Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2015:3001

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
04-08-2015
Datum publicatie
07-08-2015
Zaaknummer
HD 200.138.342_01
Formele relaties
Einduitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2016:286
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Onderwijsovereenkomst. Verschuldigdheid opleidingskosten bij tussentijdse beëindiging. Onredelijke bezwarend beding. Overeenkomst van opdracht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Prg. 2015/248
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer HD 200.138.342/01

arrest van 4 augustus 2015

in de zaak van

[appellante] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellante in principaal hoger beroep,

geïntimeerde in incidenteel hoger beroep,

hierna aan te duiden als [appellante] ,

advocaat: mr. J. van Boekel te [woonplaats] ,

tegen

[geïntimeerde] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

geïntimeerde in principaal hoger beroep,

appellante in incidenteel hoger beroep,

hierna aan te duiden als [geïntimeerde] ,

advocaat: mr. B.F. Eblé te Haarlem,

op het bij exploot van dagvaarding van 16 oktober 2013 ingeleide hoger beroep van het vonnis van de kantonrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 4 september 2013, gewezen tussen [appellante] als gedaagde en [geïntimeerde] als eiseres.

1 Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnr. 708906 CV EXPL 12-2161)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis en naar het tussenvonnis van 29 augustus 2012.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding in hoger beroep;

  • -

    de memorie van grieven;

  • -

    de memorie van antwoord, tevens memorie van grieven in incidenteel hoger beroep met één productie;

  • -

    de memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De beoordeling

in principaal en incidenteel hoger beroep

3.1.

De kantonrechter heeft in het vonnis waarvan beroep onder 2.2 de feiten vastgesteld. Die feiten zijn in hoger beroep niet betwist, zodat zij ook voor het hof het uitgangspunt vormen. Ter wille van de leesbaarheid heeft het hof hieronder de feitenvaststelling door de kantonrechter opgenomen:

“2.2

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende weersproken staat tussen partijen het navolgende vast:

- op 29 juli 2011 heeft eiseres (hof: [geïntimeerde] ) onder toepasselijkheid van haar algemene voorwaarden met gedaagde (hof: [appellante] ), op dat moment 23 jaar oud, een onderwijsovereenkomst gesloten ten behoeve van het volgen door gedaagde van de tweejarige opleiding directiesecretaresse, welke opleiding in augustus 2011 zou gaan beginnen (hof: hierna “de overeenkomst”);

- aan die overeenkomst is een bijlage gehecht, inhoudende afspraken en normen voor toelating tot de betaalde BPV-periode “eerste baan” in het tweede leerjaar van de opleiding; daarop staat achter de “opleiding directiesecretaresse” tussen haakjes vermeld niveau 4;

- boven de overeenkomst is met de hand bijgeschreven, voorzien van het paraaf van de heer [geïntimeerde] van eiseres, dat gedaagde tot 15 augustus 2011 de mogelijkheid heeft zich kosteloos uit te schrijven;

- in artikel 3 van de overeenkomst is voorts een bekendheidsclausule opgenomen inhoudende, onder meer, dat de deelnemer bekend is met de voorwaarden waaraan moet worden voldaan om tot de opleiding te worden toegelaten en met de aan de opleiding verbonden kosten, waaronder lesgeld, kosten voor een examen en kosten van het lesmateriaal;

- artikel 3 van de algemene voorwaarden houdt, voor zover van belang, in dat de overeenkomst tot stand komt onder de opschortende voorwaarde dat de deelnemer voldoet aan alle toelatingseisen;

- artikel 4 van die voorwaarden ten slotte houdt de mogelijkheid van kosteloze ontbinding van de overeenkomst in vóór 1 januari van het jaar waarin de opleiding [van] start gaat, tegen betaling van 40% van de opleidingskosten bij ontbinding van de overeenkomst ná 1 januari maar vóór 1 maart, en tegen betaling van alle opleidingskosten bij ontbinding nadien;

