Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2015:2912

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
30-07-2015
Datum publicatie
30-07-2015
Zaaknummer
HR 200 171 744_01
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Hoger beroep van eindbeoordeling wsnp. Geen schone lei. Schending afdrachtplicht en informatieplicht. Nieuwe schulden. Rol meerderjarigenbeschermingsbewindvoerder geen reden om niet-nakoming verplichtingen niet toe te rekenen; saniet heeft eigen verantwoordelijkheid binnen wsnp. Geen verlenging looptijd wsnp wegens structurele tekortkomingen en bij gebrek aan concreet plan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak : 30 juli 2015

Zaaknummer : HR 200.171.744/01

Zaaknummer eerste aanleg : C/03/12/260 R

in de zaak in hoger beroep van:

[appellante] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellante,

hierna te noemen: [appellante] ,

advocaat: mr. R. Mahovic te Maastricht

voorheen bijgestaan door mr. A. Bouwens.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar het vonnis van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 9 juni 2015.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie op 17 juni 2015, heeft [appellante] verzocht voormeld vonnis te vernietigen en vast te stellen dat zij niet toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van één of meer uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen en – zo begrijpt het hof – de schone lei alsnog toe te kennen. Voor zover het hof zou vaststellen dat zij wel is tekortgeschoten in de nakoming, verzoekt [appellante] te bepalen dat deze tekortkoming buiten beschouwing kan blijven.

2.2.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 22 juli 2015. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- [appellante] , bijgestaan door mr. Mahovic.

- de heer [bewindvoerder] , hierna te noemen: de bewindvoerder.

Namens Matrix Bewindvoering B.V., meerderjarigenbeschermingsbewindvoerder, is niemand verschenen.

2.3.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg van 12 mei en 2 juni 2015;

- stukken (genummerd Deel 1 en Deel 2), opgestuurd door [meerderjarigenbeschermingsbewindvoerder] van Matrix Bewindvoering, meerderjarigenbeschermingsbewindvoerder bij brief van 6 juli 2015, welke brief achter Deel 1 bij de stukken is gevoegd. Het hof heeft deze stukken globaal bekeken, nu noch in het beroepschrift noch in de brief van de bewindvoerder expliciet naar wordt verwezen, terwijl evenmin door de meerderjarigenbeschermingsbewindvoerder wordt aangegeven om welke producties het met name gaat. Zo worden er in Deel 2 veel bankafschriften overgelegd, zonder dat hierbij wordt aangegeven naar welke bankafschriften in het bijzonder moet worden gekeken;

- het zogeheten V8 formulier d.d. 13 juli 2015 waaruit blijkt dat mr. Bouwens voornoemd zich wenst te onttrekken;

- de brief met bijlagen van de bewindvoerder d.d. 15 juli 2015;

- de brief met bijlagen van de advocaat van [appellante] d.d. 17 juli 2015.

3 De beoordeling

3.1.

Ter terechtzitting en uit de stukken is gebleken dat over de goederen die aan [appellante] als rechthebbende toebehoren of zullen toebehoren een bewind is ingesteld als bedoeld in artikel 1:431 lid 1 BW. Tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep is namens Matrix Bewindvoering B.V. geen medewerker verschenen om zijn/haar om zijn/haar visie over het verloop van de schuldsaneringsregeling te geven. Door de beschermingsbewindvoerder zijn, in het kader van het onderhavige hoger beroep, echter tijdig stukken opgestuurd (zie hierboven, nr. 2.3).

3.2.

Bij vonnis van 15 mei 2012 is ten aanzien van [appellante] de toepassing van de schuldsaneringsregeling uitgesproken.

3.3.

Bij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank op de voet van artikel 354 lid 1 Faillissementswet (Fw) bij wijze van eindoordeel in verband met het verstrijken van de looptijd van de schuldsaneringsregeling, geoordeeld dat [appellante] toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van één of meer uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen. De rechtbank heeft daarbij geen toepassing gegeven aan artikel 354 lid 2 Fw, zodat op grond van artikel 358 lid 2 Fw aan [appellante] geen “schone lei” is verleend.

