Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2015:291

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
03-02-2015
Datum publicatie
03-02-2015
Zaaknummer
20-004056-13
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2013:8817, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Materieel strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Schietincident in woning; verdachte heeft een pistoolschot gelost in de richting van een lid van een arrestatieteam. Voor het hof is niet aannemelijk geworden dat het pistool per ongeluk is afgegaan. Het hof stelt vast dat verdachte vanaf korte afstand en gericht heeft geschoten op het bovenlichaam van het lid van het arrestatieteam. Uit de omstandigheden leidt het hof af dat verdachte het opzet heeft gehad om het slachtoffer te doden. Volgt bewezenverklaring van een poging tot doodslag. Het beroep op putatief noodweer(exces) wordt verworpen. Verdachte wordt vrijgesproken van de eveneens ten laste gelegde bedreiging met een misdrijf tegen het leven gericht.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 287 juncto 45
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer : 20-004056-13

Uitspraak : 3 februari 2015

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank

Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 28 november 2013 in de strafzaak met parketnummer 02-801110-12 tegen:

[naam verdachte],

[geboortedatum] 1966,

[woonadres verdachte],

thans verblijvende in P.I. Zuid West - De Dordtse Poorten te Dordrecht.

Hoger beroep

Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte ter zake van – kort gezegd – 1. poging tot doodslag, 2. bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en 4. het voorhanden hebben van een vuurwapen veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 7 jaren, met aftrek van het voorarrest. De rechtbank heeft verdachte vrijgesproken van het onder 3 ten laste gelegde feit en van de onder 2 ten laste gelegde bedreiging wat betreft de persoon van [zus van aangeefster].

Voorts heeft de rechtbank beslist op de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij, politieambtenaar nummer 315, lid van het Arrestatieteam Zuid Nederland, en heeft de rechtbank beslist tot teruggave aan verdachte van in beslag genomen voorwerpen.

De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Omvang van het hoger beroep

Het hoger beroep is in de appelakte uitdrukkelijk beperkt tot de veroordeling ter zake van hetgeen aan de verdachte onder 1, 2 en 4 is ten laste gelegd. Voorts heeft de verdediging ter terechtzitting in hoger beroep te kennen gegeven dat het hoger beroep niet is gericht tegen de (deel)vrijspraak van de onder 2 ten laste gelegde bedreiging van [zus van aangeefster].

Al hetgeen hierna wordt overwogen en beslist heeft uitsluitend betrekking op dat gedeelte van het beroepen vonnis dat aan het oordeel van het hof is onderworpen.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het beroepen vonnis zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de onder 1, 2 en 4 ten laste gelegde feiten bewezen zal verklaren overeenkomstig het vonnis van de rechtbank en de verdachte ter zake daarvan zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 jaren, met aftrek van het voorarrest. Voorts heeft hij gevorderd dat het hof de vordering van de benadeelde partij integraal zal toewijzen, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht. Ten aanzien van de in beslag genomen documenten is teruggave daarvan aan de verdachte gevorderd.

Namens de verdachte is vrijspraak bepleit van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten. Ten aanzien van feit 1 is subsidiair met een beroep op putatief noodweer(exces) verzocht om ontslag van alle rechtsvervolging. De verdediging heeft zich gerefereerd aan het oordeel van het hof omtrent het onder 4 ten laste gelegde. Uiterst subsidiair is een strafmaatverweer gevoerd. Voorts heeft de verdediging het hof verzocht de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren, dan wel af te wijzen.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – worden vernietigd omdat het niet te verenigen is met de hierna te geven beslissing.

