Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2015:2769

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
21-07-2015
Datum publicatie
23-07-2015
Zaaknummer
HD 200.155.016_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2014:5756
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2014:6520
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

verhaal vordering bank op bankhypotheek toelaatbaar indien de restvordering mede aan de bank is te wijten?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer HD 200.155.016/01

arrest van 21 juli 2015

in de zaak van

Vredijo Beheer B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats 1] ,

appellante,

hierna aan te duiden als Vredijo,

advocaat: mr. M.J. Mookhram te Roermond,

tegen

  1. mr C.W.M. Sleegers, in zijn hoedanigheid van curator in de faillissementen van Sematec B.V., Electrotechniek [Electrotechniek] B.V., Sematools B.V., Sematec Elektro B.V., Sematra B.V., Sematec Noord B.V., Sematec Engineering B.V. en Jora B.V.,
    kantoorhoudende te [vestigingsplaats 2] ,
    advocaat: mr. M.M.M. Rooijen,

  2. ABN AMRO Bank N.V.,
    gevestigd te [vestigingsplaats 3] ,
    advocaat: mr. J. Meuleman,

geïntimeerden,

hierna aan te duiden als respectievelijk de curator en de bank,

op het bij exploot van dagvaarding van 14 augustus 2014 ingeleide hoger beroep van het vonnis van de rechtbank Limburg van 2 juli 2014 (aangevuld bij vonnis van 23 juli 2014), gewezen tussen Vredijo als eiseres in conventie, verweerster in reconventie en de curator als gedaagde in conventie en de bank als gedaagde in conventie tevens eiseres in reconventie.

1 Het geding in eerste aanleg (zaaknr. C/04/119282 HAZA 12-334)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding in hoger beroep;

  • -

    de exploten van anticipatie van de curator en de bank;

  • -

    de memorie van grieven tevens houdende wijziging van eis (met acht grieven en drie producties);

  • -

    de memories van antwoord van de curator en van de bank;

  • -

    het pleidooi, waarbij alle partijen pleitnotities hebben overgelegd.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De beoordeling

3.1.1.

Het gaat in deze zaak om het volgende:

  1. Vredijo was vóór 4 januari 2010 genaamd Sematec Holding B.V. (verder: Sematec Holding). Vredijo hield alle aandelen in Sematec Groep B.V. (verder: Sematec Groep), die op haar beurt de aandelen hield in de dochtermaatschappijen Electrotechniek [Electrotechniek] B.V., Sematools B.V., Sematec Metaalbewerking B.V., Sematec Elektro B.V., Sematra B.V., Sematec Noord B.V. en Sematec Engineering B.V. (hierna tezamen verder alle aan te duiden als de dochtervennootschappen en elk afzonderlijk met de vennootschapsnaam zonder toevoeging van de aanduiding B.V.). De heer [DGA Sematec/Vredijo] (verder: [DGA Sematec/Vredijo]) was/is DGA van Sematec Holding/ Vredijo.

  2. Sematec Holding heeft op 4 januari 2010 alle aandelen in Sematec Groep verkocht en overgedragen aan Machinefabriek Roerstreek B.V. (verder: Machinefabriek Roerstreek). Vanaf dat moment is de naam van Sematec Holding gewijzigd in Vredijo en die van Machinefabriek Roerstreek in Sematec

  3. Op 12 mei 2009 is tussen Sematec Holding (thans: Vredijo) en (de rechtsvoorganger van) de bank een kredietovereenkomst gesloten met een inhoud als weergegeven in r.o. 2.2. van het vonnis waarvan beroep. In de overeenkomst is onder meer bepaald dat de debetstand niet meer mocht bedragen dan de basislimiet van € 300.000,=, vermeerderd met 70% van het saldo van de verpande vorderingen.

