Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2015:2788

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
22-07-2015
Datum publicatie
24-07-2015
Zaaknummer
HD 200.134.448_01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Aanneming van werk. Oplevering. Verzuim. Opeisbaarheid

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer HD 200.134.448/01

arrest van 21 juli 2015

in de zaak van

[appellant],

wonende te [woonplaats] ,

appellant in principaal hoger beroep,

geïntimeerde in incidenteel hoger beroep,

hierna aan te duiden als [appellant] ,

advocaat: mr. M. van Sintmaartensdijk te Maastricht,

tegen

1 Adco V.O.F.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,

2. [geïntimeerde 1] ,
wonende te [woonplaats] ,

3. [geïntimeerde 2] ,
wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerden in principaal hoger beroep,

appellanten in incidenteel hoger beroep,

hierna aan te duiden als Adco,

advocaat: mr. J.B.Th. van 't Grunewold te Roermond,

op het bij exploot van dagvaarding van 13 september 2013 ingeleide hoger beroep van de vonnissen van de rechtbank Roermond van 1 augustus 2012 en 7 augustus 2013, gewezen tussen [appellant] als eiser in conventie, verweerder in reconventie en Adco als gedaagden in conventie, eisers in reconventie.

1 Het geding in eerste aanleg (zaaknr. C/04/108141/HAZA 11-269)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormelde vonnissen.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding in hoger beroep;

  • -

    akte uitlating comparitie na aanbrengen van Adco;

  • -

    de memorie van grieven tevens inhoudende wijziging en vermeerdering van eis, met producties;

  • -

    de memorie van antwoord in principaal appel, tevens memorie van grieven en akte wijziging van eis in incidenteel appel met producties;

  • -

    de memorie van antwoord in incidenteel appel;

  • -

    akte vermindering van eis tevens houdende uitlating van Adco;

  • -

    antwoordakte van [appellant] ;

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De beoordeling

In het principaal en incidenteel hoger beroep.

3.1.

In dit hoger beroep wordt uitgegaan van de volgende, door de rechtbank vastgestelde feiten, waartegen geen grief is gericht:

3.1.1.

[appellant] en Adco sluiten begin 2010 een overeenkomst van aanneming, waarbij Adco - een bedrijf gespecialiseerd in timmerwerken - nieuwe raamkozijnen, ramen en deuren zou leveren en aanbrengen aan de woning van [appellant] .

3.1.2.

Na levering van de kozijnen betaalt [appellant] op 31 maart 2010 een bedrag van

€ 13.000,00 aan Adco.

3.1.3.

In de periode tussen 29 maart 2010 en 22 mei 2010 verricht Adco werkzaamheden aan de woning. Het werk is tot op heden nog niet opgeleverd.

3.1.4.

Op 25 mei 2010 schrijft [appellant] in een brief aan Adco dat hij klachten heeft over het werk en hij verzoekt Adco binnen zeven dagen schriftelijk op de brief te reageren.

3.1.5.

In een brief van 3 augustus 2010 schrijft [appellant] advocaat aan Adco:

(…)

Mijn cliënt heeft u in januari 2010 de opdracht gegeven om de kozijnen van zijn woonhuis en bijbouw te vervangen. Partijen kwamen een prijs overeen van € 16.500,00. Dit heeft mijn cliënt in twee gedeelten reeds voldaan. Nadat het werk was uitgevoerd, bleek dit de nodige gebreken te vertonen.

(…)

Nu cliënt tot 20 augustus met vakantie is, verzoek en zonodig sommeer ik u ervoor zorg te dragen dat de gebreken binnen 30 dagen na 20 augustus deugdelijk worden verholpen.

(…)

3.1.6.

[appellant] geeft op 27 september 2010 opdracht aan Eff Eff Bouwpathologie om te onderzoeken of Adco haar opdracht gebrekkig heeft uitgevoerd. Samengevat rapporteert Eff Eff Bouwpathologie op 22 januari 2011 dat er gebreken zijn. Zij begroot de herstel- en glasvervangingskosten op € 11.647,10 inclusief btw.

3.1.7.