- direct voorafgaand aan de ondertekening van de overeenkomst heeft gedaagde een intakeformulier ingevuld waarop zij als vooropleiding (een afgeronde)Vmbo detailhandel heeft opgegeven; op het formulier is verder handgeschreven vermeld dat gedaagde gedurende een half jaar een secretariële opleiding en gedurende 2 jaar een mbo-opleiding helpende welzijn op niveau 2 heeft gevolgd;

- op dat (door beide partijen ondertekende) intakeformulier staat tevens vermeld dat de gemeente [woonplaats] eventueel de opleiding mee zou kunnen bekostigen;

- gedateerd 2 augustus 2011 heeft eiseres gedaagde een factuur voor de totale opleidingskosten ad € 8.994,90 toegezonden, uitgesplitst naar € 8.100,- voor de opleiding 2011-2013 en € 894,90 voor de boeken en materiaalkosten;

- bij brief van 15 augustus 2011 heeft eiseres de inschrijving van gedaagde voor de opleiding bevestigd en bij schrijven van 22 augustus 2011 is zij uitgenodigd voor de introductie en start van de opleiding op 29 augustus daaropvolgend;

- gedaagde is niet met de opleiding gestart, evenmin heeft zij de eerdergenoemde factuur voldaan, ook niet na aanmaningen en sommaties.”

3.2.1.

In de onderhavige procedure vordert [geïntimeerde] veroordeling van [appellante] tot betaling aan [geïntimeerde] van een bedrag van € 9.811,22 (hoofdsom € 8.994,90 + buitengerechtelijke kosten € 700,-- + € 116,32 rente), vermeerderd met de wettelijke rente over € 8.994,90 en met veroordeling van [appellante] in de proceskosten.

3.2.2.

Aan deze vordering heeft [geïntimeerde] , kort samengevat, het volgende ten grondslag gelegd. [appellante] is op grond van de overeenkomst gehouden de opleidingskosten te voldoen. Deze kosten bestaan uit € 8.100,-- aan onderwijskosten en € 894,90 aan boek- en materiaalkosten, totaal een bedrag van € 8.994,90. Nu [appellante] ondanks herhaalde sommatie niet aan deze betalingsverplichting heeft voldaan, is zij tevens buitengerechtelijke kosten en wettelijke rente verschuldigd, aldus [geïntimeerde] .

3.2.3.

[appellante] heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Dat verweer zal, voor zover in hoger beroep van belang, in het navolgende aan de orde komen.

3.3.1.

In het tussenvonnis van 29 augustus 2012 heeft de kantonrechter een comparitie van partijen gelast. Deze heeft op 17 januari 2013 plaatsgevonden. Van de zitting is geen proces-verbaal opgemaakt. Wel heeft de griffier aantekeningen gemaakt, maar deze bevinden zich niet bij de gedingstukken.

3.3.2.

In het bestreden eindvonnis van 4 september 2013 heeft de kantonrechter de vordering van [geïntimeerde] toegewezen tot een bedrag van € 2.367,45, vermeerderd met wettelijke rente over € 2.067,45 vanaf 4 oktober 2011. Voorts werd [appellante] in de proceskosten veroordeeld. Het vonnis werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

De kantonrechter oordeelde daartoe, samengevat, als volgt. Tussen partijen is een volwaardige overeenkomst tot stand gekomen nu er geen sprake van is dat een opschortende voorwaarde niet is vervuld noch dat een ontbindende voorwaarde is vervuld. De overeenkomst is inmiddels wel beëindigd, althans [geïntimeerde] gaat kennelijk ook uit van een beëindiging van de overeenkomst (volgens [geïntimeerde] heeft [appellante] op 30 september 2011 telefonisch laten weten met de opleiding te stoppen). Dat ontslaat [appellante] in beginsel niet van de verplichting de volledige kosten als schade te vergoeden, aldus de kantonrechter. De algemene voorwaarde op grond waarvan [appellante] de totale opleidingskosten moet betalen is echter onredelijk bezwarend. De overeenkomst moet worden gezien als een overeenkomst van opdracht als bedoeld in artikel 7:400 BW. [appellante] kon die overeenkomst op grond van artikel 7:408 lid 1 BW te allen tijde opzeggen, aldus de kantonrechter. Volgens de kantonrechter moet [appellante] echter wel de door [geïntimeerde] ten gevolge van de ontbinding geleden schade vergoeden. Die schade heeft de kantonrechter begroot op 20 % van de opleidingskosten (€ 1.620,-) + 50 % van de boek- en materiaalkosten (€ 447,45), totaal een bedrag van € 2.067,45. De kantonrechter wees daarnaast toe een bedrag van € 300,-- aan buitengerechtelijke kosten en wettelijke rente over de toegewezen hoofdsom vanaf 4 oktober 2011. Voor het overige werden de vorderingen van [geïntimeerde] afgewezen.

