Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2015:2881

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
28-07-2015
Datum publicatie
30-07-2015
Zaaknummer
HD 200.117.507_01
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

aansprakelijkheid ex-bestuurder tov rechtspersoon omdat ex-bestuurder bestaande overeenkomsten heeft hersloten die nadeliger zijn dan de oorspronkelijke.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2015/1431
OR-Updates.nl 2015-0304
INS-Updates.nl 2015-0246
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

afdeling civiel recht

zaaknummer HD 200.117.507/01

arrest van 28 juli 2015

in de zaak van

[appellante] Holding B.V.,

gevestigd en kantoorhoudende te [vestigingsplaats 1] ,

appellante,

advocaat: mr. D.P.M.G. van den Boom te Tilburg,

tegen

[geïntimeerde] Holding B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats 2] ,

en

[geïntimeerde] ,

wonende te [vestigingsplaats 2] ,

geïntimeerden,

advocaat: mr. J.L. de Crom te Oosterhout,

op het bij exploot van dagvaarding van 10 september 2012 ingeleide hoger beroep van het door de rechtbank Breda, sector civiel recht gewezen vonnis van 13 juni 2012 tussen appellante - [appellante] Holding- als eiseres, en geïntimeerden - [geïntimeerde] Holding respectievelijk [geïntimeerde] , tezamen [geïntimeerden] - als gedaagden.

1 Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:

  • -

    voornoemde dagvaarding van 10 september 2012;

  • -

    de memorie van grieven tevens houdende akte vermindering en wijziging van eis, waarbij producties zijn overgelegd;

  • -

    de memorie van antwoord waarbij producties zijn overgelegd.

Nadat [appellante] Holding arrest heeft gevraagd, is bepaald dat arrest wordt gewezen. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

2 Het geding in eerste aanleg (zaak/rolnr. 232003 / HA ZA 11-438)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormelde vonnis van 13 juni 2012 en naar het daaraan voorafgaande vonnis van 22 juni 2011.

3 De gronden van het hoger beroep

Voor de tekst van de grieven wordt verwezen naar de memorie van grieven.

4. De beoordeling

4.1

De rechtbank heeft in het bestreden vonnis van 13 juni 2012 feiten vastgesteld. Het hof zal van die feiten voor zover van belang, uitgaan. Verder staan nog enige feiten vast. Het hof zal hierna een overzicht geven van de vaststaande feiten.

a. [appellante] Holding en [geïntimeerde] Holding houden ieder 50% van de aandelen in Rosario Houdstermaatschappij B.V. (hierna Houdster). Het bestuur in Houdster werd van 5 juli 1999 tot 31 maart 2010 gevoerd door [geïntimeerde] Holding. Vanaf 31 maart 2010 voert [appellante] Holding het bestuur van Houdster.

[geïntimeerde] houdt alle aandelen in [geïntimeerde] Holding. [geïntimeerde] Holding en Rosario Productie Beheer B.V. (hierna RPB) houden alle aandelen in Rosario Productie B.V.

[appellante] , broer van [geïntimeerde] , houdt alle aandelen in [appellante] Holding. [appellante] Holding houdt alle aandelen in Rosario Spare Parts B.V. (hierna RSP).

b. De statuten van Houdster (overgelegd als productie 11 bij dagvaarding in eerste aanleg) houden in, voor zover hier van belang:

“(…)

Bestuur

Artikel 16

1. Het bestuur van de vennootschap is opgedragen aan de directie (…)

2. Onverminderd het elders in de statuten dienaangaande bepaalde zijn aan de algemene vergadering van aandeelhouders onderworpen de besluiten van de directie tot:

a. het verkrijgen, vervreemden, bezwaren, huren, verhuren en op andere wijze in gebruik of genot verkrijgen en geven van registergoederen, (…)

investeringen; (…).

Artikel 24

(…)

4. De directie houdt van de genomen besluiten aantekening. De aantekeningen liggen ten kantore van de vennootschap ter inzage van de aandeelhouders (…).