De rechtbank heeft verstaan dat de toepassing van de schuldsaneringsregeling eindigt op het moment dat de slotuitdelingslijst verbindend is geworden.

3.4.

De rechtbank heeft dit als volgt gemotiveerd. Er is een verwijtbare boedelachterstand van ongeveer € 5.500,- ontstaan en er zijn verwijtbare nieuwe schulden van ongeveer € 4.000,- ontstaan. In zijn totaliteit is er een tekort van € 9.226,37. De rechtbank is derhalve van oordeel dat [appellante] toerekenbaar tekort is geschoten in het voldoen aan de verplichtingen voortvloeiend uit de schuldsaneringsregeling en wel zodanig dat die tekortkomingen niet buiten beschouwing kunnen blijven.

Ter zitting heeft [appellante] verklaard dat zij niet op de hoogte was van de grote boedelachterstand. De bewindvoerder heeft hier echter in al zijn verslagen melding van gemaakt, alsmede van de nieuwe schulden, en [appellante] is er ook in de waarschuwingsbrief van de rechter-commissaris van 27 juni 2013 op gewezen.

3.5.

[appellante] kan zich met deze beslissing niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen. [appellante] heeft in het beroepschrift - zakelijk weergegeven - het volgende aangevoerd. [appellante] stelt zich op het standpunt dat de nieuwe schulden niet door haar toedoen zijn ontstaan, alsmede dat deze schulden inmiddels zijn betaald.

De hoogte van de boedelachterstand wordt betwist, en deze achterstand kan haar niet worden aangerekend, aldus [appellante] . Er lijkt sprake te zijn van een verkeerde berekening.

Subsidiair stelt [appellante] dat, voor zover zij tekort zou zijn geschoten in de nakoming van de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen, deze tekortkoming buiten beschouwing dient te blijven.

3.6.

Hieraan is door en namens [appellante] ter zitting in hoger beroep - zakelijk weergegeven - het volgende toegevoegd. De boedelachterstand moet haast wel zijn ontstaan doordat in het vrij te laten bedrag of in de boedelafdracht geen rekening is gehouden met de reiskosten die [appellante] noodzakelijkerwijs heeft moeten maken. Indien wel rekening wordt gehouden met deze reiskosten, op een manier als aangegeven in de brief van mr. Bouwens van 26 juni 2016 (bijlage 8 bij brief 17 juni 2015), dan zou er – met terugwerkende kracht – geen sprake zijn van een boedelachterstand.

De nieuwe schulden zijn ontstaan omdat enkele belastingtoeslagen zijn blijven doorlopen, terwijl [appellante] meer is gaan verdienen en dus minder of geen toeslag zou moeten ontvangen. [appellante] heeft bij Matrix Bewindvoering B.V. aangegeven dat het wellicht verstandig zou zijn om de toeslagen stop te zetten, maar Matrix Bewindvoering B.V. vond dit geen goed idee omdat er dan minder geld zou binnen komen. [appellante] betaalt circa € 130,- per maand om te worden bijgestaan door Matrix Bewindvoering B.V.

De schoonmoeder van [appellante] is bereid om de nieuwe schulden te betalen onder voorwaarde dat [appellante] alsnog een schone lei wordt verleend dan wel dat de termijn van de schuldsaneringsregeling met één jaar wordt verlengd. Deze betaling door de schoonmoeder heeft het karakter van een lening.

Het is vreemd dat de bewindvoerder niet wist van het gebruik van de voormalige eigen personenauto, die vlak voor de schuldsaneringsregeling op naam van een familielid is gezet en die vervolgens aan [appellante] in bruikleen is gegeven; de meerderjarigenbeschermingsbewindvoerder wist wel van het bestaan van deze constructie, zo stelt [appellante] .

Het zou zuur zijn indien na drie jaar het traject alsnog zou worden afgesloten zonder toekenning van een ‘schone lei’. Om die reden wordt verzocht de termijn te verlengen voor de duur van één jaar. Een uitgewerkt plan van aflossing binnen een verlenging is niet opgesteld. Er zou een modus moeten worden gevonden voor het verlagen van de boedelafdracht, zodat meer geld voor aflossing beschikbaar is.

3.7.