3.4.1.

[appellante] heeft in hoger beroep vier grieven aangevoerd. [appellante] heeft geconcludeerd tot vernietiging van het beroepen vonnis en tot het alsnog afwijzen van de vorderingen van [geïntimeerde] , met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van beide instanties, met nakosten en wettelijke rente.

Met de eerste drie (principale) grieven wordt in de kern genomen bezwaar gemaakt tegen de schadebegroting door de kantonrechter. De vierde grief is gericht tegen de (gedeeltelijke) toewijzing van de buitengerechtelijke kosten.

3.4.2.

[geïntimeerde] heeft in incidenteel appel twee grieven aangevoerd. [geïntimeerde] heeft geconcludeerd tot toewijzing alsnog van haar vordering, subsidiair tot matiging, tot verwerping van de principale grieven, tot gegrondbevinding van de incidentele grieven en met veroordeling van [appellante] in de kosten.

Met haar eerste incidentele grief maakt [geïntimeerde] bezwaar tegen het oordeel van de kantonrechter dat de algemene voorwaarde op grond waarvan [appellante] de volledige opleidingskosten verschuldigd is, onredelijk bezwarend is. De tweede incidentele grief is gericht tegen het oordeel van de kantonrechter dat de overeenkomst is aan te merken als een overeenkomst van opdracht. Daarnaast heeft [geïntimeerde] bij de bespreking van de tweede principale grief aangevoerd dat de kantonrechter onvoldoende in aanmerking heeft genomen dat partijen voor het lesmateriaal een vergoeding van € 894,- hadden afgesproken. Volgens [geïntimeerde] kan dit tevens als incidentele grief worden aangemerkt.

Omvang rechtsstrijd hoger beroep

3.5.

Met het principale appel en het incidentele appel hebben partijen in de grieven de omvang van de rechtsstrijd in hoger beroep beperkt tot de vragen of de overeenkomst (tevens) als overeenkomst van opdracht is aan te merken en of de voorwaarde dat bij te late annulering de volledige opleidingskosten verschuldigd blijven onredelijk bezwarend is, alsmede tot de door de kantonrechter toegepaste schadebegroting en de buitengerechtelijke kosten.

Onredelijk bezwarende voorwaarde? Incidentele grief 1.

3.6.1.

Het hof ziet aanleiding eerst de eerste incidentele grief te behandelen.

3.6.2.

[geïntimeerde] heeft in de toelichting op deze grief, samengevat, het volgende betoogd.

Het beding krachtens welke [appellante] de volledige opleidingskosten is verschuldigd, is niet onredelijk bezwarend. De Inspectie heeft ten aanzien van dat beding ook geen opmerkingen gemaakt. In ieder geval gaat het hier om een onderwijsovereenkomst en deze bevat bepalingen die onder andere gaan over terugbetaling van het collegegeld althans de verschuldigdheid daarvan. Dat collegegeld is gebaseerd op het businessmodel van de onderwijsinstelling. Gebouwen, onderwijskrachten, boeken, cursusmateriaal tezamen kosten voor twee jaar € 8.994,90 voor [appellante] . De kantonrechter heeft dat bedrag ten onrechte gematigd. Als al gematigd zou moeten worden, dan tot 50 %.

3.6.3.

