Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2015:3007

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
04-08-2015
Datum publicatie
07-08-2015
Zaaknummer
HD 200.161.866_01
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

Kort Geding. Relatiebeding. Voorshands geen redenen om te oordelen dat een relatiebeding voor de duur van één jaar na beëindiging van de arbeidsovereenkomst door de rechter zal worden vernietigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2015-0745
AR 2015/1481
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer HD 200.161.866/01

arrest van 4 augustus 2015

in de zaak van

Noba Normteile GmbH,

gevestigd te [vestigingsplaats] (D),

appellante,

hierna aan te duiden als “Noba”,

advocaat: mr. A.K. Oberbremer te 's-Gravenhage,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde,

hierna aan te duiden als “ [geïntimeerde] ”,

advocaat: mr. E.H.C.K. Reijans te Echt,

als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 24 februari 2015 in het hoger beroep van het door de kantonrechter in de rechtbank Limburg, zittingplaats Roermond onder zaaknummer 3505506/CV EXPL 14-10836 gewezen vonnis van 24 november 2014.

5 Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure blijkt:

- het tussenarrest van 24 februari 2015 waarbij het hof een comparitie heeft gelast;

- het proces-verbaal van comparitie van 21 april 2015;

- een faxbericht d.d. 23 juni 2015, waarin namens Noba wordt verzocht arrest te wijzen.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg

6 De gronden van het hoger beroep

Voor de tekst van de grieven wordt verwezen naar de memorie van grieven.

7 De beoordeling

7.1.1.

Het gaat in deze zaak – voor zover in hoger beroep nog van belang - om het navolgende. Noba voert een groothandel in automaterialen en is als zodanig ook actief op de Nederlandse markt. [geïntimeerde] is met ingang van 1 juli 2001 in dienst getreden van Noba als verkoper. Laatstelijk gaf hij leiding aan het verkoopteam van Noba in Nederland, welk team inclusief [geïntimeerde] bestond uit vier personen. De met Noba gesloten arbeidsovereenkomst bevat een geheimhoudingsbeding (artikel 10), een verbod tot het verrichten van nevenactiviteiten tijdens het dienstverband (artikel 11) en een concurrentie- c.q. relatiebeding voor één jaar na afloop van de arbeidsovereenkomst (artikel 12). In artikel 14 wordt op overtreding van deze bedingen een boete gesteld. Een door de advocaten van partijen geverifieerde en juist bevonden vertaling van de in de Duitse taal gestelde artikelen 11, 12, 13 en 14 is aan het proces-verbaal van de comparitie gehecht. Mede op grond van het ter comparitie verhandelde staat vast dat met het in de arbeidsovereenkomst (productie 1 bij de inleidende dagvaarding) genoemde ‘NOBA B.V.’ wordt bedoeld Noba Normteile GmbH.

7.1.2.

Noba heeft om bedrijfseconomische redenen besloten het in Nederland aangehouden magazijn te sluiten. [geïntimeerde] heeft daarin aanleiding gevonden om een eigen onderneming te starten. Tegen deze achtergrond hebben partijen overleg gevoerd over een verzelfstandiging van [geïntimeerde] als ondernemer. [geïntimeerde] heeft bij brief van 11 augustus 2014 zijn arbeidsovereenkomst met Noba met ingang van 1 september 2014 opgezegd. In een brief van 25 augustus 2014 heeft Noba de opzegging van [geïntimeerde] per 31 augustus 2014 aanvaard. Bij brief van 31 augustus 2014 is [geïntimeerde] op zijn opzegging teruggekomen in die zin dat hij aan de opzegging een voorwaarde heeft verbonden.

7.1.3.