Artikel 26

Alle besluiten, die in een algemene vergadering genomen kunnen worden, kunnen (…) ook buiten vergadering genomen worden, mits alle aandeelhouders zich schriftelijk al dan niet per enig telecommunicatiemiddel voor het voorstel hebben verklaard. Het in artikel 24 lid 4 bepaalde is van overeenkomstige toepassing. (…)”.

c. RSP en Rosario Productie B.V. hebben samengewerkt. In de samenwerkingsovereenkomst is onder meer vermeld dat Rosario Productie B.V. aan RSP overdraagt de handel in Strutz-onderdelen, alsmede de service van Strutzmachines. De handling van de handel in Strutz-onderdelen geschiedt door Rosario Productie B.V. De samenwerkingsovereenkomst is per 31 december 2006 door RSP opgezegd.

d. Op 1 maart 2003 is tussen Houdster als verhuurster en Rosario Productie B.V. als huurster een huurovereenkomst gesloten waarbij Rosario Productie B.V. aan de [straatnaam] in [vestigingsplaats 1] 350 m2 kantoorruimte en 800 m2, 200 m2 en 400 m2 bedrijfshal huurt voor € 80.000,- per jaar (productie 4 bij dagvaarding in eerste aanleg). De overeenkomst is gesloten met een looptijd van 2 jaar, waarna deze met een periode van 5 jaar zal worden voortgezet.

e. Bij brief van 31 december 2006 (in eerste aanleg door [appellante] Holding overgelegd als productie 16) van Rosario Productie B.V. aan Houdster, bevestigt Rosario Productie B.V. dat zij vanaf 1 januari 2007 niet meer zal huren de ruimte Kantoor 1.01 en Kantine 0.02. Vanaf 1 januari 2007 is de nieuwe huurprijs € 27.280,- voor 310 m2 kantoorruimte en € 44.800,- voor 1400 m2 fabriekshal.

f. De door Rosario Productie B.V. en door [geïntimeerde] namens Houdster ondertekende brief van 10 juli 2009 (bij dagvaarding in eerste aanleg door [appellante] Holding overgelegd als productie 4) houdt onder meer in:

“(…) Zoals onlangs met u besproken bevestigen wij u hierbij de aanpassing van de huurovereenkomst (…)

Per 1 juni jl huren wij van u 110 m2 kantoorruimte en 750 m2 bedrijfshal (…)

De totale huurprijs per jaar zal worden Euro 34.950,00 (…)”.

g. Bij door [geïntimeerde] namens Houdster ondertekende brief van 8 januari 2010 aan Rosario Productie B.V. (productie 10 dagvaarding in eerste aanleg) laat Houdster weten:

“(…) Omdat Rosario Productie bv haar medewerking heeft verleend om de gehuurde 175 m2 hal (…) vrij te geven, heeft (…) Houdster (…) de achterste 300 m2 hal en de 175 m2 kunnen verhuren (…).

Ter compensatie huurt Rosario Productie bv per 1 januari 2010 110 m2 kantoor, 1000 m2 bedrijfshal, was 750 m2, en gebruik van kantine en was/kleedruimte tegen de oude huurprijs van 34.950 Euro. Rosario Houdstermaatschappij mag daarentegen haar leasemachine laten staan op de gehuurde m2 van Rosario Productie bv (…).”

h. Bij op 15 februari 2007 gedateerde Overeenkomst van sale and operational lease-back (overgelegd als productie 6 bij dagvaarding in eerste aanleg) komen Rosario Productie B.V. en Houdster, de laatste vertegenwoordigd door [geïntimeerde] , het volgende overeen:

“(…)

I. Koop en verkoop

1. Rosario Productie bv verkoopt aan Rosario Houdstermaatschappij bv (…):

Rosario PLS 150/2 UV

Volledig automatisch gestuurde flessen zeefdrukmachine (…)

4. De koopsom bedraagt driehonderdzeventigduizend euro (…)

II. Operational lease

Art. 1.1. Rosario Houdstermaatschappij bv (hierna te noemen: de lessor) geeft de in onderdeel I sub 1 genoemde goederen in gebruik aan Rosario Productie bv (hierna te noemen: de lessee) (…) en wel voor de termijn van 60 maanden, (…)

Art. 2.1. De gebruikersovereenkomst wordt aangegaan voor de maximale duur van 60 maanden, doch met een minimum van 1 jaar.

2. Met inachtneming van genoemde minimumtermijn kan ieder der partijen de overeenkomst met een termijn van drie maanden (…) opzeggen.