[appellante] heeft, samengevat, het volgende aangevoerd. Ook als sprake zou zijn van een onderwijsovereenkomst waarop de Wet Educatie en Beroepsonderwijs (hierna: WEB) van toepassing zou zijn neemt dat de toepasselijkheid van de algemene regeling van de algemene voorwaarden uit Boek 6 BW niet weg. [appellante] betwist dat de Inspectie de voorwaarden van [geïntimeerde] heeft gecontroleerd. Maar ook een eventuele controle en akkoordbevinding door de Inspectie laat volgens [appellante] een rechterlijke toetsing van algemene voorwaarden onverlet.

3.6.4.

Het hof oordeelt als volgt.

Ingevolge artikel 6:233 aanhef en onder a BW is een beding in algemene voorwaarden vernietigbaar indien het, gelet op de aard en de overige inhoud van de overeenkomst, de wijze waarop de voorwaarden tot stand zijn gekomen, de wederzijds kenbare belangen van partijen en de overige omstandigheden van het geval, onredelijk bezwarend is.

[appellante] heeft de overeenkomst als consument gesloten, althans niet is gesteld of gebleken dat zij anders dan als natuurlijke persoon niet handelend in bedrijfs- of beroepsuitoefening de overeenkomst met [geïntimeerde] is aangegaan. Voorts is evenmin gesteld of gebleken dat partijen omtrent artikel 4 van de algemene voorwaarden van [geïntimeerde] , kort gezegd de annuleringsregeling (hierna: “de a.v.4”), afzonderlijk hebben onderhandeld. Wel hebben partijen specifiek voor dit geval afgesproken dat [appellante] kosteloos tot 15 augustus 2011 kon uitschrijven. Uitschrijving na die datum leidt volgens [geïntimeerde] kennelijk tot verschuldigdheid van de totale opleidingskosten op grond van de a.v.4.

A.v.4 betreft ten slotte evenmin een kernbeding.

3.6.5.

Nu [geïntimeerde] haar vordering (deels) baseert op de a.v.4 dient beoordeeld te worden of dit beding onredelijk bezwarend is. Overigens zou die beoordeling ook dienen plaats te vinden indien dit niet, zoals in dit geval na het oordeel van de kantonrechter op dit punt, door partijen aan de orde zou zijn gesteld. Ook ambtshalve zou die beoordeling aan de orde moeten komen (HR 13 september 2013, ECLI:NL:HR:2013:691).

3.6.6.

Het vorenstaande wordt niet anders indien, zoals [geïntimeerde] stelt, de overeenkomst als onderwijsovereenkomst moet worden gekwalificeerd c.q. indien de WEB van toepassing zou zijn. Of dit laatste het geval is kan in het midden blijven, nu noch de WEB noch het karakter van een onderwijsovereenkomst het uit de Richtlijn oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (hierna: “RL 93/13”) voortvloeiende en het in artikel 6:233 aanhef en onder a BW geïmplementeerde recht, dat blijkens de rechtspraak van het HvJ EU gelijkwaardig is aan nationale regels van openbare orde, opzij kan zetten. Overigens is uit de wetsgeschiedenis ook niet af te leiden dat de WEB anders zou beogen.

3.6.7.

Vaststaat dat [appellante] kort na de start van de opleiding heeft laten weten van de opleiding af te zien – volgens [geïntimeerde] op 30 september 2011 – en in het geheel geen onderwijs heeft gevolgd noch lesmateriaal heeft ontvangen. Niettemin zou [appellante] ingevolge de a.v.4 de totale opleidingskosten, € 8.994,90, verschuldigd zijn, terwijl daartegenover voor [geïntimeerde] geen enkele verplichting meer bestaat of na 30 september 2011 heeft bestaan. Met de kantonrechter is het hof van oordeel dat dat onevenredig nadelig is voor [appellante] , de consument. Daarbij komt dat, door de volledige verschuldigdheid van de opleidingskosten te bedingen, tussentijdse beëindiging door de cursist wordt beperkt. Anders gezegd, a.v. 4 verstoort in aanzienlijke omvang het evenwicht tussen de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van partijen ten nadele van de consument en is daarmee onredelijk bezwarend in de zin van artikel 6:233 aanhef en onder a BW.

