Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2015:3014

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
07-08-2015
Datum publicatie
07-08-2015
Zaaknummer
20-000883-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Art. 141 en 282 Sr. Verdachte was door de rechtbank Zeeland-West-Brabant veroordeeld voor medeplegen van wederrechtelijke vrijheidsberoving, openlijke geweldpleging met zwaar lichamelijk letsel als gevolg, belaging en diefstal in vereniging tot 6 jaar gevangenisstraf. Het hof heeft verdachte vrijgesproken van de laatste twee feiten en veroordeeld tot 4 jaar gevangenisstraf, waarvan 1 jaar voorwaardelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer : 20-000883-14

Uitspraak : 7 augustus 2015

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 14 maart 2014 in de in eerste aanleg gevoegde strafzaken, parketnummers 02-810595-13 en 02-665959-13, tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1992,

thans gedetineerd in de PI Rijnmond, gevangenis De IJssel, te Krimpen aan den IJssel.

Hoger beroep

Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte vrijgesproken van het onder parketnummer 02-665959-13 feit 1 ten laste gelegde en ter zake van - kort gezegd - medeplegen van wederrechtelijke vrijheidsberoving (02-810595-13 feit 1), openlijke geweldpleging met zwaar lichamelijk letsel als gevolg (02-810595-13 feit 2), belaging (02-810595-13 feit 3) en diefstal in vereniging (02-665959-13 feit 2) veroordeeld tot 6 jaar gevangenisstraf, met aftrek van voorarrest, met oplegging van de maatregel van contactverbod.

Voorts heeft de eerste rechter beslist over schadevergoeding voor de benadeelde partijen en over de in beslag genomen voorwerpen.

De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Omvang van het hoger beroep

Het hoger beroep moet, blijkens het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep, worden begrepen als uitdrukkelijk te zijn beperkt tot de veroordeling ter zake van hetgeen aan de verdachte onder parketnummer 02-810595-13 (feiten 1, 2 en 3) en onder parketnummer 02-665959-13 feit 2 is ten laste gelegd. Al hetgeen hierna wordt overwogen en beslist heeft uitsluitend betrekking op dat gedeelte van het beroepen vonnis dat aan het oordeel van het hof is onderworpen.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis van de rechter in eerste aanleg, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende:

  • -

    zal bewezen verklaren hetgeen aan verdachte onder alle nog aan de orde zijnde feiten is ten laste gelegd en verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 jaren, met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, met toepassing van de maatregel ex artikel 38v, lid 2 sub b, van het Wetboek van Strafrecht in die zin dat aan verdachte een contactverbod wordt opgelegd met [aangeefster 3] en haar ouders voor een periode van 2 jaren, met vervangende hechtenis en onmiddellijke uitvoerbaarheid;

  • -

    de vorderingen van de benadeelde partijen geheel zal toewijzen, met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht;

  • -

    de in beslag genomen goederen zal teruggeven aan verdachte.

Door de verdediging is vrijspraak bepleit voor de feiten ten laste gelegd onder parketnummer 02-810595-13 feiten 1 en 3 en onder parketnummer 02-665959-13 feit 2. Subsidiair is een strafmaatverweer gevoerd. Ten aanzien van de benadeelde partij [slachtoffer 1] is, bij vrijspraak voor dat feit, verzocht om de vordering niet-ontvankelijk te verklaren. Ten aanzien van de benadeelde partij [slachtoffer 2] is om matiging van de schadevergoeding verzocht.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, worden vernietigd omdat het niet te verenigen is met de hierna te geven beslissing ten aanzien van de feiten 02-810595-13 feit 3 en 02-665959-13 feit 2.