Tenlastelegging

Aan verdachte is – na aanpassing van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg conform artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering juncto artikel 261, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering – ten laste gelegd dat:

1.
hij op 30 november 2012 te Tilburg ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een persoon (een lid van het Arrestatieteam, werkzaam onder nummer AOE-ZN315), van het leven te beroven, met dat opzet, met een vuurwapen een kogel op die persoon/dat lid van het Arrestatieteam heeft afgevuurd, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.
hij op een of meer tijdstip(pen) op 23 november 2012 te[adres 2], gemeente Breda, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, [aangeefster] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) op een of meer(dere) tijdstip(pen) (telkens) opzettelijk dreigend een vuurwapen op die [aangeefster] gericht en/of heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) daarbij en/of vervolgens de woorden toegevoegd (zakelijk weergegeven):

- " Je gaat het nu geven, je gaat het nu geven" en/of

- " Drugs of het geld" en/of

- " Als je het vanavond niet brengt, dan kom ik terug" en/of

- " Je hebt een kind, deze kan ook zonder haar moeder blijven",

althans woorden van soortgelijke aard en/of strekking;

4.
hij op 30 november 2012 te Tilburg een wapen van categorie III, te weten een vuurwapen (pistool, merk Radom), voorhanden heeft gehad.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten of omissies voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Vrijspraak (feit 2)

Het hof heeft uit het onderzoek ter terechtzitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat verdachte het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan. Het hof overweegt daartoe als volgt.

Uit het dossier volgt dat de politie op 23 november 2012 omstreeks 20:00 uur de melding kreeg om te gaan naar de [adres 2], waar volgens de melding een groep Antillianen voor de woning aanwezig zou zijn. De politie spreekt ter plekke met de bewoners van [adres 2]. Aangeefster [aangeefster] vertelt dan dat zij was benaderd door verdachte om cocaïne vanuit Curaçao naar Nederland te smokkelen, doch dat zij in Curaçao is aangehouden op het vliegveld en de drugs daar in beslag zijn genomen. Zij mocht echter wel door vliegen naar Nederland. Terug in Nederland zou verdachte van haar ofwel drugs ofwel geld verlangen. Volgens het proces-verbaal van bevindingen van de politie zou zij op 23 november 2012 bedreigd zijn door verdachte met een vuurwapen. Verdachte zou, eerder die dag, een pistool op haar hoofd hebben gezet.

Een van de mannen die verdachte vergezelden, zou een mes op de eerste verdieping van haar woning hebben achtergelaten. De politie heeft, die avond, op de eerste verdieping van de woning, een vuurwapen aangetroffen.

In haar aangifte verklaart [aangeefster] dat verdachte om 11.30 uur in de ochtend langs kwam. Tijdens een gesprek in de woonkamer, waarbij ook [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] aanwezig waren, trok verdachte een pistool en richtte dit op aangeefster vanaf een afstand van 5 tot 6 meter.

Bij de rechter-commissaris verklaart [aangeefster] dat zij ook bij het bezoek ’s-avonds, voor de politie kwam, een wapen in de hand van verdachte heeft gezien.

Tijdens de verhoren bij de politie heeft zij, op de vraag hoe het kan dat bij navraag bij de douane in Curaçao is gebleken dat zij die dag niet is aangehouden, verklaard niet te weten hoe dit kan. Ook haar verklaring dat haar oom hierbij betrokken is geweest, is bij navraag door de politie bij deze oom niet bevestigd kunnen worden. Voorts heeft aangeefster ontkend dat ten tijde van de bedreiging in de woonkamer ook twee mannen van Marokkaanse afkomst aanwezig waren.

Getuige [zus van aangeefster] heeft verklaard dat verdachte om 13.25 uur in de woonkamer aanwezig was aan de [adres 2] en toen een pistool richtte op aangeefster. [zus van aangeefster] heeft niet met zekerheid kunnen verklaren dat het wapen dat ’s-avonds in de woning is aangetroffen hetzelfde wapen betreft als waarmee aangeefster zou zijn bedreigd.

Tijdens de verhoren bij de politie en geconfronteerd met verklaringen van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] heeft zij, anders dan in haar eerste verklaring, aangegeven dat tijdens de bedreiging twee Marokkaanse mannen in de woonkamer aanwezig waren, te weten haar ex-partner en een neef daarvan.