3.6.8.

De consequentie van het voorgaande is dat het hof de a.v.4 vernietigt. Dat vloeit voort uit de in artikel 6 lid 1 van de RL 93/13 opgenomen verplichting van de Lidstaten om een oneerlijk beding niet-bindend te oordelen. Het HvJ EU heeft deze bepaling aldus uitgelegd dat de nationale rechter die heeft vastgesteld dat een beding in een overeenkomst tussen een verkoper en een consument oneerlijk is, zonder meer verplicht is dat beding voor de consument buiten toepassing te laten. Voor het Nederlandse recht betekent dit dat indien de rechter vaststelt dat een beding oneerlijk is in de zin van RL93/13 (en, in het voetspoor daarvan in de zin van artikel 6:233 aanhef en onder a BW), hij gehouden is het beding te vernietigen (HR 13 september 2013, ECLI:NL:HR:2013:691, r.o. 3.7.2 en 3.7.3). Voor een “gematigde” toepassing van de a.v.4, zoals subsidiair door [geïntimeerde] bepleit, is dus geen plaats.

De eerste incidentele grief slaagt niet.

Onderwijsovereenkomst. Overeenkomst van opdracht? Incidentele grief 2.

3.7.1.

[geïntimeerde] heeft betoogd dat de door haar met [appellante] gesloten overeenkomst een onderwijsovereenkomst betreft, een benoemde overeenkomst die in de WEB is geregeld. De artikelen 7:400 e.v. BW zijn volgens [geïntimeerde] niet van toepassing. Zij beroept zich op artikel 7:400 lid 2 BW, ingevolge welk artikel, kort gezegd, de bepalingen inzake de overeenkomst van opdracht niet gelden indien iets anders voortvloeit uit de wet, de inhoud of de aard van de overeenkomst van opdracht of van een andere rechtshandeling, of de gewoonte.

3.7.2.

[appellante] betwist dat [geïntimeerde] een instelling in de zin van de WEB is. Voor het geval de WEB wel van toepassing zou zijn, is volgens [appellante] van belang dat de bepalingen in deze wet gericht zijn aan de onderwijsinstellingen en niet aan de student. Zo regelt het door [geïntimeerde] aangehaalde artikel 8.1.3 WEB de situatie waarin collegegeld wel is voldaan, maar de onderwijsinstelling terug moet betalen omdat zij niet aan haar verplichtingen kan voldoen. Een geheel andere situatie dus dan de onderhavige, aldus [appellante] .

3.7.3.

Het hof oordeelt als volgt.

Ingevolge artikel 7:400 BW is een overeenkomst van opdracht een overeenkomst waarbij de ene partij, de opdrachtnemer, zich jegens de andere partij, de opdrachtgever, verbindt anders dan op grond van een arbeidsovereenkomst werkzaamheden te verrichten die in iets anders bestaan dan het tot stand brengen van een werk van stoffelijke aard, het bewaren van zaken, het uitgeven van werken of het vervoeren of doen vervoeren van personen of zaken.

De door [geïntimeerde] met [appellante] gesloten overeenkomst voldoet aan deze omschrijving. Uit de tekst van artikel 8.1.3 WEB, dat de onderwijsovereenkomst regelt, vloeit niet voort dat deze wettelijke regeling de toepasselijkheid van andere wettelijke bepalingen uitsluit. In de Memorie van Toelichting op dit artikel (Tweede Kamer, vergaderjaar 1993-1994, 23778, nr. 3, blz. 142) staat vermeld: “Teneinde instellingen en deelnemers over en weer helderheid ten aanzien van de wederzijdse rechten en plichten te bieden en daardoor de rechtspositie van, vooral, de deelnemers te versterken, verdient het aanbeveling om, binnen het wettelijk raam, de relatie tussen instelling en deelnemer contractueel te regelen. Een dergelijke overeenkomst verschaft in concrete situaties meer houvast om rechten en plichten van betrokkenen vast te stellen dan bepalingen in wetgeving, die algemeen toepasbaar moeten zijn en uit dien hoofde een meer globaal karakter dragen.