Tenlastelegging

Aan verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg - ten laste gelegd dat:

Zaak met parketnummer 02-810595-13:

1.
hij op of omstreeks 19 december 2012 te Sint Willebrord, gemeente Rucphen, in elk geval in Nederland en/of in België, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer 1] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en/of beroofd gehouden, immers heeft (hebben) hij, verdachte, en/of een of meer van zijn mededader(s) met dat opzet

- die [slachtoffer 1] geslagen en/of geschopt en/of

- (vervolgens) in een (bestel)auto geduwd en/of

- (vervolgens) die [slachtoffer 1] belet de auto te verlaten en/of

- (vervolgens) die [slachtoffer 1] naar België vervoerd,

- en aldus die [slachtoffer 1] gedurende enige tijd belet te gaan en te staan waar hij wilde;

2.
hij op of omstreeks 16 december 2012 te Breda, gemeente Breda, met een ander of anderen, op of aan de openbare weg, de Havermarkt, in elk geval op of aan een openbare weg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 2] , welk geweld bestond uit

- het slaan tegen het hoofd en/of

- het schoppen/trappen tegen het been/de benen (ten gevolge waarvan vervolgens deze [slachtoffer 2] ten val is gekomen) en/of

-(vervolgens) het (meermalen) schoppen/trappen tegen het lichaam, waarbij hij, verdachte, het slachtoffer (meermalen) heeft geschopt/getrapt, waaronder tegen het been/de benen, ten gevolge waarvan die [slachtoffer 2] ten val is gekomen,

welk geweld zwaar lichamelijk letsel (een comminutieve humeruskopfractuur met luxatie, zijnde een gebroken schouder), althans enig lichamelijk letsel voor die [slachtoffer 2] ten gevolge heeft gehad;

3.
hij in of rond de periode 5 februari 2012 t/m 29 januari 2013 te Zundert en/of Breda, in elk geval in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [aangeefster 3] en/of de ouder(s) van die [aangeefster 3] , in elk geval van een ander, met het oogmerk die [aangeefster 3] en/of haar ouder(s), in elk geval die ander(en) te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen, immers heeft verdachte meermalen, althans eenmaal:

- zich toegang verschaft tot de GGZ-instelling waar die [aangeefster 3] verbleef en/of

- de woning en/of het erf van die [aangeefster 3] en/of haar familie, gelegen aan [adres 1] , bezocht en/of

- de ouder(s) van die [aangeefster 3] bedreigd met de woorden "ik kom terug met een shotgun" en/of (indirect) "Je moet maar tegen je buurman zeggen dat een kogel goed genoeg is voor [naam] ", althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking en/of

- voornoemde [aangeefster 3] en/of haar ouder(s) sms-bericht(en) gestuurd en/of

- voornoemde [aangeefster 3] en/of haar ouder(s) gebeld en/of

- een brief achtergelaten op het raam (van de slaapkamer) van die [aangeefster 3] en/of

- de ruit(en) van de auto van die [aangeefster 3] vernield en/of

- de familie van die [aangeefster 3] en/of die [aangeefster 3] achtervolgd en/of

- de ruit(en) van de woning van die [aangeefster 3] en /of haar familie vernield en/of

- zich anderszins aan die [aangeefster 3] opgedrongen en/of zich hinderlijk in de directe omgeving van die [aangeefster 3] opgehouden;

Zaak met parketnummer 02-665959-13 (gevoegd):

2.
hij op of omstreeks 20 oktober 2012 te Sint Willebrord, gemeente Rucphen, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een auto (merk Renault, Megane, [kenteken 1] ) met zich in die auto bevindende goederen, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [aangever 4] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s).

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten of omissies voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Vrijspraak 02-810595-13 feit 3

Het hof heeft uit het onderzoek ter terechtzitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat verdachte het in de zaak met parketnummer

02-810595-13 onder 3 ten laste gelegde heeft begaan, zodat verdachte daarvan wordt vrijgesproken.

Gelet op de inhoud van de in hoger beroep aan het dossier toegevoegde sms-berichten van [aangeefster 3] aan verdachte, is het hof van oordeel dat de verklaringen van [aangeefster 3] in het dossier onbetrouwbaar blijken te zijn. Dit geldt ook ten aanzien van de verklaringen van de ouders voor zover deze gebaseerd zijn op hetgeen [aangeefster 3] hen heeft verteld.

