Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2015:2792

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
23-07-2015
Datum publicatie
27-07-2015
Zaaknummer
F 200.160.814_01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

KINDERALIMENTATIE

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak: 23 juli 2015

Zaaknummer: F 200.160.814/01

Zaaknummer eerste aanleg: C/01/274562/ FA RK 14-639

in de zaak in hoger beroep van:

[de man],

wonende te [woonplaats 1] ,

appellant,

hierna te noemen: de man,

advocaat: mr. W.M. Vermeijden,

tegen

[de vrouw],

wonende te

[woonplaats 2] ,

verweerster,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. R.P.V.W. Willems.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 3 september 2014.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 2 december 2014, heeft de man verzocht voormelde beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende te beslissen dat de man een onderhoudsbijdrage voor de hierna nader te noemen minderjarige [dochter] dient te betalen die het hof juist acht.

2.2.

Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie op 16 januari 2015, heeft de vrouw verzocht de grieven van de man als onbewezen, ongegrond en niet steunend op de wet af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.

2.3.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 2 juli 2015. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

  • -

    de man, bijgestaan door mr. Vermeijden;

  • -

    de vrouw, bijgestaan door mr. Willems.

2.4.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

  • -

    het V6-formulier met bijlagen van de advocaat van de vrouw d.d. 5 juni 2015;

  • -

    het V6-formulier met bijlagen van de advocaat van de man d.d. 19 juni 2015;

  • -

    de ter zitting door de advocaat van de man overgelegde pleitnotities.

3 De beoordeling

3.1.

Partijen zijn met elkaar gehuwd geweest.

Uit het huwelijk van partijen is op [geboortedatum] 2011 te [woonplaats 2] [dochter] (hierna: [dochter] ) geboren.

[dochter] heeft het hoofdverblijf bij de vrouw.

3.2.

Bij beschikking van 28 september 2012 heeft de rechtbank ’s-Hertogenbosch tussen partijen de echtscheiding uitgesproken, welke beschikking op 17 oktober 2012 is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

In deze beschikking is het tussen partijen overeengekomen en ondertekende ouderschapsplan d.d. 28 augustus 2012 opgenomen waarin is bepaald dat de man zal zorgdragen voor alle lasten met betrekking tot de voormalige echtelijke woning en dat hij om die reden geen draagkracht heeft om een onderhoudsbijdrage voor [dochter] te betalen.

3.3.

Bij beschikking van 15 augustus 2013 van de rechtbank Oost-Brabant is de bijdrage van de man in de kosten van verzorging en opvoeding van [dochter] met ingang van 5 maart 2013 nader bepaald op € 138,- per maand.

3.4.

Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank, uitvoerbaar bij voorraad, voornoemde beschikking van 15 augustus 2013 voor wat betreft de onderhoudsbijdrage gewijzigd en de bijdrage van de man in de kosten van verzorging en opvoeding van [dochter] met ingang van 4 februari 2014 nader bepaald op € 205,61 per maand.

3.5.

De man kan zich met deze beslissing niet verenigen en hij is hiervan in hoger beroep gekomen.

3.6.

De grieven van de man betreffen – zakelijk weergegeven –:

- zijn financiële verantwoordelijkheid voor de hierna nader te noemen minderjarigen [zoon 1] en [zoon 2] (grieven 1 en 2);

- de verdiencapaciteit van de vrouw met ingang van 1 januari 2015 (grief 3);

- de gevolgen van de fiscale wijzigingen per 1 januari 2015 (grief 4);

- de reiskosten in verband met de zorgkorting (grief 5).

Wijziging van omstandigheden

3.7.

Het hof acht in de overgelegde stukken en ter zitting van het hof zodanige feiten en omstandigheden gesteld en gebleken dat een hernieuwde beoordeling van de alimentatieverplichting van de man gerechtvaardigd is.

Ingangsdatum wijziging

3.8.

De ingangsdatum van de wijziging van de eerder vastgestelde onderhoudsbijdrage, zijnde 4 februari 2014, is tussen partijen niet in geschil, zodat ook het hof die datum als uitgangspunt zal nemen.

3.8.1.