Op 24 maart 2011 verstuurt de advocaat van [appellant] het rapport van Eff Eff Bouwpathologie aan Adco met de sommatie om binnen tien dagen € 12.741,77 aan [appellant] te betalen (€ 11.647,10 aan herstelkosten, vermeerderd met wettelijke rente en kosten voor juridische bijstand).

3.1.8.

Op 8 april 2011 volgt een brief van de advocaat van Adco aan [appellant] waarin onder meer staat:

(…)

Allereerst wenst cliënte op te merken dat een aanneemsom van € 26.500 is overeengekomen. (…)

Zoals uit de bijgevoegde orderbevestiging blijkt, is overeengekomen dat bij aanlevering van de kozijnen € 13.000,- betaald moet worden. Op de eerste montagedag diende volgens overeenkomst € 8.500,- te worden betaald. Dit is niet gebeurd. Uw cliënt heeft derhalve niet aan zijn betalingsverplichting voldaan. Derhalve kan geconcludeerd worden dat aan de zijde van uw cliënt wanprestatie is gepleegd.

(…)

Voor zover de werkzaamheden van cliënt niet deugdelijk of geheel zijn uitgevoerd, beroept cliënte zich op haar opschortingsrecht.

3.1.9.

Bij beschikking van 30 november 2011 beveelt de rechtbank op verzoek van [appellant] een voorlopig deskundigenbericht.

3.2.

De rechtbank heeft bij haar vonnis van 7 augustus 2013 de vorderingen van partijen in conventie en in reconventie afgewezen.

In het principaal hoger beroep.

3.3.1.

[appellant] heeft in hoger beroep twee grieven aangevoerd en geconcludeerd tot vernietiging van de beroepen vonnissen.

In hoger beroep vordert [appellant] primair de vordering in eerste aanleg van hem, [appellant] , toe te wijzen. Die vordering luidt: veroordeling tot betaling van € 11.647,10, vermeerderd buitengerechtelijke incassokosten en wettelijke rente, met veroordeling van Adco in de proceskosten.

Na eiswijziging vordert [appellant] subsidiair de overeenkomst van aanneming te ontbinden en betaling (het hof begrijpt: door Adco aan [appellant] ) van € 11.647,10.

Na eisvermeerdering vordert [appellant] voor recht te verklaren dat de overeenkomst is ontbonden en betaling van € 11.647,10.

3.3.2.

Adco heeft voormelde vorderingen betwist.

Verzuim en tekortkoming.

3.4.1.

[appellant] heeft in zijn eerste grief aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft

geoordeeld dat er geen sprake zou zijn van verzuim. [appellant] stelt dat Adco ingevolge artikel 6:74 BW verplicht is de schade die [appellant] heeft geleden te vergoeden. Deze schade is ontstaan doordat de door Adco te verrichten werkzaamheden niet zijn verricht conform de eisen van goed en deugdelijk vakmanschap. Adco heeft nagelaten herstelwerkzaamheden te verrichten. Adco heeft geen gevolg gegeven aan sommaties, zodat zij vanaf die datum in verzuim verkeert (memorie van grieven 1.3.1).

3.4.2.

Adco heeft de hierna te bespreken verweren gevoerd.

3.5.1.

In zijn toelichting op grief 1 (memorie van grieven blz. 9) beroept [appellant] zich op de toepasselijkheid van artikel 6:82 BW. Hij voert aan dat een aannemer gehouden is om een werk te realiseren en op te leveren, dat [appellant] Adco bij herhaling heeft verzocht over te gaan tot herstel van gebreken en tot realisatie van het werk, dat Adco geen gevolg heeft gegeven aan de sommaties, dat Adco geen werkzaamheden heeft verricht en dat Adco na het verzoek van [appellant] om over te gaan tot herstel is vertrokken van de bouwplaats en dat voor oplevering geen plaats was omdat Adco de werkzaamheden heeft gestaakt zonder rechtsgeldige reden.

3.5.2.

Adco werpt hiertegen op dat [appellant] door middel van een schriftelijke sommatie met termijnstelling geen verzuimsituatie kan creëren en dat de wettelijke regeling in boek 7 titel 12 BW, meer in het bijzonder de regeling aangaande de oplevering op zichzelf staat en lex specialis is ten opzichte van de regelingen in boek 6 BW, daaronder begrepen de daar geregelde verzuimregeling (memorie van antwoord nr. 17, 27. en 28.).

