Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2015:2830

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
23-07-2015
Datum publicatie
08-09-2015
Zaaknummer
HR 200.170.847-01
Formele relaties
Einduitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2015:2831
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzoeker wordt toegelaten tot de schuldsaneringsregeling nu Belastingschuld (grotendeels) ouder is dan 5 jaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak : 23 juli 2015

Zaaknummer : HR 200.170.847/01

Zaaknummer eerste aanleg : C/01/291516 / FT RK 15/392

in de zaak in hoger beroep van:

[de man],

wonende te [woonplaats] (N-B),

appellant,

hierna te noemen: [appellant] ,

advocaat: mr. P.J.F.M. de Kerf.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant van 26 mei 2015.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 2 juni 2015, heeft [appellant] verzocht voormeld vonnis te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, alsnog de toepassing van de schuldsaneringsregeling uit te spreken.

2.2.

Gelet op de onderlinge samenhang met zaak HR 200.170.849/01 heeft het hof de beide zaken gevoegd behandeld. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 15 juli 2015. Bij die gelegenheid zijn [appellant] en [betrokkene] , hierna te noemen: [betrokkene] , beiden bijgestaan door mr. V. Eschauzier, waarnemend voor mr. Kerf, gehoord.

2.3.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg d.d. 11 mei 2015;

- de brief met bijlagen van de advocaat van [appellant] d.d. 1 juli 2015.

3 De beoordeling

3.1.

[appellant] heeft de rechtbank verzocht om de toepassing van de schuldsaneringsregeling uit te spreken. Uit de verklaring ex artikel 285 Faillissementswet (Fw) van [appellant] blijkt een totale schuldenlast van € 286.540,12. Deze schuldenlast bestaat uit een tweetal schulden aan de Rabobank van in totaal € 136.900,96, een schuld aan de Belastingdienst van € 87.771,00, een schuld aan de gemeente Cuijk van € 43.831,57 en een schuld aan Bestseller van € 18.036,59. Uit genoemde verklaring blijkt dat het minnelijke traject is mislukt omdat niet alle schuldeisers met het aangeboden percentage hebben ingestemd.

3.2.

Bij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank het verzoek van [appellant] afgewezen.

De rechtbank heeft daartoe op de voet van artikel 288 lid 1 aanhef en sub b Fw overwogen dat niet voldoende aannemelijk is dat [appellant] ten aanzien van het ontstaan en onbetaald laten van schulden in de vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend te goeder trouw is geweest.

3.3.

De rechtbank heeft dit, zakelijk weergegeven, als volgt gemotiveerd:

“Gelet op de processtukken en het verhandelde ter zitting is de rechtbank gebleken dat verzoekers schulden hebben laten of doen ontstaan ten bedrage van in totaal € 286.540,12, waaronder een schuld van € 60.000,-- voortvloeiend uit de V.O.F. waarin zij beiden vennoten waren. (…)

De rechtbank stelt vast dat deze belastingschuld ziet op het onbetaald laten van de door de V.O.F. verschuldigde omzetbelasting van € 60.000,-- waarvoor verzoekers hoofdelijk aansprakelijk zijn. Daarnaast hebben zij op zitting aangegeven dat zij andere schuldeisers (gedeeltelijk) voldaan hebben met dit geld. Gezien artikel 288 lid 1 sub b alsmede “bijlage IV” van het procesreglement verzoekschriftprocedures insolventiezaken rechtbanken kan naar het oordeel van de rechtbank worden vastgesteld dat onderhavige belastingschuld niet te goeder trouw is.”

3.4.

