Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2015:2759

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
21-07-2015
Datum publicatie
22-07-2015
Zaaknummer
HD 200.136.513_01
Formele relaties
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2014:829
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2014:4672
Cassatie: ECLI:NL:HR:2017:161, (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
Herstelarrest: ECLI:NL:GHARL:2019:2630
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verrekening huwelijksvermogensrecht. Niet uitgevoerd periodiek verrekenbeding. Verrekening achterstallige kinderalimentatie met verrekenvordering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FJR 2016/24.17
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer HD 200.136.513/01

arrest van 21 juli 2015

in de zaak van

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats],

appellante,

advocaat: mr. K.G.J. Verbong te Hoensbroek, gemeente Heerlen,

tegen

[de man],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

advocaat: mr. R.F. Cohen te Sittard, gemeente Sittard-Geleen;

als vervolg op de door het hof gewezen tussenarresten van 25 maart 2014 en 11 november 2014 in het hoger beroep van het door de rechtbank Limburg onder zaaknummer C/03/142141/HA ZA 09-841 gewezen vonnis van 18 september 2013.

8 Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenarrest van 11 november 2014;

  • -

    de akte na tussenarrest zijdens de man van 20 april 2015 met producties;

  • -

    de akte na tussenarrest zijdens de vrouw van 28 april 2015 met producties;

  • -

    het faxbericht van de advocaat van de vrouw van 18 mei 2015, waarbij zij het hof heeft bericht dat het in de verrekening te betrekken banksaldo € 5.526,61 bedraagt;

  • -

    het faxbericht van de advocaat van de man van 22 mei 2015, waarbij hij het hof heeft bericht akkoord te zijn met het in de verrekening te betrekken banksaldo van € 5.526,61.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald.

9 De verdere beoordeling

9.1.1.

Bij genoemd tussenarrest heeft het hof geoordeeld dat artikel 9 lid 1 van de huwelijkse voorwaarden aldus uitgelegd dient te worden dat alleen wordt afgerekend alsof tussen de echtgenoten een algehele gemeenschap van goederen heeft bestaan indien zij dit beiden wensen.

9.1.2.

Nu afrekening als bedoeld in artikel 9 lid 1 huwelijkse voorwaarden niet aan de orde is, heeft het hof bij genoemd tussenarrest vastgesteld dat er sprake is van een niet uitgevoerd periodiek verrekenbeding (artikel 8 van de huwelijkse voorwaarden), zodat verrekend dient te worden met inachtneming van het bepaalde in artikel 1:141 BW.

9.1.3.

Het hof heeft vervolgens aangegeven behoefte te hebben aan nadere inlichtingen van partijen. Met het oog daarop heeft het hof een (meervoudige) comparitie van partijen gelast, waarbij partijen in de gelegenheid zijn gesteld voorafgaand aan deze comparitie inlichtingen te verschaffen over de omvang van de verrekenplicht op de peildatum, onderbouwd met justificatoire bescheiden.

9.2.

De comparitie is gehouden op 13 mei 2015.

9.3.

Voor zover de man ter comparitie heeft betoogd dat het hof dient terug te komen van zijn beslissing in rov. 6.7.5 - dat artikel 9 lid 1 van de huwelijkse voorwaarden aldus uitgelegd dient te worden dat alleen wordt afgerekend alsof tussen de echtgenoten een algehele gemeenschap van goederen heeft bestaan indien zij dit beiden wensen -, overweegt het hof het volgende.

Het gaat hier om een zogenaamde bindende eindbeslissing waaraan het hof in beginsel in het verdere verloop van de procedure is gebonden. Deze gebondenheid geldt echter niet onverkort. De eisen van de goede procesorde brengen immers tevens mee dat de rechter aan wie is gebleken dat een eerdere door hem gegeven, maar niet in een einduitspraak vervatte eindbeslissing berust op een onjuiste juridische of feitelijke grondslag, bevoegd is om, nadat partijen de gelegenheid hebben gekregen zich dienaangaande uit te laten, over te gaan tot heroverweging van die eindbeslissing, teneinde te voorkomen dat hij op een ondeugdelijke grondslag een einduitspraak zou doen. In hetgeen de man ter gelegenheid van de comparitie van partijen heeft aangevoerd, blijkt niet van de bedoelde onjuiste juridische of feitelijke grondslag waardoor het hof geen aanleiding ziet om deze beslissing te heroverwegen. Het hof wijst er in dit verband in het bijzonder op dat de opinie van de notaris waarop de man zich beroept (prod. 9) niet afkomstig is van de notaris voor wie de huwelijkse voorwaarden zijn gepasseerd, maar van een opvolgend notaris, en de opinie van [de notaris] (prod. 10)
gebaseerd is op de tekst van de huwelijkse voorwaarden (en niet, in de bewoordingen van die opinie, “het Haviltexen”, tot uitgangspunt heeft genomen). Het hof blijft derhalve bij zijn beslissing op de in rov. 6.7.5 van het tussenarrest vermelde gronden.

