten geldende vrijstelling van € 329.649 resteerde een belastbare verkrijging van € 93.578.

2.10.

Met dagtekening 20 september 2011 heeft de Inspecteur de navorderingsaanslag in het recht van successie opgelegd ten bedrage van € 9.437.

2.11.

Tot het dossier behoort een door de Inspecteur opgesteld document met als opschrift “Chronologisch overzicht dossier mw. [belanghebbende], bsn [nummer]”. Dit overzicht heeft de volgende inhoud.

“30 december 2009

ontvangst inkeerverzoek van 29 december 2009 ([F] advocaten belastingadviseurs)

enkelvoudige brief met beperkte toelichting en bereidheid tot het verstrekken van nadere info

31 december 2009

brief insp. ontvangstbevestiging

10 februari 2010

uitdraai BVR tbv identiteit en competentie

15 februari 2010

brief insp. verzoek nadere informatie

april 2010

ontvangst brief 31-3-2010 met bescheiden toelichting en bijlagen:

prints Excel bestand, afschriften van bankbescheiden (eindejaars‑overzichten)

9 april 2010

prints IBS aangiftegegevens 1997-2003

prints ABS aangiften 2004-2008

28 mei 2010

prints IBS (raadplegen biljetten)

In dit verband is het van belang te melden dat de behandelend ambtenaar, mevrouw [G] begin juni 2010 betrokken is geraakt bij een verkeersongeval en daardoor de rest van juni geheel en de maand juli slechts gedeeltelijk werkzaamheden heeft kunnen verrichten. Eerst na de vakantieperiode is de verdere boordeling in september 2010 opgepakt.

24/27 september 2010

diverse prints RIS 2000-2009, ABS aangifte 2009

15 oktober 2010

afspraak mw [H]

18 oktober 2010

brief insp. toezending overzichten

25 oktober 2010

belanghebbende heeft tel. cont. opgenomen met verzoek om een gesprek

print IKB

26 oktober 2010

afspraak 13.30u gesprek met belanghebbende

ontvangst schriftelijke verklaring broer belanghebbende

5 november 2010

telefonisch contact met hr. [K]

8 november 2010

interne mail S&S

11 november 2010

brief insp. aan belanghebbende inzake successierecht

15 november 2010

brief insp. aan belanghebbende met concept vastst. afspraken en berekeningen

8 december 2010

e-mail aan mw. [H]

inz. Termijnverlenging

8 december 2010

brief gemachtigde [A] inz. akkoord termijnverlenging

9 december 2010

e-mail van mw. [H] bevestiging akkoord

termijnverlenging (tevens schriftelijke bevestiging)

13 december 2010

e-mail naar gemachtigde [A] met afschrift brief 13 december 2010

13 december 2010

e-mail autoreply

11 januari 2011

telefoongesprek met mw. [H]

18 januari 2011

bronbelasting beoordeeld

11 februari 2011

ontvangst brief mw. [H] (10-2-2011) reactie op concept vastst. afspraken

februari maart 2011

beoordelen/nieuwe berekeningen

18 maart 2011

telefonisch contact gezocht met mw. [H]; niet aanwezig

22 maart 2011

opnieuw gebeld

1 april 2011

telefoongesprek met mw. [H]

4 april 2011

interne e-mail met S&S nadere berekening successierecht

tevens brieven uitgezonden naar mw. [H] inz:

met herziene berekening S&S/ successierecht

22 april 2011

aangepaste vaststelling afspraken en berekeningsbladen

telefoongesprek met mw. [H] inz. berekening successierecht en kapitaalverzekering

28 april 2011

getracht mw. [H] te bellen, niet aanwezig

e-mail naar mw. [H] en cc intern

15 juni 2011

getracht mw. [H] te bellen, niet aanwezig

11 juli 2011

Brief insp. aan mw. [H] inz. inkeer en nieuwe berekeningsbladen

24 augustus 2011

administratieve handeling opleggen navorderingsaanslagen

24 september 2011

dagtekening pen-navorderingen IH 1997 t/m 2005 en VB 1998 t/m 2000

25 augustus 2011

Ingezonden Apeldoorn

in ABS navorderingen IH 2006 t/m 2008 verwerkt; definitieve aanslagen IH 2009 en 2010