[appellant] kan zich met deze beslissing niet verenigen en is hiervan in hoger beroep gekomen. [appellant] heeft in het beroepschrift (en de aanvulling verzoekschrift hoger beroep afwijzing toepassing schuldsanering -productie bij de brief van 1 juli 2015-) - zakelijk weergegeven - het volgende aangevoerd. [appellant] stelt dat de rechtbank heeft nagelaten om, gelet op de vijfjaarstermijn van artikel 288 lid 1 en sub f Fw, vast te stellen wanneer de belastingschuld is ontstaan. Voorts merkt [betrokkene] op dat in Bijlage IV van het procesreglement verzoekschriftprocedures insolventiezaken rechtbanken “in beginsel” staat. Hierdoor moet volgens [appellant] gekeken worden naar de concrete situatie waarin de schuldenlast is ontstaan hetgeen de rechtbank heeft nagelaten, zodat het vonnis waarvan beroep volgens [appellant] onvoldoende gemotiveerd is. [appellant] heeft een uitvoerige toelichting gegeven op het feit dat volgens hem de fiscale schuld waar het hier om gaat, ouder is dan vijf jaar. Vervolgens merkt [appellant] op dat, nu het een schuld van een vennootschap onder firma betreft, de rechtbank had moeten onderzoeken of beide vennoten verantwoordelijk waren voor het geldverkeer, meer in het bijzonder het betalen van de onderhavige belastingschulden dan wel of dit binnen de vennootschap tot het takenpakket van één van de vennoten behoorde. Indien dat tot het takenpakket van één van de vennoten behoorde en de andere vennoot er redelijkerwijs vanuit ging dat aan die verplichtingen voldaan werd, treft de andere vennoot immers geen verwijt en dient die wel tot de schuldsaneringsregeling te worden toegelaten. Tot slot doet [betrokkene] een beroep op de hardheidsclausule ex artikel 288 lid 3 Fw.

3.5.

Hieraan is door en namens [appellant] ter zitting in hoger beroep - zakelijk weergegeven - het volgende toegevoegd. Met betrekking tot de belastingschuld stelt [betrokkene] dat deze, ondanks het feit dat op de brief van de Belastingdienst van 7 mei 2013 in plaats van het jaartal 2008 abusievelijk het jaartal 2011 staat vermeld, wel degelijk vóór 2010 is ontstaan. Ten aanzien van deze schuld is in mei 2012 met de Belastingdienst een regeling overeengekomen (saneringsplan [schuldbemiddelingsbureau 1] en [schuldbemiddelingsbureau 2] ) waarbij tegen finale kwijting eenmalig een bedrag van € 41.538,00 diende te worden voldaan gevolgd door een twaalftal maandelijkse termijnbetalingen van elk € 1.183,00. Deze regeling is vervolgens naar behoren nagekomen tot aan het moment dat er nog drie termijnbetalingen resteerden en de restschuld derhalve nog € 3.549,00 bedroeg. [appellant] en [betrokkene] verzochten de Belastingdienst vanwege tegenvallende bedrijfsresultaten om een betalingsuitstel, maar dit is door de Belastingdienst niet gehonoreerd. Op 7 mei 2013 heeft de Belastingdienst besloten dat zij de - uitgaande van loslating van de eerder overeengekomen korting (als in de betalingsregeling van het saneringsplan van [schuldbemiddelingsbureau 1] en [schuldbemiddelingsbureau 2] ) - resterende schuld vanwege het onbetaald laten van een aanslag motorrijtuigenbelasting in zijn geheel zal gaan invorderen, op dat moment - zonder de korting - een bedrag van € 35.911,58. Overigens, zo stelt [appellant] , zijn de drie resterende termijnen nadien alsnog voldaan. Voorts presenteert [appellant] de jaarstukken van de mede door hem gedreven onderneming over 2012 en 2013. Hieruit blijkt onder meer een teruglopende omzet, circa € 320.000,00 in 2012, circa € 275.000,00 in 2013, alsmede een teruglopend bedrijfsresultaat, circa € 17.000,00 in 2012, circa € 40.000,00 negatief in 2013. [appellant] voegt hieraan toe dat hij maandelijks zijn salaris in de kas van de onderneming stortte waarbij de privéonttrekking maandelijks een bedrag van € 300,00 bedroeg. Daarbij komt dat [appellant] en [betrokkene] op enig moment ook hun levensverzekeringen contant hebben gemaakt en in hun onderneming hebben gestort. Voorts stelt [appellant] dat hij en [betrokkene] onderwijl van alles hebben geprobeerd om van hun schulden af te komen. Zo hebben zij samen met schuldbemiddelingsbureau [schuldbemiddelingsbureau 1] en [schuldbemiddelingsbureau 2] in 2012 een saneringsplan opgesteld waarvan de eerdergenoemde afspraak met de Belastingdienst deel uitmaakte en hebben zij in 2014 aangeklopt bij PLANgroep die vervolgens, zij het zonder succes, hebben getracht om met de schuldeisers van [appellant] en [betrokkene] tot een minnelijke regeling te komen. Tot slot geeft [appellant] aan dat hij de administratie van de, door hem samen met [betrokkene] gedreven onderneming, heeft gevoerd, maar dat hij evenwel begrijpt dat beide vennoten voor de zakelijke schulden hoofdelijk aansprakelijk zijn.

