Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2015:2904

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
28-07-2015
Datum publicatie
29-07-2015
Zaaknummer
HD 200.166.361_01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding tot levering onroerende zaak waarin koper al woont. Niet (zonder meer) te voorspellen dat de rechter in de bodemprocedure de vordering tot medewerking aan de levering van de onroerende zaken tegen betaling van de overeengekomen prijs zal toewijzen. Wel toewijzing betaling maandelijkse gebruiksvergoeding door koper.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer HD 200.166.361/01

arrest van 28 juli 2015

in de zaak van

1 [appellant 1] ,
wonende te [woonplaats] ,

2. [appellante 2] ,
wonende te [woonplaats] ,

appellanten,

hierna samen aan te duiden als [appellanten] ,

advocaat: mr. R. Haouli te 's-Hertogenbosch,

tegen

1 [geïntimeerde 1] ,
wonende te [woonplaats] ,

2. [geïntimeerde 2] ,
wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerden,

hierna samen aan te duiden als [geïntimeerden] ,

advocaat: mr. H.H.G. Theunissen te Leusden,

op het bij exploot van dagvaarding van 6 maart 2015 ingeleide hoger beroep van het vonnis in kort geding van de Voorzieningenrechter van de rechtbank Oost-Brabant, locatie 's-Hertogenbosch van 6 februari 2015, gewezen tussen [appellanten] als eisers en [geïntimeerden] als gedaagden.

1 Het geding in eerste aanleg (zaaknr. C/01/287228/KG ZA 14-770)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding in hoger beroep met grieven en wijziging c.q. aanvulling eis;

  • -

    de weigering van behandeling als spoedappel door de rolraadsheer;

  • -

    de memorie van antwoord met producties;

  • -

    de akte van [appellanten] met producties;

  • -

    de antwoordakte van [geïntimeerden] met productie.

Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De beoordeling

3.1.

In onderdeel 2 van het bestreden vonnis heeft de Voorzieningenrechter vastgesteld van welke feiten hij in dit geschil is uitgegaan. Met grief 1 wordt - terecht - gewezen op een verschrijving.

Het hof neemt de volgende feiten tot uitgangspunt.

a. a) Op 14 juli 2014 heeft [appellanten] aan [geïntimeerden] voor een koopsom van € 600.000,= verkocht:

  • -

    Het woonhuis met ondergrond aan de [perceel 1] te [vestigingsplaats] , kadastraal bekend gemeente Vierlingsbeek, sectie [sectieletter] , nummer [sectienummer 1] ;

  • -

    Het perceel grond/grasland, kadastraal bekend gemeente Vierlingsbeek, sectie [sectieletter] , nummer [sectienummer 2] ;

  • -

    Het perceel grond/ grasland, kadastraal bekend gemeente Vierlingsbeek, sectie [sectieletter] , nummer [sectienummer 3] ;

  • -

    Het perceel grond/ grasland, kadastraal bekend gemeente Vierlingsbeek, sectie [sectieletter] , nummer [sectienummer 4] .

b) In de koopovereenkomst (prod. 1 inl. dagv.) is in artikel 4.1 bepaald dat de akte van levering gepasseerd zal worden op 1 september 2014 of zoveel eerder of later als partijen tezamen nader overeenkomen.

c) Partijen zijn verder een “Uitgebreide verklaring van ontvangst nemen van de sleutel(s) voor de overdracht van een huis” (prod. 2 inl. dagv., hierna: Sleutelverklaring) overeengekomen. Op grond hiervan had [geïntimeerden] toegang tot de woning om haar te verbouwen. In aanvulling daarop is nadien mondeling afgesproken dat [geïntimeerden] de woning reeds vóór het transport mocht bewonen tegen de in de Sleutelverklaring overeengekomen vergoeding van

€ 350,= per week vanaf 26 juli 2014 tot aan de datum van het notarieel transport. [geïntimeerden] heeft per 26 juli 2014 zijn intrek genomen in de woning.

d) Daarna is door partijen een afspraak bij de notaris gemaakt voor het transport van de percelen op 29 augustus 2014. Die afspraak is kort tevoren door [geïntimeerden] afgezegd.

e) Een e-mailbericht van 29 augustus 2014 (productie 4 inl. dagv.) van [geïntimeerden] aan [makelaar] , de makelaar van [appellanten] (hierna: [makelaar] ), houdt onder meer het volgende in:

“(…) Een nieuwe datum voor passeren van akte lijkt me op dit moment wat voorbarig om vast te zetten.