Het pistool dat in de woning [adres 2] te[adres 2] is aangetroffen, is onderworpen aan een DNA-onderzoek. Van het DNA in de bemonstering van het pistool is een onvolledig DNA-mengprofiel verkregen. Dit DNA-mengprofiel is vergeleken met de DNA-profielen van verdachte en medeverdachte [medeverdachte 2]. Daarbij zijn wel overeenkomsten gevonden met het DNA-profiel van medeverdachte [medeverdachte 2], maar niet met het DNA-profiel van verdachte.

Het is het hof gebleken dat aangeefster volgens de bevindingen van de politie in eerste instantie heeft verklaard dat er een wapen op haar hoofd was gezet, dat zij in de aangifte verklaart dat het wapen van een afstand op haar was gericht en dat zij bij de rechter-commissaris verklaart dat zij ook in de avond een wapen heeft gezien in de hand van verdachte. Het hof stelt voorts vast dat de verklaring van aangeefster niet overeenkomt met de verklaringen van [zus van aangeefster], [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] waar het gaat om de aanwezigheid van twee Marokkaanse mannen in de woonkamer ten tijde van de bedreiging. [zus van aangeefster] heeft daar niet in haar eerste verklaring al openheid van zaken over gegeven, maar pas nadat zij geconfronteerd was met verklaringen van anderen. De verklaring van aangeefster met betrekking tot de aanhouding in Curaçao en de betrokkenheid van haar oom daarbij is niet bevestigd kunnen worden. Haar oom heeft een en ander ontkend. Op het in de avond aangetroffen wapen is geen DNA-materiaal van verdachte aangetroffen.

Onder deze omstandigheden is bij het hof twijfel blijven bestaan over de vraag of verdachte zich op 23 november 2012 heeft schuldig gemaakt aan de ten laste gelegde bedreiging van aangeefster [aangeefster] met een vuurwapen. Om die reden zal verdachte worden vrijgesproken van het onder 2 ten laste gelegde, nu de in de tenlastelegging opgenomen verbale uitingen afzonderlijk, naar het oordeel van het hof, niet afdoende zijn om de bewezenverklaring ter zake van bedreiging te kunnen dragen.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 en 4 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

1.
hij op 30 november 2012 te Tilburg ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een persoon (een lid van het Arrestatieteam, werkzaam onder nummer AOE-ZN315), van het leven te beroven, met dat opzet, met een vuurwapen een kogel op die persoon heeft afgevuurd, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

4.
hij op 30 november 2012 te Tilburg een wapen van categorie III, te weten een vuurwapen (pistool, merk Radom), voorhanden heeft gehad.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Door het hof gebruikte bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkorte arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkorte arrest. Deze aanvulling wordt dan aan het verkorte arrest gehecht.

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

Namens de verdachte is ter terechtzitting in hoger beroep (primair) vrijspraak bepleit van het onder 1 ten laste gelegde feit. Daartoe is aangevoerd dat het bestanddeel “opzet” in de tenlastelegging niet wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard. De verdediging heeft – zakelijk weergegeven – het navolgende betoogd: De verklaring van verdachte, zoals afgelegd tijdens de reconstructie en ter terechtzitting in hoger beroep, is geloofwaardig. Verdachte heeft toen verklaard dat hij wakker werd van een harde klap, gevolgd door een soort gerammel. Verdachte dacht dat er inbrekers in de woning waren en verliet daarop snel zijn bed. Uit de kast pakte hij met zijn rechterhand een pistool. Hij wist dat er een kogel in zat en dat hij er direct mee kon schieten. Hij heeft geen handelingen meer verricht met het pistool. Hij liep vervolgens naar de slaapkamerdeur, deed deze open en kreeg een fel licht in zijn ogen. Daarop bewoog hij zijn rechterarm omhoog, om zijn ogen te beschermen. Tijdens het maken van die opwaartse beweging met de rechterarm is het pistool per ongeluk afgegaan. Verdachte deed de deur meteen weer dicht, hoorde toen voor het eerst dat er “politie” werd geroepen en gooide het pistool op bed.

Het hof acht de verklaring van verdachte niet geloofwaardig en overweegt als volgt.