22 november 2011

brief ontvangstbevestiging en behandeling bezwaarschriften

13 januari 2012

[A] gebeld/gesproken; aangegeven in gesprek te willen gaan. Belt zelf voor eventuele afspraak

22 maart 2012

brief gestuurd aan [A] inzake de behandeling diverse bezwaarschriften; in de gelegenheid gesteld contact met de heer [L] op te nemen om een planning te maken voor de afhandeling van de diverse dossiers/bezwaarschriften, waaronder deze bezwaarschriften.

22 maart 2012 tot nu toe

geen reactie ontvangen”.

3 Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1.

Het geschil betreft de antwoorden op de volgende vragen:

(A) Heeft de Inspecteur bij het voorbereiden en opleggen van de navorderingsaanslag voldoende voortvarend gehandeld?

(B) Kan belanghebbende het bedrag van de in 2.3 bedoelde vrijstelling ad € 329.649 geheel in mindering brengen op de buitenlandse verkrijging, zodat per saldo de buitenlandse verkrijging nihil bedraagt?

(C) Heeft belanghebbende recht op een vergoeding van immateriële schade wegens de lange duur van het bezwaar en/of het (hoger) beroep?

Belanghebbende is van mening dat vraag A ontkennend, en vragen B en C bevestigend, moeten worden beantwoord. De Inspecteur is telkens de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

3.2.

Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken en hetgeen zij ter zitting hebben aangevoerd.

3.3.

Ter zitting hebben zij, zakelijk weergegeven, het volgende aangevoerd.

Belanghebbende

  • -

    Ik stel in mijn pleitnota dat uit het chronologisch overzicht dat de Inspecteur heeft overgelegd, blijkt, dat na 11 november 2010 geen gegevens meer zijn ontvangen door de belastingdienst en dat tussen de periode van 11 november 2010 en 20 september 2011 een periode is verstreken van ruim 10 maanden zonder dat dit op enigerlei wijze steekhoudend kan worden verklaard. Desgevraagd deel ik het Hof mede dat ik niet betwist dat de in het chronologisch overzicht vermelde handelingen hebben plaatsgevonden, maar ik stel dat de handelingen in de door mij genoemde 10 maanden niet relevant of noodzakelijk waren. De Inspecteur had gewoon zelf de aanslag kunnen berekenen en opleggen. Immers, na 11 november 2010 zijn er geen nieuwe gegevens verstrekt die de Inspecteur heeft gebruikt bij het vaststellen van de navorderingsaanslag.

  • -

    Ik heb de Inspecteur steeds gevraagd om een kopie van de navorderingsaanslag. Die heeft hij nooit overgelegd. Bij de Rechtbank heeft hij medegedeeld dat er een “beschikking geen aanslag” is afgegeven. Nu legt de Inspecteur in hoger beroep een kopie van de navorderingsaanslag over. Dat vind ik onbegrijpelijk. Als de Inspecteur over een dergelijke kopie beschikte, waarom heeft hij die dan niet eerder overgelegd? Ik stel mij op het standpunt dat de thans in hoger beroep overgelegde kopie valselijk is opgemaakt. Ik stel mij op het standpunt dat er nimmer een navorderingsaanslag is opgelegd.

  • -

    Ik heb gesteld dat ik met de inspecteur IB heb onderhandeld over een compromis voor de navorderingsaanslagen IB/PVV en vermogensbelasting en dat hij daarbij heeft erkend dat hij niet voortvarend gehandeld heeft. Dat compromis is tot stand gekomen. De erkenning van niet-voortvarendheid heeft ook te gelden voor de inspecteur die de onderhavige navorderingsaanslagen in het recht van successie heeft opgelegd.