Bij de bij voornoemd V6-formulier d.d. 19 juni 2015 gevoegde brief d.d. 19 juni 2015 heeft de advocaat van de man het hof bericht dat de situatie van de man sinds de datum van indiening van het beroepschrift ingrijpend is gewijzigd. De man is begin januari 2015 ziek geworden waardoor hij er in inkomen op achteruit is gegaan. Verder is zijn relatie met mevrouw [ex-partner] geëindigd. Op grond hiervan zijn de grieven van de man met betrekking tot zijn onderhoudsverplichting jegens [zoon 1] en [zoon 2] niet meer relevant, althans niet meer na 1 januari 2015, aangezien hij sedertdien deze minderjarigen niet meer verzorgt en opvoedt.

3.8.2.

Gelet op deze nieuwe situatie van de man ziet het hof aanleiding om bij het bepalen van de draagkracht van de man twee periodes te onderscheiden, te weten:

- de periode van 4 februari 2014, de ingangsdatum van de (eventuele) wijziging, tot 1 januari 2015 en

- de periode met ingang van 1 januari 2015.

Draagkracht

Periode 4 februari 2014 tot 1 januari 2015:

3.9.1.

In deze periode woonde de man samen met mevrouw [ex-partner] , met wie hij niet was gehuwd. In 2013 is uit de relatie van de man en mevrouw [ex-partner] een zoon, [zoon 1] , geboren.

Tot het gezin van de man behoorde in 2014 ook [zoon 2] , een zoon van mevrouw [ex-partner] uit een eerdere relatie, voor wie de man niet onderhoudsplichtig was, aangezien hij niet met mevrouw [ex-partner] was gehuwd.

Het hof zal hierna derhalve rekening houden met de onderhoudsverplichting van de man voor zowel [dochter] als [zoon 1] .

3.9.2.

Tussen partijen is in hoger beroep niet in geschil dat de behoefte van [dochter] € 354,- per maand bedraagt. Hierop dient het kindgebonden budget dat de vrouw ontvangt van € 47,- per maand in mindering te worden gebracht, zodat het eigen aandeel van de ouders in de kosten van [dochter] wordt vastgesteld op € 307,- per maand.

3.9.3.

Vervolgens dient te worden beoordeeld in welke verhouding het eigen aandeel van de ouders in de kosten van [dochter] tussen de ouders moet worden verdeeld.

3.9.4.

Partijen zijn het erover eens dat de draagkracht van de man in deze periode het door de rechtbank tot uitgangspunt genomen bedrag van € 286,44 per maand bedraagt.

Ten aanzien van de draagkracht van de vrouw volgt het hof de overweging van de rechtbank dat deze kan worden vastgesteld op de minimale bijdrage van € 25,- per maand nu daartegen, althans voor de periode tot 1 januari 2015, niet is gegriefd.

3.9.5.

Ten aanzien van de behoefte van [zoon 1] hebben partijen ter zitting ermee ingestemd uit te gaan van een door het hof op basis van het inkomen van de man en zijn partner in 2013 ter zitting voorgehouden behoefte van [zoon 1] van € 335,- per maand. Bij gebrek aan wetenschap gaat het hof ervan uit dat voor [zoon 1] eenzelfde bedrag aan kindgebonden budget wordt ontvangen als voor [dochter] (€ 47,- per maand), zodat het eigen aandeel van de ouders in de kosten van [zoon 1] wordt vastgesteld op € 288,- per maand. Gelet op het geringe inkomen van mevrouw [ex-partner] en het feit dat zij behalve voor [zoon 1] de zorg heeft voor [zoon 2] , gaat het hof er tevens van uit dat het eigen aandeel in de kosten van [zoon 1] volledig voor rekening van de man komt.

3.9.6.

Uit het voorgaande volgt dat de man de draagkracht heeft om voor 48,14% (€ 286,44 totale draagkracht : € 595,- gezamenlijke behoefte van de minderjarigen) in de behoefte van [dochter] en [zoon 1] te voorzien. De man is derhalve in staat om in de behoefte van [dochter] te voorzien met een bedrag van afgerond € 148,- per maand (48,14% x € 307,-). De grieven 1 en 2 slagen ten aanzien van de onderhoudsverplichting van de man jegens [zoon 1] .