Het hof acht dan ook niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte bij het bellen, sms'en en verblijven in de nabije omgeving van [aangeefster 3] het oogmerk had als bedoeld in artikel 285b van het Wetboek van Strafrecht.

Met betrekking tot de overige onderdelen van de tenlastelegging is niet komen vast te staan dat hierbij sprake was van stelselmatigheid als bedoeld in artikel 285b van het Wetboek van Strafrecht, zodat verdachte ook daarvan wordt vrijgesproken.

Vrijspraak 02-665959-13 feit 2

Het hof heeft uit het onderzoek ter terechtzitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat verdachte het in de zaak met parketnummer

02-665959-13 onder 2 tenlastegelegde heeft begaan, zodat verdachte daarvan wordt vrijgesproken.

Naar het oordeel van het hof is er onvoldoende bewijs dat verdachte bij diefstal van de auto betrokken is geweest. Het filmbestand op de telefoon van verdachte maakt dat niet anders.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het in de zaak met parketnummer 02-810595-13 onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:


1.
hij op 19 december 2012 te Sint Willebrord, gemeente Rucphen, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk [slachtoffer 1] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en beroofd gehouden en hij op 19 december 2012 in België tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk [slachtoffer 1] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd gehouden, immers hebben hij, verdachte, en zijn mededader met dat opzet

- die [slachtoffer 1] geslagen en geschopt en/of

- (vervolgens) in een (bestel)auto geduwd en/of

- (vervolgens) die [slachtoffer 1] belet de auto te verlaten en/of

- (vervolgens) die [slachtoffer 1] naar België vervoerd,

- en aldus die [slachtoffer 1] gedurende enige tijd belet te gaan en te staan waar hij wilde;

2.
hij op 16 december 2012 te Breda, gemeente Breda, met een ander, op of aan de openbare weg, de Havermarkt, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 2] , welk geweld bestond uit

- het schoppen tegen het been/de benen (ten gevolge waarvan vervolgens deze [slachtoffer 2] ten val is gekomen) en

- vervolgens het schoppen tegen het lichaam, waarbij hij, verdachte, het slachtoffer heeft geschopt, waaronder tegen het been/de benen, ten gevolge waarvan die [slachtoffer 2] ten val is gekomen,

welk geweld zwaar lichamelijk letsel (een comminutieve humeruskopfractuur met luxatie, zijnde een gebroken schouder) voor die [slachtoffer 2] ten gevolge heeft gehad.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Door het hof gebruikte bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkort arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort arrest. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort arrest gehecht.

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

Elk bewijsmiddel wordt - ook in zijn onderdelen - slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezen verklaarde feit, of die bewezen verklaarde feiten, waarop het, blijkens zijn inhoud, betrekking heeft.

Hetgeen door de raadsman ten aanzien van feit 1 is aangevoerd wordt weerlegd door de bewijsmiddelen. Het hof merkt daarbij op dat het oncontroleerbare deel van de verklaring van [mededader] , daar waar hij heeft verklaard dat hij het feit niet samen met verdachte maar met een ander (waarvan hij de naam niet wenst te noemen) heeft gepleegd, tegen de achtergrond van de gebezigde bewijsmiddelen ongeloofwaardig acht. Bovendien heeft verdachte niet aan kunnen gegeven waarom het slachtoffer hem onterecht heeft aangewezen als één van de daders.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het in de zaak met parketnummer 02-810595-13 onder 1 bewezen verklaarde levert op:

medeplegen van opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven en beroofd houden.

Het in de zaak met parketnummer 02-810595-13 onder 2 bewezen verklaarde levert op:

openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen, terwijl dat geweld zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf of maatregel

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Naar het oordeel van het hof kan gelet op de ernst van het bewezen verklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd, niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor de hierna te vermelden duur met zich brengt.