9.4.

Ingevolge artikel 1:141 lid 3 BW wordt, nu partijen het in artikel 8 onder 1 van de huwelijkse voorwaarden genoemde periodiek verrekenbeding niet hebben uitgevoerd, het bij het einde van het huwelijk aanwezige vermogen vermoed te zijn gevormd uit hetgeen verrekend had moeten worden, tenzij uit de eisen van redelijkheid en billijkheid in het licht van de aard en omvang van de verrekenplicht anders voortvloeit.

9.5.

Nu in de huwelijkse voorwaarden geen regeling is opgenomen ten aanzien van het eindigen van de periodieke verrekenplicht, heeft het hof bij genoemd tussenarrest in rov. 6.9 overwogen dat op grond van artikel 1:142 lid 1 sub b BW als peildatum voor de samenstelling en omvang van het te verrekenen vermogen de datum van indiening van het verzoekschrift tot echtscheiding heeft te gelden, zijnde 15 juli 2008. Daarbij heeft het hof voorts overwogen dat vanaf deze datum ook de wettelijke rente over de verrekenvordering is verschuldigd.

9.6.

Ter comparitie is duidelijk geworden dat de discussie van partijen aangaande de omvang van de verrekenplicht op de peildatum – 15 juli 2008 – zich beperkt tot de volgende vermogensbestanddelen:

  • -

    de voormalige echtelijke woning;

  • -

    de Honda;

  • -

    de onderneming van de man;

  • -

    de bankrekening;

  • -

    de inboedel.

9.7.

Het hof zal hierna op ieder hiervoor weergegeven vermogensbestanddeel ingaan.

9.8.

De voormalige echtelijke woning

9.8.1.

Partijen zijn het oneens over de grootte van het aan de man toekomende aandeel in de waarde van de woning (gelegen aan [het adres] te [plaats]) van de vrouw nu zij het niet eens zijn over de omvang van de investeringen in de woning van de vrouw.

De vrouw stelt zich op het standpunt dat alleen de aflossingen op de hypotheek moeten worden aangemerkt als een investering in de woning nu deze met overgespaard inkomen zijn verricht.

De man daarentegen meent dat hij aanspraak maakt op de helft van de waardevermeerdering van de woning, nu er – naast dat er door partijen met overgespaard inkomen is afgelost op de hypotheek – ook met overgespaard inkomen verbouwingen van de woning zijn bekostigd, alsook, althans zo begrijpt het hof, nu slechts een deel van de verkoopopbrengst van de eerder aan de vrouw in eigendom toebehorende woning aan [het adres] te [plaats] als privévermogen van de vrouw valt aan te merken, aangezien de man zowel vóór als tijdens het huwelijk door middel van arbeid en eigen vermogen heeft geïnvesteerd in deze eerdere woning, welke woning in 1997 is verkocht en waarvan de verkoopopbrengst minus de hypotheekschuld is aangewend voor de aankoop van de onderhavige woning aan [het adres].

9.8.2.

Het hof overweegt als volgt.

Ten aanzien van de investeringen in de woning aan [het adres]

Het hof stelt voorop dat de woning aan [het adres] reeds voordat partijen zijn getrouwd eigendom was van de vrouw. Omtrent de vraag op welke juridische grondslag de man (voor zo ver het betreft de voorhuwelijkse periode) aanspraak maakt op een deel van de waarde(stijging) van de woning aan [het adres] tast het hof in het duister (ook omdat de man daaromtrent niets heeft gesteld). Voor zo ver de man al met eigen vermogen zou hebben geïnvesteerd in de woning van de vrouw – volgens de vrouw is dit overigens niet het geval – zou dit hooguit tot een vergoedingsrecht kunnen leiden. Nu de man hieromtrent verder niets heeft gesteld, gaat het hof hieraan voorbij.

Voor zover het de huwelijkse periode betreft, heeft de man naar het oordeel van het hof in het licht van de gemotiveerde betwisting door de vrouw onvoldoende gesteld om te kunnen concluderen dat er van zijn zijde sprake is geweest van investeringen in die woning die zouden kunnen leiden tot een aanspraak op een aandeel in de waarde(stijging) van de woning aan [het adres]. Voor zover de man al met eigen vermogen zou hebben geïnvesteerd in de woning van de vrouw, hetgeen de vrouw betwist, leidt dit – zoals hiervoor overwogen - hooguit tot een vergoedingsrecht. Nu de man hieromtrent verder niets heeft gesteld, gaat het hof hieraan voorbij.