Voorts is volgens Adco niet gebleken dat [appellant] op enig moment Adco heeft gesommeerd om tot oplevering te komen. De door [appellant] verzonden sommaties hebben immers niet gezien op het alsnog komen tot oplevering (memorie van antwoord nr. 18 en 30.).

Tenslotte is Adco van mening dat zij al eind mei 2010 (conclusie van antwoord in conventie tevens conclusie van eis in reconventie nr. 15) een beroep op opschorting heeft gedaan en dat ook als door Adco niet rechtsgeldig zou zijn opgeschort, dan geen verzuim aan de zijde van Adco kan zijn ontstaan. In het kader van het opschortingsrecht zijn geen werkzaamheden door Adco verricht. Nadat Adco was gebleken dat zij de door haar gestelde afspraken niet kon bewijzen, hebben zij kenbaar gemaakt de werkzaamheden te willen uitvoeren (memorie van antwoord nr. 19 en 28.).

3.6.1.

Het hof overweegt als volgt. Bij brief van 3 augustus 2010 is namens [appellant] aan Adco geschreven dat het uitgevoerde werk gebreken vertoonde zoals nader in die brief omschreven, dat Adco tekort is geschoten in de nakoming van zijn verbintenis waardoor schade is ontstaan bij [appellant] en dat [appellant] Adco de gelegenheid wil geven om de gebreken te herstellen, dat de gebreken binnen 30 dagen na 20 augustus 2010 (19 september 2010) deugdelijk moeten zijn verholpen en dat Adco in gebreke wordt gesteld.

3.6.2.

Adco heeft van voormelde gelegenheid geen gebruik gemaakt. Zij heeft de gestelde wanprestatie van de hand gewezen en zij heeft zich op een opschortingsrecht beroepen, zoals blijkt uit haar brief van 8 april 2011.

3.6.3.

In die brief van 8 april 2011 namens Adco is vermeld dat [appellant] op de eerste montagedag volgens overeenkomst € 8.500,- diende te betalen, dat dit niet is gebeurd, dat [appellant] niet conform afspraak aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan en dat Adco derhalve terecht gebruik maakt van haar opschortingsrecht. Ingevolge artikel 6:52 BW is een schuldenaar die een opeisbare vordering heeft op zijn schuldeiser, bevoegd de nakoming van zijn verbintenis op te schorten tot voldoening van zijn vordering plaatsvindt. De stelling van Adco dat door [appellant] € 8.500,- diende te worden betaald op de eerste montagedag is onderbouwd door te verwijzen naar de orderbevestiging van 14 januari 2010 die ook bij voormelde brief van 8 april 2011 is gevoegd. Bij vonnis van 7 augustus 2013 heeft de rechtbank in overweging 2.4. geoordeeld dat Adco er niet in is geslaagd te bewijzen dat de handtekening onder voormelde opdrachtbevestiging van [appellant] afkomstig is. Op deze grond is de vordering van Adco in reconventie tot betaling van € 8.500,- afgewezen. Tegen deze beslissing en overweging is geen grief ingebracht, zodat daarvan wordt uitgegaan. Adco heeft geen andere feiten of omstandigheden gesteld op grond waarvan zou kunnen worden aangenomen dat Adco een betalingsverplichting van € 8.500,- op de eerste montagedag heeft geoffreerd en dat [appellant] dit heeft aanvaard. Adco heeft dus onvoldoende gesteld om te kunnen concluderen dat tussen partijen is overeengekomen dat [appellant] € 8.500,- diende te betalen op de eerste montagedag. Gelet op het voorgaande en gezien het bepaalde in artikel 6:52 BW was Adco, nu niet is komen vast te staan dat Adco een opeisbare vordering van € 8.500,- had op [appellant] , niet bevoegd om een beroep op opschorting te doen.

3.6.4.