In de onderhavige kortgedingprocedure heeft Noba in eerste aanleg in conventie het standpunt ingenomen dat [geïntimeerde] heeft gehandeld in strijd met de artikelen 10, 11 en 12 van de arbeidsovereenkomst. Op die grond heeft zij – zakelijk weergegeven – een verbod gevorderd op het handelen in strijd met het relatiebeding, nakoming van het relatie- en geheimhoudingsbeding, betaling van een voorschot van € 102.100,50 op de verbeurde boetes en vergoeding van omzetschade ad € 57.640,31, alles te vermeerderen met rente en buitengerechtelijke en proceskosten als vermeld in het petitum van de dagvaarding in eerste aanleg.

7.1.4.

[geïntimeerde] heeft verweer gevoerd in conventie en heeft in reconventie het standpunt ingenomen dat zijn opzegging van de arbeidsovereenkomst tot stand is gekomen onder invloed van een wilsgebrek, dat hij de opzegging inmiddels heeft vernietigd en hij aanspraak is blijven houden op het overeengekomen loon, € 4.107,= bruto per maand. Hij vordert betaling van dat bedrag als loon over de maand augustus 2014, alsmede doorbetaling van loon tot het moment waarop de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig zal zijn geëindigd.

7.1.5.

De kantonrechter heeft zowel in conventie als in reconventie de vorderingen van partijen afgewezen en de proceskosten gecompenseerd. Voor de onderbouwing van die beslissing verwijst het hof naar het vonnis waarvan beroep.

7.1.6.

Noba is een in Duitsland gevestigde rechtspersoon. Niet in geding is in dit geval dat dit hof bevoegd is en dat Nederlands recht toepasselijk is.

7.2.1.

Noba heeft in hoger beroep zeven grieven aangevoerd. Noba heeft geconcludeerd tot vernietiging van het beroepen vonnis en vordert thans – zakelijk weergegeven – primair een veroordeling van [geïntimeerde] om activiteiten in strijd met het concurrentie-/relatiebeding te staken en dit beding onverkort na te komen, met veroordeling tot betaling van in totaal € 70.000,= als voorschot op wegens overtredingen van het relatiebeding en het verbod op nevenwerkzaamheden verbeurde boetes. Subsidiair vordert Noba voorwaardelijk, voor het geval het hof van oordeel zou zijn dat de primaire vorderingen niet toewijsbaar zijn, een verbod op het benaderen van zakelijke relaties van Noba voor de duur van één jaar, met veroordeling van [geïntimeerde] tot betaling van € 40.000,= als voorschot op door Noba geleden schade als gevolg van onrechtmatige concurrentie. Primair en subsidiair vordert Noba bovendien de veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van het geding in beide instanties.

Aldus geformuleerd houdt de vordering van Noba een wijziging van eis in. [geïntimeerde] heeft geen bezwaar gemaakt tegen de eiswijzing van Noba. Het hof ziet ook geen aanleiding de eiswijziging ambtshalve buiten beschouwing te laten wegens strijd met de goede procesorde. Recht zal worden gedaan op de gewijzigde eis.

[geïntimeerde] heeft verweer gevoerd en geconcludeerd tot bekrachtiging van het vonnis waarvan beroep. Hierna zal bij de bespreking van de grieven blijken in hoeverre de vorderingen van Noba toewijsbaar zijn.

7.3.

De grieven van Noba richten zich niet tegen de beslissing in reconventie. [geïntimeerde] heeft geen incidenteel hoger beroep ingesteld. Daarom is in hoger beroep nog slechts het geschil in conventie aan de orde. Uit de aard van de door Noba verlangde voorzieningen vloeit afdoende voort dat zij een spoedeisend belang heeft bij een beslissing.

7.4.

Het hof stelt bij de beoordeling van de grieven voorop dat de onderhavige (kort geding) procedure is bedoeld om één of meer voorlopige voorzieningen te treffen in afwachting van een beoordeling in een bodemprocedure. In beginsel komt binnen het kader van de onderhavige procedure het leveren van bewijs niet aan de orde. Het hof zal hierna de grieven geclusterd behandelen, waarbij het de navolgende geschilpunten onderscheidt:

  • -

    nakoming van het relatiebeding (grieven 1 en 2);

  • -

    nakoming van het geheimhoudingsbeding (grief 7);

  • -

    verbeurte van boetes (grieven 3 en 4);

  • -

    overige onderwerpen (grieven 5 en 6).