  • -

    Ik heb het niet over het compromisvoorstel dat de inspecteur IB heeft gedaan tijdens de bezwaarfase en dat hij bij brief van 11 juli 2011 heeft ingetrokken. Ik heb het over compromisonderhandelingen die plaatsvonden nadien, tijdens de beroepsfase. De inspecteur IB constateerde dat we beiden een procesrisico liepen omdat de jurisprudentie over het voortvarendheidscriterium nog niet was uitgekristalliseerd zoals nu. Ik heb mijn cliënt toen aangeraden om een compromis te sluiten.

  • -

    De inspecteur IB heeft aldus erkend dat hij niet zeker was van zijn zaak met betrekking tot de vraag of hij voortvarend gehandeld had. Dat houdt een erkenning in.

  • -

    Wat betreft mijn verzoek tot vergoeding van immateriële schade wegens de lange duur van de procedure, neem ik het standpunt in dat de Rechtbank opzettelijk snel gehandeld heeft en gekozen heeft voor een mondelinge uitspraak om net binnen de termijn van twee jaar te kunnen blijven. De Rechtbank heeft aldus geprobeerd de regeling voor vergoeding van immateriële schade te omzeilen.

  • -

    Verder betwist ik dat het geschil binnen twee jaar is beëindigd, omdat ik niet tegelijkertijd met het proces-verbaal van de uitspraak het proces-verbaal van het verhandelde ter zitting heb ontvangen. Ik heb de Rechtbank herhaaldelijk om toezending van dat proces-verbaal moeten vragen. De Rechtbank heeft hiermee gehandeld in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Het Hof houdt mij voor dat de Rechtbank niet een bestuursorgaan is. Ik verzoek het Hof mijn klacht zo te verstaan, dat ik vind dat de Rechtbank in strijd heeft gehandeld met beginselen van een behoorlijke procesorde of behoorlijke rechtspraak. Dat rechtvaardigt toekenning van een vergoeding voor immateriële schade.

De Inspecteur

  • -

    Ik weerspreek met klem dat de door mij in hoger beroep ingebrachte kopie van de navorderingsaanslag een vervalsing is. De belastingdienst doet niet aan vervalsingen. Ik weet niet waarom de kopie niet eerder is overgelegd. Ik weet ook niet waarom in de uitspraak van de Rechtbank staat dat de Inspecteur zou hebben gezegd dat een “beschikking geen aanslag” is afgegeven. Ik was niet persoonlijk aanwezig bij de Rechtbank, dat was een voorganger van mij.

  • -

    Het dossier heeft op geen enkel moment “dood in de kast gelegen”. De belastingdienst heeft voortvarend gehandeld. Ik verwijs naar het chronologisch overzicht.

  • -

    Het komt regelmatig voor dat men een procesrisico “afkoopt” door het sluiten van een fiscaal compromis. Dat is wat de inspecteur IB hier gedaan heeft. Dat betekent niet dat hij erkend zou hebben dat hij niet voldoende voortvarend heeft gehandeld. Het dossier biedt voor die stelling geen enkele aanknopingspunt.

3.4.

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de navorderingsaanslag en vergoeding van door haar gestelde immateriële schade. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4 Gronden

Ten aanzien van het geschil

Voortvarendheid

Toetsingskader

4.1.

De Inspecteur heeft de onderhavige navorderingsaanslag opgelegd met toepassing van de verlengde navorderingstermijn van artikel 16, lid 4, van de AWR. Belanghebbende stelt dat, ofschoon de Inspecteur binnen de in die bepaling genoemde termijn van twaalf jaar is gebleven, de navorderingsaanslag toch vernietigd moet worden, omdat de Inspecteur de zogenoemde voortvarendheidseis zou hebben overschreden.

4.2.

