Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2015:2764

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
21-07-2015
Datum publicatie
23-07-2015
Zaaknummer
HD 200.139.251_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOBR:2013:4551
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

letselschadezaak; whiplashklachten mogelijk gelet op psychische klachten (schizofrenie) onderbelicht gebleven; deskundigenonderzoek nodig (IWMD-vraagstelling)

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer HD 200.139.251/01

arrest van 21 juli 2015

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

hierna aan te duiden als [appellant] ,

advocaat: mr. G.J.L.F.M. Schakenraad te Eindhoven,

tegen

Achmea Schadeverzekeringen N.V.,

h.o.d.n. Interpolis,

gevestigd te Apeldoorn,

geïntimeerde,

hierna aan te duiden als Achmea,

advocaat: mr. M. Hulstein te Eindhoven,

als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 18 maart 2014 in het hoger beroep van de door de rechtbank Oost-Brabant onder zaaknummer C/01/250689/HA ZA 12-703 gewezen vonnissen van 19 december 2012 en 24 juli 2013.

5 Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenarrest van 18 maart 2014 waarbij het hof een comparitie na aanbrengen heeft gelast;

- het proces-verbaal van comparitie van 11 juni 2014; daarin is opgemerkt dat de voorafgaande aan de comparitie door [appellant] overgelegde producties 1 t/m 3 geacht worden deel uit te maken van het procesdossier maar dit berust op een vergissing, omdat voorafgaande aan de comparitie door [appellant] bij brief van 26 mei 2014 als productie 1 inkomensgegevens zijn overgelegd en bij brief van 3 juni 2014 als productie 2 medische informatie, het huisartsenjournaal vanaf augustus 2014, is overgelegd; er is derhalve geen productie 3 (zie ook de inventarisstaat met overzicht producties van [appellant] , behorende bij de memorie van grieven);

  • -

    de memorie van grieven (met producties 4 t/m 16);

  • -

    de memorie van antwoord (met producties 1 en 2);

  • -

    de akte houdende productie van [appellant] (met productie 17);

  • -

    de antwoordakte van Achmea.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

6 De gronden van het hoger beroep

Voor de tekst van de grieven wordt verwezen naar de memorie van grieven.

7 De beoordeling

7.1.

In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten.

a. Op 15 september 1996 is [appellant] als bestuurder van een personenauto slachtoffer geworden van een verkeersongeval. Zijn auto is daarbij total loss geraakt. Achmea heeft, als WAM-verzekeraar van de bestuurder van de personenauto die aan [appellant] geen voorrang had verleend, aansprakelijkheid erkend voor de uit het ongeval voortvloeiende schade.

b. Ten tijde van het ongeval was [appellant] (geboren op [geboortedatum] 1966) 30 jaar oud. Hij werkte sinds 1 maart 1995 als productiemedewerker keramische onderdelen bij Philips Display Components in [woonplaats] op grond van een (eenmaal eerder verlengde) arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd. Direct na het ongeval heeft [appellant] zich tot zijn huisarts gewend in verband met nek- en hoofdpijnklachten. Voorts heeft hij zich ziek gemeld bij zijn werkgever. Na het ongeval heeft [appellant] zijn werkzaamheden voor Philips niet meer hervat.

c. In verband met aanhoudende pijnklachten heeft [appellant] enige tijd fysiotherapie gevolgd en in oktober 1996 is hij door zijn huisarts voor controle doorverwezen naar neuroloog dr. [neuroloog] , verbonden aan het Catharinaziekenhuis in [woonplaats] . Door hem werden bij neurologisch onderzoek, behoudens wat bemoeilijkte nekbewegingen, geen duidelijke afwijkingen gevonden (prod. 15 Achmea).

d. In een reïntegratieformulier d.d. 20 november 1996 wordt over de aard van de beperkingen vermeld dat [appellant] aangeeft last te hebben van zeer hevige pijnen in nek / achterhoofd, concentratiestoornissen, visusstoornissen, evenwichtsstoornissen en dat zich het beeld voordoet van een reactieve depressie (prod. 23 [appellant] ). Vanaf eind 1996 dan wel begin 1997 is [appellant] gedurende zes maanden in dagbehandeling geweest bij Revalidatiecentrum Blixembosch in [woonplaats] .

e. Omdat zijn psychische toestand verslechterde, is [appellant] van 11 tot en met 13 januari 1997 opgenomen geweest op de PAAZ-afdeling van het Catharinaziekenhuis in [woonplaats] op verdenking van een paranoïd psychotisch toestandsbeeld.

f. Zijn arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd, die eindigde op 27 februari 1997, is door Philips niet verlengd.

g. Van 1 tot en met 7 april 1997 is [appellant] in verband met vergelijkbare klachten wederom (gedwongen) opgenomen geweest op de PAAZ-afdeling van het Catharinaziekenhuis. Na zijn ontslag uit het ziekenhuis is [appellant] medicatie blijven gebruiken en is hij psychiatrisch begeleid door (onder meer) de GGzE in [woonplaats] .

h. Bij brief van de toenmalige belangenbehartiger van [appellant] , de rechtskundige dienst van FNV, d.d. 13 augustus 1998 wordt vermeld dat de poliklinische revalidatiebehandeling is afgerond, dat er nog wel pijnklachten in de nek zijn en dat de psychische klachten geweken lijken te zijn (prod. 8 Achmea).

i. Nadat [appellant] het gebruik van de medicatie in augustus 1999 had afgebouwd, is hij op 11 mei 2000 opnieuw (gedwongen) opgenomen op de PAAZ-afdeling van het St. Josephziekenhuis in [woonplaats] in verband met een recidief paranoïd psychotisch toestandsbeeld. De volgende dag is hij naar huis gegaan, maar is na enkele uren een heropname gevolgd, waarna hij op 18 mei 2000 is overgeplaatst naar PZ De Grote Beek in [woonplaats] . Op 2 augustus 2000 is hij uit deze instelling ontslagen en heeft hij psychiatrische nazorg ontvangen van de GGzE/RIAGG in [woonplaats] . Voorts is hij medicatie blijven gebruiken.