Overtreding van het relatiebeding.

7.5.1.

De grieven 1 en 2 richten zich tegen het oordeel van de kantonrechter dat de vordering tot nakoming van het tussen partijen geldende relatiebeding niet toewijsbaar is.

7.5.2.1. Het hof merkt dienaangaande in de eerste plaats op dat [geïntimeerde] in hoger beroep aanvankelijk niet heeft volhard in zijn stellingname dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen nog steeds bestaat, omdat de opzegging door hem vernietigd is. Bij gelegenheid van de gehouden comparitie heeft mr. Reijans echter opgemerkt dat [geïntimeerde] dit verweer niet opgeeft. Nu [geïntimeerde] kennelijk wel tot verweer wil aanvoeren dat het relatiebeding van artikel 12 niet in werking is getreden, omdat de arbeidsovereenkomst niet is geëindigd, zal het hof eerst op dit verweer oordelen.

7.5.2.2. Uit hetgeen in r.o. 7.1.2. is vastgesteld volgt dat [geïntimeerde] bij brief van 11 augustus 2014 de arbeidsovereenkomst met Noba onvoorwaardelijk heeft opgezegd. Noba heeft deze opzegging bij brief van 25 augustus 2014 aanvaard. [geïntimeerde] beroept zich op de nietigheid van de opzegging vanwege een wilsgebrek. De door hem aan die stellingname ten grondslag gelegde feiten worden door Noba gemotiveerd betwist. De juistheid van hetgeen [geïntimeerde] aan zijn beroep op nietigheid ten grondslag legt is vooralsnog niet dermate aannemelijk, dat het hof er voorshands al van uit kan gaan dat een beroep op nietigheid in een daarover te voeren bodemprocedure zal slagen. In een te voeren bodemprocedure zal bewijsvoering nodig zijn. Een dergelijk feitenonderzoek kan in de onderhavige procedure niet aan de orde komen. Naar de huidige stand van zaken dient het hof daarom voorshands uit te gaan van een beëindiging van de arbeidsovereenkomst met wederzijdse instemming per 1 september 2014. Dat betekent dat op die dag artikel 12 van de arbeidsovereenkomst werking heeft verkregen. Voor zover [geïntimeerde] in deze procedure anders betoogt, wordt dat verweer verworpen.

7.5.3.

Artikel 12 van de arbeidsovereenkomst luidt als volgt:

Ҥ 12 Nawerkend concurrentiebeding

Na beëindiging van de betreffende arbeidsovereenkomst is het de werknemer verboden om binnen een periode van één jaar direct of indirect actief opdrachten te verwerven van zakelijke relaties van de werkgever, of op enigerlei andere wijze te bewerkstelligen dat een relatie met de werkgever wordt beëindigd of een voorgenomen zakelijke relatie met de werkgever niet wordt aangegaan. Wanneer een zakelijke relatie van de werkgever binnen een periode van één jaar na beëindiging van de arbeidsovereenkomst eigener beweging contact opneemt met de werknemer, zal de werknemer de desbetreffende zakelijke relatie van de werkgever onmiddellijk en volledig informeren over de verboden waaraan hij op grond van deze arbeidsovereenkomst is gebonden, meer in het bijzonder de artikelen 10 en 12. De werknemer zal de zakelijke relatie voor verdere informatie meteen verwijzen naar de werkgever. De werknemer onthoudt zich vervolgens van elk verder contact met de desbetreffende zakelijke relatie.”

In hoger beroep voert [geïntimeerde] tot verweer dat Noba geen beroep meer kan doen op deze bepaling, omdat hij met toestemming van Noba een eigen bedrijf is gestart en, zo begrijpt het hof, ook met toestemming van Noba relaties van Noba heeft benaderd.

7.5.4.