Bij arrest van 11 juni 2009, X en E.H.A. Passenheim-van Schoot, C‑155/08 en C‑157/08, BNB 2009/222, heeft het Hof van Justitie (hierna: HvJ) voor recht verklaard:

“1) De artikelen 49 EG en 56 EG moeten aldus worden uitgelegd dat zij zich niet ertegen verzetten dat, wanneer voor de belastingautoriteiten van een lidstaat spaartegoeden en inkomsten uit deze tegoeden zijn verzwegen en deze autoriteiten geen aanwijzingen over het bestaan ervan hebben op basis waarvan zij een onderzoek kunnen instellen, deze lidstaat een langere navorderingstermijn toepast wanneer deze tegoeden in een andere lidstaat zijn aangehouden dan wanneer zij in eerstgenoemde lidstaat zijn aangehouden. De omstandigheid dat deze andere lidstaat het bankgeheim kent, is in dit opzicht van geen belang.

2) (...)”.

4.3.

Dienaangaande overwoog het HvJ in voormeld arrest van 11 juni 2009:

“-45. Het Hof heeft reeds geoordeeld dat de noodzaak om de doeltreffendheid van de fiscale controles te waarborgen (zie met name arrest van 18 december 2007, A, C‑101/05, Jurispr. blz. I-11531, punt 55) alsmede de bestrijding van belastingfraude (zie met name arrest van 11 oktober 2007, ELISA, C‑451/05, Jurispr. blz. I-8251, punt 81) dwingende redenen van algemeen belang vormen, die een beperking van de uitoefening van de door het EG-Verdrag gegarandeerde vrijheden van verkeer kunnen rechtvaardigen.

-46. Wat het kapitaalverkeer betreft, bepaalt artikel 58, lid 1, sub b, EG dat artikel 56 EG niets afdoet aan het recht van de lidstaten om alle nodige maatregelen te nemen om overtredingen van de nationale wetten en voorschriften tegen te gaan, met name op fiscaal gebied.

-47. Een beperkende maatregel kan evenwel slechts gerechtvaardigd zijn indien hij het evenredigheidsbeginsel eerbiedigt in die zin dat hij geschikt is om het ermee nagestreefde doel te verwezenlijken en niet verder gaat dan noodzakelijk is om dat doel te bereiken (arrest Commissie/Frankrijk, reeds aangehaald, punt 28).”.

4.4.

In verband met het door het HvJ genoemde evenredigheidsbeginsel dat in acht moet worden genomen bij het opleggen van een navorderingsaanslag met gebruikmaking van de termijn van artikel 16, lid 4, van de AWR op een tijdstip waarop de ten aanzien van binnenlandse tegoeden geldende vijfjaarstermijn van artikel 16, lid 3, van de AWR is verstreken, heeft de Hoge Raad regels geformuleerd (HR 26 februari 2010, nrs. 43050bis en 43670bis, ECLI:NL:HR:2010:BJ9092 en BJ9120, BNB 2010/199 en 200). Op grond van deze regels moet, na het verkrijgen van aanwijzingen van het bestaan van de in het buitenland aangehouden spaartegoeden, het tijdsverloop worden aanvaard dat noodzakelijkerwijs is gemoeid met (i) het verkrijgen van de inlichtingen die nodig zijn voor het bepalen van de verschuldigde belasting, en tevens (ii) het met redelijke voortvarendheid voorbereiden en vaststellen van een navorderingsaanslag aan de hand van de gegevens die de inspecteur ter beschikking staan.

4.5.

Bovengenoemde arresten zijn gewezen voor de navordering van inkomsten- en vermogensbelasting. Naar het oordeel van het Hof zijn zij zonder twijfel van toepassing op de navordering van het recht van successie, nu het in essentie om dezelfde rechtsvraag gaat en dezelfde door het EU-recht beschermde vrijheden in het geding zijn.

4.6.

De voortvarendheidstoets vangt aan op het moment dat de belastingautoriteiten aanwijzingen hebben ontvangen over in het buitenland aangehouden vermogen. Dat is in het onderhavige geval het moment dat belanghebbende de inspecteur IB verzocht om toepassing van de inkeerregeling. Daaraan kan niet afdoen dat deze inspecteur binnen de organisatie van de belastingdienst niet belast was met regelen van navorderingsaanslagen in het recht van successie (vgl. Hoge Raad 28 maart 2014, nr. 13/03554, ECLI:NL:HR:2014:689, r.o 3.3.6).