j. Sedert het ongeval heeft [appellant] geen betaalde werkzaamheden meer verricht. Hij maakt sindsdien aanspraak op een arbeidsongeschiktheidsuitkering op basis van volledige arbeidsongeschiktheid.

k. Tot en met 2000 heeft Achmea als voorschot onder algemene titel aan [appellant] vergoed een bedrag van € 4.991,58. [appellant] was (en is) echter van mening dat de door hem als gevolg van het ongeval geleden schade veel hoger is, waarbij partijen van mening zijn blijven verschillen over het causaal verband tussen het ongeval en (het overgrote deel van) de door [appellant] gestelde omvang van de schade.

l. In dat verband hebben partijen psychiater prof. dr. [psychiater 1] (verder: [psychiater 1] ), verzocht onderzoek te doen naar de gezondheidssituatie van [appellant] . [psychiater 1] heeft dit onderzoek verricht op 23 februari 2001 (prod. 2 [appellant] ). Op basis van zijn onderzoek komt hij tot de diagnose schizofrenie. Omdat [appellant] zich niet kon verenigen met de bevindingen van [psychiater 1] , heeft diens onderzoek destijds niet kunnen bijdragen aan de totstandkoming van een schaderegeling.

m. In 2003 heeft Achmea als slotuitkering een bedrag van € 4.537,80 aan [appellant] betaald, zodat Achmea tot op heden een totaalbedrag heeft uitgekeerd van € 9.529,38.

n. Nadien heeft [appellant] psychiater prof. dr. [psychiater 2] (verder: [psychiater 2] ) gevraagd een contra-expertise te verrichten. Het onderzoek van [psychiater 2] heeft plaatsgevonden in december 2004 (prod. 3 [appellant] ). Ook [psychiater 2] komt op basis van zijn onderzoek en bestudering van het dossier tot de diagnose schizofrenie.

o. Eind 2007 heeft de GGzE de begeleiding van [appellant] beëindigd.

p. Partijen zijn er niet in geslaagd in onderling overleg een schaderegeling te treffen.

7.2.1.

[appellant] heeft bij dagvaarding van 27 juli 2012 de onderhavige procedure jegens Achmea aanhangig gemaakt en gevorderd dat Achmea wordt veroordeeld om aan [appellant] de volgende schadeposten te betalen:

  • -

    € 312.143,36 inzake verschenen en toekomstig verlies arbeidsvermogen,

  • -

    € 73.700,25 wegens verlies pensioenopbouw,

  • -

    € 10.000,00 inzake verplaatste schade,

  • -

    € 4.991,58 inzake medische kosten, diverse kosten en reiskosten,

  • -

    € 69.085,27 wegens wettelijke rente over genoemde posten tot 16 juli 2012,

  • -

    € 16.235,82 wegens buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met wettelijke rente,

te verminderen met het door Achmea reeds betaalde bedrag van € 9.529,38.

Voorts heeft [appellant] een door de rechtbank te begroten bedrag aan immateriële schadevergoeding gevorderd, met veroordeling van Achmea in de kosten van het geding.

7.2.2.

[appellant] heeft, kort gezegd, aan zijn vordering ten grondslag gelegd dat hij ten gevolge van het ongeval een post-whiplashsyndroom heeft opgelopen, dat zijn daaraan te wijten (nek)klachten en beperkingen reëel, niet ingebeeld, niet voorgewend en niet overdreven zijn en dat nu daarvoor een alternatieve oorzaak ontbreekt, zijn klachten en beperkingen als ongevalsgevolg dienen te worden gekwalificeerd. [appellant] heeft uitdrukkelijk de door [psychiater 1] en [psychiater 2] gestelde diagnose schizofrenie betwist; hij is van mening dat er sprake is van andere psychische verschijnselen, die door het ongeval zijn geluxeerd. Als het ongeval hem niet zou zijn overkomen, zou zijn tijdelijke arbeidscontract bij Philips zoals hem voor het ongeval was beloofd, zijn omgezet in een contract voor onbepaalde tijd, aldus [appellant] . Mitsdien is Achmea voor de door hem geleden schade aansprakelijk.

7.2.3.

Achmea heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

7.3.1.

In het tussenvonnis van 19 december 2012 heeft de rechtbank een comparitie van partijen gelast, die op 21 maart 2013 is gehouden. Het daarvan opgemaakte proces-verbaal bevindt zich in afschrift bij de stukken.

7.3.2.

In het eindvonnis van 24 juli 2015 heeft de rechtbank, beknopt weergegeven en voor zover in hoger beroep relevant, geoordeeld:

i. i) dat niet in geschil is dat [appellant] geen enkele schuld had aan het ongeval, dat zijn medische voorgeschiedenis (nagenoeg) blanco was, dat er als gevolg van het ongeval hoofdpijnklachten en pijnklachten in (onder meer) nek en schouders zijn ontstaan en dat overeenkomstig de consistente mededelingen van [appellant] aan diverse behandelaars ervan uit wordt gegaan dat [appellant] als gevolg van de pijnklachten en bezorgdheid over zijn gezondheid last heeft gekregen van slapeloosheid; dat niet onaannemelijk is dat [appellant] zich zorgen is gaan maken of zijn tijdelijke dienstverband zou worden verlengd en zo niet, dat zulks zou leiden tot financiële onzekerheid voor zijn nog jonge gezin; dat deze gevolgen, die direct samen hangen met het ongeval, door [appellant] als zeer ontwrichtend zijn ervaren en dat deze begin 1997 hebben geleid tot, dan wel bijgedragen aan een ernstige psychische decompensatie en dat vaststaat dat deze psychische problemen [appellant] hebben beperkt in zijn mogelijkheden om loonvormende arbeid te verrichten (r.o. 4.3);