Het standpunt van [geïntimeerde] in hoger beroep komt er op neer dat hij door Noba is ontslagen uit de verplichtingen die voortvloeien uit het aangehaalde beding. Noba heeft zulks gemotiveerd betwist. Gelet op die betwisting kan de juistheid van het standpunt van [geïntimeerde] in deze procedure niet worden aangenomen. Bewijsvoering op dit punt kan in dit geding niet aan de orde komen. Het beroep van [geïntimeerde] op ontslag uit de verplichtingen van artikel 12 is een bevrijdend verweer. In een over dit geschil te voeren bodemprocedure is het aan [geïntimeerde] om bewijs bij te brengen van de juistheid van zijn standpunt ten aanzien van de werking van dit beding. Voorshands is het niet dermate aannemelijk dat hij in dat bewijs zal slagen, dat thans reeds in het kader van deze procedure kan worden geoordeeld dat Noba afstand heeft gedaan van haar recht om nakoming te vorderen van het bepaalde in artikel 12 van de arbeidsovereenkomst.

7.5.5.1. Grief 2 richt zich tegen de overweging van de kantonrechter in de eerste alinea van pagina 5 van het vonnis waarvan beroep, waarin deze vooruitloopt op een mogelijk beroep op vernietiging van artikel 12 langs de weg van het bepaalde in artikel 7:653, lid 2 BW. Het hof leest de hierin vervatte redenering aldus dat de kantonrechter het kennelijk dermate aannemelijk acht dat in een te voeren bodemprocedure op voet van artikel 7:653, lid 2 BW zal worden beslist tot (gedeeltelijke) vernietiging van artikel 12 van de arbeidsovereenkomst, dat vooruitlopend op een dergelijke beslissing reeds thans aan Noba de mogelijkheid van een beroep op die bepaling moet worden ontzegd.

7.5.5.2. Een vernietiging als bedoeld in het aangehaalde artikel kan worden uitgesproken, wanneer in verhouding tot het te beschermen belang van de werkgever de werknemer door het beding onbillijk wordt benadeeld. Voor wat betreft zijn belang heeft [geïntimeerde] bij memorie van antwoord aangevoerd dat de omzet van zijn bedrijf rechtstreeks wordt getroffen door het beding in artikel 12 van de arbeidsovereenkomst. Voorts heeft hij gesteld dat Noba zich als een zeer slecht werkgever zou hebben gedragen door bij hem verwachtingen te wekken die hem ertoe hebben gebracht om de arbeidsovereenkomst op te zeggen, waarna Noba toezeggingen niet nakomt en het bestaan ervan ontkent.

7.5.5.3. Voorshands is echter in rechte niet gebleken dat Noba [geïntimeerde] onvoorwaardelijk heeft toegestaan om na beëindiging van de arbeidsovereenkomst in de uitoefening van een eigen bedrijf relaties van Noba te gaan benaderen. Partijen twisten met elkaar over de vraag of Noba dergelijke toezeggingen heeft gedaan. Ook hier geldt hetgeen hiervoor is overwogen in 7.5.4.

7.5.5.4. Het hof betrekt bij zijn oordeel dat [geïntimeerde] het initiatief tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst heeft genomen. Voorts heeft Noba er belang bij om op de door haar bediende markt niet direct geconfronteerd te worden met een concurrent die, bekend als hij is met door Noba gehanteerde inkoopvoorwaarden en prijsstelling en met de zakelijke relaties van Noba, in staat is om meer dan in het normale economisch verkeer gebruikelijk is met Noba te concurreren. Daar tegenover heeft [geïntimeerde] bij gelegenheid van de gehouden comparitie aangevoerd dat hij financieel volledig afhankelijk is van de bedrijfsactiviteiten die Noba stil wil laten leggen en dat daarmee ook het werk van drie andere personen op de tocht staat.