4.7.

De belastingautoriteiten hebben beoordelingsvrijheid bij de organisatie en inrichting van hun werkzaamheden. Bij het verzamelen van relevante gegevens noodzakelijk voor het vaststellen van een aanslag, staat het de belastingdienst daarom vrij de werkzaamheden over diverse inspecteurs te verdelen. Gelet op de eisen die voortvloeien uit het recht van de Europese Unie mogen de werkzaamheden echter niet worden georganiseerd en ingericht op een zodanige wijze dat een voortvarende behandeling onvoldoende gewaarborgd is (vgl. eveneens Hoge Raad 28 maart 2014, nr. 13/03554, ECLI:NL:HR:2014:689, r.o 3.4.3)

4.8.

Bij de vraag of de inspecteur zijn taak voldoende voortvarend ter hand heeft genomen, geldt als uitgangspunt dat indien hij, zonder dat daartoe goede redenen bestaan, zes maanden of langer geen actie heeft ondernomen, aangenomen wordt dat hij onvoldoende voortvarend gehandeld heeft (vgl. eveneens Hoge Raad 28 maart 2014, nr. 13/03554, ECLI:NL:HR:2014:689, r.o 3.4.4)

Toepassing op de onderhavige zaak

4.9.

De Rechtbank heeft, zakelijk weergegeven, geoordeeld

( a) dat de Inspecteur de omvang van de erfrechtelijke verkrijging alleen kon vaststellen als hij beschikte over de tot aan de datum van overlijden van erflater verschuldigde bedragen aan IB/PVV en vermogensbelasting,

( b) dat deze bedragen werden vastgesteld door de inspecteur IB en dat de Inspecteur met het opleggen van de navorderingsaanslag in het recht van successie mocht wachten tot hij de relevante bedragen van de inspecteur IB had ontvangen,

( c) dat de inspecteur IB bij het verzamelen van de relevante gegevens voldoende voortvarend gehandeld had en

( d) dat vervolgens de Inspecteur, na ontvangst van de gegevens de navorderingsaanslag in het recht van successie eveneens met voldoende voortvarendheid heeft vastgesteld.

4.10.

Het Hof onderschrijft de oordelen van de Rechtbank.

4.11.

Belanghebbende bestrijdt de oordelen van de Rechtbank met de volgende grieven.

4.12.

De eerste grief houdt in, dat de Inspecteur (successierecht) niet mocht wachten op de inspecteur IB. Deze inspecteurs hebben, aldus belanghebbende, ieder hun eigen werkterrein en verantwoordelijkheid. Belanghebbende heeft alle relevante gegevens overgelegd op 11 november 2010. De Inspecteur (successierecht) had toen meteen zelf aan de slag moeten gaan.

4.13.

Deze grief faalt, omdat zij het hiervóór geformuleerde uitgangspunt miskent, dat het de belastingdienst vrij staat de werkzaamheden over diverse inspecteurs te verdelen. Die vrijheid kent weliswaar grenzen, maar die grenzen zijn, naar het oordeel van het Hof, in het onderhavige geval niet overschreden. De Inspecteur hoefde daarom niet terstond zelf “aan de slag te gaan”, maar kon het vaststellen van de verschuldigde bedragen aan IB/PVV en vermogensbelasting overlaten aan zijn collega inspecteur IB.

4.14.

De tweede grief houdt in, dat de Inspecteur onvoldoende voortvarend gehandeld heeft, omdat belanghebbende op 11 november 2010 alle relevante gegevens heeft overgelegd en de navorderingsaanslag niet op andere dan die gegevens is gebaseerd. De na 11 november 2010 door de Inspecteur verrichte handelingen zijn daarom irrelevant.

4.15.