(…) De erfdienstbaarheid moet geregeld zijn. Notaris heeft me gisteravond en vanmorgen precies uitgelegd hoe de vork in de steel zit. En met enkel een verklaring of eigendomsbewijs kom je er blijkbaar niet (…)

(…) moest ik woensdagavond tot overmaat van ramp ook nog eens vernemen van een buurtbewoner dat het wel eens mogelijk zou zijn dat de bouw niet geheel conform de bouwvergunning is (…)

Nu blijkt dus inderdaad dat de hoogte van bouw niet overeenkomt met de hoogte van de tekening. Hier wil ik duidelijkheid over (…)”

f) Bij e-mailbericht van 17 september 2014 (productie 5 inl. dagv.) heeft [geïntimeerden] aan de notaris onder meer het volgende bericht:

“(…)

De volgende punten zijn nog openstaand:
-Recht van overpad

-De aangepaste bouwvergunning (akkoord voor afwijking bouwvergunning). Is deze binnen van de gemeente ?

-De bevroren waterpomp.

-Waterleiding;

Voor wat betreft de waterleiding stel ik voor dat deze door verkoper of eigenaar achterliggende perceel omgelegd wordt. En dan aangesloten wordt via de [perceel 2] . Daarmee loopt deze niet meer over het perceel [perceel 1]

Met de toekomstige plannen die er zijn is een waterleiding in de grond namelijk een probleem (indien er een probleem aan die leiding komt).

(…)

Om, ondanks de openstaande punten, toch de vaart erin te krijgen en onze bereidwilligheid te tonen wil ik voorstellen het passeren toch op korte termijn te laten plaatsvinden.

In ieder geval dient voor het passeren het recht van overpad geregeld te zijn.

Voor de overige punten dient dan een clausule opgemaakt te worden, te weten voor het omleggen van de waterleiding, akkoord op afwijkende bouwvergunning en de waterpomp.

In deze clausule een gepast bedrag (van het aankoopbedrag) in depot bij de notaris opnemen, waarbij in acht wordt genomen dat openstaande zaken binnen een maximum van 6 maanden wordt gerealiseerd cq opgelost.”

g) Bij brief van 29 september 2014 heeft [appellanten] [geïntimeerden] in gebreke gesteld met betrekking tot de afname van de vier percelen (productie 8 inl. dagv.) en [geïntimeerden] gesommeerd om binnen acht dagen zijn verplichtingen uit de koopovereenkomst na te komen. Bij brief van 7 oktober 2014 heeft de advocate van [appellanten] [geïntimeerden] nog een termijn tot 10 oktober 2014 verleend.

h) De reactie van de advocaat van [geïntimeerden] op laatstgenoemde brief van de advocate van [appellanten] (prod. 11 inl. dagv.) behelst onder meer het volgende:

“Cliënten merken allereerst op dat zij willen meewerken aan levering. Zoals u zelf echter al aangeeft in uw brief hebben cliënten na het sluiten van de koopovereenkomst een aantal punten ontdekt waarover zij door uw cliënten (…) niet zijn geïnformeerd (…). Zouden cliënten hiervan (…) op de hoogte zijn geweest dan zouden zij niet, althans niet op dezelfde voorwaarden, tot aankoop zijn overgegaan. Ik zal hierna op de betreffende punten nog kort ingaan.

Erfdienstbaarheid

Hierover zijn cliënten niet door uw cliënten (dan wel de makelaar van uw cliënten) geïnformeerd. (…)

Waterleiding

Cliënten hebben ontdekt dat op het perceel van uw cliënten een waterleiding loopt van uw buren.

Afwijken bouwhoogte

Uw cliënten hebben cliënten nimmer medegedeeld dat er is gebouwd afwijkend van de bouwvergunning. Daarmee lopen cliënten het risico dat zij in de toekomst worden geconfronteerd met handhaving zijdens de gemeente.