ii) dat het redelijk is ervan uit te gaan dat indien [appellant] het ongeval niet was overkomen, hij in staat zou zijn geweest zijn werkzaamheden te continueren in een dienstverband dat qua arbeidsomstandigheden vergelijkbaar zou zijn geweest met zijn dienstverband bij Philips (r.o. 4.5);

iii) dat bij gebrek aan (voldoende overtuigende) andersluidende medische informatie en gelet op het feit dat inmiddels zestien jaren zijn verstreken de rechtbank in beginsel aansluiting zoekt bij de bevindingen van [psychiater 1] en [psychiater 2] (r.o. 4.8);

iv) dat op grond van de bevindingen van [psychiater 1] het ongeval een luxerende factor is geweest bij het ontstaan van de eerste psychotische ontsporing, dat [psychiater 2] zich daarbij aansluit door aan te geven dat stressvolle gebeurtenissen het moment bepalen waarop de ziekte zich manifesteert zonder zelf de ziekte te veroorzaken; dat [psychiater 2] verder opmerkt dat de schizofrenie zonder ongeval mogelijk op een ander tijdstip zou zijn ontstaan, maar dat de ziekte niet zou zijn voorkomen, dat niet exact is aan te geven op welke termijn de ziekte anders zou zijn ontstaan maar dat mag worden verwacht dat dit voor het 40e jaar zou zijn gebeurd (r.o. 4.10);

v) dat uitgaande van de juistheid van de diagnose schizofrenie redelijkerwijs mag worden aangenomen dat deze ziekte, overeenkomstig de mededelingen van [psychiater 1] en [psychiater 2] , is geluxeerd door het ongeval en dat de rechtbank ervan uitgaat dat de eerste psychotische episodes en de daarmee samenhangende arbeidsongeschiktheid in causaal verband staan tot het ongeval; dat [appellant] enige tijd volledig dan wel gedeeltelijk beperkt is geweest in zijn mogelijkheden om loonvormende arbeid te verrichten, zodat Achmea gehouden is de schade die uit deze arbeidsongeschiktheid voortvloeit te vergoeden, welke schade bestaat uit het verschil tussen de inkomsten die [appellant] , het ongeval weggedacht, had kunnen genereren en de inkomsten uit ziektewet-/arbeidsongeschiktheidsuitkering die hij sinds het ongeval heeft ontvangen (r.o. 4.11);

vi) dat mede op basis van de bevindingen van [psychiater 1] en [psychiater 2] de uit de schizofrenie voortvloeiende beperkingen in redelijkheid uiterlijk vanaf medio 2001 niet langer aan het ongeval mogen worden toegerekend (r.o. 4.13);

vii) dat ook voor de situatie zonder ongeval het redelijk is ervan uit te gaan dat [appellant] alsdan in de loop van 2001 ( [appellant] werd in [geboortedatum] van dat jaar 35) voor het eerst zou zijn getroffen door een schizofrene psychose, waardoor hij arbeidsongeschikt zou zijn geraakt, die ook dan niet in causaal verband met het ongeval zou staan, zodat Achmea in dit geval evenmin (nog langer) schadeplichtig zou zijn (r.o. 4.14);

viii) dat ingeval ervan moet worden uitgegaan dat de psychotische stoornis niet door schizofrenie is veroorzaakt de rechtbank uit de overgelegde medische informatie afleidt dat de psychische situatie sinds medio 2000, toen [appellant] is ontslagen uit PZ De Grote Beek, stabiel is geweest (r.o. 4.15);

ix) dat voor dat geval geldt dat [appellant] zijn stellingen omtrent het voortduren van zijn arbeidsongeschiktheid vanaf medio 2001 onvoldoende heeft onderbouwd, de rechtbank ervan uitgaat dat [appellant] , mogelijk behoudens lichte beperkingen als gevolg van nekklachten, vanaf medio 2001 redelijkerwijs in staat moest worden geacht om, vanuit een gefaseerde opbouw, weer (aangepaste) loonvormende arbeid te gaan verrichten, zodat Achmea vanaf medio 2001 niet langer gehouden is tot vergoeding van de gestelde inkomensschade (r.o. 4.16);

x) dat daargelaten welke diagnose op de situatie van [appellant] van toepassing is, Achmea gehouden is de schade te vergoeden die [appellant] als gevolg van verlies van arbeidsvermogen heeft geleden tot medio 2001, waarbij de rechtbank meer concreet uitgaat van een periode van 5 jaar na het ongeval, dus vanaf 15 september 1996 tot 15 september 2001 (r.o. 4.17);

xi) dat deze schade ex aequo et bono wordt vastgesteld op € 5.000,- netto per jaar, in totaal derhalve € 25.000,-, te vermeerderen met wettelijke rente ingaande telkens aan het einde van het jaar (r.o. 4.18);

xii) dat het bedrag van € 10.000,- aan verplaatste schade en/of hulpkosten wordt afgewezen, omdat dit geen schade betreft die [appellant] zelf heeft geleden (r.o. 4.19), maar dat de hulpkosten, die door de vrouw van [appellant] zijn gemaakt ( [appellant] vraagt vergoeding voor vele uren die zijn vrouw van hem heeft overgenomen in de huishouding, zorg voor de kinderen, klussen in en om het huis) worden begroot op € 2.500,- aangezien het voorstelbaar is dat deze kosten ten behoeve van [appellant] zijn gemaakt (r.o. 4.20);

xiii) dat vanwege het ontbreken van onderbouwing van alle gevorderde medische kosten slechts de kosten voor de aanschaf van een orthopedisch kussen toewijsbaar zijn (r.o.4.21);

xiv) dat gelet op alle omstandigheden van het geval de geleden immateriële schade wordt begroot op een bedrag van € 10.000,-, inclusief wettelijke rente tot aan de datum van de dagvaarding (r.o. 4.23);

xv) dat de gevorderde buitengerechtelijke kosten ad € 11.867,35 alsmede de kosten van het rapport van [psychiater 2] ad € 1.800,- en van [psychiater 3] ad € 352,50 toewijsbaar zijn (r.o. 4.25), maar dat de kosten van het rapport Laumen worden afgewezen omdat niet valt in te zien wat het nut is van het laten uitrekenen van inkomensschade op eenzijdige uitgangspunten zolang de discussie over het causaal verband niet is beslecht (r.o. 4.26).