7.5.5.5. Het hof is, bij afweging van deze belangen, voorshands van oordeel dat een relatiebeding voor de duur van één jaar na afloop van de arbeidsovereenkomst niet dermate ongebruikelijk is en ook niet dermate belemmerend werkt voor een werknemer, dat op voorhand al kan worden geoordeeld dat dit bij een afweging van de betrokken belangen voor vernietiging in aanmerking komt. Het beding staat er niet aan in de weg dat [geïntimeerde] als zelfstandig ondernemer opereert in directe concurrentie met Noba. Het staat er slechts – vooralsnog uitgaande van een beëindiging van de arbeidsovereenkomst per 31 augustus 2014 - tot 1 september 2015 aan in de weg dat [geïntimeerde] in dat verband relaties van Noba benadert. Voor zover [geïntimeerde] nu nadeel ondervindt van het bepaalde in artikel 12 van de arbeidsovereenkomst, had hij dat kunnen voorzien. Dat een winstgevende bedrijfsvoering bij inachtneming van het relatiebeding onmogelijk zou zijn, is door [geïntimeerde] vooralsnog niet aangetoond.

7.5.5.6. Resumerend stelt het hof vast dat in de arbeidsovereenkomst tussen partijen een rechtsgeldig relatiebeding is overeengekomen en dat vooralsnog moet worden aangenomen dat dit werking heeft gekregen. Redenen waarom Noba geen aanspraak zou kunnen maken op nakoming van dit beding zijn het hof vooralsnog niet gebleken. Voorshands is ook niet, althans niet in voldoende mate, gebleken dat een beroep van Noba op dit beding in een bodemprocedure geen stand zal houden. Tegen deze achtergrond bezien slagen de grieven 1 en 2 en kan het vonnis waarvan beroep niet in stand blijven.

Geheimhoudingsbeding.

7.6.

Grief 7 is gericht tegen het afwijzen van de vordering tot nakoming van het geheimhoudingsbeding in de arbeidsovereenkomst (artikel 10). Hetgeen hiervoor is overwogen ten aanzien van het relatiebeding geldt – mutatis mutandis – evenzeer voor het in artikel 10 van de arbeidsovereenkomst opgenomen geheimhoudingsbeding. De omstandigheid dat vooralsnog niet is vastgesteld dat [geïntimeerde] dit heeft overtreden staat er niet aan in de weg dat [geïntimeerde] wordt veroordeeld tot nakoming van dit beding. Gelet op het tussen partijen gerezen geschil en de omstandigheid dat [geïntimeerde] een eigen onderneming is gestart die direct concurreert met de onderneming van Noba, heeft Noba voldoende belang bij een vaststelling in rechte dat [geïntimeerde] gehouden is aan het geheimhoudingsbeding uit de arbeidsovereenkomst. Grief 7 slaagt daarom ook.

Verbeurde boetes.

7.7.

De grieven 3 en 4 richten zich tegen de afwijzing van de vordering tot betaling van een voorschot op verbeurde boetes. Grief 3 ziet op boetes die zijn verbeurd wegens overtreding van artikel 12 (relatiebeding), grief 4 op boetes die zijn verbeurd wegens overtreding van artikel 11 (verbod op nevenwerkzaamheden).

7.8.

Met betrekking tot een voorziening in kort geding, bestaande in veroordeling tot betaling van een geldsom, is naar vaste jurisprudentie van de Hoge Raad terughoudendheid op zijn plaats. Dienaangaande moeten naar behoren feiten en omstandigheden worden aangewezen die meebrengen dat een zodanige voorziening uit hoofde van onverwijlde spoed geboden is.

7.9.

Noch in eerste aanleg, noch in hoger beroep heeft [geïntimeerde] betwist dat hij na beëindiging van de arbeidsovereenkomst zakelijke relaties van Noba heeft benaderd. Bij CvA heeft [geïntimeerde] gesteld dat hij meende en mocht menen dat hem (onder meer) daartoe toestemming was verleend door Noba. Noba betwist dit. Gelet op de bij de beoordeling van geldvorderingen in Kort Geding te betrachten terughoudendheid is het hof van oordeel dat zonder nadere bewijsvoering op dit punt niet kan worden geoordeeld dat [geïntimeerde] door het benaderen van relaties de in artikel 14 van de arbeidsovereenkomst opgenomen boete heeft verbeurd. Grief 3 kan om die reden niet slagen.