  4. Na de overdracht van de aandelen in Sematec Groep aan Machinefabriek Roerstreek (vanaf 4 januari 2010 Sematec) heeft de bank bij brief van 15 januari 2010 (prod. 3 inl.dagv.) aan [DGA Sematec/Vredijo] bericht:
    “(..) Voor de goede orde bevestigen wij u hiermede dat de deelname van uw vennootschap (toev. hof: Sematec Holding/ Vredijo) in het door ons verstrekte kredietarrangement aan (…) d.d. 12 mei 2009, alsmede in de aanvulling daarop d.d. 29 juni 2009, met ingang van 5 januari 2010 is komen te vervallen. (..) Tenslotte vervallen alle door u gestelde zekerheden voor dit kredietarrangement behoudens de bankhypotheek, eerste in rang, groot € 900.000,00 op het onbelaste registergoed gelegen te [plaats], [adres] (..) (…)”

  5. Bij brief van 27 januari 2010 (onderwerp: ontslag van Sematec Holding uit het kredietarrangement en toevoegen Sematec Groep als pandgever, prod. 4 inl. dagv.) heeft de bank aan Sematec Groep en de dochtervennootschappen bericht dat de deelname van Sematec Holding in het kredietarrangement was komen te vervallen en dat hetzelfde gold voor de door Sematec Holding verstrekte zekerheden behoudens de bankhypotheek op het onroerend goed te [plaats]. In deze brief schrijft de bank verder: “In verband met toevoeging van Sematec Groep B.V. als pandgever in de algemene pandovereenkomst vorderingen, doen wij u bijgaand een nieuwe akte in 2-voud toekomen, met het vriendelijke verzoek een exemplaar na uw rechtsgeldige ondertekening, parafering en datering te retourneren. Voor het overige blijft het kredietarrangement zoals vastgelegd in de Algemene kredietofferte d.d. 12 mei 2009 en aanvullende brief en aanvullende brief dd. 29 juni 2009 ongewijzigd gehandhaafd. Indien u met de hierboven genoemde wijzigingen in het kredietarrangement akkoord gaat, verzoeken wij u het bijgesloten tweede exemplaar van deze brief op elke pagina te paraferen en de laatste pagina rechtsgeldig te ondertekenen, te dateren en te retourneren.”
    (Een exemplaar van) deze brief is op 10 februari 2010 namens de geadresseerden 1 t/m 8 ondertekend door de directie, heer [directeur Bank].

  6. Sematec is niet bij het kredietarrangement betrokken, van Sematec zijn door de bank evenmin zekerheden gevraagd.

  7. Na 4 januari 2010 is Sematec op haar naam alle werkzaamheden van de verschillende dochtervennootschappen gaan factureren.

  8. Sematec en de dochtervennootschappen zijn bij vonnis van 26 februari 2010 in staat van faillissement verklaard met benoeming van de curator in zijn hoedanigheid.

  9. Bij brief van 5 juli 2011 (prod. 6 inl. dagv.) heeft de bank aan de advocaat van Vredijo laten weten dat de vordering van de bank op Sematec Groep en de dochtervennootschappen per datum van de brief € 204.431,75 bedraagt en dat de bank de vordering wil verhalen door uitwinning van het hypotheekrecht op het pand te [plaats].

  10. De curator heeft de debiteuren van de dochtervennootschappen en Sematec geïncasseerd en een gedeelte daarvan, onder aftrek van een boedelbijdrage, afgedragen aan de bank. De bank en de curator zijn er daarbij vanuit gegaan dat onder de pandrechten van de bank vallen de facturen van de dochtervennootschappen van vóór 4 januari 2010 en de facturen van Sematec van na die datum die voordien uitgevoerde opdrachten en werkzaamheden of overlopende werkzaamheden betroffen (o.a. concl.v.dupl.curator nr. 24).

  11. In een brief d.d. 30 september 2010 (prod. 14 inl. dagv.) schrijft de curator aan de bank over de stand van zaken van de debiteurenafwikkeling: “(..) Inzake Sematec was het totaalbedrag aan openstaande debiteuren per datum faillissement € 337.926,27. (…) Van de debiteuren per datum faillissement zijn slechts een beperkt aantal rechtsgeldig verpand aan uw bank. Enkel facturen welke voor 4 januari 2010 werden gefactureerd. Vanaf 4 januari 2010 heeft de gehele exploitatie alsmede de facturatie plaatsgevonden vanuit Sematec B.V. (voorheen machinefabriek Roerstreek B.V.) (…) Inzake Sematec werd in totaal een bedrag voldaan van € 246.935,81. (..) De bank komt een bedrag toe van € 23.151,89 en de boedel een bedrag ad € 223.783,92. (…)”

  12. In het faillissementsverslag nr. 3 d.d. 25 januari 2011 (prod. bij repliek in conv.) is ten aanzien van de pre-faillissementsdebiteuren vermeld: € 74.857,34 Sematec B.V. (Machinefabriek Roerstreek), € 337.926,27 Sematec B.V. (Sematec Metaalbewerking), € 9.802,39 Sematec B.V. (Sematra) en € 22.332,12 Sematec B.V. (Sematec Engineering).

