Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2015:2883

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
28-07-2015
Datum publicatie
30-07-2015
Zaaknummer
HD 200.119.932_01
Formele relaties
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2014:1500
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2014:4459
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2015:832
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het hof komt terug op bindende eindbeslissing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

afdeling civiel recht

zaaknummer HD 200.119.932/01

arrest van 28 juli 2015

in de zaak van

1 [appellant] ,

2. [appellante],

beiden wonende te [woonplaats] ,

appellanten in het principaal appel, geïntimeerden in het incidenteel appel,

advocaat: mr. H.H. van Gaal te Arnhem,

tegen

[geïntimeerde], handelend onder de naam

Bouw-Handelsonderneming [Bouw-Handelsonderneming] /Verandaplein,

wonend te [woonplaats] ,

geïntimeerde in het principaal appel, appellant in het incidenteel appel,

advocaat: mr. G.S. de Haas te Raamsdonksveer,

als vervolg op de door het hof gewezen tussenarresten van 27 mei 2014, 28 oktober 2014 en 10 maart 2015 in het hoger beroep van het door de rechtbank ’s-Hertogenbosch, sector kanton, locatie Eindhoven gewezen vonnis van 1 november 2012 tussen [appellanten] en [geïntimeerde] . Het hof zal de nummering van de tussenarresten voortzetten.

12 Het verdere verloop van de procedure

Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het door dit hof op 10 maart 2015 gewezen tussenarrest;

  • -

    een door [appellanten] genomen akte uitlaten;

  • -

    een door [geïntimeerde] genomen akte uitlaten na arrest;

  • -

    een door [geïntimeerde] genomen antwoordakte.

Vervolgens is bepaald dat arrest zal worden gewezen. Het hof doet recht op de hiervoor genoemde stukken.

13 De verdere beoordeling in het principale en het incidentele appel

13.1

Het hof heeft partijen in het tussenarrest van 10 maart 2015 in staat gesteld zich uit te laten over het voornemen van het hof om in heroverweging te nemen de in r.o. 7.5 van het tussenarrest van 28 oktober 2014 gegeven (bindende) eindbeslissing, voor zover inhoudende dat grief V geen (verdere) beoordeling behoeft wat betreft de afwijzing van de stelling van [appellanten] dat [geïntimeerde] [appellanten] ook dient te crediteren ter zake de werkzaamheden (a) aan- en afvoer materiaal, (b) het aanbrengen van gipsplaten op wanden en plafond in het kantoor en (c) het aanbrengen van een aansluiting voor de wasmachine en droger.

[appellanten] hebben in de door hen genomen akte uitlating vermeld dat zij de gedachtegang van het hof onderschrijven en dus, zo begrijpt het hof, van mening zijn dat het hof die betreffende beslissing dient te heroverwegen.

[geïntimeerde] heeft in zijn akte uitlaten na arrest vermeld dat hij zich aan het oordeel van het hof refereert.

Het hof is van oordeel dat op de in r.o. 10.6.2 van het tussenarrest van 10 maart 2015 genoemde gronden moet worden teruggekomen op de bindende eindbeslissing in r.o. 7.5 van het tussenarrest van 28 oktober 2014 dat grief V geen verdere beoordeling behoeft, en komt nu terug op die beslissing. Voor de verdere beoordeling van deze grief voor zover relevant verwijst het hof naar de r.o. 10.6.3 tot en met r.o. 10.6.5 van het tussenarrest van 10 maart 2015, die als hier herhaald en ingelast worden beschouwd. Dit betekent dat grief V in het principaal appel gedeeltelijk slaagt.

13.2

Het vorenstaande betekent dat de berekening die het hof in het tussenarrest van 10 maart 2015 in r.o. 10.7 heeft gemaakt, moet worden gevolgd, zodat per saldo [geïntimeerde] aan [appellanten] dient te betalen € 1.251,32.