Aangever, politieambtenaar nummer 315 van het Arrestatieteam Zuid Nederland, in het dossier aangeduid als AOE-ZN315, verklaart op 30 november 2012, het navolgende:

De opdracht was dat wij verdachte [naam verdachte] aan gingen houden op de [woonadres verdachte]. Ik was gedurende deze actie nummer 1. Dat betekent dat ik voorop ging. Wij kwamen om vijf uur bij de woning aan. Aan de voorzijde werd de deur ingeramd.

Ik liep over de trap naar boven.

Het zwaartepunt lag gezien vanaf de trap op de eerste verdieping op de meest naar achteren gelegen linker kamer. Ik liep met het schild in de richting van de deur van ons zwaartepunt. Op het moment dat ik halverwege het halletje was, zag ik dat er rechts van mij een deur geopend werd. Ik zag dat de deur naar de zijde van de slaapkamer open ging. Ik zag onmiddellijk dat er een rechterarm in mijn richting werd gehouden. Ik zag een man met een Antilliaanse uiterlijk.

Hij had kort donker haar. Ik zag dat de man een wit onderhemd droeg. In zijn rechterhand had de man een pistool. Gelijk op het moment dat de deur werd geopend en het pistool in mijn richting werd gericht, werd er gevuurd. Het pistool was op mijn bovenlichaam gericht.

Volgens mij was de afstand tussen de man en mij maximaal een meter. Ik zag dat hij mij recht aankeek. Hij keek mij in de ogen aan. Ik voelde dat ik geraakt werd. Ik voelde een enorme pijn aan de rechterzijde van mijn borst, ter hoogte van mijn sleutelbeen. Op het moment dat de verdachte de deur opende, zag ik de felheid in zijn ogen. Ik zag echt geen twijfel bij de man. De deur werd na het schot gelijk weer gesloten.

Bij de rechter-commissaris heeft politieambtenaar nummer 315 het volgende verklaard:

Ik liep in de richting van de verst gelegen linkerdeur. Daar lag het zwaartepunt. Daar was de kamer waar we dachten de verdachte aan te treffen. Ik reikte al naar de deurklink. Ik had mijn arm uitgestrekt in de richting van die deur van die kamer. Ik had mijn schild links vast en reikte met mijn rechterhand naar de deur. Toen zag ik rechts een deur opengaan. Daar kwam een arm uit met een pistool. Er volgde direct een schot. Ik zag mondingsvuur en voelde dat ik werd geraakt.

Ik zag een man met een donkere huidskleur in een wit onderhemd met een gestrekte arm en met een pistool. Ik schat dat dat pistool ongeveer een meter van mij verwijderd was. Ik schat dat de deur 40 centimeter geopend was. De slaapkamerdeur ging open, er was een schot en de slaapkamerdeur ging weer dicht.

Ik heb de man aangekeken. Hij keek mijn richting uit, echt met vuur in de ogen. In die blik zat geen twijfel. Mr. [raadsman] vraagt mij of die blik kan zijn veroorzaakt door verblinding van licht. Nee, dat kan niet. Mijn schild was gericht op de deur van de kamer waar ik naar binnen zou gaan.

Politieambtenaar nummer 315 heeft zijn verklaring, zoals meteen na het incident afgelegd, bevestigd bij de rechter-commissaris. Zijn verklaring vindt voorts op onderdelen steun in de verklaring van de politieambtenaar 317, die als tweede naar binnen ging en achter nummer 315 liep, en in de verklaringen van andere leden van het arrestatieteam.

Verdachte heeft kort na zijn aanhouding tegenover de hulpofficier van justitie het navolgende gezegd: “Dat schieten, ik wist niet dat het politie was. Ik ben bedreigd geweest voor drugs drie weken geleden. Ik wist echt niet dat jullie het waren” (pagina 82 van het politiedossier). Tijdens de verhoren bij de politie heeft verdachte geen verklaring willen afleggen. Eerst ter terechtzitting bij de rechtbank is verdachte gaan verklaren over het per ongeluk afgaan van het wapen.