Art. 3.1. De prijs voor het in gebruik geven (…) door de lessor aan de lessee (…) bedraagt (…) per maand (…)

01-04-07 – 31-03-08 € 7.013,-

01-04-08 – 31-03-09 € 6.640,-

01-04-09 – 31-03-10 € 6.267,-

01-04-10 – 31-03-11 € 5.893,-

01-04-11 – 31-03-12 € 5.520,-

Art. 4.1. De lessor zal de zaken in goede staat houden en alle noodzakelijke afstellingen, reparaties en vervanging van onderdelen uitvoeren (…)”.

Deze “Overeenkomst van sale and operational lease-back” is door Rosario Productie B.V. door opzegging per 1 augustus 2009 beëindigd.

i. De brief van Rosario Productie B.V. aan Houdster van 28 oktober 2009 (productie 10 bij dagvaarding in eerste aanleg) houdt in:

“(…)

Betreft de opzegging van het machine leasecontract per 1 augustus 2009, bevestig ik hierbij nog even onze afspraak (…) dat wij nog de gelegenheid hebben om voor een aantal klanten flessen te drukken op de machine (…)

Wij zullen Rosario Houdstermaatschappij Euro 218,- (…) per dag voor het machinegebruik betalen (…).”

j. In opdracht van [appellante] Holding heeft PKF Accountants & adviseurs een onderzoek uitgevoerd bij Houdster over de periode 2000 tot en met november 2009 en daarvan rapport opgemaakt. Dit rapport (hierna het PKF-rapport) is bij dagvaarding in eerste aanleg overgelegd als productie 5. In nr. 1.2 van het rapport is vermeld dat het onderzoek is uitgevoerd naar aanleiding van sterke aanwijzingen van de kant van [appellante] Holding, 50% aandeelhouder van Houdster, dat de belangen van Houdster niet adequaat zijn behartigd door de bestuurder.

k. Rosario Productie B.V. is op 16 april 2013 in staat van faillissement verklaard.

4.2

Houdster heeft in eerste aanleg gevorderd, samengevat:

- veroordeling van [geïntimeerde] Holding om haar aandelen in Houdster over te dragen aan [appellante] Holding tegen een nader vast stellen koopprijs;

- [geïntimeerde] Holding te verbieden het stemrecht op de aandelen in Houdster nog uit te oefenen;

- hoofdelijke veroordeling van [geïntimeerde] Holding en [geïntimeerde] om aan [appellante] Holding te betalen de kosten van het opgemaakte PKF-rapport, zijnde € 35.414,12;

- hoofdelijke veroordeling van [geïntimeerde] Holding en [geïntimeerde] om aan [appellante] Holding te vergoeden de schade nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet.

De rechtbank heeft bij het bestreden vonnis de vordering afgewezen. De vordering tot overdracht van aandelen is afgewezen omdat naar het oordeel van de rechtbank niet was voldaan aan de eisen van art. 2:336 BW. De vordering om [geïntimeerde] Holding te verbieden het stemrecht uit te oefenen is afgewezen omdat de statuten geen regeling over het verlies van stemrecht bevatten en [geïntimeerde] Holding houder van de aandelen in Houdster blijft en de aan dat bezit verbonden rechten, waaronder het stemrecht, behoudt. De vordering tot betaling van de kosten van het PKF-rapport en tot vergoeding van de bij staat op te maken schade is door de rechtbank afgewezen omdat [appellante] Holding geen specifieke zorgvuldigheidsnorm heeft gesteld die door gedaagden in acht genomen zou moeten zijn en is geschonden. [appellante] Holding is door de rechtbank in de proceskosten veroordeeld.

4.3

Bij memorie van grieven heeft [appellante] Holding twee grieven voorgedragen en geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis van 13 juni 2012. Zij vordert in dit hoger beroep dat het hof [geïntimeerden] hoofdelijk zal veroordelen om aan haar te betalen:

- € 29.759,76 voor kosten van het PKF-rapport;

- € 193.006,40 schadevergoeding ter zake de leaseovereenkomst;

- € 44.794,39 schadevergoeding ter zake de huur;

- € 9.057,03 wegens advocaatkosten,

dit alles te vermeerderen met de wettelijke handelsrente, althans de wettelijke rente, vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening en met veroordeling van [geïntimeerde] Holding c.s in de kosten van beide instanties, de nakosten advocaat daaronder begrepen.