Zorgkorting

3.9.7.

Op dezelfde gronden als de rechtbank die het hof overneemt en tot de zijne maakt, houdt het hof met betrekking tot de zorgkorting rekening met een percentage van 25%. Gelet op het eigen aandeel van de ouders in de kosten van [dochter] van € 307,- per maand, beloopt de zorgkorting een bedrag van afgerond € 77,- per maand.

3.9.8.

Nu de draagkracht van beide ouders tezamen onvoldoende is om volledig in het eigen aandeel van de ouders in de kosten van [dochter] te voorzien, wordt het tekort (€ 307,- -/-

[€ 148,- + € 25,-] = € 134,-) aan beide ouders voor de helft toegerekend, ofwel voor € 67,-. Voor de man betekent dit dat de helft van het tekort in mindering komt op zijn zorgkorting, zodat de door hem te betalen bijdrage als volgt wordt berekend: € 148,- [bedrag volledige draagkracht man] – (€ 77,- [bedrag zorgkorting] – € 67,- [bedrag van de helft van het tekort]) = € 138,-.

Het hof stelt de door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding derhalve vast op € 138,- per maand. Dit betekent dat voornoemde beschikking van 15 augustus 2013 in zoverre niet gewijzigd hoeft te worden.

Periode met ingang van 1 januari 2015:

3.10.1.

De man is op 8 januari 2015 ziek geworden. Het vermoeden bestaat dat hij PTSS heeft als gevolg van zijn traumatische en stressvolle ervaringen in Afghanistan. De relatie van de man is geëindigd; eind december 2014 is mevrouw [ex-partner] met [zoon 1] en [zoon 2] uit de woning van de man vertrokken. De vrouw is gaan samenwonen met een nieuwe partner.

Het fiscaal voordeel kinderalimentatie is per 1 januari 2015 vervallen.

3.10.2.

De geïndexeerde behoefte van [dochter] bedraagt in 2015 € 356,83 per maand. Nu de vrouw niet in aanmerking komt voor het kindgebonden budget en evenmin voor de zogenoemde éénouderkop, komen de kosten van [dochter] volledig voor rekening van partijen.

Het hof ziet geen aanleiding om uit te gaan van een fictief kindgebonden budget, zoals zijdens de man is voorgesteld. Het hof overweegt daartoe als volgt.

Omdat de vrouw is gaan samenwonen met een verdienende partner heeft zij geen aanspraak meer op het kindgebonden budget wegens een te hoog verzamelinkomen. Het wegvallen van de faciliteit van het kindgebonden budget kan niet worden beschouwd als het opgeven van inkomen, zoals door de man gesteld, aangezien dit noodzakelijkerwijs volgt uit de regeling betreffende het kindgebonden budget en er geen sprake van is dat de vrouw hier vrijwillig afstand van heeft gedaan. Het hof oordeelt dan ook dat de samenwoning van de vrouw met een verdienende partner geen aanleiding geeft af te wijken van de gebruikelijke regels volgens welke de kinderalimentatie wordt vastgesteld, zodat het hof bij de vaststelling hiervan van de feitelijke situatie van de vrouw zal uitgaan.

Draagkracht man

3.10.3.

Sinds 8 januari 2015 is de man ziek thuis en voor 100% arbeidsongeschikt. Blijkens de overgelegde brief van het Ministerie van Defensie d.d. 3 februari 2015 zal bij de man als gevolg daarvan, na zes weken aaneengesloten ziekte, de vergoeding voor zijn woon-werkverkeer worden stopgezet, hetgeen een maandelijks onbelast bedrag betreft van € 170,54. Daarnaast wordt zijn tegemoetkoming in de voedingskosten/huisvesting stopgezet vanaf

30 dagen na de eerste dag van het ziekteverzuim. Dit komt neer op een bedrag van € 10,07 per werkdag.

Gelet op het voorgaande gaat het hof in redelijkheid uit van de uit de salarisspecificaties van de man over januari, maart en april 2015 blijkende bezoldiging van € 1.980,76 bruto per maand, te vermeerderen met vakantietoeslag en de eindejaarsuitkering.