Daarop heeft de rechtbank Achmea veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 56.511,43, te vermeerderen met de wettelijke rente zoals in het dictum van het vonnis nader omschreven, Achmea veroordeeld in de proceskosten en het meer of anders gevorderde afgewezen.

7.4.

Met het oog op HR 31 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:3076, bericht het hof partijen dat een van de raadsheren ten overstaan van wie de meervoudige comparitie is gehouden, thans geen deel meer uitmaakt van de civiele sector van het hof. Hoewel de regel uit genoemd arrest gelet op de in r.o. 3.4.6 van dat arrest geformuleerde overgangsmaatregel in dit geval niet rechtstreeks van toepassing is nu de inlichtingencomparitie is gehouden op 4 februari 2014, acht het hof het in het licht van die uitspraak wenselijk om partijen te informeren dat het onderhavige arrest om voormelde redenen deels in een andere samenstelling wordt gewezen.

7.5.

[appellant] heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden vonnissen en tot toewijzing van hetgeen hij in eerste aanleg heeft gevorderd, met veroordeling van Achmea in de proceskosten van beide instanties. [appellant] heeft tegen het tussenvonnis van 19 december 2012 geen grieven gericht, zodat hij in het hoger beroep tegen dat vonnis niet-ontvankelijk zal worden verklaard.

7.6.

Grief I richt zich tegen r.o. 4.13, 4.14 en 4.17 van het vonnis, grief II tegen r.o. 4.15 en 4.17 en grief III tegen r.o. 4.16 en 4.17 (zie de beknopte weergave in r.o. 7.3.2 sub vi t/m x).Volgens deze grieven heeft de rechtbank, kort gezegd, ten onrechte de looptijd van de schadevergoeding beperkt tot vijf jaar.

In het verlengde daarvan klaagt grief IV over vaststelling van het verlies van verdienvermogen op een bedrag van € 25.000,00. Volgens grief V heeft de rechtbank de hulpkosten ten onrechte begroot op € 2.500,00 en volgens grief VI de immateriële schade ten onrechte op € 10.000,00. Tot slot richt grief VII zich tegen de afwijzing van de kosten van het rapport Laumen.

Dit betekent dat de vorderingen inzake de verplaatste schade, voor zover deze niet de hulpkosten betreft, en de medische kosten geen deel meer uitmaken van de rechtsstrijd in hoger beroep.

7.7.

Grief I bestrijdt r.o. 4.13, 4.14 en de conclusie van rechtsoverweging 4.17.

Volgens de toelichting op deze grief heeft de rechtbank ten onrechte geconcludeerd dat de -uit de schizofrenie voortvloeiende - beperkingen (vanaf medio 2001) niet (langer) aan het ongeval kunnen worden toegerekend. [appellant] verwijst in de toelichting naar het rapport van de (wederom) door hem ingeschakelde psychiater [psychiater 3] . Daaruit blijkt volgens [appellant] dat hij sinds zijn opname in 2000 niet opnieuw psychotisch is geweest, terwijl het bovendien op grond van dit rapport de vraag is of de schizofrenie zonder ongeval geluxeerd zou zijn en zou hebben geleid tot een (nieuwe) psychiotische episode. [appellant] is echter sinds het ongeval doorlopend arbeidsongeschikt geweest, vanwege de psychische én lichamelijke gevolgen van het ongeval. Door de nadruk te leggen op de vraag of sprake is dan wel was van schizofrenie of een andere psychiatrische stoornis, heeft de rechtbank onvoldoende oog gehad voor de (overige) psychische en lichamelijke gevolgen van het ongeval en de verwerking daarvan en de looptijd ten onrechte beperkt tot vijf jaar, aldus [appellant] .

7.7.1.

Het hof overweegt als volgt.

7.7.2.

Zoals hiervoor aangegeven, heeft [appellant] ter onderbouwing van zijn standpunt advies ingewonnen bij psychiater [psychiater 3] (hierna: [psychiater 3] ), die ook eerder door [appellant] is geconsulteerd. Het hof gebruikt bewust de term ‘advies’. [psychiater 3] geeft immers aan dat zijn conclusies zijn gebaseerd op bestudering van het zeer uitgebreide dossier en overleg met de medisch adviseur (hof: [medisch adviseur] ) en de advocaat van [appellant] en niet op een (psychiatrisch) onderzoek van [appellant] zelf.

Achmea maakt bezwaar tegen het overleggen van het advies van [psychiater 3] en verzoekt het hof te besluiten dit naast zich naar te leggen, althans daar minder bewijskracht aan toe te kennen.

Het hof is van oordeel dat het [appellant] is toegestaan het advies van [psychiater 3] over te leggen. Dit advies geldt als een nadere onderbouwing van zijn (partij)standpunt, dat zich (mede) richt tegen de bevindingen en conclusies zoals neergelegd in de rapporten van [psychiater 1] en [psychiater 2] . Zoals Achmea terecht opmerkt, komt aan dit advies niet dezelfde bewijskracht toe als aan het rapport van [psychiater 1] , wiens expertise door beide partijen gezamenlijk is ingewonnen en waarbij Achmea ook betrokken is geweest bij de vraagstelling. Ook is het advies van [psychiater 3] naar het oordeel van het hof van minder gewicht dan het contra-expertiserapport van [psychiater 2] . Weliswaar is ook [psychiater 2] door [appellant] eenzijdig ingeschakeld, maar anders dan [psychiater 2] heeft [psychiater 3] [appellant] niet zelf onderzocht.