Ten aanzien van de woning aan [het adres]

Partijen zijn het eens dat voor zover is afgelost op de hypotheken met betrekking tot deze woning, deze aflossingen in de verrekening moeten worden betrokken, nu is afgelost met overgespaard inkomen. De man heeft gesteld dat de verbouwingen in de woningen zijn gefinancierd met overgespaard inkomen en met privévermogen aan zijn zijde zodat ook deze investeringen in de verrekening moeten worden betrokken. De vrouw heeft deze stelling gemotiveerd betwist. Het hof is van oordeel dat de man in het licht van de gemotiveerde betwisting van de vrouw, onvoldoende gesteld heeft teneinde te kunnen concluderen dat de verbouwingen van de woning van de vrouw zijn gefinancierd met overgespaard inkomen dan wel met privévermogen van de man.

Het voorgaande leidt derhalve tot de conclusie dat alleen de aflossingen op de hypotheek kunnen worden aangemerkt als investeringen in de woning van de vrouw met overgespaard inkomen.

9.8.3.

Met toepassing van de rekenmethode, zoals onder andere gehanteerd in HR 10 juli 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI4387 is het aandeel van de man in de waarde van de woning van de vrouw dan als volgt te berekenen: er dient een breukgetal te worden vastgesteld waarvan de teller bestaat uit het bedrag dat uit overgespaarde inkomsten is afgelost op de hypothecaire leningen en de noemer uit de waarde van de woning ten tijde van de aankoop en het resultaat daarvan te vermenigvuldigen met de waarde van de woning op de peildatum.

Wat betreft de waarde van de woning op de peildatum, zijn partijen ter comparitie het eens geworden dat daarvoor uit gegaan moet worden van een waarde van € 550.000,-. Nu de vrouw verder onbetwist heeft gesteld dat het bedrag dat uit overgespaarde inkomsten is afgelost op de hypothecaire geldleningen in totaal € 21.403,69 bedraagt en de waarde van de woning ten tijde van de aankoop € 176.974,28 bedroeg, komt het voorgaande neer op een bedrag van ((€ 21.403,69 : € 176.974,28) x € 550.000,- =) € 66.518,31. De man heeft aanspraak op de helft daarvan, dus € 33.259,15. Aldus zal het hof bepalen.

9.9.

De Honda

Ter comparitie zijn partijen het eens geworden over de voor verrekening in aanmerking komende waarde van de Honda die na de echtscheiding in het bezit is gebleven van de vrouw, te weten een bedrag van € 7.850,-. Aan de man komt daarvan de helft toe, zijnde een bedrag van € 3.925,- .

9.10.

De onderneming van de man

Ter comparitie zijn partijen het voorts eens geworden over de voor verrekening in aanmerking komende waarde van de onderneming van de man, te weten een bedrag van € 6.612,-. Aan de vrouw komt daarvan de helft toe, zijnde een bedrag van € 3.306,-.

9.11.

De bankrekening

9.11.1.

De vrouw heeft gesteld dat het saldo van de gezamenlijke bankrekening bij de Rabobank met rekeningnummer [rekeningnummer] tussen partijen bij helfte moet worden verdeeld.

9.11.2.

Het hof overweegt als volgt.

Ter comparitie hebben partijen vastgesteld dat het saldo van de gezamenlijke bankrekening bij de Rabobank per peildatum 15 juli 2008 negatief was, zodat van verrekening van enig positief saldo geen sprake kan zijn. Verder is ter comparitie naar voren gekomen dat de vrouw beschikt over een spaarrekening. Partijen zijn overeengekomen dat het saldo op die rekening tussen hen bij helfte dient te worden verdeeld. Bij faxbericht van 18 mei 2015 heeft de vrouw het hof bericht dat het voor verdeling in aanmerking komende saldo per peildatum 15 juli 2008 € 5.526,61 bedraagt. Bij faxbericht van 22 mei 2015 heeft de man het hof bericht dat hij daarmee akkoord kan gaan. Het voorgaande betekent dat de vrouw aan de man dient te voldoen een bedrag van € 2.763,30.

9.12.

De inboedel

Partijen zijn ter comparitie overeengekomen dat zij ten aanzien van de inboedel niets meer van elkaar te vorderen hebben.

9.13.