(…)

Voor zover nodig beroepen cliënten zich gelet op het vorenstaande ten aanzien van hun plicht tot meewerking aan de levering uitdrukkelijk op een aan hen toekomend opschortingsrecht. Teneinde een oplossing voor de ontstane situatie te vinden stellen cliënten voor levering te laten plaatsvinden, waarbij een nader overeen te komen bedrag van de koopprijs door de notaris in depot wordt gehouden totdat de voormelde punten zijn opgelost.

(…)”

i. Bij e-mail van 29 oktober 2014 heeft de advocaat van [geïntimeerden] aan de gemachtigde van [appellanten] een rapportage van de gemeente Boxmeer naar aanleiding van de controle op 2 februari 2009 doen toekomen (productie 13 inl. dagv.). Uit deze rapportage blijkt dat de gemeente bij die controle heeft geconstateerd dat de bouw van de woning op een viertal punten afwijkt van de verleende bouwvergunning:
a) De goothoogte bedraagt 312 cm, terwijl een goothoogte van 300 cm is vergund;
b) De nokhoogte bedraagt 734 cm, terwijl een nokhoogte van 700 is vergund;
c) De diepte van de aanbouw aan de achterzijde van de woning bedraagt 266 c, terwijl een diepte van 166 cm is vergund;
d) De inhoud van de woning bedraagt 918 m3, terwijl deze 806 m3 mag bedragen.

Ook blijkt daaruit dat mogelijk tot handhaving overgegaan zal worden.

3.2.

[appellanten] heeft [geïntimeerden] in kort geding betrokken en – kort gezegd – gevorderd dat [geïntimeerden] op verbeurte van een dwangsom van € 1000,= per dag wordt veroordeeld tot medewerking aan levering van de percelen, althans (meer subsidiair) dat de voorzieningenrechter een beslissing neemt die hij geraden acht.

Bij het bestreden vonnis zijn de vorderingen van [geïntimeerden] afgewezen. Daarbij heeft de Voorzieningenrechter – kort samengevat – overwogen dat de vraag of [geïntimeerden] bij het aangaan van de koopovereenkomst wel of niet bekend was met de bouw in strijd met de verleende bouwvergunning en of hij zelf nader onderzoek had moeten verrichten naar de vraag of de woning overeenkomstig de voorschriften van de bouwvergunning is gebouwd, niet kan worden beantwoord zonder nader onderzoek waarvoor een kort geding zich niet leent. Verder heeft de Voorzieningenrechter geoordeeld dat het belang van [geïntimeerden] om thans niet te hoeven meewerken aan levering en betaling van de koopsom, terwijl geenszins kan worden uitgesloten dat de koopovereenkomst zal worden vernietigd of ontbonden, dient te prevaleren boven het belang van [appellanten] bij nakoming.

3.3.

Bij dagvaarding in hoger beroep heeft [appellanten] vier grieven aangevoerd en zijn meer subsidiaire eis gewijzigd. [appellanten] vordert vernietiging van het bestreden vonnis en het alsnog toewijzen van zijn primaire, althans subsidiaire vordering. Meer subsidiair vordert [appellanten] thans om [geïntimeerden] (op basis van de sleutelovereenkomst, althans ongerechtvaardigde verrijking) te veroordelen om aan [appellanten] te betalen € 9.100,02 alsmede om [geïntimeerden] te veroordelen tot betaling van € 1.516,65 (of een in goede justitie te bepalen bedrag) per maand, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de vervaldatum tot datum der voldoening.

Spoedeisend belang

3.4.

[geïntimeerden] betwist dat [appellanten] voldoende spoedeisend belang heeft stellende dat het onaannemelijk is dat [appellanten] dubbele woonlasten heeft en dat hij de huur aan zijn eigen vennootschap betaalt.

Het hof is van oordeel dat [appellanten] voldoende spoedeisend belang heeft. Dat belang is alleen al gelegen in het feit dat [appellanten] al geruime tijd de maandelijkse hypotheeklast draagt van het huis waarvan [geïntimeerden] feitelijk het woongenot heeft. Of [appellanten] daarnaast ook nog een huurlast heeft, maakt daarbij niet uit. Ook doet daaraan niet af dat partijen overeengekomen zijn dat [geïntimeerden] voor dat genot pas bij transport een vergoeding zal voldoen. Zoals [geïntimeerden] zelf heeft opgemerkt is de Sleutelverklaring gesloten in de verwachting dat het ging over een zeer korte periode. Inmiddels duurt die periode al bijna een jaar doordat onderhavig geschil het transport belemmert.