Aan het verzoek van [appellant] bij brief van 3 augustus 2010 om de gebreken te herstellen, welk verzoek er toe strekte tot uitvoering van het werk te komen, heeft Adco niet voldaan, zonder daartoe een rechtvaardigingsgrond te hebben. Het werk is ook nog niet opgeleverd.

3.6.5.

Gelet op de aanvang van het werk op 29 maart 2010 en de aard en omvang van het werk, was op 3 augustus 2010 een redelijke termijn voor het tot stand brengen van het werk en oplevering daarvan verstreken. In dit verband wordt opgemerkt dat tussen partijen niet vast staat op welk moment Adco het werk diende op te leveren.

3.6.6.

In de brief namens [appellant] aan Adco van 27 januari 2011 is vermeld dat in navolging op de brief van 3 augustus 2010 vastgesteld wordt dat Adco in verzuim is met de nakoming om de kozijnen op deugdelijke wijze te vervangen, dat uit het rapport van EFF EFF Bouwpathologie blijkt dat de schade € 11.647,10 en de misgelopen subsidie € 595,-bedraagt, dat [appellant] gerechtigd is om schadevergoeding te vorderen op grond van artikel 6:74 BW en dat hij verzoekt het bedrag van € 12.242,10 te voldoen. Deze brief beschouwt het hof als de schriftelijke mededeling van [appellant] dat hij schadevergoeding in plaats van nakoming vordert van Adco, zoals bedoeld in artikel 6:87 BW. Hierdoor is de verbintenis tot het tot stand brengen van het werk en oplevering omgezet in een tot vervangende schadevergoeding.

3.6.7.

Op grond van al het voorgaande het oordeelt hof dat de door Adco te leveren prestatie, te weten het tot stand brengen en opleveren van het werk als bedoeld in artikel 7:750 BW, opeisbaar is en dat die prestatie is uitgebleven, een en ander als bedoeld in artikel 6:81 BW, dat Adco ter zake voormelde verbintenis in verzuim is als bedoeld in artikel 82 lid 1 BW met ingang van 19 september 2010 en dat Adco in de nakoming van die verbintenis tekort is gekomen als bedoeld in artikel 6:74 BW. Ten aanzien van die tekortkoming stelt Adco zelf dat zij nog werkzaamheden dient te verrichten om tot oplevering te kunnen komen en dat zij nog gebreken dient te herstellen (memorie van antwoord nr. 48 en 49), zoals Adco nader specificeert in de namens haar geschreven brief van 27 februari 2014.

Al het voorgaande leidt tot de conclusie dat grief 1 slaagt.

Schade.

3.7.

Nu Adco tekort is gekomen in de nakoming en hij in verzuim is, is Adco verplicht de schade die [appellant] hierdoor lijdt te vergoeden (artikel 6:74 lid 1 BW). [appellant] vordert betaling van € 11.647,10 aan herstelkosten als schadevergoeding. Ter onderbouwing hiervan verwijst [appellant] naar productie 4 in eerste aanleg (rapport van ing. [bouwkundige] , bouwkundige, handelende onder de naam EFF EFF Bouwpathologie van 22 januari 2011, pagina 12).

In de brief van 27 februari 2014 namens Adco wordt aan [appellant] geschreven dat uit het deskundigenbericht van [deskundige] (Volantis) van 12 juli 2012 blijkt dat de door Adco tot dusverre verrichte werkzaamheden onder de norm zijn, dat Adco de door de heer [deskundige] vastgestelde gebreken alsnog wil herstellen en dat de uit te voeren werkzaamheden kunnen worden ontleend aan voormeld rapport. In het deskundigenbericht van de heer [deskundige] zijn de indicatieve herstelkosten exclusief BTW begroot op € 11.750,- (blz. 11: par. 4.2.18).