7.7.3.

Ondanks de beperkte omvang van zijn onderzoek komt [psychiater 3] tot enige conclusies. Deze luiden als volgt:

  • -

    “Ik ben van mening dat de diagnose schizofrenie in het verleden terecht is gesteld. Op het moment dat de diagnose werd gesteld, voldeed betrokkene aan de criteria voor het stellen van deze diagnose.

  • -

    Betrokkene is na het ongeval arbeidsongeschikt geworden. In de eerste jaren na het ongeval was duidelijk dat op grond van de psychiatrische problematiek betrokkene niet in staat is geweest om te werken. Hierbij is onderbelicht gebleven dat er mogelijk ook lichamelijke gevolgen van het ongeval waren, die een rol speelden bij de arbeidsongeschiktheid.

  • -

    Het is niet goed op te maken uit het medisch dossier hoelang betrokkene symptomen of klachten heeft gehad op mijn vakgebied. Bij de psychiatrische beoordelingen in 2001 en 2004 worden er in het verslag van het psychiatrisch onderzoek geen duidelijke psychotische of andere bij schizofrenie passende symptomen (negatieve symptomatologie, cognitieve stoornissen) genoemd.

Ten overvloede: dit neemt niet weg dat de diagnose schizofrenie juist was. Zoals aangegeven in het gedeelte Overwegingen is het mogelijk dat er na een psychotische episode sprake is van totale remissie van de klachten en dat er geen sprake is van restverschijnselen.

- Het is duidelijk dat betrokkene na 2000 niet meer psychotisch is geweest. Sinds 2007 gebruikt betrokkene geen anti psychotische medicatie meer en is er geen sprake meer van psychiatrische behandeling of begeleiding. Buiten een korte periode in 2012 heeft betrokkene ook nooit met zijn huisarts contact gehad in verband met psychiatrische problemen of spanningen.”

7.7.4.

Zo zulks al niet vast stond, dan is het hof van oordeel dat op grond van de bevindingen van [psychiater 1] , de daarmee overeenstemmende bevindingen van [psychiater 2] en de hiervoor onder het eerste gedachtestreepje vermelde mening van [psychiater 3] , thans in ieder geval vaststaat dat de diagnose schizofrenie terecht bij [appellant] is gesteld. Op grond van de rapportages van [psychiater 1] en [psychiater 2] gaat ook het hof ervan uit dat het ongeval de luxerende factor is geweest bij het ontstaan van de eerste psychotische ontsporing. Om die reden heeft de rechtbank terecht de ernstige psychische decompensatie van [appellant] en de gevolgen daarvan, zoals de omstandigheid dat hij niet in staat was loonvormende arbeid te verrichten, aan het ongeval toegerekend.

7.7.5.

Het hof volgt [appellant] evenwel niet in zijn standpunt, dat uit het advies van [psychiater 3] volgt dat de rechtbank ten onrechte heeft geconcludeerd dat de - uit de schizofrenie voortvloeiende - beperkingen vanaf 15 september 2001 niet (langer) aan het ongeval kunnen worden toegerekend. Anders dan [appellant] stelt, is het advies van [psychiater 3] onvoldoende om de conclusie te rechtvaardigen dat [appellant] sinds 2000 niet opnieuw psychotisch is geweest of opgenomen is geweest wegens een psychiatrische stoornis. De enkele constatering van [psychiater 3] dat [appellant] sinds 2000 niet meer psychotisch is geweest, is daartoe onvoldoende. Vaststaat immers dat [appellant] tot 2007 anti-psychotische medicatie gebruikte. Voorts is de opmerking van [psychiater 3] dat er sinds 2007 bij [appellant] geen sprake meer is geweest van psychiatrische behandeling of begeleiding niet juist, althans niet volledig. Zoals ook [psychiater 3] opmerkt, heeft [appellant] in 2012 zijn huisarts geconsulteerd in verband met psychische problemen, was de huisarts bezorgd en achtte deze begeleiding door de GGzE zinvol. Het hof verwijst in dit verband naar het door [appellant] voorafgaande aan de comparitie overgelegde huisartsenjournaal (voormelde prod. 2 [appellant] ), waarin de huisarts naar aanleiding van een consult op 31 oktober 2012 heeft genoteerd:

“ (S) heer ontkent de noodzaak van begeleiding bij GGZE; verklaart alles in verband met stress rondom neef en gezien het feit dat het nu opgelost is zijn zijn problemen ook opgelost! Heeft ook gevoel zonder medicatie te kunnen. (…)

(P) na een uitputtend gesprek heer en mevrouw niet te overtuigen van nut ggz begeleiding.”

Dat er in genoemde periode geen sprake is geweest van psychiatrische begeleiding is derhalve te wijten aan het niet opvolgen van het advies van de huisarts door [appellant] en dat betekent niet dat die begeleiding om medische redenen op dat moment niet nodig c.q. wenselijk was. Overigens blijkt uit het huisartsenjournaal dat [appellant] kort voor het genoemde consult, op 13 oktober 2012, nog opgenomen is geweest in het Catharinaziekenhuis vanwege psychische problemen.

7.7.6.

Het hof acht de bezwaren van [appellant] , waarvoor hij verwijst naar het advies van [psychiater 3] , onvoldoende deugdelijk en zwaarwegend om af te wijken van de deugdelijke en goed onderbouwde conclusie van zowel [psychiater 1] als [psychiater 2] .