[geïntimeerde] Holding c.s bestrijden de grieven.

4.4

De grieven lenen zich voor een gezamenlijke beoordeling.

4.5

[appellante] Holding is van mening dat [geïntimeerde] Holding als bestuurster van Houdster ten opzichte van [appellante] Holding als aandeelhouder onrechtmatig heeft gehandeld. Ten eerste heeft zij als bestuurster de Overeenkomst van sale and operational lease-back gesloten zonder dat conform art. 16 lid 2 sub f van de statuten van Houdster de algemene vergadering van aandeelhouders daarin is betrokken. Ten tweede is zij als bestuurster van Houdster met Rosaris Productie B.V. een huurprijsverlaging overeengekomen.

Het hof stelt voorop dat een bestuurder van een rechtspersoon uit onrechtmatige daad aansprakelijk kan zijn tegenover een aandeelhouder van die rechtspersoon. De te hanteren maatstaf bij de vraag of een bestuurder door een aandeelhouder op die grond met succes kan worden aangesproken is of de bestuurder ter zake zijn gewraakte handelen of nalaten een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Bij de beoordeling of de bestuurder genoemd ernstig verwijt treft, moeten alle omstandigheden van het geval worden betrokken. Indien is gehandeld in strijd met statutaire bepalingen die een individuele aandeelhouder beogen te beschermen, leidt dit in beginsel tot aansprakelijkheid van die bestuurder. Indien de aangesproken bestuurder feiten en omstandigheden heeft aangevoerd op grond waarvan zou kunnen worden aangenomen dat het gewraakte handelen in strijd met de statutaire bepalingen niet een ernstig verwijt oplevert, dienen deze feiten door de rechter uitdrukkelijk in zijn oordeel te worden betrokken (zie HR 20 juni 2008, NJ 2009, 21).

4.6.1

[appellante] Holding stelt dat [geïntimeerde] Holding als bestuurder de huurprijsverlaging aan de aandeelhoudersvergadering van Houdster had moeten voorleggen, hetgeen niet is geschied (nr. 16 memorie van grieven). Deze stelling van [appellante] Holding is niet, in elk geval niet voldoende gemotiveerd betwist door [geïntimeerde] Holding, zodat het hof daarvan moet uitgaan. Het hof merkt hierbij nog op dat daar waar [geïntimeerde] Holding in de nrs. 49-50 conclusie van antwoord een en ander heeft vermeld over verhuuractiviteiten, daarin niet valt te lezen dat deze activiteiten zijn verricht zonder tussenkomst van de aandeelhoudersvergadering.

[appellante] Holding heeft bij haar stelling dat [geïntimeerde] Holding de huurprijsverlaging aan de aandeelhoudersvergadering had moeten voorleggen, niet expliciet gewezen op een bepaling waarin dit is vermeld, maar het hof gaat er van uit dat zij bij deze stelling doelt op art. 16 lid 2 sub a van de statuten van Houdster. Deze statutaire bepaling dient (mede) ter bescherming van de belangen van [appellante] Holding als mede-aandeelhouder, zodat overtreding van deze bepaling in beginsel tot aansprakelijkheid van de bestuurder leidt. Het hof zal veronderstellenderwijze in het hierna volgende uitgaan van het feit dat de huurprijsverlaging niet conform art. 16 lid 2 sub a van de statuten van Houdster is voorgelegd.

4.6.2

Gelet op het hiervoor in r.o. 4.5 vooropgestelde, betekent het enkele feit dat [geïntimeerde] Holding in strijd met een statutaire bepaling heeft gehandeld, niet zonder meer dat zij aansprakelijk is. Zij heeft immers een aantal feiten en omstandigheden aangevoerd op grond waarvan zou kunnen worden aangenomen dat het gewraakte handelen in strijd met de statutaire bepalingen niet een ernstig verwijt oplevert. Deze feiten dienen uitdrukkelijk bij het onderhavige oordeel te worden betrokken. Het betreft de volgende feiten en omstandigheden:

Het bedrijfsgebouw van Houdster was hoofdzakelijk bedoeld om Rosario Productie B.V. te huisvesten, de financiële positie van Rosario Productie B.V. verslechterde, het jaar 2007 werd door Rosario Productie B.V. met een verlies afgesloten van € 44.000,- en een en ander werd mede veroorzaakt door de opzegging van de samenwerkingsovereenkomst tussen RSP en Rosario Productie B.V. door RSP, een rechtspersoon waarvan [appellante] Holding alle aandelen houdt. Tenslotte, aldus [geïntimeerde] Holding, zou een faillissement van Rosario Productie B.V. ook voor Houdster ernstige consequenties hebben.