De tweede grief faalt eveneens. Het Hof heeft zojuist overwogen dat de Inspecteur mocht wachten op zijn collega inspecteur IB. Het chronologisch overzicht, dat inhoudelijk niet door belanghebbende is bestreden, laat voorts geen andere conclusie toe dan dat de inspecteur IB regelmatig relevante handelingen heeft verricht, dat wil zeggen voortvarend gehandeld heeft. Hierbij is van belang dat de inspecteur IB niet gehouden was de door belanghebbende verstrekte informatie als volledig en waarheidsgetrouw te beschouwen. Hij heeft dan ook nadere vragen gesteld, gericht op het achterhalen van de omvang en de herkomst van het buitenlands vermogen. Het betrof rechtstreeks voor de belastingheffing relevante vragen, die de inspecteur IB in redelijkheid mocht stellen. Belanghebbende heeft die vragen niet, althans niet afdoende, beantwoord.

4.16.

Nadat de Inspecteur van zijn collega IB de relevante gegevens had ontvangen, heeft hij met voortvarendheid de navorderingsaanslag in het recht van successie opgelegd.

4.17.

Uit het voorgaande volgt, dat de Inspecteur niet meer tijd heeft genomen dan in redelijkheid noodzakelijk was voor het verkrijgen van relevante inlichtingen en het vervolgens voorbereiden en vaststellen van de navorderingsaanslag. De omstandigheid dat de navorderingsaanslag uiteindelijk is opgelegd conform (de berekeningen gemaakt op basis van) de reeds op 11 november 2010 overgelegde gegevens, maakt dat niet anders.

4.18.

De stelling van belanghebbende dat de Inspecteur de navorderingsaanslag terstond, zo nodig onder het innemen van een “maximumpositie” had kunnen opleggen, om deze later eventueel ambtshalve te verminderen, gaat uit van de veronderstelling dat de Inspecteur in een geval als het onderhavige voortvarend handelt, als hij een aanslag oplegt waarvan hij weet, dan wel redelijkerwijs kan vermoeden, dat deze te hoog is. Deze veronderstelling, die van de Inspecteur verlangt dat hij in strijd handelt met beginselen van behoorlijk bestuur, vindt geen steun in het recht.

4.19.

Belanghebbendes derde grief houdt in dat de inspecteur IB, in het kader van compromisonderhandelingen, zou hebben erkend onvoldoende voortvarend gehandeld te hebben, aan welke erkenning de Inspecteur zou zijn gebonden.

4.20.

Belanghebbende, op wie de bewijslast drukt, heeft niet méér aangevoerd dan dat de inspecteur IB een - voor beide partijen bestaand - procesrisico zou hebben onderkend, onder meer voortvloeiende uit de destijds bestaande onduidelijkheden omtrent de interpretatie van het voortvarendheidscriterium, welk procesrisico beide partijen zouden “afkopen” door het sluiten van een compromis. Deze gang van zaken levert, naar het oordeel van het Hof, niet op een erkenning door de inspecteur IB dat hij onvoldoende voortvarend zou hebben gehandeld. Overig bewijs van haar stelling heeft belanghebbende niet geleverd, zodat deze wordt verworpen.

De vrijstelling

4.21.

Belanghebbende stelt, dat zij recht heeft op toepassing van de vrijstelling van per saldo € 329.649 op de buitenlandse verkrijging. Zij voert daartoe aan dat geen primitieve aanslag werd opgelegd; primair stelt zij dat de Inspecteur geen enkele beschikking heeft gegeven, subsidiair stelt zij dat de Inspecteur een beschikking “geen aanslag” heeft gegeven. Er is in ieder geval geen aanslag opgelegd, en dat betekent, aldus belanghebbende, dat zij de vrijstelling nog niet heeft gebruikt, zodat zij daar alsnog recht op heeft. De vrijstelling moet geheel op de buitenlandse verkrijging in mindering worden gebracht, zo stelt zij. Indien namelijk de vrijstelling niet op de buitenlandse verkrijging in mindering zou worden gebracht, betekent dat een verkapte navordering over de binnenlandse vermogensbestanddelen. Die navordering is echter wegens het verlopen van de navorderingstermijn niet meer mogelijk.