[psychiater 1] heeft in zijn rapport (p. 13) het volgende geconstateerd:

“Het is mogelijk dat onderzochte door het ongeluk whiplash(achtige)klachten heeft opgelopen (één en ander ter beoordeling van de neuroloog) en dat hij daar beperkingen van ondervond. Of en in hoeverre de verwerking van die klachten en beperkingen in de richting van insufficiëntiegevoelens en het zich door de directe omgeving niet serieus genomen voelen toen reeds werden bepaald door een beginnend paranoïd-psychotische ontwikkeling is denkbaar, maar met de beschikbare gegevens niet hard te maken. Evenmin kan in principe worden uitgesloten dat de verwerkingsproblemen na het ongeval een “brief reactive psychosis” hebben veroorzaakt. Gelet op het ziektebeloop zoals wij dat thans kennen is het aannemelijker dat toen een (eerste) schizofrene psychose werd geluxeerd. In elk geval werd onderzochte in januari 1997 voor het eerst in paranoïd-psychotische toestand opgenomen en korte tijd later gebeurde dat nog eens.(…)

Het ziektebeloop met nog eens een paranoïd hallucinatoir psychotisch recidief, laatstelijk in 2000, en duidelijker aanwijzingen voor de diagnose “schizofrenie” maken een causale samenhang tussen de psychotische ontsporingen en het ongeval waar deze expertise betrekking op heeft, onaannemelijk en dat geldt zeker voor het huidige postpsychotische toestandsbeeld. De klachten en verschijnselen waar onderzochte thans mee naar voren komt passen nog het best bij het zogenaamde negatieve symptomencomplex. Zelfs een indirect verband met het trauma kan thans naar mijn mening niet meer worden verdedigd.”

[psychiater 2] sluit zich in zijn rapport bij deze conclusie van [psychiater 1] over het ontbreken van causaal verband tussen de - beperkingen voortvloeiende uit de schizofrenie – en het ongeval aan en merkt vervolgens op (p. 7):

“Dit betekent dat moet worden aangenomen dat de psychiatrische ziekte zonder het ongeval in 1996 mogelijk op een ander tijdstip zou zijn ontstaan, maar dat het niet zou zijn voorkomen.”

Zijn antwoord op vraag 2d (Zouden de huidige klachten en/of verschijnselen ook op enig moment zijn ontstaan als betrokkene het ongeval niet was overkomen? Zo ja, op welke termijn?) luidt als volgt (p.8):

“Als het ongeval betrokkene niet was overkomen zouden de daarna ontstane klachten en/of verschijnselen waarschijnlijk ook toch op enig moment zijn ontstaan. Op welke termijn dat zou zijn gebeurd is niet exact aan (te) geven, maar verwacht mag worden dat (dat) voor zijn 40e jaar zou zijn gebeurd.”

Het hof is dan ook van oordeel dat de rechtbank op juiste en deugdelijke gronden, die het hof overneemt en tot de zijne maakt, op grond van de hiervoor geciteerde bevindingen van met name [psychiater 2] de looptijd van de schadevergoedingsverplichting van Achmea ten aanzien van de beperkingen van [appellant] , voortvloeiende uit schizofrenie, heeft beperkt tot vijf jaren na het ongeval, dus tot 15 september 2001. Om die reden heeft het hof (vooralsnog) geen behoefte aan een nadere psychiatrische expertise, zoals [appellant] voorstelt.

Nog daargelaten dat niet vaststaat dat de schizofrenie in (volledige) remissie is, zoals [appellant] stelt, is zulks niet relevant aangezien de daaruit voortvloeiende beperkingen vanaf medio 2001 niet (langer) aan het ongeval kunnen worden toegerekend. In zoverre faalt grief I.

7.8.

In randnummer 8 van de toelichting op grief I stelt [appellant] dat de rechtbank te weinig oog heeft gehad voor de (overige) psychische en lichamelijke gevolgen van het ongeval en de verwerking daarvan en om die reden ten onrechte de looptijd heeft beperkt tot vijf jaar. Dit wordt nader uitgewerkt in de grieven II en III. Door het ongeval heeft [appellant] niet alleen een psychose gekregen, maar is hij ook lichamelijk beperkt geraakt en bovendien heeft hij de gevolgen van het ongeval – verlies van zijn baan, hobby’s, en het gelukkige gezinsleven – waarschijnlijk niet goed kunnen verwerken. Daarvoor is in eerste aanleg onvoldoende oog geweest. De rechtbank is eraan voorbij gegaan dat [appellant] heeft gesteld dat hij ook nu nog dagelijks te kampen heeft met hoofdpijn. Uit de medische informatie vanaf 2007 van gezondheidscentrum De Pastorie blijkt dat hij structureel Ibuprofen slikt en zich diverse malen – in januari, februari en november 2012, van april t/m december 2013 en in april 2014 - tot de huisarts heeft gewend in verband met lichamelijke klachten (myogene klachten schouder/rug), aldus de toelichting op de grieven II en III.

Deze grieven lenen zich voor een gezamenlijke beoordeling.

7.8.1.

Het hof overweegt als volgt.

7.8.2.

Vaststaat dat [appellant] kort na het ongeval heeft geklaagd over hoofdpijn en pijnklachten in (onder meer) nek en schouders. Het hof verwijst naar r.o. 7.1 sub c en d en naar het begin van de hiervoor in r.o. 7.7.6 geciteerde passage uit het rapport van [psychiater 1] . Het hof is van oordeel dat, gelet op de zich begin 1997, dus relatief kort na het ongeval van 15 september 1996, voordoende psychische problemen en de daarmee gepaard gaande ernstige psychische decompensatie gevolgd door diverse, al dan niet gedwongen, psychiatrische opnames van [appellant] , de lichamelijke gevolgen van het ongeval en/of de psychische verwerking daarvan mogelijk onderbelicht zijn gebleven.

De stelplicht en bewijslast van het bestaan van de lichamelijke klachten - onder meer nekklachten en (hoofd)pijnklachten - als ook van het causaal verband tussen het ongeval en deze klachten rusten op [appellant] .