Het hof oordeelt als volgt.

Het hof gaat er van uit dat art. 16 lid 2 sub a van de statuten van Houdster hoofdzakelijk is geschreven om de financiële belangen van de aandeelhouders te waarborgen. [appellante] Holding heeft in dit geding geen andere belangen van haar genoemd die door dit artikel (ook) zouden worden gewaarborgd. Dit betekent dat indien niet kan worden vastgesteld dat het in strijd met art. 16 lid 2 sub a van de statuten genomen besluit aan Houdster uiteindelijk financieel nadeel heeft opgeleverd, de aandeelhouder geen ernstig verwijt aan de bestuurder kan maken.

Het hof stelt voorop dat [appellante] Holding de hiervoor genoemde door [geïntimeerde] Holding aangevoerde feiten en omstandigheden niet, in elk geval niet voldoende heeft betwist. Daarmee staat niet genoegzaam vast dat de huurmaatregelen financieel nadeel hebben opgeleverd voor Houdster. Wat dat betreft volstaat de enkele stelling van [appellante] Holding dat de bedrijfshal zeer gewild is en er nu (noot hof: de betreffende memorie is van 19 maart 2013) een wachtlijst zou bestaan (nr. 6 memorie van grieven) niet. Daarmee is immers niet voldoende concreet duidelijk gemaakt dat in de betreffende periode hogere huuropbrengsten alleszins mogelijk waren. Ook de stelling van [appellante] Holding dat andere oplossingen mogelijk waren zoals opschorting van de huurbetaling of indeplaatsstelling leidt niet onverkort tot de conclusie dat Houdster financieel nadeel heeft geleden. De vraag of opschorting van de huurbetaling meer had opgeleverd is niet door [appellante] Holding beantwoord, waarbij het hof erop wijst dat Rosario Productie B.V. op 16 april 2013 in staat van faillissement is verklaard (zie r.o. 4.1 sub k). [appellante] Holding heeft niet gewezen op concrete kanditaten voor wat betreft de indeplaatsstelling, nog daargelaten het antwoord op de vraag welke huurprijs eventuele in de plaats gestelde huurders in die tijd zouden hebben willen betalen. Voor zover de onderhavige vordering dan ook is gegrond op de stelling dat [geïntimeerde] Holding de huurprijsverlaging niet aan de aandeelhoudersvergadering heeft voorgelegd, kan dit niet tot aansprakelijkheid leiden.

4.6.3

[appellante] Holding heeft wat de huurprijsverlaging betreft verder nog aangevoerd dat [geïntimeerde] Holding de belangen van Houdster heeft veronachtzaamd door mee te werken aan een zeer aanzienlijke huurverlaging. Het terugbrengen van de huurprijs is een volstrekt ongebruikelijke, onzakelijke en onverantwoorde transactie van een verhuurder. Er is hierbij uitsluitend gehandeld in het belang van Rosario Productie B.V., een rechtspersoon waarvan [geïntimeerde] Holding aandelen houdt (zie nr. 20 dagvaarding in eerste aanleg). Het eigen belang van Houdster is hierbij volledig uit het oog verloren en indien Rosario Productie B.V. al tegemoetgekomen moest worden, had dit gekund door huuropschorting. Rosario Productie B.V. had ook indeplaatsstelling kunnen verzoeken, aldus [appellante] Holding.

Het hof heeft hiervoor vooropgesteld, kort gezegd, dat pas tot aansprakelijkheid van [geïntimeerde] Holding kan worden geconcludeerd indien sprake is van ernstige verwijtbaarheid. [appellante] Holding heeft enkel gesteld dat de huurprijsverlaging volstrekt ongebruikelijk, onzakelijk en onverantwoord is geweest, waarbij uitsluitend is gehandeld in het belang van Rosario Productie B.V., een rechtspersoon waarvan [geïntimeerde] Holding ook aandelen houdt (zie nr. 20 dagvaarding in eerste aanleg) en waarbij het eigen belang van Houdster uit het oog is verloren.