De bewindvoerder heeft in het eindverslag d.d. 6 mei 2015 - zakelijk weergegeven - het volgende aangevoerd. De boedelachterstand bedraagt per datum verslag € 5.310,37.

De (nieuwe) schulden aan de Belastingdienst bedragen tezamen € 3.916,-. Daarnaast is ook nog sprake van een belastingaanslag IH 2013 welke vermoedelijk uit de boedel moet worden voldaan; deze belastingaanslag is echter niet aan de bewindvoerder gemeld.

Een dergelijke hoge boedelachterstand en nieuwe schulden betekent dat met een maximale verlengtermijn een extra aflossing van circa € 375,- per maand zou moeten worden gedaan. Dit is een onmogelijke opgave. De meerderjarigenbeschermingsbewindvoerder kan geen extra middelen ter beschikking stellen. De bewindvoerder adviseert de schuldsaneringsregeling te beëindigen zonder schone lei.

In de brief d.d. 15 juli 2015 schrijft de bewindvoerder naar aanleiding van de stellingen in het beroepschrift dat de boedelachterstand is berekend op basis van de stukken zoals die aan de bewindvoerder zijn overgelegd door zowel [appellante] als de meerderjarigenbeschermingsbewindvoerder. Deze stukken bleken niet altijd compleet. De (voormalig) raadsvrouwe heeft getracht de stand van de boedel enigszins recht te trekken door een verzoek bij de bewindvoerder neer te leggen in verband met gemaakte reiskosten. De rechter-commissaris heeft dit verzoek afgewezen.

Thans is informatie ter beschikking gekomen die niet eerder bekend was. Dit betreft het gebruik van een auto die vlak vóór de schuldsaneringsregeling werd overgeschreven op naam van de ouders, maar die door [appellante] werd gebruikt. Daarnaast werden niet alle inkomsten opgegeven.

De boedelachterstand is door overmaking van enige geldbedragen verlaagd tot € 3.276,92.

Gedurende de wettelijke schuldsaneringsregeling zijn nieuwe schulden ontstaan. De stelling dat deze schulden zullen worden voldaan ten tijde van het hoger beroep, betekent in feite een schenking door familieleden van een geldsom. De ouders van [appellante] hebben reeds een bedrag van € 1.389,- voldaan aan Energie Direct. Ook dit vormt een schenking. Deze schenkingen zullen de boedelachterstand alleen vergroten.

Ook is er een schenking ontvangen in de vorm van een wasautomaat van een kerkgenootschap. Hiervan is pas onlangs melding gemaakt.

De inlichtingenplicht is door [appellante] (mede hierom) ook niet goed nagekomen. Ontvangen inkomsten, het overschrijven van de auto en het betalen van nieuwe schulden door derden dragen ertoe bij dat de bewindvoerder van mening is dat er geen schone lei kan worden verleend.

3.8.

Hieraan is door de bewindvoerder ter zitting in hoger beroep - zakelijk weergegeven - het volgende toegevoegd. De rechter-commissaris is verzocht om, met terugwerkende kracht, alsnog rekening te houden met de reiskosten die door [appellante] zijn gemaakt. Dit verzoek is niet gehonoreerd. Derhalve blijft de boedelachterstand aanwezig. Daarnaast zijn er de nieuwe schulden. Het totaal van boedelachterstand en nieuwe schulden is dusdanig hoog, dat [appellante] dit niet kan wegwerken binnen een verlenging van de schuldsaneringsregeling. Het verlengen van de schuldsaneringsregeling heeft derhalve geen zin.

Binnen de regels van de wettelijke schuldsaneringsregeling wordt geen rekening gehouden met de wisselwerking tussen [appellante] en haar meerderjarigenbeschermingsbewindvoerder; problemen ontstaan in de communicatie tussen saniet en de meerderjarigenbeschermingsbewindvoerder komen daarbinnen voor rekening van de saniet.

3.9.

Het hof komt tot de volgende beoordeling.

3.9.1.