Het hof heeft daarbij gelet op de volgende omstandigheden.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan ontvoering van slachtoffer [slachtoffer 1] , welke ontvoering gepaard ging met grof geweld ten gevolge waarvan die [slachtoffer 1] een neusfractuur, een armfractuur en kneuzingen in het gezicht heeft overgehouden en drie dagen in het ziekenhuis heeft moeten verblijven. Het hof neemt het verdachte bijzonder kwalijk dat hij het slachtoffer in deze toestand midden in de nacht in België aan de kant van snelweg uit de auto heeft gezet en hem aan zijn lot heeft overgelaten.

Verdachte heeft zich voorts schuldig gemaakt aan openlijke geweldpleging tegen slachtoffer [slachtoffer 2] . Hoewel aan dit geweld onbetamelijk gedrag van het slachtoffer jegens verdachte en zijn mededader vooraf is gegaan, is het hof van oordeel dat het door verdachte toegepaste geweld disproportioneel was. Het slachtoffer heeft als gevolg van dat geweld een verbrijzelde schouderkop opgelopen, waardoor een prothese moest worden geplaatst.

Beide feiten zijn dermate ernstig dat een langdurige gevangenisstraf op zijn plaats is. Het hof zal een deel daarvan voorwaardelijke opleggen, waarmee het enerzijds de ernst van het bewezen verklaarde tot uitdrukking wil brengen en anderzijds de strafoplegging dienstbaar wil maken aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.

Nu verdachte voor het onder feit 3 ten laste gelegde wordt vrijgesproken ziet het hof geen reden om de door de advocaat-generaal gevorderde maatregel ex artikel 38v lid 2 sub b van het Wetboek van Strafrecht op te leggen en het arrest uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]

De benadeelde partij [slachtoffer 1] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 2.209,90, te vermeerderen met de wettelijke rente, bestaande uit een bedrag van € 459,90 aan materiële schade en € 1.750,00 aan immateriële schade. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 2.159,90, met wettelijke rente. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd ter zake van het niet toegewezen gedeelte van de vordering.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij [slachtoffer 1] als gevolg van verdachtes onder parketnummer 02-810595-13 feit 1 bewezen verklaarde handelen rechtstreeks schade heeft geleden tot het gevorderde bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente. Verdachte en zijn mededader zijn tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is, met een beslissing omtrent de kosten als hierna zal worden vermeld.

Het hof ziet aanleiding te dezer zake de maatregel van artikel 36f Wetboek van Strafrecht op te leggen als na te melden, nu verdachte en zijn mededader naar burgerlijk recht aansprakelijk zijn voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]

De benadeelde partij [slachtoffer 2] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 9.779,04, te vermeerderen met de wettelijke rente, bestaande uit een bedrag van € 379,04 aan materiële schade en € 9.400,00 aan immateriële schade. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 5.379,04, met wettelijke rente. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd ter zake van het niet toegewezen gedeelte van de vordering.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij [slachtoffer 2] als gevolg van verdachtes onder parketnummer 02-810595-13 feit 2 bewezen verklaarde handelen rechtstreeks schade heeft geleden tot een bedrag van € 379,04 aan materiële schade en € 5.000,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente. Verdachte en zijn mededader zijn tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is, met een beslissing omtrent de kosten als hierna zal worden vermeld.

Het hof ziet aanleiding te dezer zake de maatregel van artikel 36f Wetboek van Strafrecht op te leggen als na te melden, nu verdachte en zijn mededader naar burgerlijk recht aansprakelijk zijn voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht.

Voor het overige is het hof van oordeel dat behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert, nu de omvang van de immateriële schade boven het hiervoor genoemde bedrag niet eenvoudig kan worden vastgesteld en het onderzoek geschorst zou moeten worden om daar nader onderzoek naar te laten doen. In zoverre kan de benadeelde partij daarom thans in de vordering niet worden ontvangen en kan de vordering slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 24c, 36f, 47, 57, 63, 141 en 282 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en doet opnieuw recht.