  13. In een fax d.d. 6 september 2011 (prod.16 inl. dagv.) schrijft de curator, naar aanleiding van een discussie tussen Vredijo en de bank over de debiteuren van Sematec waarop de bank als pandhouder aanspraak zou kunnen maken, aan de advocaat van Vredijo:
    “(..) Voor wat betreft de werkzaamheden die materieel en feitelijk bezien hebben plaatsgevonden voor 4 januari 2010 heeft te gelden dat deze werkzaamheden in de afwikkeling met de bank zijn aangemerkt als verpande werkzaamheden, ook al heeft de facturatie plaatsgevonden door sematec B.V. (…) Daar waar het overlopende werkzaamheden heeft betroffen, en een uitsplitsing op de factuur niet werd gemaakt, is in de afrekening met de bank ten voordele van de bank afgewikkeld. (…) De overige facturen/vorderingen hebben betrekking op werkzaamheden die daadwerkelijk vanaf 4 januari 2010 op en uit naam van Sematec B.V. (Machinefabriek Roerstreek) zijn uitgevoerd, zodat facturatie door laatstgenoemde partij ook voor de hand heeft gelegen en de concrete facturen/vorderingen niet onder het pandrecht van Fortis/ ABN AMRO Bank vallen. Het gegeven dat bepaalde werkzaamheden mogelijk zijn uitgevoerd met werknemers die nog (formeel) in dienst waren van Sematec Metaalbewerking B.V. doet daaraan niet af; de werkzaamheden hebben plaatsgevonden in het kader van de exploitatie van Sematec B.V., zodat er hooguit in de rekening-courantrelatie tussen Sematec B.V. en Sematec Metaalbewerking B.V. een verrekening van arbeidskosten (inlening) dient plaats te vinden. (…)”

  14. In voormelde fax heeft de curator tevens vermeld dat een factuur nr. [factuurnummer] van Sematec aan Friesland Campina N.V. ten bedrage van € 38.400,= betreffende werkzaamheden die zich grotendeels hebben afgespeeld voor 4 januari 2010 (welke factuur daarmee volgens de tussen de curator en de bank gemaakte afspraken onder het pandrecht van de bank zou vallen) door Friesland Campina N.V. op of omstreeks 11 of 12 maart 2010 is voldaan op de bankrekening van Sematec Holding (Vredijo).

3.2.1.

In de onderhavige procedure vorderde Vredijo, na wijziging van eis, in eerste aanleg voor wat betreft de bank, kort samengevat:
primair:
- verklaring voor recht dat het recht van hypotheek op het registergoed te [plaats] teniet is gegaan;

- veroordeling tot doorhaling c.q. machtiging tot doorhaling van de hypothecaire inschrijving op straffe van verbeurte van een dwangsom;

- verbod tot uitwinning van de hypothecaire zekerheid, op straffe van verbeurte van een dwangsom;
subsidiair:
- veroordeling, in het geval tot uitwinning is overgegaan, tot vergoeding van schade, op te maken bij staat.

Ten aanzien van de curator vorderde Vredijo, kort samengevat:
- veroordeling om de geïncasseerde debiteuren ten bedrage van € 295.224,50 aan te merken als geïncasseerde debiteuren van de dochtervennootschappen en veroordeling om te gehengen en gedogen dat de bank als pandhouder zich op dit bedrag verhaalt, op verbeurte van een dwangsom.

3.2.2.

De bank en de curator hebben de vorderingen gemotiveerd betwist. De bank vorderde harerzijds in reconventie, na wijziging van eis, kort samengevat:

- veroordeling van Vredijo tot betaling van een bedrag van € 38.400,=, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 7 september 2011, althans de dag der dagvaarding en verklaring voor recht dat de bank dit bedrag onder haar recht van hypotheek mag verhalen;

- verklaring voor recht dat de bank haar regresvordering van € 27.852,= op Sematec Metaalbewerking, te vermeerderen met wettelijke rente, krachtens haar recht van hypotheek mag verhalen op het registergoed te [plaats].