Het wapen is onderzocht door het Nederlands Forensisch Instituut (rapport d.d. 18 april 2013). Uit dit onderzoek komt naar voren dat op het wapen meerdere veiligheden aanwezig zijn, die blijkens het onderzoek goed functioneerden. Alleen als de hamer is gespannen, de greepveiligheid op de achterkant is ingedrukt en de slede geheel is gesloten, kan de trekker worden overgehaald. De trekkerdruk was vergelijkbaar met gelijkwaardige wapens.

Verdachte heeft verklaard dat hij het wapen in zijn hand naar beneden gericht had en, toen hij verblind werd door licht, zijn arm naar boven heeft gebracht om zijn ogen te bedekken, waardoor het wapen per ongeluk afging. Hij heeft daarbij niet gevoeld dat hij de trekker had overgehaald.

Verdachte heeft tijdens de reconstructie voorgedaan hoe in zijn beleving het licht op het schild van politieambtenaar nummer 315 hem verblindde. Het hof merkt daarover op dat indien het schild zou zijn vastgehouden op de wijze zoals verdachte tijdens de reconstructie aangeeft, dit schild het bovenlichaam van nummer 315 volledig zou hebben afgeschermd en dan de patroon tegen het schild zou zijn geketst.

Het hof heeft onvoldoende ondersteuning kunnen vinden voor de verklaring van verdachte dat het wapen per ongeluk is afgegaan, noch in het rapport van het NFI, noch in de wijze waarop verdachte tijdens de reconstructie heeft voorgedaan hoe een en ander zou zijn verlopen. Nu verdachte voorts eerst tijdens het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg met deze lezing is gekomen, acht het hof de verklaring van verdachte, in tegenstelling tot die van politieambtenaar nummer 315, niet aannemelijk geworden en zal het hof uitgaan van de lezing omtrent de gebeurtenissen zoals afgelegd door politieambtenaar nummer 315.

Op grond van deze verklaring stelt het hof vast dat verdachte gericht heeft geschoten op het bovenlichaam van het slachtoffer, waarbij hij zich op korte afstand van het slachtoffer bevond. Uit de bewijsmiddelen volgt dat de patroon terecht is gekomen tegen het bovenlichaam van het slachtoffer. Uit deze omstandigheden leidt het hof af dat verdachte het opzet heeft gehad om het slachtoffer te doden.

Het verweer wordt verworpen.

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

Elk bewijsmiddel wordt – ook in zijn onderdelen – slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezen verklaarde feit, of die bewezen verklaarde feiten, waarop het, blijkens zijn inhoud, betrekking heeft.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het onder 1 bewezen verklaarde levert op:

poging tot doodslag.

Het onder 4 bewezen verklaarde levert op:

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluiten.

Strafbaarheid van de verdachte

Namens de verdachte is ter terechtzitting in hoger beroep (subsidiair) betoogd dat er sprake is van een putatief noodweer(exces) en dat verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging. Daartoe heeft de verdediging – zakelijk weergegeven – aangevoerd dat verdachte verkeerde in de, achteraf onjuiste, veronderstelling dat er inbrekers of overvallers in de woning waren.

Verdachte heeft ter staving van zijn stelling dat hij meende dat er inbrekers in de woning aanwezig waren, gewezen op een aangifte bij de politie in 2011 van inbraak in zijn woning. Verdachte was toen niet thuis. Ook heeft hij verklaard dat tweemaal is getracht in zijn schuur in te breken, hetgeen bij pogingen is gebleven. Verdachte veronderstelde derhalve dat er op 30 november 2012 een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding gaande was, waartegen hij zijn eigen lijf en het leven van zijn gezinsleden mocht verdedigen.

Het hof overweegt als volgt.

Uit de verklaringen van leden van het arrestatieteam blijkt dat vanaf het binnentreden door de voordeur en tijdens het oplopen van de trap meerdere malen om beurten door de leden van het arrestatieteam is geroepen: “Politie”, en dat dit ook nog boven op de overloop nadat de schuifdeur was geforceerd is gebeurd. Ook buiten de woning van verdachte is het roepen van “Politie” hoorbaar geweest, blijkens de verklaringen van het lid van het arrestatieteam dat zich bij de schuur achter de woning bevond en een politiemedewerker die zich verderop op straat in de buurt van de woning bevond. Het hof leidt uit de verklaringen af dat ook na het moment dat verdachte wakker is geworden, na het verbreken van de schuifdeur bovenaan de trap, nog geroepen is: “politie”.