3.6.

Het hof komt tot de volgende beoordeling.

3.6.1.

Ingevolge artikel 288 lid 1 aanhef en sub a Fw wordt het verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling slechts toegewezen indien voldoende aannemelijk is dat de schuldenaar niet zal kunnen voortgaan met het betalen van zijn schulden. Ingevolge artikel 288 lid 1 aanhef en sub b Fw wordt het verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling slechts toegewezen indien voldoende aannemelijk is dat de schuldenaar ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden in de vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend te goeder trouw is geweest.

Hierbij gaat het om een gedragsmaatstaf die mede wordt gehanteerd om beoogd misbruik van de schuldsaneringsregeling tegen te gaan, waarbij de rechter met alle omstandigheden van het geval rekening kan houden. Daarbij spelen (onder meer) een rol de aard en de omvang van de vorderingen, het tijdstip waarop de schulden zijn ontstaan, de mate waarin de schuldenaar een verwijt kan worden gemaakt dat de schulden zijn ontstaan en/of onbetaald gelaten en het gedrag van de schuldenaar voor wat betreft zijn inspanningen de schulden te voldoen of acties zijnerzijds om verhaal door schuldeisers juist te frustreren.

3.6.2.

Zowel uit de stukken als uit hetgeen bij gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep door en namens [appellant] is aangedragen blijkt dat er sprake is van een aanzienlijke belastingschuld. Op basis van de stukken en de hierop door [appellant] in hoger beroep gegeven uitgebreide toelichting acht het hof het, ook gelet op de in die stukken vermelde bedragen en kenmerken, evenwel voldoende aannemelijk dat de vermelding van het jaartal 2011 in plaats van 2008 op het schrijven van de Belastingdienst van 7 mei 2013 een foutieve vermelding betreft en dat deze schuld derhalve inderdaad (grotendeels) is ontstaan in een periode gelegen voor de vijf jaren voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend. Daarnaast is het hof van oordeel dat, gelet op de bij het door [schuldbemiddelingsbureau 1] en [schuldbemiddelingsbureau 2] opgestelde saneringsplan met de Belastingdienst overeengekomen betalingsregeling en de door PLANgroep betrachte minnelijke regeling, ten aanzien van het onbetaald laten van deze schuld evenmin sprake is van het ontbreken van goede trouw. Het hof is op grond van het voorgaande dan ook van oordeel dat, onder de bijzondere omstandigheden van deze zaak, voldoende aannemelijk is gemaakt dat [appellant] ten aanzien van het ontstaan en onbetaald laten van schulden in de vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop het betreffende verzoekschrift is ingediend te goeder trouw is geweest.

3.7.

Het vonnis waarvan beroep zal derhalve worden vernietigd en het verzoek van [appellant] tot toelating tot de schuldsaneringsregeling zal alsnog worden toegewezen. Nu de toepassing van de schuldsaneringsregeling voor het eerst in hoger beroep wordt uitgesproken, zal het hof toepassing geven aan het bepaalde in artikel 292 lid 9 Fw.

4 De uitspraak

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep;

en opnieuw rechtdoende:

verklaart de schuldsaneringsregeling van toepassing ten aanzien van:

[appellant]

[adres]

[postcode] [woonplaats]

bepaalt dat de griffier van dit hof onverwijld aan de griffier van de rechtbank Oost-Brabant kennis geeft van deze uitspraak in verband met de benoeming van een rechter-commissaris en een bewindvoerder.

Dit arrest is gewezen door mrs. A.P. Zweers-van Vollenhoven, L.Th.L.G. Pellis en J.H.Th. Veldman en in het openbaar uitgesproken op 23 juli 2015.