7.10.1.

Anders is dit ten aanzien van de boete die zou zijn verbeurd wegens overtreding van artikel 11 van de arbeidsovereenkomst. Onweersproken is dat [geïntimeerde] al in maart 2014 met zijn eigen bedrijf is gestart. Bij gelegenheid van de gehouden comparitie heeft de [directeur van Noba] verklaard dat hij hiervan medio april 2014 nog niet op de hoogte was. Onweersproken is dat TTP B.V. een relatie was van Noba en dat dit bedrijf heeft aangegeven al sinds april 2014 bij [geïntimeerde] te kopen. Daarmee staat voorshands afdoende vast dat [geïntimeerde] in elk geval in maart en april 2014 naast zijn werkzaamheden voor Noba ook in een door hem gestart bedrijf is gaan werken. Daarmee staat vast dat [geïntimeerde] in elk geval heeft gehandeld in strijd met het bepaalde in artikel 11, aanhef en sub a van de arbeidsovereenkomst.

7.10.2.

Artikel 14 (boetebeding) van de arbeidsovereenkomst luidt, voor zover van belang, als volgt:

Ҥ 14 Contractuele boete

Bij een overtreding van één van de in de artikelen 10 tot en met 13 van deze arbeidsovereenkomst opgenomen verboden is de werkgever gerechtigd om van de werknemer voor elke overtreding een onmiddellijk opeisbare contractuele boete te vorderen van ƒ 5.000,00, onverminderd het recht van de werkgever om volledige schadevergoeding te verlangen.”

Hoe dit beding in verhouding tot het boetebeding uitgelegd moet worden is aan de bodemrechter om te beoordelen. Het hof kan echter in elk geval vaststellen dat [geïntimeerde] lopende het dienstverband met Noba een eigen bedrijf is gestart. Dat levert ten minste één overtreding op van het verbod van nevenwerkzaamheden. Het hof is dan ook voorshands van oordeel dat voldoende vaststaat dat [geïntimeerde] ten minste een boete van ƒ 5.000,= (€ 2.268,90) verschuldigd is geworden en dat dit bedrag in een over de verbeurde boetes te voeren bodemprocedure in elk geval zal worden toegewezen. In dat geval kan dit bedrag in Kort Geding bij wijze van voorschot worden toegewezen. Grief 4 slaagt.

Overige onderwerpen.

7.11.

In grief 5 stelt Noba aan de orde dat een causaal verband bestaat tussen het handelen van [geïntimeerde] en een door haar in haar bedrijf geconstateerde omzetdaling. Met grief 6 betoogt Noba dat [geïntimeerde] jegens haar onrechtmatig zou hebben gehandeld (onrechtmatige concurrentie). Op beide punten heeft [geïntimeerde] verweer gevoerd. Gelet op dat verweer kan zonder nader onderzoek naar de feiten, waartoe de onderhavige procedure geen ruimte biedt, niet op de aan de orde gestelde punten worden beslist. Gelet op hetgeen hiervoor in r.o. 7.8 al is overwogen ten aanzien van de terughoudendheid die betracht moet worden bij de beoordeling van geldvorderingen in kort geding, acht het hof de vordering van Noba tot vergoeding van schade wegens onrechtmatige concurrentie, voor zover gegrond op hetgeen met deze grieven en subsidiair aan de orde is gesteld, vooralsnog niet toewijsbaar.

Conclusie.

7.12.