3.2.3.

De rechtbank heeft bij het vonnis van 2 juli 2014 waarvan beroep de vorderingen van Vredijo in conventie afgewezen. De rechtbank wees de vordering van de bank in reconventie tot betaling door Vredijo van een bedrag van € 38.400,= toe met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 15 dagen na de datum van het vonnis. Vredijo werd in de proceskosten van het geding in conventie en in die van het geding in reconventie verwezen. Bij het aanvullend vonnis van 23 juli 2014 wees de rechtbank voorts de door de bank in reconventie gevorderde verklaring voor recht toe dat de bank het bedrag van € 38.400,=, te vermeerderen met wettelijke rente, onder de hypothecaire zekerheid op het registergoed te [plaats] mocht verhalen.

3.2.4.

Vredijo is van voormeld vonnis en aanvullend vonnis in hoger beroep gekomen. Zij heeft tegen het vonnis van 2 juli 2014 acht grieven aangevoerd en, onder wijziging van haar eis, geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis (en aanvullend vonnis) waarvan beroep en toewijzing alsnog van haar in hoger beroep gewijzigde vorderingen.

3.3.1.

Tegen de beslissing van de rechtbank in reconventie is door Vredijo geen grief aangevoerd, zodat, nu door de bank harerzijds evenmin (incidenteel) is geappelleerd, in hoger beroep alleen nog de vorderingen van Vredijo in conventie aan de orde zijn.

3.3.2.

De wijziging van eis in hoger beroep houdt in dat Vredijo haar eerste primaire vordering – verklaring voor recht dat het recht van hypotheek op het registergoed te [plaats] teniet gegaan is – aanvult met de subsidiaire vordering “althans voor recht verklaart dat de bank uit hoofde van de kredietovereenkomst geen vorderingsrecht op Vredijo heeft, waarvoor zij het recht van hypotheek kan uitwinnen”. In de conclusie van de memorie van grieven vordert Vredijo verder terugbetaling door de bank en de curator van hetgeen zij ingevolge het vonnis waarvan beroep heeft voldaan, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente van art. 6:119a BW althans de wettelijke rente van art. 6:119 BW.

3.3.3.

Het hof acht door de grieven de vordering in conventie in haar geheel opnieuw aan zijn oordeel onderworpen en zal hierna de grieven niet alle afzonderlijk bespreken.

3.4.1.

Aan de door haar gevorderde verklaring voor recht - dat het recht van hypotheek op het registergoed te [plaats] teniet is gegaan, althans dat de bank uit hoofde van de kredietovereenkomst geen vorderingsrecht meer heeft jegens Vredijo waarvoor het hopotheekrecht kan worden uitgewonnen – legt Vredijo primair de stelling ten grondslag dat de kredietovereenkomst van 12 mei 2009 is geëindigd toen de bank met Sematec Groep en de dochtervennootschappen een nieuwe kredietovereenkomst is aangegaan (toev. hof: de op 10 februari 2010 namens deze vennootschappen ondertekende brief van de bank, zie r.o. 3.1.1 onder e).

3.4.2.