Bezien in het licht van de stellingen van [geïntimeerden] dat het bedrijfsgebouw van Houdster hoofdzakelijk was bedoeld om Rosario Productie B.V. te huisvesten, dat de financiële positie van Rosario Productie B.V. verslechterde, dat het jaar 2007 door haar met een verlies werd afgesloten van € 44.000,- en dat een en ander mede werd veroorzaakt door de opzegging van de samenwerkingsovereenkomst tussen RSP en Rosario Productie B.V. door RSP, een rechtspersoon waarvan [appellante] Holding alle aandelen houdt, terwijl een faillissement van Rosario Productie B.V. ook voor Houdster ernstige consequenties zou hebben, levert het door [appellante] Holding aangevoerde niet genoeg op om het besluit tot huurprijsverlaging te kwalificeren als ernstig verwijtbaar in de verhouding bestuurder [geïntimeerde] Holding – aandeelhouder [appellante] Holding.

De stelling dat andere oplossingen mogelijk waren zoals opschorting van de huurbetaling of indeplaatsstelling levert evenmin ernstige verwijtbaarheid op. Dergelijke beslissingen liggen zozeer op het terrein van de bestuurder dat zij niet zonder meer mee brengen dat het niet volgen van deze wegen een ernstig verwijt kan worden genoemd. Het hof laat dan nog daar dat [geïntimeerde] Holding heeft aangevoerd dat de verlaagde huurprijs een reële huurprijs was.

Dit betekent dat de vordering tot betaling van € 44.794,39 schadevergoeding ter zake de huur dient te worden afgewezen. Het hof hoeft de vraag of [appellante] Holding als aandeelhouder van de verhuurder deze schade heeft geleden, niet te beantwoorden.

4.7.1

[appellante] holding heeft verder gesteld dat [geïntimeerde] Holding de overeenkomst van sale en lease-back in strijd met art. 16 lid 2 sub f van de statuten niet eerst aan de algemene vergadering van aandeelhouders (hierna ava) heeft voorgelegd. Uit de door [appellante] Holding gegeven toelichting begrijpt het hof dat [appellante] Holding Houdster verwijt dat de door Houdster te betalen koopsom te hoog is geweest en dat de overeenkomst het mogelijk maakte dat de lessee de gebruikersovereenkomst na het eerste jaar met een termijn van drie maanden kon opzeggen.

[geïntimeerde] Holding heeft erkend, in elk geval niet voldoende gemotiveerd betwist, dat zij als bestuurster krachtens art. 16 lid 2 sub f van de statuten van Houdster gehouden was om de sale en lease-backovereenkomst aan de ava voor leggen en dat zij dit niet op de in dat artikel bepaalde wijze heeft gedaan. Deze statutaire bepaling dient (mede) ter bescherming van de belangen van [appellante] Holding als mede-aandeelhouder, zodat overtreding van deze bepaling in beginsel tot aansprakelijkheid van die bestuurder leidt. [geïntimeerde] Holding heeft echter voldoende onderbouwd gesteld dat de sale en lease-backovereenkomst conform art. 26 van de statuten van Houdster buiten de ava is besproken en goedgekeurd door [appellante] Holding en/of door de haar toen vertegenwoordigende [vertegenwoordiger] , hetgeen [appellante] Holding betwist.

Nu de vordering tot betaling van het bedrag van € 193.006,40 aan schadevergoeding ter zake de leaseovereenkomst is gegrond op de stelling dat niet is gehandeld conform de statuten, is het aan [appellante] Holding om dit te bewijzen. Het hof zal veronderstellenderwijze in het hierna volgende uitgaan van het feit dat de sale en lease-backovereenkomst niet conform art. 16 lid 2 sub f en/of art. 26 van de statuten van Houdster is voorgelegd.