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 02-810595-13 onder 3 en in de zaak met parketnummer 02-665959-13 onder 2 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 02-810595-13 onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte in de zaak met parketnummer 02-810595-13 onder 1 en 2 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) jaren.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 1 (één) jaar, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Gelast de teruggave aan de verdachte van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

- 1 doos, Breitling avenger;

- 1 grijze jas Nickelson;

- 1 blauwe broek Novo Mochino.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 1] ter zake van het in de zaak met parketnummer 02-810595-13 onder 1 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 2.209,90 (tweeduizend tweehonderdnegen euro en negentig cent) bestaande uit € 459,90 (vierhonderdnegenenvijftig euro en negentig cent) materiële schade en € 1.750,00 (duizend zevenhonderdvijftig euro) immateriële schade en veroordeelt de verdachte die, evenals zijn mededader, hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, met dien verstande dat indien en voor zover de een aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan, de ander daarvan in zoverre zal zijn bevrijd, om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Bepaalt dat voormelde toegewezen bedragen aan materiële en immateriële schadevergoeding vermeerderd worden met de wettelijke rente vanaf 19 december 2012 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 1] , ter zake van het in de zaak met parketnummer 02-810595-13 onder 1 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 2.209,90 (tweeduizend tweehonderdnegen euro en negentig cent) bestaande uit € 459,90 (vierhonderdnegenenvijftig euro en negentig cent) materiële schade en € 1.750,00 (duizend zevenhonderdvijftig euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 32 (tweeëndertig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat de verplichting tot betaling van schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer voor de verdachte komt te vervallen indien en voor zover de mededader heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichtingen ter zake van de materiële en immateriële schade vermeerderd worden met de wettelijke rente vanaf 19 december 2012 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Bepaalt dat indien en voor zover de mededader van de verdachte voormeld bedrag heeft betaald, verdachte in zoverre is bevrijd van voornoemde verplichting tot betaling aan de benadeelde partij of aan de Staat.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 2] ter zake van het in de zaak met parketnummer 02-810595-13 onder 2 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 5.379,04 (vijfduizend driehonderdnegenenzeventig euro en vier cent) bestaande uit € 379,04 (driehonderdnegenenzeventig euro en vier cent) materiële schade en € 5.000,00 (vijfduizend euro) immateriële schade en veroordeelt de verdachte die, evenals zijn mededader, hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, met dien verstande dat indien en voor zover de een aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan, de ander daarvan in zoverre zal zijn bevrijd, om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verklaart de benadeelde partij in haar vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat zij in zoverre haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Bepaalt dat voormelde toegewezen bedragen aan materiële en immateriële schadevergoeding vermeerderd worden met de wettelijke rente vanaf 16 december 2012 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 2] , ter zake van het in de zaak met parketnummer 02-810595-13 onder 2 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 5.379,04 (vijfduizend driehonderdnegenenzeventig euro en vier cent) bestaande uit € 379,04 (driehonderdnegenenzeventig euro en vier cent) materiële schade en € 5.000,00 (vijfduizend euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 61 (eenenzestig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat de verplichting tot betaling van schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer voor de verdachte komt te vervallen indien en voor zover de mededader heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichtingen ter zake van de materiële en immateriële schade vermeerderd worden met de wettelijke rente vanaf 16 december 2012 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Bepaalt dat indien en voor zover de mededader van de verdachte voormeld bedrag heeft betaald, verdachte in zoverre is bevrijd van voornoemde verplichting tot betaling aan de benadeelde partij of aan de Staat.

Aldus gewezen door

mr. J. Platschorre, voorzitter,

mr. F. van Es en mr. F.P.E. Wiemans, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mw. C.M. Sweep, griffier,

en op 7 augustus 2015 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Mr. Platschorre is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.