Het voorgaande voert het hof tot het oordeel dat het vonnis waarvan beroep niet in stand kan blijven. De in hoger beroep primair onder 1, 2 en 4 gevorderde voorzieningen zijn toewijsbaar, met dien verstande dat het voorschot op de verbeurde boetes zal worden beperkt tot een bedrag van € 2.268,90. De primair onder 3 gevorderde voorziening zal worden afgewezen. Met betrekking tot de primair onder 1 en 2 door Noba verlangde dwangsom van € 15.000,= per dag of dagdeel dat [geïntimeerde] geen gevolg geeft aan de veroordeling is geen verweer gevoerd. Het hof zal deze dwangsommen vaststellen op € 5.000,= per dag of dagdeel dat [geïntimeerde] geen gevolg geeft aan dit arrest, waarbij het hof termen aanwezig acht om de dwangsommen telkens te maximeren op € 75.000,=.

7.14.

Het voorgaande brengt met zich mee dat [geïntimeerde] als de hoofdzakelijk in het ongelijk gestelde partij dient te worden beschouwd. Om die reden zal het hof hem verwijzen in de kosten van het geding in beide instanties, daaronder begrepen de nakosten, vermeerderd met wettelijke rente, zoals door Noba gevorderd. Gelet op de omvang van het in hoger beroep toewijsbaar geoordeelde voorschot zal bij de vaststelling van het salaris in hoger beroep het tarief in acht worden genomen dat geldt voor zaken met een onbepaalde waarde (tarief II).

8 De uitspraak

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt [geïntimeerde] om zijn activiteiten (al dan niet indirect via TTCS BV) in strijd met het

beding van artikel 12 van de tussen partijen gesloten arbeidsovereenkomst binnen 24 uur na betekening van het arrest, te staken en gestaakt te houden tot l september 2015, zulks op straffe van een dwangsom van € 5.000,= per dag of per dagdeel dat [geïntimeerde] hiermee in gebreke blijft, met dien verstande dat het totaal aan te verbeuren dwangsommen een bedrag van € 75.000,= niet zal overschrijden;

veroordeelt [geïntimeerde] om het tussen partijen overeengekomen relatiebeding en geheimhoudingsbeding als beschreven in respectievelijk artikel 12 en artikel 10 van zijn arbeidsovereenkomst onverkort na te leven, zulks op straffe van een dwangsom van € 5.000,= per dag of per dagdeel dat [geïntimeerde] hiermee in gebreke blijft, met dien verstande dat het totaal aan te verbeuren dwangsommen een bedrag van € 75.000,= niet zal overschrijden;

veroordeelt [geïntimeerde] om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan Noba te betalen een voorschot ter hoogte van € 2.268,90 (zegge: tweeduizend tweehonderdachtenzestig euro, negentig eurocent) vanwege de tussen partijen overeengekomen en verbeurde boete wegens

schending van het verbod op nevenwerkzaamheden, te vermeerderen met de wettelijke rente ex. artikel 6:119 BW vanaf de dag van dagvaarden, tot aan de dag der algehele voldoening;

veroordeelt [geïntimeerde] in de proceskosten van de eerste aanleg en het hoger beroep, welke kosten tot op heden aan de zijde van Noba worden begroot op € 1.018,77 aan verschotten en op € 400,= aan salaris advocaat in eerste aanleg en op € 5.193,15 aan verschotten en op € 1.788,= aan salaris advocaat voor het hoger beroep, en voor wat betreft de nakosten op € 131,= indien geen betekening plaatsvindt, dan wel op € 199,-- vermeerderd met de explootkosten indien niet binnen veertien dagen na de datum van dit arrest is voldaan aan de bij dit arrest uitgesproken veroordelingen en betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden, en bepaalt dat deze bedragen binnen veertien dagen na de dag van deze uitspraak moeten zijn voldaan, bij gebreke waarvan deze bedragen worden vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW daarover vanaf het einde van voormelde termijn tot aan de dag der voldoening;

verklaart dit arrest tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. M.G.W.M. Stienissen, J.P. de Haan en R.J.M. Cremers en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 4 augustus 2015.

griffier rolraadsheer