Het hof verwerpt, evenals de rechtbank dit standpunt. Het hof acht de rechtsoverwegingen 4.4 en 4.5 van het vonnis van 2 juli 2014 juist. Het gaat, zoals door de rechtbank terecht is overwogen om een voortzetting van de sinds 12 mei 2009 bestaande kredietrelatie waarin slechts die wijziging werd aangebracht dat Sematec Holding (Vredijo) daaraan niet langer deelnam en de door Sematec Holding (Vredijo) verstrekte zekerheden kwamen te vervallen met uitzondering van de door Sematec Holding (Vredijo) verstrekte bankhypotheek. Verder werd Sematec Groep aan het kredietarrangement toegevoegd. In de brief van de bank aan [DGA Sematec/Vredijo] van 15 januari 2010 (r.o. 3.1.1 onder d) is Sematec Groep mede vermeld onder de vennootschappen waarmee het kredietarrangement wordt voortgezet. Dat het kredietarrangement met toevoeging van Sematec Groep zou worden voortgezet is verder ook expliciet besproken op de bespreking van (onder meer) [DGA Sematec/Vredijo] met de bank op 20 november 2009. Dit blijkt uit het door Vredijo overgelegde verslag van die bespreking (prod. 10 inl. dagv.), waarin onder meer is vermeld: ”5. Sematec groep dient nog als pandhouder opgevoerd te worden.” Verder verklaart de heer [adviseur] (verder: [adviseur]), persoonlijk financieel/bedrijfskundig adviseur van [DGA Sematec/Vredijo], in diens door Vredijo overgelegde schriftelijke verklaring (prod. 31 inl. dagv.): “Hoewel de oude eigenaar Sematec Holding alle aandelen in Sematec Groep BV per 4-1-2010 heeft verkocht, zijn de volgende zekerheden ten behoeve van het bankkrediet van Sematec Groep BV gehandhaafd gebleven tot een geplande algehele revisie van de nieuwe Sematec Groep per 1 april 2010: - een eerste hypotheek op het bedrijfsonroerend goed (…). Door het faillissement heeft een revisie nooit meer plaatsgevonden.”

Naar het oordeel van het hof ondersteunt dit alles het standpunt van de bank dat na de aandelenoverdracht de sinds 12 mei 2009 bestaande kredietrelatie niet is beëindigd maar met enkele wijzigingen is voortgezet en blijkt uit niets dat Vredijo dit niet in die zin zou hebben begrepen en daarmee niet zou hebben ingestemd.

3.5.1.

Verder verwijt Vredijo de bank en de curator, kort samengevat, dat zij de ten tijde van het faillissement bestaande vorderingen op debiteuren in onderling overleg hebben toebedeeld aan de bank en de boedel met miskenning van de gerechtvaardigde belangen van Vredijo. Volgens Vredijo is het ongehoord dat vorderingen op debiteuren aan de boedel zijn toebedeeld op de enkele grond dat Sematec - op wier vorderingen de bank geen pandrecht had - de in rekening gebrachte werkzaamheden heeft gefactureerd terwijl de uitgevoerde werkzaamheden ten laste van de werkmaatschappijen zijn gekomen en het materieel gezien om debiteuren van die vennootschappen gaat. Vredijo heeft in eerste aanleg een door haar opgesteld overzicht overgelegd (prod. 27 inl. dagv.) van de per datum faillissement openstaande debiteuren (in totaal een bedrag van € 434.933,43) waarin zij heeft aangegeven aan welke vennootschap de opdracht was verstrekt, door welke vennootschap het werk is uitgevoerd en door welke vennootschap het werk is gefactureerd. In dat overzicht komt zij tot een totaal aan debiteuren van € 295.224,47 die volgens haar aan de dochtervennootschappen zouden moeten worden toegerekend en daarmee onder het pandrecht van de bank zouden moeten vallen. Het is deze opstelling waarop de curator in zijn in r.o. 3.1.1 onder l gerelateerde fax doelt. In die fax gaat de curator gemotiveerd in op de opstelling van Vredijo. De curator komt daarbij tot de conclusie dat het – door de curator niet gedeelde - standpunt van Vredijo alleen een gedeelte van € 155.745,12 van het door Vredijo genoemde bedrag van € 295.224,47 kan betreffen.

3.5.2.

Vredijo verwijt de bank verder dat zij zich niet heeft gehouden aan de voorwaarde van het kredietarrangement van een maximale bevoorschotting van 70% van het debiteurensaldo. Volgens Vredijo heeft de bank in strijd met de door haar aan Vredijo gedane toezeggingen overdisposities toegestaan. In het eerder genoemde gespreksverslag van de bespreking van (onder meer) [DGA Sematec/Vredijo] met de bank van 20 november 2009 (prod. 10 inl. dagv.) is onder 6 vermeld: “Fortis Bank zal geen overdisposities meer toestaan.” De bank betwist deze toezegging ook niet. Zij betwist echter dat zij overdisposities heeft toegestaan (concl.v.antw. 41). In haar conclusie van antwoord voegt de bank daaraan toe: “althans niet in die mate dat, indien zij dat niet had gedaan, zij geen vordering op Sematools B.V. en Sematec Metaalbewerking B.V. meer zou hebben gehad waarvoor zij haar hypotheekrecht kan uitwinnen.”