7.8.3.

Wat betreft het bestaan van de klachten overweegt het hof als volgt.

[neuroloog] , neuroloog, rapporteert op 24 januari 1997 (prod. 5 MvG):

“(…) hij sinds half september, toen hij een auto-ongeval had gehad, heftige pijn in nek had waarbij hij bijna niets kan bewegen met tintelingen in de armen links meer dan rechts en zegt verder ook overal pijn te hebben. (…)

Neurologisch onderzoek: Bij neurologisch onderzoek worden behoudens wat bemoeilijkte nekbewegingen geen duidelijke afwijkingen gevonden. (…)”

[revalidatie-arts] , als revalidatie-arts werkzaam bij Blixembosch, schrijft in een brief aan de huisarts van [appellant] van 5 februari 1997 (prod. 7 MvG) onder meer:

Conclusie:

Ongeval met nektrauma, waarna persisteren en verergerende hoofdpijnklachten en verder in het lichaam verspreid aanwezige klachten van pijn, paresthesiën in handen en voeten en neuropsychologische stoornissen, allen leidend tot toenemende beperkingen en gepaard gaande met insufficiëntiegevoelens. De thuissituatie wordt steeds moeilijker (…).”

Ook in de daarop volgende brieven van [revalidatie-arts] 20 mei 1997, 31 oktober 1997, 28 november 1997, 6 maart 1998, 2 juni 1998 en 2 februari 1999 wordt melding gemaakt van persisterende pijnklachten in nek en hoofdpijnklachten (prod. 9, 10,11, 13 MvG, prod. 11 inl. dagv. en prod.15 MvG). Het hof verwijst voorts naar de in randnummer 12 van de memorie van grieven vermelde medische informatie uit de behandeld sector, die met de informatie van [neuroloog] en [revalidatie-arts] overeenstemt. Het hof concludeert op grond van deze medische gegevens dat vanaf het ongeval tot – in ieder geval – begin 1999 niet onaannemelijk is dat in genoemde periode sprake was van een plausibel klachtenpatroon.

7.8.4.

Of [appellant] in deze periode, althans in ieder geval tot 15 september 2001, ten gevolge van deze klachten niet in staat was loonvormende arbeid te verrichten is niet relevant. Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, staat ook in dit hoger beroep vast dat [appellant] tot 15 september 2001 daartoe niet in staat was vanwege zijn (mede) door het ongeval veroorzaakte psychische klachten en daaruit voortvloeiende beperkingen.

Het komt erop neer dat thans beoordeeld moet worden of sprake is van:

  1. het bestaan van whiplashachtige klachten en daaruit voortvloeiende beperkingen vanaf 15 september 2001 en indien dat komt vast te staan:

  2. het causaal verband tussen deze klachten en beperkingen en het ongeval uit 1996.

Anders dan [appellant] stelt, staat op grond van de overgelegde medische informatie niet, althans onvoldoende vast dat [appellant] ook na 15 september 2001 de gestelde klachten heeft gehad - de enkele mededeling van [appellant] dat hij dagelijks last heeft van hoofdpijn is daartoe onvoldoende - en thans staat evenmin vast dat die klachten te wijten zijn aan het ongeval. Ook de meer recente medische informatie over de myogene klachten in de schouder en rug is onvoldoende om op grond daarvan te kunnen concluderen dat deze klachten zijn veroorzaakt door het ongeval. Voorts moet, indien de (realiteit van de) klachten komt vast te staan, nog worden onderzocht of de klachten tot dusdanige beperkingen leiden dat [appellant] daardoor niet is staat is om loonvormende arbeid te verrichten. Het hof is van oordeel dat daarvoor nieuw deskundigenonderzoek nodig is - het hof is, anders dan Achmea meent, van oordeel dat [appellant] daartoe voldoende heeft gesteld -, waarbij evenwel moet worden aangetekend dat gelet op het tijdsverloop het wellicht voor een deskundige moeilijk zal zijn een en ander te beoordelen. Mocht een deskundige dit niet kunnen beoordelen, dan is dit voor rekening en risico van [appellant] .

7.8.5.

Anders dan [appellant] op grond van het advies van [psychiater 3] voorstelt, ziet het hof (vooralsnog) geen aanleiding voor een nieuw psychiatrisch onderzoek. Gelet op de gestelde lichamelijke klachten acht het hof een onderzoek door een neuroloog of revalidatiearts geboden. [appellant] baseert de door hem gestelde arbeidsongeschiktheid vanaf 15 september 2001 immers primair op de door hem gestelde lichamelijke klachten en stelt daarnaast dat hij de lichamelijke gevolgen van het ongeval mogelijk psychisch niet goed heeft kunnen verwerken. Daartoe verwijst hij naar het advies van [psychiater 3] , waarin deze aangeeft dat sprake zou kunnen zijn van een somatoforme stoornis dan wel een verwerkingsstoornis.

Het hof is voornemens aan de te benoemen deskundige de IWMD-vraagstelling ter beantwoording voor te leggen, waarbij deze enigszins dient te worden toegesneden op het onderhavige geval in die zin dat aan de deskundige zal worden gevraagd of deze nader gelet op de gestelde verwerkingsproblematiek onderzoek door een psychiater nodig acht.

7.8.6.

De aan de deskundige – zoals gezegd: het hof denkt aan een neuroloog of een revalidatie-arts – te stellen vragen luiden (vooralsnog) als volgt:

1 DE SITUATIE MET ONGEVAL

Anamnese
a. Hoe luidt de anamnese voor wat betreft de aard en de ernst van het letsel, het verloop van de klachten, de toegepaste behandelingen en het resultaat van deze behandelingen? Welke overige klachten en beperkingen op uw vakgebied worden desgevraagd gemeld? Wilt u in uw anamnese vermelden welke beperkingen op uw vakgebied de onderzochte aangeeft in relatie tot de activiteiten van het algemene dagelijkse leven (ADL), loonvormende arbeid en het uitoefenen van hobby’s, bezigheden in recreatieve sfeer en zelfwerkzaamheid?