Uit de verklaring die is afgelegd door [getuige], die ook in de woning verbleef, blijkt dat hij wakker werd van de tussendeur boven aan de trap die werd verbroken en dat hij hoorde dat er politie was. Daarna hoorde hij een pistoolschot. Uit de verklaring van politieambtenaar nummer 315 blijkt dat verdachte dit lid van het arrestatieteam heeft aangekeken. Verdachte heeft derhalve, gelet op de kledij van nummer 315, moeten waarnemen dat het om een politieambtenaar ging.

Het hof is van oordeel dat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden op grond waarvan verdachte mocht denken dat er inbrekers of andere indringers onrechtmatig in zijn woning aanwezig waren waartegen hij zichzelf en zijn gezin moest beschermen. Van een feitelijke situatie op grond waarvan bij verdachte de veronderstelling kon ontstaan van de aanwezigheid van een noodweersituatie en derhalve van een mogelijk terecht beroep op putatief noodweer(exces) kan dan ook geen sprake zijn. Derhalve wordt het beroep op putatief noodweer(exces) verworpen.

Het verweer wordt verworpen.

Ook overigens zijn er geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf of maatregel

Namens de verdachte is ter terechtzitting in hoger beroep uiterst subsidiair, voor het geval dat het hof komt tot de oplegging van een straf, bepleit dat rekening wordt gehouden met de omstandigheden waaronder het onder 1 ten laste gelegde feit is begaan. Daartoe heeft de raadsvrouwe – zakelijk weergegeven – aangevoerd dat het schietincident zich heeft afgepeeld in de eigen woning van verdachte en zijn gezin, in de voor nachtrust bestemde tijd en dat het niet gaat om een schietincident op de openbare weg.

Het hof overweegt als volgt.

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Tevens heeft het hof gelet op de ernst van het bewezen verklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

Het onder 1 bewezen verklaarde houdt in dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot doodslag op een lid van een arrestatieteam. Toen het arrestatieteam zijn huis betrad, heeft verdachte een met scherpe patronen geladen vuurwapen gepakt, dat op aangever AOE-ZN315 gericht en op korte afstand een kogel op diens bovenlichaam afgevuurd. De kogel is terechtgekomen in het kogelvrije vest dat aangever droeg, op de naad van dat vest met de kraag. Indien de kogel enkele centimeters hoger terecht was gekomen, zou aangever mogelijk dodelijk zijn getroffen. Aangever heeft tengevolge van het schot een kneuzing aan het sleutelbeen opgelopen. Blijkens het “voegingsformulier benadeelde partij in het strafproces” heeft het schietincident een grote impact gehad op zijn leven. Hij heeft besloten zijn werkzaamheden als lid van het arrestatieteam neer te leggen.

Misdrijven als het onder 1 bewezen verklaarde schokken de rechtsorde in zeer ernstige mate en brengen in de maatschappij gevoelens van onrust en onveiligheid te weeg. Daarnaast leidt een dergelijk feit tot vaak hevige en langdurige gevoelens van angst en onveiligheid bij het slachtoffer, zoals ook in de onderhavige zaak is gebleken.

Het onder 4 bewezen verklaarde houdt in dat verdachte een vuurwapen van categorie III, te weten een pistool, voorhanden heeft gehad. In het vuurwapen bevond zich een patroonhouder met daarin scherpe patronen. Het is algemeen bekend dat het voorhanden hebben van een dergelijk wapen grote veiligheidsrisico's met zich brengt, die zich in deze zaak ook hebben verwezenlijkt. Het illegale bezit van vuurwapens vormt vanwege de daaraan verbonden gevaarzetting een maatschappelijk kwaad dat streng dient te worden bestraft.