3.5.3.

Het hof begrijpt voormelde verwijten van Vredijo aan de bank in die zin dat het volgens Vredijo naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is indien de bank de haar verstrekte hypothecaire zekerheid uitwint voor zover er sprake is van een resterende schuld die het gevolg is van een door de bank in strijd met haar toezegging toegestane overdispositie en/of van een onvoldoende aanspraak van de bank jegens de curator op door de curator geïncasseerde debiteurenopbrengsten. In zoverre is de betwisting van de bank van r.o. 4.6 van het vonnis waarvan beroep (mem.v.antw. 31) niet relevant. Het gaat niet om de vraag welke reikwijdte de zekerheid heeft maar om de vraag of de bank naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid een beroep kan doen op die zekerheid voor vorderingen die het gevolg zijn van een door haarzelf niet naleven van gedane toezeggingen of een door haar niet in acht genomen zorgvuldigheidsverplichting.

3.5.4.

Het hof is met Vredijo van oordeel dat het van tweeën één zou moeten zijn. Indien de bedrijfsvoering vanaf 4 januari 2010 verder ten name van Sematec is gelopen, zou de bank voor de daarmee gemoeide kosten geen krediet meer aan Sematec Groep en de dochtervennootschappen ter beschikking hebben mogen stellen en, indien dat wel is gebeurd, zou de bank voor de daaruit voortvloeiende (intercompany) vorderingen van Sematec Groep en/of een van de dochtervennootschappen op Sematec aanspraak op haar pandrecht hebben moeten maken.

3.5.5.

Het hof stelt vast dat de bank en de curator blijkens hun stellingen bij hun afspraak over de toerekening van de opbrengst van de per faillissementsdatum openstaande crediteuren van een met voormelde gedachte strokend uitgangspunt zijn uitgegaan in die zin dat zij voor de tot 4 januari 2010 uitgevoerde werkzaamheden de opbrengst hebben toegerekend aan de vennootschap die de werkzaamheden heeft uitgevoerd en waarin de daarmee gemoeide kosten zijn gevallen. Uit de toelichting van de bank en de curator over die verdeling blijkt echter niet dat zij aandacht hebben geschonken aan de situatie dat na 4 januari 2010 - ten name van Sematec geregistreerde en door Sematec gefactureerde - werkzaamheden zijn verricht waarvan de kosten ten laste van Sematec Groep of een van de dochtervennootschappen zijn gekomen. In zijn fax van 6 september 2011 (prod. 16 inl. dagv.) erkent de curator dat dit wellicht tot een (intercompany) vordering van voormelde vennootschappen op Sematec zou (hebben moeten) leiden. In de onderhavige procedure heeft hij echter naar aanleiding van de stelling van Vredijo dat dergelijke intercompanybetalingen niet hebben plaatsgehad niet meer gesteld (concl.v.antw. nr. 26, herhaald in de mem.v..antw. nr. 52) dan dat dit voorwerp van onderzoek was door een externe accountant. Hoewel de curator voormelde stelling van Vredijo betwistte, sloot hij niet uit dat van zodanige intercompany-betalingen geen sprake was geweest.

3.5.6.

Het hof acht het gewenst om, alvorens verder te beslissen, nader inzicht te verkrijgen in de hoogte van de schuld uit het kredietarrangement per 4 januari 2010 en het verloop van die schuld vanaf laatstgenoemde datum. Het hof verzoekt de bank haar in r.o. 3.5.2 gerelateerde verweer nader toe te lichten, in het bijzonder ten aanzien van de opmerking dat zij niet in een zodanige mate overdispositie heeft toegestaan dat zonder dat handelen geen vordering onder de hypothecaire zekerheid meer te verhalen zou zijn. Het hof acht verder nadere informatie van de bank gewenst over het verloop van het krediet tussen 20 november 2009 (de datum waarop de bank toezegde geen overdisposities meer te zullen toestaan) en 4 januari 2010 en een opgave van de uitstaande debiteuren waarvan voor de bepaling van het kredietmaximum is uitgegaan. Het hof verzoekt de bank om de pandlijsten vanaf november 2009 over te leggen.