Uit deze toelichting volgt evenmin dat de in de WEB vastgelegde regeling de toepasselijkheid van andere wettelijke regelgeving uitsluit. Integendeel, de in de WEB neergelegde regeling beoogt kennelijk te voorzien in mogelijke leemtes en is met name ten behoeve van de deelnemer/cursist opgenomen.

[geïntimeerde] heeft nog verwezen naar jurisprudentie (mva/mvg 16,17) maar zij heeft daarbij geen vindplaatsen genoemd noch vermeld op welk hof zij doelt. De enkele vermelding “ [vermelding] ” neemt die onduidelijkheid niet weg. Verder is onduidelijk uit welk kamerstuk [geïntimeerde] citeert (mva/mvg 21; vergaderjaar, nummer kamerstuk, pagina ontbreken). Hoe dan ook doet het door [geïntimeerde] aangehaalde citaat evenmin iets af aan het hiervoor overwogene. Dat de onderwijsovereenkomst in concrete situaties partijen bij die overeenkomst meer houvast kan bieden dan algemeen geformuleerde wetgeving, sluit de toepasselijkheid van andere wetgeving niet uit. In het citaat staat overigens ook expliciet: “het contract (hof: de onderwijsovereenkomst) is daarmee mede bepalend voor de relatie tussen de deelnemer en de instelling (…). “Mede”, dus niet onder uitsluiting van andere regelgeving.

Of de WEB in dit geval overigens van toepassing is, hetgeen [appellante] betwist, kan, zoals eerder overwogen, in het midden blijven, nu ook in het geval van toepasselijkheid, dat aan de kwalificatie “overeenkomst van opdracht” niet in de weg staat.

Uit het voorgaande volgt tevens dat het hof het niet nodig acht om op de voet van artikel 392 Rv. een prejudiciële vraag aan de Hoge Raad te stellen, zoals [geïntimeerde] lijkt te betogen (mva/mvg 16).

De tweede incidentele grief slaagt evenmin.

3.7.4.

Ingevolge artikel 7:408 lid 1 BW kan de opdrachtgever, in dit geval [appellante] , te allen tijde de overeenkomst opzeggen. Ingevolge het derde lid van dit artikel is [appellante] , als consument, ter zake van de opzegging geen schadevergoeding verschuldigd, (behoudens de in artikel 7:406 BW geregelde onkosten en schade verbonden aan een specifiek gevaar). Van dit derde lid van artikel 7:408 BW kan niet worden afgeweken (artikel 7:413 lid 1 BW). Evenmin kan worden afgeweken van de in artikel 7:408 lid 1 BW geregelde opzeggingsmogelijkheid (“te allen tijde”) voor zover dat in het nadeel van de opdrachtgever/consument zou zijn.
De hiervoor besproken a.v.4 is in strijd met deze dwingendrechtelijke regeling hetgeen, naast de in r.o. 3.6.7 genoemde aspecten die op zichzelf genomen reeds tot de kwalificatie “onredelijke bezwarend” leidden, eveneens tot die kwalificatie leidt.

Loon en kosten. Principale grieven 1, 2 en 3 en ongenummerde incidentele grief (zie r.o. 3.4.2)

3.8.1.

[appellante] heeft, samengevat, het volgende aangevoerd. De kantonrechter heeft ten onrechte geoordeeld dat [appellante] schade moet vergoeden. [geïntimeerde] heeft overigens helemaal geen schade ten gevolge van de annulering door [appellante] geleden. Nergens blijkt uit dat [geïntimeerde] na de inschrijving door [appellante] kosten heeft gemaakt.

3.8.2.