Conclusie

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat in het kader van de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden tussen partijen de vrouw ter zake verrekening een bedrag van (€ 33.259,15 + € 3.925,-+ € 2.763,30 =) € 39.947,45 aan de man dient te voldoen en de man aan de vrouw een bedrag van € 3.306,-, zodat de vrouw per saldo nog aan de man moet betalen een bedrag van € 36.641,45.

9.14.

Verrekenvordering van de zijde van de vrouw

9.14.1.

De vrouw heeft echter nog gesteld dat zij een vordering heeft op de man ter zake van niet betaalde kinderalimentatie ter hoogte van € 3.314,74. Zij vordert verrekening van hetgeen zij uit hoofde van de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden aan de man verschuldigd is met haar alimentatievordering op de man.

9.14.2.

Het hof overweegt als volgt.

Tussen partijen staat als niet weersproken vast dat de vrouw een alimentatievordering heeft op de man van € 3.314,74. Op grond van artikel 6:127 lid 2 BW heeft de schuldenaar in beginsel de bevoegdheid tot verrekening wanneer hij een prestatie te vorderen heeft die beantwoordt aan zijn schuld jegens dezelfde wederpartij en hij bevoegd is zowel tot betaling van de schuld als tot het afdwingen van de vordering tot betaling. In de rechtspraak wordt verrekening van een vordering met kinderalimentatie op grond van artikel 6:2 Burgerlijk Wetboek wel onaanvaardbaar geacht in situaties waarin de man de door hem verschuldigde alimentatie wil verrekenen met door de vrouw verschuldigde dwangsommen in verband met een niet nagekomen omgangsregeling (zie bijvoorbeeld Hof Amsterdam 23 juni 2009 LJN BL 3644). De Hoge Raad sluit verrekening van kinderalimentatie met wegens niet nakoming van de omgangsregeling verbeurde dwangsommen evenwel niet uit, tenzij de redelijkheid en billijkheid zich daartegen verzetten (HR 24 januari 1997 NJ 1997, 497). Van een dergelijke situatie is hier geen sprake, reeds vanwege het feit dat de onderhoudsplichtige man nu juist niet wil verrekenen. De man heeft in het onderhavige geval geen enkel in rechte te respecteren belang aangevoerd om verrekening van de door hem verschuldigde achterstallige kinderalimentatie (het betreft een zwaarwegende verplichting van ouders – hier de man – jegens hun kinderen) met het door de vrouw aan hem verschuldigde bedrag in verband met de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden te weigeren (en aldus in zoverre, kort gezegd, die verplichting te laten voortduren in plaats van in te lossen). Het hof merkt hierbij op dat het gaat om kinderalimentatie over de periode september 2008 tot en met mei 2009 (productie 6 bij de nadere akte van de vrouw). Met andere woorden: in deze situatie verzetten de redelijkheid en de billijkheid zich juist niet tegen verrekening. De vrouw is derhalve bevoegd haar verplichting tot betaling van het bedrag van € 36.641,45 hetgeen zij uit hoofde van verrekening ter zake van de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden aan de man is verschuldigd tot het beloop van dat bedrag te verrekenen met de vordering wegens achterstallige alimentatietermijnen die de vrouw op de man heeft ten bedrage van € 3.314,74,- zodat de vrouw de man slechts nog een bedrag is verschuldigd van € 33.326,71, te verminderen met hetgeen de man reeds door middel van executie van het vonnis van de rechtbank d.d. 18 september 2013 heeft geïncasseerd.

9.15.

Gelet op de omstandigheid dat partijen in familierechtelijke betrekking tot elkaar stonden, zullen de kosten van het hoger beroep worden gecompenseerd zoals hierna vermeld.

10 De uitspraak

Het hof:

vernietigt het bestreden vonnis van de rechtbank Limburg van 18 september 2013, doch uitsluitend voor zover daarbij de vrouw is veroordeeld om aan de man uit hoofde van de afrekening als bedoeld in artikel 9 lid 1 van de tussen hen opgemaakte huwelijkse voorwaarden € 206.451,53 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW daarover met ingang van de dag van het wijzen van voormeld vonnis tot de dag van volledige betaling, en in zoverre opnieuw rechtdoende:

veroordeelt de vrouw om ter zake van verrekening in het kader van de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de man te betalen een bedrag van € 33.326,71, te verminderen met het bedrag dat de man reeds door executie van het vonnis van de rechtbank d.d. 18 september 2013 heeft geïncasseerd;

bekrachtigt het bestreden vonnis van de rechtbank Limburg van 18 september 2013 voor het overige;

verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de proceskosten van het hoger beroep in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. W.Th.M. Raab, G.J. Vossestein en T.J. Mellema-Kranenburg en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 21 juli 2015.

griffier rolraadsheer