[appellanten] hebben in hun akte uitlaten daaraan toegevoegd dat zij op grond van het vonnis waarvan beroep aan [geïntimeerde] hebben betaald € 3.215,47 (exclusief proceskosten en rente), zodat [geïntimeerde] aan hen dient te betalen € 1.251,32 + € 3.215,47 = € 4.466,79, exclusief proceskosten en wettelijke rente.

In hun memorie van grieven hebben [appellanten] onder 1.4 reeds aangevoerd dat zij uit hoofde van het bestreden vonnis € 3.900,95 aan [geïntimeerde] hebben betaald. Uit nr. 1.3 memorie van grieven blijkt dat dit bedrag van € 3.900,95 is samengesteld uit € 3.215,47, zijnde het toegewezen deel van de hoofdvordering van [geïntimeerde] , € 600,- aan door [appellanten] aan [geïntimeerde] te betalen proceskosten en, zo rekent het hof, € 85,48 aan rente. [geïntimeerde] heeft in zijn memorie van antwoord niet betwist dit bedrag van € 3.900,95 te hebben ontvangen, zodat het hof voorbijgaat aan hetgeen hij in zijn antwoordakte ter zake heeft aangevoerd. Nu [appellanten] bij memorie van grieven onder meer hebben gevorderd dat het hof [geïntimeerde] zal veroordelen tot terugbetaling aan [appellanten] van het bedrag dat zij op grond van het vonnis hebben betaald, betekent dit dat [geïntimeerde] in elk geval moet worden veroordeeld om aan [appellanten] te betalen € 4.466,79 (exclusief proceskosten en rente), en dat het vonnis waarvan beroep moet worden vernietigd.

13.3

Gelet op de door het hof gegeven oordelen ter zake de grieven I tot en met XV behoeven de grieven XVI en XVII, waarin [appellanten] overigens spreken over “Titulaer” waar zij zich zelf bedoelen, geen zelfstandige beoordeling, behoudens wat betreft de proceskosten, waarover hierna.

13.4

Uit het door [appellanten] bij dagvaarding in eerste aanleg gestelde en uit de daarbij overgelegde producties blijkt dat zij buitengerechtelijke incassowerkzaamheden hebben verricht. [geïntimeerde] dient deze te vergoeden. [appellanten] hebben deze kosten begroot conform de staffel rapport Voorwerk II. Gelet daarop en op het uiteindelijk door het hof toegewezen bedrag, zal het hof deze buitengerechtelijke kosten begroten op € 300,-.

13.5

Het hof zal de proceskosten in eerste aanleg en in dit hoger beroep tussen partijen compenseren, nu zij over en weer op enkele punten in het ongelijk zijn gesteld. Dit betekent, gelet op de inhoud van de vordering in hoger beroep van [appellanten] , dat [geïntimeerde] tevens zal worden veroordeeld tot betaling van de hiervoor in r.o. 13.2 genoemde bedragen van € 600,- en € 85,48.

Het door partijen meer of anders gevorderde zal worden afgewezen.

14 De uitspraak

Het hof:

in het principaal en het incidenteel appel:

vernietigt het tussen partijen in conventie en reconventie gewezen vonnis van 1 november 2012 en doet opnieuw recht als volgt:

veroordeelt [geïntimeerde] om aan [appellanten] te betalen € 5.152,27 en € 300,-, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 1.251,32 vanaf 31 januari 2012 tot de dag der betaling en met de wettelijke rente over € 3.900,95 vanaf de dag dat [appellanten] dit bedrag aan [geïntimeerde] hebben betaald tot de dag der betaling;

compenseert de kosten van de procedure in eerste aanleg en van dit hoger beroep aldus dat iedere partij haar eigen kosten draagt;

veroordeelt [geïntimeerde] in de nakosten ad € 131,- en in geval van betekening van dit arrest ad € 199,- te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 14 dagen na de dag van deze uitspraak tot aan de dag der voldoening;

verklaart de gegeven veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. M.G.W.M. Stienissen, S. Riemens en J.R. Sijmonsma en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 28 juli 2015.

griffier rolraadsheer