Medische gegevens
b. Wilt u op basis van het medisch dossier van de onderzochte een beschrijving geven van:
- de medische voorgeschiedenis van de onderzochte op uw vakgebied;
- de medische behandeling van het letsel van de onderzochte en het resultaat daarvan.

Medisch onderzoek
c. Wilt u een beschrijving geven van uw bevindingen bij lichamelijk en eventueel hulponderzoek? Acht u op grond van uw onderzoek een nader psychiatrisch onderzoek nodig?

Consistentie
d. Is naar uw oordeel sprake van een onderlinge samenhang als het gaat om de informatie die is verkregen van de onderzochte zelf, de feiten zoals die uit het medisch dossier naar voren komen en uw bevindingen bij onderzoek en eventueel hulponderzoek?
e. Voor zover u de vorige vraag ontkennend beantwoordt, wilt u dan aangeven wat de reactie was van de onderzochte op de door u geconstateerde inconsistenties en welke conclusies u daaruit trekt?

Diagnose
f. Wat is de diagnose op uw vakgebied? Wilt u daarbij uw differentiaal diagnostische overweging geven?

Beperkingen
g. Welke beperkingen op uw vakgebied bestaan naar uw oordeel bij de onderzochte in zijn toestand vanaf medio 2001 tot heden, ongeacht of de beperkingen voortvloeien uit het ongeval? Wilt u deze beperkingen zo uitgebreid mogelijk beschrijven, op semi-kwantitatieve wijze weergeven en zo nodig toelichten ten behoeve van een eventueel in te schakelen arbeidsdeskundige?

Medische eindsituatie
h. Acht u de toestand sedert medio 2001 van de onderzochte zodanig dat een beoordeling van de blijvende gevolgen van het ongeval mogelijk is, of verwacht u in de toekomst nog een belangrijke verbetering of verslechtering van het op uw vakgebied geconstateerde letsel?
i. Zo ja, welke verbetering of verslechtering verwacht u?
j. Kunt u aangeven op welke termijn en in welke mate u die verbetering dan wel verslechtering verwacht?
k. Kunt u aangeven welke gevolgen deze verbetering dan wel verslechtering zal hebben voor de beperkingen (als bedoeld in vraag 1g)?

2 DE SITUATIE ZONDER ONGEVAL

Meestal zal het niet mogelijk zijn om onderstaande vragen (met name de vragen 2c - 2e) met zekerheid te beantwoorden. Van u wordt ook niet gevraagd zekerheid te bieden. Wel wordt gevraagd of u vanuit uw kennis en ervaring op uw vakgebied uw mening wilt geven over kansen en waarschijnlijkheden. Het is dus de bedoeling dat u aangeeft wat u op grond van uw deskundigheid op uw vakgebied op deze vragen kunt antwoorden.

Klachten, afwijkingen en beperkingen voor ongeval
a. Bestonden voor het ongeval bij de onderzochte reeds klachten en afwijkingen op uw vakgebied die de onderzochte vanaf medio 2001 en eventueel thans nog steeds heeft?
b. Zo ja, kunt u dan aangeven welke beperkingen voor het ongeval uit deze klachten en afwijkingen voortvloeiden sedert medio 2001 en thans nog steeds uit deze klachten en afwijkingen voortvloeien?

Klachten, afwijkingen en beperkingen zonder ongeval
c. Zijn er daarnaast op uw vakgebied klachten en afwijkingen die er ook zouden zijn geweest of op enig moment ook hadden kunnen ontstaan, als het ongeval de onderzochte niet was overkomen?
d. Zo ja (dus zonder ongeval ook klachten), kunt u dan een indicatie geven met welke mate van waarschijnlijkheid, op welke termijn en in welke omvang de klachten en afwijkingen dan hadden kunnen ontstaan?
e. Kunt u aangeven welke beperkingen uit deze klachten en afwijkingen zouden zijn voortgevloeid?
f. Verwacht u in de toekomst nog een belangrijke verbetering of verslechtering van de op uw vakgebied geconstateerde niet-ongevalsgerelateerde klachten en afwijkingen?
g. Zo ja, welke verbetering of verslechtering verwacht u?
h. Kunt u aangeven op welke termijn en in welke mate u die verbetering dan wel verslechtering verwacht?
i. Kunt u aangeven welke gevolgen deze verbetering dan wel verslechtering zal hebben voor de beperkingen (als bedoeld in vraag 2e)?

3 OVERIG

a. Heeft u naar aanleiding van uw bevindingen nog opmerkingen die relevant kunnen zijn voor het verdere verloop van deze zaak?

4.8.7.

Gelet op de omstandigheden van het geval is het hof voornemens om de kosten van de deskundige (vooralsnog) ten laste van Achmea te brengen.

4.9.

De zaak wordt naar de rol verwezen om partijen in de gelegenheid te stellen zich over de vraagstelling, de deskundigheid en de persoon van de deskundige, bij voorkeur eensluidend, uit te laten.

4.10.

In afwachting daarvan wordt iedere verdere beoordeling van de grieven aangehouden.

8 De uitspraak

Het hof:

verklaart [appellant] niet-ontvankelijk in het hoger beroep van het vonnis van 19 december 2012;

verwijst de zaak naar de rol van 1 september 2015 voor een akte uitlating aan de zijde van [appellant] met de hiervoor in r.o. 4.9 omschreven doeleinden;

verstaat dat Achmea daarna een antwoordakte mag nemen;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. H.A.W. Vermeulen, M.J.H.A. Venner-Lijten en M. van Ham en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 21 juli 2015.

griffier rolraadsheer