Bij het einde van de termijn gedurende welke de toepassing van de schuldsaneringsregeling van kracht is, dient op de voet van artikel 354 lid 1 Fw te worden vastgesteld of de schuldenaar toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van één of meer uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen. Bij deze vaststelling geldt als maatstaf of een tekortkoming, in het licht van alle omstandigheden van het geval, een duidelijke aanwijzing vormt dat het bij de schuldenaar aan de van hem te vergen medewerking aan een doeltreffende uitvoering van de schuldsaneringsregeling heeft ontbroken. Ingevolge artikel 354 lid 2 Fw dient de rechter voorts na te gaan of er aanleiding bestaat om te bepalen dat een tekortkoming gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis buiten beschouwing blijft.

3.9.2.

Uit de door de bewindvoerder opgestelde verslagen (het eindverslag is reeds genoemd in overweging 3.7) blijkt het volgende.

Verslag 1, opgemaakt op 4 juni 2012 (naar aanleiding van het huisbezoek). Niet blijkt dat melding is gemaakt dat de personenauto van [appellante] is overgeschreven op naam van haar ouders, en dat zij deze auto in bruikleen heeft.

Verslag 2, opgemaakt op 18 december 2012. Niet alle inkomsten, zoals nabetalingen huur- en zorgtoeslag, zijn afgedragen. Hierdoor is een boedelachterstand van € 2.329,- ontstaan. De boedelafdracht is gestaakt. Bij het verslag is een begeleidende brief van de bewindvoerder van 19 december 2012. Daarin staat dat er de afgelopen maanden dermate weinig is afgelost en dat er sprake is van een boedelachterstand van € 2.329,02 die moet worden ingelopen. [appellante] wordt verzocht om samen met de meerderjarigenbeschermingsbewindvoerder te zoeken naar een oplossing. [appellante] wordt ook gewezen op de sollicitatieplicht.

Verslag 3, opgemaakt op 13 juni 2013. De boedelachterstand is inmiddels opgelopen tot

€ 4.013,95 omdat er geen afdracht wordt ontvangen. Toegezegd is dat men met een plan van aanpak komt. Er zijn nieuwe schulden, te weten bij Energie Direct ad € 1.389,-, bij de ANWB ad € 176,- en bij de gemeente ad € 281,-.

Op 27 juni 2013 ontvangt [appellante] een waarschuwingsbrief van de rechter-commissaris nu zij van oordeel is dat de gedragingen van [appellante] in strijd zijn met de door [appellante] ondertekende regels van de schuldsaneringsregeling. In de waarschuwingsbrief wordt melding gemaakt van het niet-nakomen van de inlichtingenplicht, het ontstaan van de boedelachterstand van ruim 4.000 euro en het ontstaan van nieuwe schulden ad circa € 1.800,-. Verder schrijft de rechter-commissaris onder meer aan [appellante] : “U dient uw bewindvoerder overal over te informeren wat voor een goed verloop van de schuldsaneringsregeling van belang kan zijn. U dient dit uit eigen beweging te doen, het is niet de bedoeling dat de bewindvoerder u steeds om informatie moet vragen.”

Verslag 4, opgemaakt op 9 januari 2014. [appellante] heeft geen gegevens overgelegd in verband met sollicitatieverplichtingen in de periode mei-november 2013. [appellante] heeft derhalve niet voldaan aan haar inlichtingen- en sollicitatieverplichting.

Er is een plan van aanpak van de boedelachterstand en de nieuwe schulden. Men hoopt via betalingsregelingen een en ander weg te werken. De boedelachterstand is licht afgenomen tot een bedrag van € 3.785,14. De in verslag 3 gememoreerde nieuwe schulden bestaan nog steeds en zijn qua hoogte onveranderd. Daarnaast is er nog een nieuwe schuld ontstaan, nu aan Belastingen Zorg ad € 250,- in verband met de zorgtoeslag over 2012. Saniet wordt nogmaals een laatste kans geboden. Saniet dient daartoe wel een overzicht van sollicitaties over de periode mei-oktober 2013 over te leggen. De boedelafdracht verloopt nog steeds onregelmatig.