Ten aanzien van de begroting van de herstelkosten in het rapport van de heer [bouwkundige] , welke begroting sluit op € 11.647,10 inclusief BTW, heeft Adco opgemerkt dat het schilderwerk en het schoonmaken niet moeten worden meegenomen omdat deze werkzaamheden ook zonder tekortkoming zouden zijn gemaakt. Gezien voormelde, onvoldoende bestreden opmerking ontbreekt een genoegzaam causaal verband tussen tekortkoming en deze posten, zodat zij zullen worden afgewezen. Gelet hierop en bij gebreke van verdere concrete betwisting door Adco van de begroting van het herstelwerk in het rapport van de heer [bouwkundige] , zal de gevorderde schade van € 11.647,10, verminderd € 725,- schilderwerk, € 133,20 btw op schilderwerk, € 150,- ter zake opruimen en poetsen en 19% BTW zijnde € 28,50, zodat

€ 10.610,40 zal worden toegewezen.

Betaling door [appellant] aan Adco van € 3.500,-.

3.8.1.

Adco heeft aangevoerd dat zij de door [appellant] gestelde betaling van € 3.500,- betwist en dat zij van oordeel is dat [appellant] niet is geslaagd in het door hem te leveren bewijs van die betaling aan Adco (memorie van antwoord nr. 16) en dat de rechtsstrijd tussen partijen oplevert dat een uitspraak dient te worden gedaan over de vraag of [appellant] geslaagd is in het bewijs van de door hem gestelde betaling van € 3.500,-..

Het hof begrijpt dat Adco zich beroept op verrekening van de schade met dit onbetaald gebleven bedrag, zodat het hof op de voorgelegde vraag in zal gaan.

3.8.2.

Voorop wordt gesteld dat [appellant] partijgetuige is en zijn verklaring ter zake van het door hem te leveren bewijs niet ten voordele kan strekken, tenzij zijn verklaring strekt ter aanvulling van onvolledig bewijs (artikel 164 Rv).

[appellant] en zijn echtgenote [echtgenote van appellant] hebben als getuigen verklaard dat zij € 3.500,- in contanten aan de heer [geïntimeerde 1] hebben betaald. Echter tussen hun verklaringen constateert het hof zodanige ongerijmdheden, dat zij het door [appellant] te leveren bewijs, niet geleverd acht, ook niet als daar bij het bewijs van de pin-opname wordt betrokken. [appellant] heeft namelijk verklaard het geld op het aanrecht te hebben gelegd, waarna [geïntimeerde 1] dit heeft nageteld. [echtgenote van appellant] heeft echter verklaard dat [appellant] het bedrag heeft voorgeteld en aan [geïntimeerde 1] heeft gegeven. [echtgenote van appellant] heeft verklaard dat zij om een kwitantie hebben gevraagd en dat [geïntimeerde 1] daarop aangaf dat hij een factuur zou sturen. [appellant] daarentegen verklaart dat hij aan [geïntimeerde 1] heeft gevraagd een factuur te sturen en dat hij toen niet direct om een kwitantie heeft gevraagd.

Voorts neemt het hof bij de weging van de getuigenverklaringen mee dat geen van beide getuigen heeft kunnen verklaren in welke coupures de contante betaling werd verricht.

Tenslotte heeft [geïntimeerde 1] verklaard dat hij geen contante betalingen van [appellant] heeft ontvangen.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat [appellant] niet is geslaagd in zijn bewijsopdracht. In hoger beroep heeft [appellant] , zo begrijpt het hof, op dit punt nogmaals aangeboden om [appellant] en diens echtgenote te horen. Deze getuigen zijn al in eerste aanleg gehoord en [appellant] heeft niet aangegeven wat deze getuigen meer of anders kunnen verklaren dan zij al hebben gedaan. Het hof passeert derhalve dit aanbod.

Dit brengt mee dat niet is komen vast te staan dat een bedrag van € 3.500,-, waarvan tussen partijen vast staat dat die verschuldigd was door [appellant] aan Adco, door [appellant] aan Adco is betaald, zodat dit bedrag in mindering komt op voormeld schadebedrag.

Buitengerechtelijke kosten.

3.9.