Vordering meewerken transport

3.5.

[appellanten] legt aan zijn primaire vordering ten grondslag de koopovereenkomst, waarin als uiterste leveringsdatum 1 september 2014 is opgenomen. Vast staat dat [appellanten] toen bereid en in staat was te leveren, maar dat [geïntimeerden] heeft geweigerd mee te werken aan transport. [geïntimeerden] heeft die medewerking opgeschort omdat hij – zo begrijpt het hof zijn verweer – voorzag dat [appellanten] niet correct zou gaan nakomen. Er bleek sprake te zijn van een erfdienstbaarheid die [geïntimeerden] (naar eigen zeggen) niet bekend was en het huis leek niet conform vergunning te zijn verbouwd. Dat dit laatste het geval is, is inmiddels ook komen vast te staan (zie rapportage van de gemeente van februari 2009). De gemeente is weliswaar sindsdien nog niet tot handhaving over gegaan, maar er is sprake van een situatie die kan leiden tot handhaving en tot het opleggen van een plicht tot herstel, zo voert [geïntimeerden] aan. [appellanten] heeft [geïntimeerden] niet op de hoogte gesteld van de verbouw in strijd met de verleende vergunning, terwijl hij dat wel had moeten doen omdat hij ervan op de hoogte was. Had [geïntimeerden] ervan geweten vóór het sluiten van de koopovereenkomst dan had hij deze niet, althans niet onder dezelfde voorwaarden gesloten, aldus [geïntimeerden] . [geïntimeerden] voert verder aan dat [appellanten] niet meer correct zal kunnen nakomen nu de huidige situatie niet kan worden gelegaliseerd. Daarbij verwijst [geïntimeerden] naar door hem met de gemeente gevoerde correspondentie. Bij brief van 23 april 2015 (prod. 20 MvA) heeft [geïntimeerden] de koopovereenkomst buitengerechtelijk ontbonden, althans vernietigd wegens dwaling.

3.7.

[appellanten] weerspreekt het verweer van [geïntimeerden] met de stelling dat [geïntimeerden] bij de aankoop door (de makelaar van) [appellanten] op de hoogte is gesteld van de verbouwing en het feit dat er op de eerste twee punten uit het rapport niet conform vergunning is verbouwd. Daartoe verwijst hij naar een verklaring van makelaar [makelaar] (prod. 17 inl. dagv.). Dat had voor [geïntimeerden] aanleiding moeten zijn om nader onderzoek te plegen, waaruit ook de andere twee punten dan hadden kunnen blijken. Het komt voor eigen risico dat [geïntimeerden] dat niet heeft gedaan, aldus [appellanten] . [appellanten] stelt zelf ook niet op de hoogte te zijn geweest van de andere twee punten die uit het rapport blijken. [appellanten] weerspreekt verder dat de gemeente succesvol over zou kunnen gaan tot handhaving onder verwijzing naar een opinie van een door hem geraadpleegde specialist.

3.8.

Het hof constateert dat noch in eerste aanleg noch in dit hoger beroep door [appellanten] is bestreden dat sprake is van een tekortkoming als de verkoper (hier: [appellanten] ) een woning levert waarvan komt vast te staan dat deze is verbouwd in strijd met de daarvoor verleende vergunning, indien zou komen vast te staan dat de koper (hier: [geïntimeerden] ) daarvan niet heeft geweten en heeft kunnen weten. Dat neemt het hof dan ook tot uitgangspunt.

Met grief 2 klaagt [appellanten] dat de voorzieningenrechter het, op grond van eerdergenoemde verklaring van [makelaar] , aannemelijk had kunnen en moeten achten dat de bodemrechter tot het oordeel zal komen dat [geïntimeerden] ermee bekend was dat er op de punten genoemd onder 3.1.i sub a en b hiervoor verbouwd was in strijd met de daarvoor verleende vergunning. Dat betoog volgt het hof niet. [geïntimeerden] heeft gemotiveerd ontkend dat hij door [makelaar] is geïnformeerd en de inhoud van de verklaring van [makelaar] gemotiveerd weersproken. Daarbij heeft hij onder meer gewezen op de door hem op 14 juli en op 29 augustus 2014 met [makelaar] gevoerde correspondentie, waaruit niet blijkt dat [makelaar] wist van de afwijkingen, laat staan dat hij [geïntimeerden] daarop heeft gewezen.