4.7.2

Gelet op het hiervoor in r.o. 4.5 vooropgestelde, betekent het enkele feit dat [geïntimeerde] Holding in strijd met een statutaire bepaling heeft gehandeld, niet zonder meer dat zij aansprakelijk is. Zij heeft immers een aantal feiten en omstandigheden aangevoerd op grond waarvan zou kunnen worden aangenomen dat het gewraakte handelen in strijd met de statutaire bepalingen niet een ernstig verwijt oplevert. Deze feiten dienen uitdrukkelijk bij het onderhavige oordeel te worden betrokken. Het betreft de volgende feiten en omstandigheden:

Rosario Productie B.V. raakte in financiële problemen en leed verlies. Gevreesd werd voor haar faillissement hetgeen met zich zou brengen dat Houdster huurinkomsten zou verliezen. De betaalde prijs van € 370.000,- betrof een reële koopprijs. Het in het PKF-rapport genoemde bedrag van € 284.668,- is de prijs zonder opslag voor indirecte kosten, overhead en winst en daarmee niet reëel (nr. 85 conclusie van antwoord). De machine is ook daadwerkelijk in eigendom overgedragen zodat de machine buiten een mogelijk faillissement van Rosario Productie B.V. zou vallen en anders dan het contract bepaalde zijn de onderhoudskosten nimmer ten laste van Houdster gebracht (nrs. 86 en 87 conclusie antwoord). [geïntimeerde] Holding voert verder aan dat het gesloten contract niet verlieslatend is voor Houdster. Op het moment dat de leaseovereenkomst werd beëindigd, was aan leasetermijnen ongeveer € 155.000,- betaald (nr. 88 conclusie van antwoord) dan wel € 189.000,- (nr. 122 memorie van antwoord) en de machine is weer door Houdster verkocht voor € 235.000,- (nr. 163 memorie van antwoord en de daarbij overgelegde productie 6; zie ook pag. 14 van productie 5 memorie van grieven voor zover inhoudende dat de machine is verkocht op 29 juni 2011 en de e-mailcorrespondentie die is overgelegd als productie 11 bij conclusie van antwoord).

Het hof oordeelt als volgt.

Het hof gaat er van uit dat art. 16 lid 2 sub f van de statuten van Houdster hoofdzakelijk is geschreven om de financiële belangen van de aandeelhouders te waarborgen. [appellante] Holding heeft in dit geding geen andere belangen van haar genoemd die door dit artikel (ook) zouden worden gewaarborgd. Dit betekent dat indien niet kan worden vastgesteld dat het in strijd met art. 16 lid 2 sub f van de statuten genomen besluit aan Houdster uiteindelijk financieel nadeel heeft opgeleverd, de aandeelhouder geen ernstig verwijt aan de bestuurder kan maken. Het hof begrijpt dat [appellante] Holding, gelet op haar vordering, uiteindelijk stelt dat Houdster 32 maanden aan lease-termijnen (vanaf 1 augustus 2009 tot 1 maart 2012) is misgelopen. Met die enkele stelling heeft zij niet betwist het verweer van [geïntimeerde] Holding dat het financiële nadeel dat Houdster heeft gelopen uiteindelijk in elk geval gering is gebleken gelet op het aantal wel betaalde leasetermijnen, de opbrengst van de door Houdster weer verkochte machine en het feit dat de onderhoudskosten van de machine nimmer ten laste van Houdster zijn gekomen en het feit dat Rosario Productie B.V. door deze constructie de huurpenningen voor het van Houdster gehuurde gebouw kon blijven betalen. Gelet daarop kan niet worden geoordeeld dat het gewraakte sluiten van de sale en lease-backovereenkomst een ernstig verwijt oplevert, zodat het handelen in strijd met art. 16 lid 2 sub f van de statuten van Houdster niet tot aansprakelijkheid leidt. Dit brengt met zich dat de vordering tot betaling van € 193.006,40 aan schadevergoeding ter zake de leaseovereenkomst dient te worden afgewezen.

Ook hier geldt dat het hof de vraag of [appellante] Holding als aandeelhouder van de verhuurder deze schade heeft geleden, niet hoeft te beantwoorden.

4.8.1

De vordering van [appellante] Holding tot betaling van € 29.759,76 voor kosten van het PKF-rapport is gegrond op de stelling dat [geïntimeerde] Holding haar taken onbehoorlijk heeft vervuld en dat [geïntimeerden] onrechtmatig hebben gehandeld jegens [appellante] Holding “door onverantwoorde en nadelige transacties aan te gaan voor Houdster” (nr. 25 dagvaarding eerste aanleg) en dat de kosten zijn opgelopen omdat [geïntimeerden] een vlotte totstandkoming van het rapport hebben tegengehouden door vragen niet of onvolledig te beantwoorden (nr. 26 dagvaarding eerste aanleg). In hoger beroep heeft [appellante] Holding voor wat betreft deze kosten van het PKF-rapport geen andere grondslag aangevoerd (zie nr. 24 memorie van grieven). Nu het hof in al het vorenstaande niet heeft kunnen vaststellen dat er onverantwoorde en nadelige transacties zijn aangegaan, zal het hof de vordering ter zake de kosten van het PKF-rapport afwijzen.