4.22.

De Inspecteur wijst op de kopie van de primitieve aanslag die hij in hoger beroep heeft ingebracht en stelt dat de vrijstelling bij die aanslag reeds werd toegepast en dus, op een bedrag van € 27.510 na, is “opgebruikt”.

4.23.

Naar het oordeel van het Hof is niet relevant of de Inspecteur reeds een aanslag heeft opgelegd dan wel een beschikking “geen aanslag” heeft gegeven. Op de totale verkrijging krachtens erfrecht van € 423.227 heeft de Inspecteur de na pensioenimputatie resterende vrijstelling van € 329.649 in mindering gebracht. De aldus berekende belastbare verkrijging van € 93.578 is naar het oordeel van het Hof juist. De stelling van belanghebbende dat de vrijstelling uitsluitend in mindering zou moeten komen op de buitenlandse vermogensbestanddelen, berust op een onjuiste rechtsopvatting. Voorts kan niet worden gezegd dat in de navorderingsaanslag, gelet op de hoogte van het bedrag waarover per saldo wordt nagevorderd, enig binnenlands vermogensbestanddeel is begrepen. Van belang is dat de vrijstelling niet betreft een vrijstelling van specifieke vermogensbestanddelen, maar van een vrijstelling in geld “aan de voet”.

Vergoeding van immateriële schade. Overschrijding redelijke termijn

4.24.

De Rechtbank heeft belanghebbendes verzoek om een schadevergoeding van € 1.000 wegens overschrijding van de redelijke termijn afgewezen, omdat vanaf het moment van ontvangst van het bezwaarschrift door de Inspecteur tot het moment waarop de Rechtbank uitspraak deed, minder dan twee jaren zijn verstreken.

4.25.

Belanghebbende stelt, dat de Rechtbank haar verzoek ten onrechte heeft afgewezen. Ten eerste klaagt zij, dat de Rechtbank, onder andere door haar keuze voor een mondelinge in plaats van een schriftelijke uitspraak, opzettelijk heeft aangestuurd om nog binnen de tweejaarstermijn uitspraak te doen. De Rechtbank heeft aldus de regels voor de immateriële schadevergoeding omzeild. Het Hof verwerpt deze klacht. Indien een procedure binnen een redelijke termijn wordt beslist, bestaat geen reden voor een schadevergoeding.

4.26.

Belanghebbende voert voorts aan, dat zij niet tegelijkertijd met het proces-verbaal van de mondelinge uitspraak het proces-verbaal van het verhandelde ter zitting ontving. Zij acht dit in strijd met regels van een behoorlijke procesorde dan wel behoorlijke rechtspraak. Ook deze klacht faalt. De vergoeding van immateriële schade vindt haar grond in een te lange duur van het geschil. Het geschil bij de Rechtbank vond zijn einde met de uitspraak, niet met het opmaken of toezenden van het proces-verbaal van het verhandelde ter zitting.

4.27.

Nu het Hof evenmin de redelijke termijn voor behandeling in hoger beroep heeft overschreden, wijst het belanghebbendes verzoek om een schadevergoeding af.

Slotsom

4.28.

Uit het voorgaande volgt dat belanghebbendes hoger beroep ongegrond is. De uitspraak van de Rechtbank moet worden bevestigd.

Ten aanzien van het griffierecht

4.29.

Het Hof acht geen termen aanwezig te gelasten dat aan belanghebbende het door haar betaalde griffierecht wordt vergoed.

Ten aanzien van de proceskosten

4.30.

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een vergoeding in de proceskosten.

5 Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Aldus gedaan op 30 januari 2015 door W.E.M. van Nispen tot Sevenaer, voorzitter, A.P.M. van Rijn en B.F.A. van Huijgevoort, in tegenwoordigheid van M.M. Stassen-Kanters, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.

  1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

  2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

  1. de naam en het adres van de indiener;

  2. een dagtekening;

  3. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

  4. e gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.