[geïntimeerde] heeft, kort samengevat, betoogd dat zij een gemiddeld kostenpercentage per student heeft, dat lesmateriaal ieder jaar wordt aangepast en dat met [appellante] voor lesmateriaal een bedrag van € 894,-- was afgesproken. In eerste aanleg (cvr 26) heeft [geïntimeerde] gesteld dat zij naar aanleiding van de overeenkomst met [appellante] lesmateriaal heeft besteld en betaald en dit materiaal niet kan retourneren.

3.8.3.

Het hof oordeelt als volgt.

De eerste drie principale grieven slagen in zoverre dat [appellante] ten onrechte tot vergoeding van schade is veroordeeld. Niettemin is zij op grond van artikel 7:406 lid 1 BW gehouden om aan [geïntimeerde] te vergoeden de onkosten die verbonden waren aan de uitvoering van de opdracht – in casu het verzorgen van de opleiding tot directiesecretaresse – , voor zover deze niet in het loon zijn begrepen. De aanspraak is beperkt tot kosten die passend zijn voor een goede uitvoering van de opdracht. Voorts heeft [geïntimeerde] ingevolge artikel 7:411 lid 1 BW recht op een naar redelijkheid vast te stellen deel van het loon.

3.8.4.

Uit de door [geïntimeerde] overgelegde – en door [appellante] betwiste – geconsolideerde resultatenrekening (mva/mvg prod. 1 HB) kunnen onkosten noch redelijk loon worden afgeleid. Dit stuk biedt immers geen enkel aanknopingspunt voor een begroting van onkosten en loon voor het onderhavige, specifieke geval, ook niet indien van een abstracte begroting zou moeten worden uitgegaan.

Het onderhavige geval kenmerkt zich in ieder geval door:

i) een zeer late inschrijving door [appellante] , te weten op 29 juli 2011 voor een opleiding die op 29 augustus 2011 van start zou gaan;

ii) een beëindiging door [appellante] zeer kort na de start van de opleiding; volgens [geïntimeerde] op 30 september 2011;

iii) het feit dat [appellante] geen lessen heeft gevolgd en geen lesmateriaal heeft ontvangen.

3.8.5.

Het hof zal [geïntimeerde] in de gelegenheid stellen om te specificeren en te onderbouwen of en zo ja welke kosten zij heeft gemaakt ter uitvoering van de inschrijving (de opdracht) van [appellante] en welke besparingen voor [geïntimeerde] voortvloeien uit de tussentijdse beëindiging van de overeenkomst en voorts, wat volgens haar een redelijk loon zou zijn. Het hof wijst er op dat daarbij de hiervoor in r.o. 3.8.4 onder i) tot en met iii) genoemde aspecten uitgangspunt zijn. Voor wat betreft het lesmateriaal geldt iets anders. Dit onderdeel van de overeenkomst betreft naar het oordeel van het hof koop. [geïntimeerde] heeft er terecht op gewezen (mva/mvg 2) dat partijen hadden afgesproken dat [appellante] voor het lesmateriaal € 894,-- zou betalen. Dat [appellante] dat lesmateriaal niet heeft afgenomen ontslaat haar niet van de verplichting de voor dit materiaal afgesproken prijs aan [geïntimeerde] te voldoen. [geïntimeerde] is verplicht het lesmateriaal aan [appellante] ter beschikking te stellen. [appellante] heeft niet betwist dat [geïntimeerde] dit ook heeft gedaan. Zoals overwogen heeft [appellante] het materiaal echter niet afgenomen. Vanzelfsprekend dient [geïntimeerde] dit lesmateriaal aan [appellante] na betaling af te geven.

3.9.

Het hof houdt iedere verdere beslissing aan.

4 De uitspraak

Het hof:

op het principaal en incidenteel hoger beroep

verwijst de zaak naar de rol van 1 september 2015 voor akte aan de zijde van [geïntimeerde] met de hiervoor in r.o. 3.8.5 vermelde doeleinden, waarna [appellante] in de gelegenheid zal worden gesteld hierop bij antwoordakte te reageren;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. W.H.B. den Hartog Jager, C.E.L.M. Smeenk-van der Weijden en M.A. Wabeke en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 4 augustus 2015.

griffier rolraadsheer