Verslag 5, opgemaakt op 10 juni 2014. De boedelachterstand is gedaald tot onder de € 2.500,-. Er is geen overzicht ontvangen met betrekking tot nieuwe schulden. Saniet heeft een (aanvullende) sollicitatieplicht maar kan geen bewijsstukken overleggen van verrichte sollicitaties. Ten aanzien van de nieuwe schulden alsook ten aanzien van de sollicitatieplicht is saniet wederom deels in gebreke. Er zijn nog steeds 4 nieuwe schulden ter waarde van circa € 2.200,-.

Verslag 6, opgemaakt op 17 november 2014, noemt de boedelachterstand nog altijd fors. Was de boedelachterstand blijkens verslag 5 gedaald tot onder de € 2500,-, de achterstand bedraagt thans € 4.030,53. Ook staat er een fikse schuld open aan nieuwe schulden, zijnde de Belastingdienst, zo staat in verslag 6 onder meer te lezen. De totale schuldenlast (boedel en nieuwe schulden) bedraagt dan € 6.670,53. Wil om een verlenging van de wettelijke schuldsaneringsregeling kunnen worden verzocht, dan moet de situatie bij het volgend verslag sterk zijn verbeterd, zo meent de bewindvoerder. Het eindverslag zal één en ander kunnen uitwijzen. Zoals hierboven al bleek, zou de bewindvoerder in zijn eindverslag, opgemaakt op 6 mei 2015, vervolgens adviseren de sanering van [appellante] te beëindigen zonder schone lei.

[appellante] heeft niet of onvoldoende gemotiveerd betwist dat zij voornoemde verslagen en de bovenbedoelde waarschuwingsbrief van de rechter-commissaris heeft ontvangen evenmin als zij overigens niet of onvoldoende gemotiveerd heeft betwist dat zij, zoals ook de rechtbank in het vonnis waarvan beroep heeft overwogen, op de hoogte is van de regels zoals die gelden in de schuldsaneringsregeling, nu [appellante] namelijk bij de toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling een formulier met de regels daarvan heeft ondertekend.

3.9.3.

Uit het bovenstaande (inclusief het eindverslag als genoemd in overweging 3.7) maakt het hof op dat al vanaf het begin van de schuldsaneringsregeling sprake is van het ontstaan van een boedelachterstand, doordat de maandelijkse afdracht niet of niet tijdig heeft plaatsgevonden. Reeds ten tijde van het tweede verslag van 18 december 2012 en de begeleidende brief van de bewindvoerder wordt door de bewindvoerder gevraagd om ‘een oplossing’. In het derde verslag van 13 juni 2013 verzoekt de bewindvoerder concreet om een ‘plan van aanpak’. Weliswaar wordt er kennelijk gehoor gegeven aan de oproep van de bewindvoerder doordat de boedelachterstand gedeeltelijk wordt ingelopen, maar verdwenen is de boedelachterstand nooit. Ook ten tijde van het vierde verslag van 9 januari 2014 verloopt de boedelafdracht nog altijd onregelmatig. De boedelachterstand loopt vervolgens weer op tot het in het eindverslag van 6 mei 2015 genoemde bedrag van € 5.310,37.

[appellante] was derhalve van begin af aan gewaarschuwd dat de boedelafdracht niet naar behoren verliep. Ook indien wegens wisselende inkomsten niet altijd duidelijk was welk bedrag precies diende te worden overgemaakt, had minst genomen een dusdanige maandelijkse afdracht moeten worden gedaan dat werd voorkomen dat de boedelafdracht (te veel) zou oplopen en/of had geld moeten worden gereserveerd om eventuele tekorten aan te zuiveren. Nu dit niet is gebeurd, en het ‘plan van aanpak’ uiteindelijk niet tot voldoende resultaat heeft geleid, is [appellante] tekort geschoten in het nakomen van de afdrachtverplichting van de wettelijke schuldsaneringsregeling. Voor zover [appellante] zich erop beroept dat zij haar beschermingsbewindvoerder op de hoogte heeft gesteld c.q. op de nieuwe schulden en de boedelachterstand opmerkzaam heeft gemaakt, regardeert dat [appellante] niet nu, zoals onder meer ook uit de door de haar ondertekende spelregels en waarschuwingsbrief van de rechter-commissaris van 27 juni 2013 volgt, zij uiteindelijk zelf verantwoordelijk blijft voor de juiste en tijdige nakoming van de verplichtingen uit de wettelijke schuldsaneringsregeling. Afgezien hiervan had, gewaarschuwd als zij was als gevolg van onder meer de door haar ontvangen brief van de rechter-commissaris en gelet op de op haar rustende verplichtingen uit de wettelijke schuldsaneringsregeling waarmee [appellante] bekend was althans geacht werd bekend te zijn, [appellante] een (pro-)actievere houding dienen aan te nemen en voortdurend te blijven aannemen, zo nodig eventueel tevens tijdig een andere beschermingsbewindvoerder zoekende ook voor de post-schuldsaneringstijd.