[appellant] vordert, zo begrijpt het hof, € 891,47 ter zake buitengerechtelijke (incasso)kosten (memorie van grieven blz. 14). Daarbij baseert [appellant] zich kennelijk op artikel 6:96 lid 2 aanhef en sub b. en c. (dagvaarding nr. 3. en conclusie van antwoord in reconventie tevens akte van eisvermeerdering 3.6). [appellant] heeft ter onderbouwing aangegeven dat zij Adco driemaal heeft verzocht haar verplichtingen na te komen en dat zij een deskundige heeft verzocht de omvang en de aard van de schade, alsmede de hoogte van de kosten van herstel vast te stellen. Aangezien [appellant] niet heeft gesteld welke kosten zien op de werkzaamheden als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 aanhef en sub b. en welke op sub c., heeft [appellant] onvoldoende gesteld voor toewijzing van deze vordering, zodat die zal worden afgewezen.

3.10.

Grief 2 behoeft geen behandeling aangezien die betrekking heeft op de subsidiaire vordering van [appellant] en zijn primaire vordering zal worden toegewezen.

In het incidenteel appel.

3.11.1.

Adco vordert in hoger beroep [appellant] te veroordelen om aan Adco te betalen

€ 5.907,60, althans € 4.724,85 althans een redelijk bedrag onder aftrek van het al door [appellant] betaalde bedrag van € 13.000,- en de voor [appellant] begrote kosten van

€ 10.610,40.

3.11.2.

[appellant] heeft deze vorderingen betwist.

3.12.1.

Adco heeft haar primaire vordering gegrond op betaling van de aanneemsom van

€ 26.500,- en meerwerk van € 3.018,-, onder aftrek van het door [appellant] betaalde bedrag van € 13.000,- en de opleveringskosten van € 10.610,40.

3.12.2.

[appellant] voert aan dat een aanneemsom van € 16.500,- is overeengekomen en dat er geen sprake is van meerwerk en dat geen additionele werkzaamheden zijn verricht.

3.13.1.

Bij vonnis van 7 augustus 2013 heeft de rechtbank in overweging 2.4. geoordeeld dat Adco er niet in is geslaagd te bewijzen dat de handtekening onder de opdrachtbevestiging van 14 januari 2010 van [appellant] afkomstig is. Op deze grond is de vordering van Adco in reconventie afgewezen. Tegen deze beslissing en overweging is geen grief ingebracht, zodat daarvan wordt uitgegaan. Adco heeft geen andere feiten of omstandigheden gesteld op grond waarvan zou kunnen worden aangenomen dat Adco een aanneemsom van € 26.500,- heeft geoffreerd en dat [appellant] dit heeft aanvaard. Adco heeft dus onvoldoende gesteld om te kunnen concluderen dat tussen partijen een aanneemsom van € 26.500,- is overeengekomen.

3.13.2.

Ter zake van het meerwerk heeft Adco aangevoerd (memorie van antwoord nr. 53) dat zes 2-paneels nepluiken voor vaste muurmontage door [appellant] zijn besteld en dat deze door [appellant] zelf gemonteerd zijn. Uit de brief van 25 mei 2010 van [appellant] aan Adco blijkt dat op 29 april 2010 de bestelde raamluiken zijn geleverd. Hiermee is de levering van deze raamluiken door Adco aan [appellant] aangetoond. Deze raamluiken zijn niet in de offerte-aanvraag van [appellant] genoemd, zodat aangenomen wordt dat deze luiken niet in de aanneemprijs zijn begrepen. De meerprijs van € 1.495,- inclusief BTW is, mede gezien voormelde vaststellingen, niet (voldoende) betwist. Voormeld bedrag zal worden verrekend met hetgeen Adco aan [appellant] verschuldigd is vanwege schadevergoeding.

3.13.3.

Voorts heeft Adco aangevoerd dat er sprake is van aangepaste deuren als gevolg van wijziging van het model van de deuren. Nu de offerte-aanvraag de vervanging van alle deuren inhoudt, ontbreekt een voldoende toelichting waaruit kan volgen dat er sprake zou kunnen zijn van een overeenkomst tussen partijen ter zake van meerwerk. Adco heeft derhalve onvoldoende gesteld om deze vordering van € 1.145,- toe te kunnen wijzen.

3.13.4.

Tenslotte stelt Adco dat houtwerk voor de boeiboorden en betimmering van de dakkapel ter waarde van € 378,- is nabesteld. Enkel deze stelling is, nu geen feiten en omstandigheden zijn gesteld waaruit kan volgen dat [appellant] een betreffend aanbod van Adco heeft aanvaard, onvoldoende om te kunnen concluderen dat tussen partijen deze levering is overeengekomen. De vordering van € 378,- zal dus worden afgewezen.