3.9.

Bovendien gaat het er in dit kort geding om of de voorzieningenrechter het voorshands aannemelijk acht dat de rechter in de bodemprocedure de vordering tot medewerking aan de levering van de onroerende zaken tegen betaling van de overeengekomen prijs zal toewijzen, zo aannemelijk dat diezelfde vordering in dit kort geding ook al bij wijze van voorlopige voorziening kan worden toegewezen.

Dat is niet het geval.

Het hof is met de voorzieningenrechter van oordeel dat zonder nadere bewijslevering niet is te voorspellen welke wending deze zaak in een eventuele bodemprocedure zal nemen. Naar zijn aard leent het kort geding zich niet voor nadere bewijslevering. Met recht heeft de voorzieningenrechter dan ook de voorlopige voorzieningen die [appellanten] in eerste aanleg vorderde afgewezen.

3.10.

Gezien het voorgaande kan bespreking van grief 3 (waarmee [appellanten] aanvoert dat op de punten genoemd onder 3.1.i sub c en d hiervoor weliswaar sprake is van tekortkomingen, maar dat deze geen opschorting, ontbinding en vernietiging rechtvaardigen, omdat legalisatie weliswaar onmogelijk is, maar de gemeente ook heeft aangegeven dat niet tot handhaving zal worden overgegaan) achterwege blijven. Ten overvloede merkt het hof daarbij overigens op dat het de vraag is of de gemeente niet zal handhaven al was het maar omdat de gemeente kan worden gedwongen om tot handhaving over te gaan op basis van het optreden van belanghebbende omwonenden. Of dit een reëel risico is, is eveneens de vraag. Ook de beide vragen vergen nader onderzoek, waarvoor in dit kort geding geen plaats is. Terzijde merkt het hof tevens op dat [appellanten] niet heeft aangevoerd dat er geen bevoegdheid tot opschorting (meer) bestaat omdat duidelijk is dat nakoming blijvend onmogelijk is.

3.11.

Voor zover [appellanten] met grief 3 ook bedoeld heeft bezwaar te maken tegen de door de voorzieningenrechter uitgevoerde belangenweging, faalt de grief. Het hof deelt in het licht van het voorgaande ook op dat punt het oordeel van de voorzieningenrechter. Daarbij vraagt het hof zich overigens terzijde wel af wat er moet gebeuren voordat een van partijen in deze zaak een bodemprocedure gaat voeren om uit onderhavige patstelling te komen

Gewijzigde meer subsidiaire vordering

3.12.

Ter onderbouwing op de in dit hoger beroep gewijzigde meer subsidiaire voorlopige voorziening voert [appellanten] (primair) aan (zo begrijpt het hof zijn stellingen) dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is (art. 6:248 lid 2 BW) dat [geïntimeerden] [appellanten] houdt aan de afspraak dat [geïntimeerden] de overeengekomen gebruiksvergoeding pas bij levering hoeft te betalen. [appellanten] is van mening dat, nu levering zo lang op zich laat wachten, uit de eisen van redelijkheid en billijkheid tussen partijen voortvloeit dat [geïntimeerden] wordt veroordeeld tot betaling van de overeengekomen gebruiksvergoeding per maand, voor elke maand dat het gebruik al heeft geduurd en voor alle daaropvolgende maanden. [appellanten] voert aan dat de afspraak om die vergoeding pas te betalen bij transport is gemaakt in de verwachting dat er op korte termijn transport zou plaatsvinden. Daarnaast voert hij aan dat hij nu dubbele lasten heeft omdat hij enerzijds nog steeds zijn hypotheeklast betaalt voor het huis waar [appellanten] in woont en daarnaast huur voor zijn eigen woonruimte, terwijl [geïntimeerden] woont zonder maandelijkse woonlast.

3.13.