Nu het hof vrijspreekt voor feit 2 komt het hof tot een mindere bewezenverklaring dan waar de advocaat-generaal in zijn vordering van uit is gegaan.

Ten aanzien van de persoon van verdachte heeft het hof gelet op de inhoud van het hem betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 10 december 2014, het verdachte betreffende reclasseringsadvies van Reclassering Nederland d.d. 28 juni 2013, opgemaakt door [naam], reclasseringswerker, en de overige persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken.

Gelet op het voorgaande kan naar het oordeel van het hof niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor aanzienlijke duur met zich brengt. Uitgangspunt bij doodslag is dat in de regel niet wordt volstaan met een lagere straf dan een gevangenisstraf voor de duur van 8 jaren. In het onderhavige geval is echter sprake van een poging, hetgeen over het algemeen leidt tot vermindering van de straf. Anderzijds heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag van een politiemedewerker. De uitoefening van het beroep van lid van een arrestatieteam brengt risico’s met zich.

De maatschappij verwacht van politiemedewerkers dat zij optreden in gevaarlijke situaties. Zij verdienen dan ook bijzondere bescherming indien zij bij de uitoefening van hun functie van strafbaar handelen slachtoffer worden. Naar het oordeel van het hof dient dit tot uitdrukking te komen in de op te leggen straf. Dat het feit zich heeft voorgedaan in de eigen woning van verdachte maakt dit niet anders.

Alles overziend acht het hof een gevangenisstraf voor de duur van 6 jaren passend en geboden. De tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, dient op deze straf in mindering te worden gebracht.

Een straf als door de advocaat-generaal is gevorderd acht het hof niet aan de orde, nu het in de zaak niet gaat om een voltooide doodslag maar een poging daartoe.

Beslag

Van de hieronder in het dictum vermelde in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen zal de teruggave aan de verdachte worden gelast.

Vordering van de benadeelde partij

De benadeelde partij, politieambtenaar nummer 315 van het Arrestatieteam Zuid Nederland, heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot vergoeding van schade ter hoogte van € 5.011,35, te vermeerderen met de wettelijke rente. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen.

Namens de verdachte is ter terechtzitting geen verweer gevoerd tegen de aard en omvang van de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij. Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van verdachtes onder 1 bewezen verklaarde handelen rechtstreeks schade heeft geleden tot het gevorderde bedrag. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering integraal toewijsbaar is. Het hof zal de verdachte tevens veroordelen in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Het hof ziet aanleiding te dezer zake de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen als na te melden.

Verdachte is naar burgerlijk recht aansprakelijk voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 36f, 45, 57 en 287 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 4 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) jaren.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij, politieambtenaar nummer 315 van het Arrestatieteam Zuid Nederland, ter zake van het onder 1 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 5.011,35 (vijfduizend elf euro en vijfendertig cent) bestaande uit € 11,35 (elf euro en vijfendertig cent) materiële schade en € 5.000,00 (vijfduizend euro) immateriële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan materiële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 30 november 2012 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan immateriële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 30 november 2012 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, politieambtenaar nummer 315 van het Arrestatieteam Zuid Nederland, een bedrag te betalen van € 5.011,35 (vijfduizend elf euro en vijfendertig cent) bestaande uit € 11,35 (elf euro en vijfendertig cent) materiële schade en € 5.000,00 (vijfduizend euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 60 (zestig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de materiële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 30 november 2012 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de immateriële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 30 november 2012 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Gelast de teruggave aan verdachte van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

- 869165, stuk beschreven papier, lag op zolder rechts;

- 869172, stuk beschreven papier, lag op zolder op fitnessbank;

- 869175, ontvangstbewijs van de kmar, lag op zolder bureau;

- 869183, diverse documenten mbt drugs op bureau zolder;

- 869184, envelop m. adres [straatnaam], vensterb. slpk.

Aldus gewezen door

mr. J. Platschorre, voorzitter,

mr. F.P.E. Wiemans en mr. A.R. Hartmann, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. H.M. Vos, griffier,

en op 3 februari 2015 ter openbare terechtzitting uitgesproken.