De man heeft recht op de volgende heffingskortingen:

- de algemene heffingskorting;

- de arbeidskorting;

maar niet meer dan de ingehouden loonheffing.

Op grond van het voorgaande stelt het hof het netto besteedbaar inkomen van de man vast op een bedrag van € 1.773,- per maand. Uitgaande van dit netto besteedbaar inkomen en de formule 70% x [NBI – (0,3 NBI + € 875)] bedraagt de draagkracht van de man in 2015

€ 256,27 per maand.

Draagkracht vrouw

3.10.4.

De man stelt dat nu [dochter] naar school gaat van de vrouw verwacht mag worden dat zij haar werkzaamheden uitbreidt (grief 3). Ter zitting is zijdens de man bepleit het minimale aandeel van de vrouw in de kosten van [dochter] van € 25,- per maand met twee te vermenigvuldigen.

Het hof overweegt dat de vrouw, gelet op de ontoereikende draagkracht van de man, voor een aanmerkelijk hoger bedrag dan € 50,- per maand zelf in de behoefte van [dochter] dient te voorzien. Het hof komt aan verdere bespreking van deze grief dan ook niet toe.

3.10.5.

Het hof houdt in 2015 geen rekening met de onderhoudsverplichting van de man jegens [zoon 1] , nu mevrouw [ex-partner] daar geen aanspraak op wenst te maken. Het hof overweegt daarbij dat de vrouw ter zitting heeft toegezegd dat wanneer de situatie zich voordoet dat de man voor [zoon 1] wel een onderhoudsbijdrage dient te betalen, de bijdrage van de man voor [dochter] dienovereenkomstig mag worden aangepast.

Zorgkorting

3.11.

Hoewel, zoals ter zitting is gebleken, sinds januari 2015 door de man niet meer volledig uitvoering wordt gegeven aan de door partijen overeengekomen regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken, houdt het hof toch rekening met een zorgkorting van 25%. Het hof neemt hierbij mede in overweging dat de man ook voor [zoon 1] zorgkosten heeft. Gelet op de kosten van [dochter] van € 356,83 per maand, beloopt de zorgkorting een bedrag van afgerond € 89,- per maand. Het hof stelt de door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding met ingang van 1 januari 2015 derhalve vast op € 167,- per maand (€ 256,27 -/- € 89,-).

Reiskosten zorgregeling

3.12.

De man stelt dat rekening dient te worden gehouden met de reiskosten die hij maakt in het kader van de contactregeling met [zoon 1] . Nu [zoon 1] in [woonplaats 3] woont en [dochter] in [woonplaats 2] , hij geen recht meer heeft op een reiskostenvergoeding van de zijde van zijn werkgever en niet meer in [plaats] in de kazerne slaapt, drukken de reiskosten zwaar op zijn budget, zo stelt de man.

Het hof houdt met de reiskosten van de man geen rekening, nu conform het Tremarapport met ingang van 1 augustus 2009 in beginsel met deze kosten geen rekening wordt gehouden. Het is het hof niet gebleken van bijzondere omstandigheden aan de zijde van de man die er toe leiden dat het in het onderhavige geval redelijk is om wel met de reiskosten rekening te houden.

3.13.

De beschikking waarvan beroep dient aldus te worden vernietigd.

4 De beslissing

Het hof:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 3 september 2014, voor zover het de daarbij vastgestelde kinderalimentatie betreft,

en in zoverre opnieuw rechtdoende:

wijzigt met ingang van 1 januari 2015 de beschikking van 15 augustus 2013 van de rechtbank Oost-Brabant;

bepaalt dat de man aan de vrouw met ingang van 1 januari 2015 als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [dochter] , geboren op [geboortedatum] 2011 te [woonplaats 2] , zal voldoen een bedrag van € 167,- per maand, voor wat de nog niet verschenen termijnen betreft te voldoen bij vooruitbetaling;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. M.C. Bijleveld-van der Slikke,

E.L. Schaafsma-Beversluis en H.J. Witkamp en in het openbaar uitgesproken op

23 juli 2015.