4.8.2

De vordering ter zake € 9.057,03 wegens advocaatkosten is in hoger beroep gegrond op de stelling dat deze zijn gemaakt voorafgaande aan deze procedure en niet ter voorbereiding daarop, en dat zij op grond van art. 6:96 BW voor volledige vergoeding in aanmerking komen (nr. 29 memorie van grieven).

Volgens vaste rechtspraak (zie onder meer HR 13 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:586) is voor vergoeding van kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid als bedoeld in art. 6:96 lid 2, aanhef en onder b, BW, vereist dat:

( a) condicio sine qua non-verband bestaat tussen de aansprakelijkheid scheppende gebeurtenis en de kosten;

( b) de kosten in zodanig verband staan met die gebeurtenis dat zij, mede gezien de aard van de aansprakelijkheid en van de schade, aan de aansprakelijke persoon kunnen worden toegerekend;

( c) het redelijk was om in verband met een onderzoek naar de mogelijke gevolgen van die gebeurtenis deskundige bijstand in te roepen; en

( d) de daartoe gemaakte kosten redelijk zijn.

Voor vergoeding van de hier bedoelde kosten is, aldus de Hoge Raad verder, niet vereist dat uiteindelijk komt vast te staan dat schade is geleden.

[appellante] Holding heeft wat deze kosten betreft niet meer vermeld dan: “Deze advocaatkosten zijn gemaakt voorafgaande aan deze procedure - niet ter voorbereiding van deze procedure -, en komen op grond van art. 6:96 BW voor volledige vergoeding in aanmerking”. Verder heeft zij bij memorie van grieven overgelegd acht declaraties gedateerd vanaf 10 juni 2010 tot en met 10 februari 2011, waarop geen andere specificatie is vermeld dan “Dossier 60204 – [appellante] Holding/ [geïntimeerde] Holding” en die verder het woord “Honorarium” bevatten. Aan de hand daarvan kan het hof in elk geval niet vaststellen of deze kosten in zodanig verband staan met die gebeurtenis dat zij, mede gezien de aard van de aansprakelijkheid en van de schade, aan de aansprakelijke persoon kunnen worden toegerekend, noch of het redelijk was om in verband met een onderzoek naar de mogelijke gevolgen van die gebeurtenis deskundige bijstand in te roepen. Gelet op de betwisting ter zake door [geïntimeerden] (zie nr. 159 memorie van antwoord), komen ook deze kosten daarom niet voor vergoeding in aanmerking.

4.9

[appellante] Holding heeft haar tegen [geïntimeerde] in persoon ingestelde vordering, zo begrijpt het hof, enkel gebaseerd op de stelling dat zij als bestuurster van [geïntimeerde] Holding aansprakelijk is voor de door deze Holding als bestuurder van Houdster genomen onrechtmatige beslissingen. Nu het hof tot het oordeel komt dat [geïntimeerde] Holding ter zake geen ernstig verwijt treft, dient ook de vordering tegen [geïntimeerde] in persoon te worden afgewezen.

4.10

Het vorenstaande betekent dat de grieven falen dan wel geen verdere beoordeling behoeven en het vonnis moet worden bekrachtigd. Voor zover bewijs is aangeboden, is dit niet ter zake dienend, zodat daaraan voorbij wordt gegaan.

[appellante] Holding heeft te gelden als de in het ongelijk gestelde partij, zodat zij de kosten van dit hoger beroep dient te dragen.

5 De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het tussen partijen op 13 juni 2012 gewezen vonnis;

veroordeelt [appellante] Holding in de kosten van dit hoger beroep, voor zover aan de zijde van de [geïntimeerden] gerezen begroot op € 4.961,- aan griffierecht en op € 2.632,- aan salaris advocaat;

verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. O.G.H. Milar, J.R. Sijmonsma en Th.C.M. Hendriks-Jansen en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 28 juli 2015.

griffier rolraadsheer