3.9.4.

De stelling van [appellante] in hoger beroep dat de boedelafdracht slechts zou bestaan uit reiskosten, volgt het hof niet. Door de rechter-commissaris is een verzoek om, met terugwerkende kracht in het vrij te laten bedrag of de afdrachtverplichting rekening te houden met reiskosten, afgewezen. Dit houdt in dat de reiskosten terecht zijn betaald uit het vrij te laten bedrag. Dit had [appellante] eerder kunnen weten indien het verzoek om rekening te houden met reiskosten, in een vroeger stadium zou zijn voorgelegd aan de rechter-commissaris, mede in welk verband het hof op de waarschuwingsbrief van de rechter-commissaris van 27 juni 2013 wijst door middel van welke brief de rechter-commissaris [appellante] ook nog eens op haar (spontane) inlichtingenplicht wijst. De boedelachterstand is volgens het hof niet veroorzaakt door ten onrechte niet toegekende reiskosten, maar komt voort uit het niet tijdig en niet in voldoende mate afdragen aan de boedel.

3.9.5.

Naast een boedeltekort is er ook sprake van nieuwe schulden. In hoger beroep wordt het ontstaan van nieuwe schulden geweten aan het ten onrechte ontvangen van belastingtoeslagen, maar uit de verslagen van de bewindvoerder blijkt ook van eerdere nieuwe schulden van huishoudelijke aard, te weten een energieschuld van € 1.389,- (kennelijk door derden betaald), een schuld bij de ANWB ad € 176,- en een schuld aan de gemeente ad € 281,-. Desalniettemin bestaan de huidige nieuwe schulden (grotendeels) uit belastingschulden. Deze schulden zijn dusdanig hoog, en dan met name de huurtoeslag over 2014, dat het vermoeden gerechtvaardigd lijkt dat sprake is van meer dan een normale, achteraf door de belastingdienst verrichte correctie.. Dit zou dan inhouden dat [appellante] structureel te veel huurtoeslag en zorgtoeslag heeft ontvangen, waarbij de ten onrechte ontvangen huurtoeslag over 2014 het zwaartepunt vormt. Door de te ontvangen huur- en zorgtoeslag niet tijdig te laten bijstellen door de Belastingdienst, en evenmin geld te reserveren voor een eventuele terugbetaling, is [appellante] tekort geschoten in de nakoming van haar verplichting uit hoofde van de schuldsaneringsregeling door het laten ontstaan van nieuwe schulden.

Het laten betalen van de nieuwe schulden door een derde (onder voorwaarde van een schone lei of een verlenging) zou neerkomen op het aangaan van een nieuwe bovenmatige schuld, hetgeen in strijd komt met de op [appellante] rustende verplichtingen uit de wettelijke schuldsaneringsregeling, met welke verplichtingen zij geacht wordt bekend te zijn. Bovendien kan deze handelwijze niet verhullen dat [appellante] gedurende de schuldsaneringsregeling en ondanks onder meer de verslagen van de bewindvoerder en de waarschuwingsbrief van de rechter-commissaris meerdere nieuwe (bovenmatige) schulden heeft laten ontstaan en bestaan.

3.9.6.