3.5.7.

Het hof wenst door de bank verder te worden geïnformeerd over de volgens haar resterende vordering die zij nog op de hypothecaire zekerheid kan verhalen. De bank dient daarbij aan te geven welke opbrengsten zij wanneer op de schuld uit de kredietovereenkomst in mindering heeft gebracht. Het hof gaat daarbij vooralsnog uit van een volgens de curator aan de bank uitgekeerd bedrag van € 134.646,= (€ 161.600,= - € 26.954,=) uit de opbrengst van het pandrecht van de bank op de roerende zaken van Sematools (mem.v.antw.curator nr. 50), een opbrengst van € 4.500,= uit het pandrecht op de voorraden (faillissementsverslag 25 januari 2011) en een bedrag van € 47.287,64 van de door de curator aan de bank afgedragen pre-faillissementscrediteuren (concl.v.antw. curator nr. 54). Vredijo zal hiertegenover het door haar voor de opbrengst van de roerende zaken genoemde bedrag van € 139.205,32 (€ 161.000,= - € 22.394,68) nader kunnen toelichten c.q. kunnen aangeven of zij het door de curator genoemde bedrag kan onderschrijven. Voorts wenst het hof van de bank duidelijkheid over de betaling van een bedrag van € 82.931,94 dat volgens de curator (mem.v.antw. nr. 51) op 2 december 2010 nog aan de bank is gedaan en welk bedrag kennelijk niet is opgenomen in het hiervoor genoemde bedrag van € 47.287,64 aan opbrengst verpande debiteuren.

3.5.8.

Aan de curator kan worden toegegeven dat hij in het dispuut tussen Vredijo en de bank geen partij is. Dat neemt niet weg dat de curator voor het verstrekken van (een deel van) de voor het dispuut tussen Vredijo en de bank relevante informatie de meest aangewezen persoon is, zoals al is gebleken uit de fax van de curator 6 september 2011 (prod. 16 inl. dagv.). Het hof vraagt voormelde informatie daarom mede van de curator en verwerpt het standpunt van de curator in de memorie van antwoord (nr. 51) dat het aan Vredijo zou zijn om haar standpunt dat enig bedrag niet in de afrekening van de bank is meegenomen nader te onderbouwen. Het gaat om een vordering van de bank op Vredijo en het is aan de bank om haar vordering jegens Vredijo desgevraagd nader te specificeren.

3.5.9.

Het komt het hof zinvol voor om een comparitie van partijen te bepalen waarop de te verstrekken informatie met partijen kan worden besproken.

3.6.

In afwachting van de door partijen te verstrekken informatie en de te houden comparitie van partijen zal iedere verdere beslissing worden aangehouden.

4 De uitspraak

Het hof:

verwijst de zaak naar de rol van 18 augustus 2015 voor het nemen aktes door de bank en de curator tot het verstrekken van de hiervoor in r.o. 3.5.5 t/m r.o. 3.5.7 gevraagde informatie;

bepaalt dat Vredijo vervolgens bij antwoordakte op die informatie zal kunnen reageren;

bepaalt dat daarna partijen – natuurlijke personen in persoon en rechtspersonen deugdelijk vertegenwoordigd door een persoon die tot het treffen van een minnelijke regeling bevoegd is – vergezeld van hun advocaten, zullen verschijnen voor mr. J.A.M. van Schaik-Veltman als raadsheer-commissaris, die daartoe zitting zal houden in het Paleis van Justitie aan de Leeghwaterlaan 8 te 's-Hertogenbosch op een door deze te bepalen datum, met de hiervoor onder 3.5.8 vermelde doeleinden;

bepaalt dat partijen twee weken na de door Vredijo te nemen antwoordakte de verhinderdata dienen op te geven van partijen zelf en hun advocaten in de periode van 4 tot 12 weken na voormelde antwoordakte;

bepaalt dat de raadsheer-commissaris na genoemde roldatum dag en uur van de comparitie zal vaststellen;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.A.M. van Schaik-Veltman, H.A.G. Fikkers en H.R. Quint en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 21 juli 2015.

griffier rolraadsheer