[geïntimeerden] verweert zich tegen deze vordering met een beroep op het bepaalde in de Sleutelverklaring (dat hij pas bij levering hoeft te betalen voor het gebruik) en voert aan dat [appellanten] de situatie dat levering op zich laat wachten geheel aan zichzelf te wijten heeft. [geïntimeerden] betwist daarnaast dat [appellanten] dubbele lasten heeft. Hij voert aan dat [appellanten] woont in een woonunit op het bedrijfsterrein van zijn eigen vennootschap en bestrijdt dat [appellanten] daarvoor huur aan zijn vennootschap betaalt. Mocht het hof desondanks menen dat [geïntimeerden] een maandelijkse vergoeding zou moeten betalen, dan bepleit [geïntimeerden] dat deze vergoeding wordt gesteld op maximaal de netto hypotheeklast die [geïntimeerden] zou hebben gehad als de levering zou zijn doorgegaan, welke [geïntimeerden] met een beroep op zijn financieringsaanvraag berekent op € 1.024,= per maand voor 2014 en € 912,= per maand voor 2015.

3.14.

Vast staat dat partijen voor het gebruik van het huis door [geïntimeerden] tot aan de levering een vergoeding zijn overeengekomen en dat [geïntimeerden] inmiddels sinds 26 juli 2014 het woongenot van het huis van [appellanten] heeft, terwijl [appellanten] daarvoor de maandelijkse woonlast draagt. Nu [geïntimeerden] aan de door hem ingeroepen buitengerechtelijke ontbinding niet de beëindiging van het gebruik verbindt, gesteld noch gebleken is dat [geïntimeerden] (door aan [appellanten] toe te rekenen omstandigheden) niet in staat is om de overeengekomen gebruiksvergoeding maandelijks te betalen en omtrent enig restitutierisico door [geïntimeerden] niets is aangevoerd, zal het hof bij wijze van voorlopige voorziening de vordering van [appellanten] tot maandelijkse betaling van de overeengekomen gebruiksvergoeding toewijzen met ingang van de eerste kalendermaand na datum van dit arrest en onder de verplichting van [appellanten] om de aldus ontvangen bedragen in mindering te brengen op de vordering die bij levering resteert uit hoofde van artikel 1 van de Sleutelverklaring (tot betaling van de gebruiksvergoeding over de inmiddels verstreken periode van gebruik). Het hof wijst er in dit verband op dat [geïntimeerden] voor het gebruik over de periode van 26 juli tot en met 29 augustus 2014 aan [appellanten] al een gebruiksvergoeding heeft betaald (van € 1.750,00). Het meer of anders gevorderde zal worden afgewezen.

3.15.

De slotsom van het voorgaande is dat het bestreden vonnis geen stand kan houden voor zover daarin ook de meer subsidiaire vordering van [appellanten] is afgewezen. In het feit dat de bij dit arrest (deels) toegewezen meer subsidiaire eis pas in hoger beroep gevorderd is, ziet het hof aanleiding de proceskostenveroordeling in het bestreden vonnis (waarop grief 4 ziet) niet te vernietigen, want in eerste aanleg was [appellanten] de volledig in het ongelijk gestelde partij.

Opnieuw rechtdoende zal het hof de in hoger beroep gewijzigde meer subsidiaire vordering toewijzen als hiervoor beslist. Nu partijen in dit hoger beroep over en weer op punten in het ongelijk zijn gesteld, ziet het hof aanleiding de proceskosten in dit hoger beroep te compenseren in die zin dat iedere partij eigen kosten draagt.

Op verzoek van [appellanten] zal dit arrest uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard.

4 De uitspraak

Het hof:

vernietigt het bestreden vonnis voor zover daarin de meer subsidiaire vordering van [appellanten] is afgewezen en opnieuw rechtdoende:

veroordeelt [geïntimeerden] om zolang het gebruik van het huis onder de Sleutelverklaring voortduurt, ingaande 1 augustus 2015 maandelijks, iedere maand uiterlijk op de laatste dag van de desbetreffende maand, aan [appellanten] te betalen € 1.516,66 bij wijze van voorschot op wat in artikel 1 van de Sleutelverklaring is overeengekomen;

bekrachtigt het bestreden vonnis voor het overige;

compenseert de proceskosten in hoger beroep in die zin dat elke partij de eigen kosten draagt;

verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. H.A.G. Fikkers, J.C.J. van Craaikamp en W.J.J. Beurskens en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 28 juli 2015.

griffier rolraadsheer