Uit de verslagen van de bewindvoerder blijkt dat ook niet altijd voldoende is voldaan aan de informatieverstrekking door [appellante] . Her en der ontbreken stukken, onder meer over te verrichten aanvullende sollicitaties, terwijl de bewindvoerder evenmin van het betalen van nieuwe schulden door derden/schenkingen door derden op de hoogte was. Meest opvallend en in het oog springend is de transactie waarbij de voorheen aan [appellante] toebehorende personenauto vlak vóór aanvang van de schuldsaneringsregeling op naam van een familielid wordt geschreven, en daarna in bruikleen wordt gegeven aan [appellante] . In het midden kan blijven of de bewindvoerder kon weten dat [appellante] de auto nodig had voor haar werk. Belangrijker is dat uit het eerste verslag niet blijkt dat melding is gemaakt aan de bewindvoerder van de aanwezigheid en met name het gebruik van een auto met welk gebruik kosten zijn gemoeid, en dat eerst nadat de materiële looptijd van de schuldsaneringsregeling van [appellante] was verstreken aangaande het gebruik van de auto een verklaring van de schoonouders werd overgelegd en pas dan, overigens vergeefs, wordt verzocht om vergoeding van de reiskosten. Dit getuigt ook niet van een saneringsgezinde houding.

3.9.7.

Door [appellante] is aangevoerd dat zij onder bewind staat van Matrix Bewindvoering B.V. en dat het aan de meerderjarigenbeschermingsbewindvoerder is om zorg te dragen voor het doen van de juiste afdracht, het bijstellen van zorg- en huurtoeslag en het informeren van de bewindvoerder. Het hof wijst er echter nogmaals op, zoals ook reeds door de bewindvoerder gemeld, dat een saniet ten allen tijde verantwoordelijk is en blijft voor het nakomen van de uit de wettelijke schuldsaneringsregeling voortkomende verplichtingen, waaronder het naar waarheid informeren en van stukken voorzien van de bewindvoerder, het regelmatig en in voldoende mate afdragen van geld aan de boedel alsook het tijdig stopzetten of laten bijstellen van belastingtoeslagen.

3.9.8.

Het hof concludeert derhalve dat [appellante] op verschillende punten tekort is geschoten in de nakoming van de uit de wettelijke schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen. Het hof ziet geen aanleiding te bepalen dat deze tekortkomingen gezien hun bijzondere aard of geringe betekenis buiten beschouwing zouden moeten blijven. Op grond hiervan is het hof van oordeel dat de rechtbank de toepassing van de schuldsaneringsregeling ten aanzien van [appellante] terecht heeft beëindigd zonder toekenning van de “schone lei”.

3.9.9.

Voorts is verzocht de looptijd van de schuldsaneringsregeling te verlengen voor de duur van één jaar teneinde het boedeltekort aan te zuiveren en de nieuwe schulden te betalen. Daargelaten nog dat reeds gezien de ernst en het structurele karakter van de tekortkomingen naar het oordeel van het hof geen of onvoldoende termen aanwezig zijn om de wettelijke schuldsaneringsregeling van [appellante] te verlengen, is er ook geen (voldoende) concreet plan van aanpak overgelegd, waarbij wordt aangegeven in welke maand welke schulden zouden kunnen worden afgelost met als uiteindelijk resultaat dat de nieuwe (bovenmatige) schulden en de boedelachterstand aan het einde van de verlengde materiële looptijd volledig zijn ingelopen. Eerst tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep is enkel gesuggereerd dat minder boedelafdracht zou moeten worden afgedragen - waartoe het hof overigens zonder meer al geen of onvoldoende reden ziet reeds gezien de ernst en de duur van de tekortkomingen - omdat het inlopen van schulden anders niet haalbaar zou zijn. Met de bewindvoerder is het hof van oordeel dat [appellante] redelijkerwijs niet in staat moet worden geacht om een totale achterstand en nieuwe schuld van meer dan negenduizend euro niet kan inlopen, zelfs niet bij een maximale verlenging van twee jaar. Dit zou immers neerkomen op een afdracht van meer dan € 375,- per maand. Zonder concreet voorliggend plan waarin ook de bewindvoerder op voorhand gekend is, ziet het hof geen grond om de schuldsaneringsregeling te verlengen. Het verzoek wordt afgewezen.

3.10.

Het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd.

4 De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

wijst af het meer of anders verzochte.

Dit arrest is gewezen door mrs. P.J.M. Bongaarts, L.Th.L.G. Pellis en J.J. Minnaar en in het openbaar uitgesproken op 30 juli 2015.