3.14.1.

Zijn subsidiaire en meer subsidiaire vordering baseert Adco op een aanneemsom van

€ 25.317,25, althans een redelijk bedrag voor het werk van Adco en meerwerk van € 3.018,-, onder aftrek van de betaling van € 13.000,- en de opleveringskosten van € 10.610,40.

3.14.2.

Ook tegen deze vordering voert [appellant] aan dat een aanneemsom van € 16.500,- is overeengekomen en dat er geen sprake is van meerwerk.

3.15.

Adco stelt dat, nu bij het sluiten van de overeenkomst geen prijs is bepaald, [appellant] als opdrachtgever een redelijke prijs is verschuldigd als bedoeld in artikel 7:752 lid 1 BW. Het hof overweegt dat Adco geen prijs noemt welke zij redelijk acht. Bovendien wordt de enkele verwijzing naar de offerte van [bedrijf] B.V. onvoldoende onderbouwing van die redelijke prijs geacht. Immers zonder verder inzicht in die geoffreerde prijs, welk inzicht ontbreekt, kan op grond daarvan niet tot een redelijke prijs worden gekomen. Afgezien van het voorgaande, merkt het hof op dat partijen het er over eens zijn dat wel een prijs is bepaald bij het aangaan van de overeenkomst. Zij zijn het er echter niet over eens welke prijs dat is. De door Adco genoemde grondslag van artikel 7:752 lid 1 BW kan haar vordering dan ook niet dragen. Ook deze subsidiaire vordering zal wat betreft de gevorderde aanneemsom worden afgewezen.

Slotsom in het principaal en incidenteel hoger beroep.

3.16.

De bewijsaanbiedingen van partijen worden als niet ter zake dienend gepasseerd. Er zijn namelijk geen niet vaststaande stellingen van partijen die voor de beslissing in deze zaak van belang zijn.

3.17.

Al het voorgaande leidt tot vernietiging van de bestreden vonnissen en tot toewijzing van de vordering van [appellant] tot een bedrag van € 5.615,40 (10.610,40 - 1.495 - 3.500)

en tot afwijzing van de vorderingen van Adco. Het door partijen aangeboden bewijs wordt gepasseerd omdat geen feiten zijn gesteld of te bewijzen zijn aangeboden die (als zij komen vast te staan) tot een ander oordeel leiden. Aangezien beide partijen op punten in het ongelijk zijn gesteld, zullen de proceskosten tussen hen zo worden gecompenseerd dat ieder de eigen kosten draagt. Wat de kosten van de deskundige betreft, blijkt uit de beschikking van de rechtbank Roermond van 30 november 2011 dat het voorschot van € 2.500,- inclusief BTW door [appellant] diende te worden voldaan. Ervan uitgaande dat [appellant] daaraan heeft voldaan, is het hof van oordeel dat Adco daarvan de helft, derhalve € 1.250,- dient te vergoeden aan [appellant] , nu zij beiden op punten in het ongelijk zijn gesteld.

Het door partijen meer of anders gevorderde zal worden afgewezen.

4 De uitspraak

Het hof:

op het principaal en incidenteel hoger beroep

vernietigt de bestreden vonnissen;

en opnieuw rechtdoende

veroordeelt geïntimeerden in principaal hoger beroep, appellanten in het incidenteel hoger beroep, hoofdelijk, waarbij de een betaald hebbende de anderen zullen zijn bevrijd, om aan [appellant] te betalen € 5.615,40, vermeerderd met de wettelijke rente hierover vanaf

19 september 2010 tot de dag van voldoening;

compenseert de proceskosten in beide instanties zo, dat iedere partij de eigen kosten draagt, met dien verstande dat Adco wordt veroordeeld ter zake deskundigenkosten € 1.250,- aan [appellant] te betalen;

verklaart voormelde veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. O.G.H. Milar, M.G.W.M. Stienissen en P.P.M. Rousseau en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 21 juli 2015.

griffier rolraadsheer