Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2015:2755

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
21-07-2015
Datum publicatie
22-07-2015
Zaaknummer
HD 200.130.127_01
Formele relaties
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2014:2532
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2015:687
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Europees civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

arbeidsrecht, deskundigenverklaring artikel 7:629a BW niet tijdig overgelegd.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 7 629a, geldigheid: 2015-07-22
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2015-0688
AR 2015/1399

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer HD 200.130.127/01

arrest van 21 juli 2015

in de zaak van

Highways Holland B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats],

appellante in principaal appel,

geïntimeerde in incidenteel appel,

hierna te noemen: Highways,

advocaat: mr. N.A.P. Heesterbeek te Helmond,

tegen

[de man],

gevestigd te [vestigingsplaats], Roemenië,

geïntimeerde in principaal appel,

appellante in incidenteel appel,

hierna te noemen: [geïntimeerde],

advocaat: mr. S.G. Volbeda te Arnhem,

als vervolg op de door het hof gewezen tussenarresten van 29 juli 2014 en 3 maart 2015 in het hoger beroep van het door de rechtbank Oost-Brabant onder zaaknummer 827526/rolnummer 12-11707 gewezen vonnis van 10 januari 2013.

9 Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenarrest van 3 maart 2015;

  • -

    de akte na tussenarrest zijdens [geïntimeerde] d.d. 31 maart 2015 met twee producties (genummerd 2 en 3);

  • -

    de antwoordakte zijdens Highways d.d. 28 april 2015.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald.

10 De verdere beoordeling

in het incidenteel hoger beroep

10.1.

Het hof bespreekt allereerst het verweer van Highways dat de bovengenoemde akte na tussenarrest met producties d.d. 31 maart 2015 zijdens [geïntimeerde] buiten beschouwing moet worden gelaten, omdat aan [geïntimeerde] ten onrechte een nader uitstel van 14 dagen zou zijn verleend voor het nemen van deze akte.

10.2.

Naar het oordeel van het hof gaat dit verweer niet op en wel om de volgende reden. Ingevolge artikel 2.12 van het ‘Procesreglement per 1 januari 2013 voor de pilot civiele dagvaardingszaken bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch’ (hierna: het Pilotreglement) wordt een nader uitstel alleen verleend op eenstemmig verzoek van partijen of op verzoek van één of meer partijen op grond van klemmende redenen. Het verzoek om nader uitstel is door mr. Volbeda op de rol van 17 maart 2015 als volgt toegelicht:

“Ik verzoek u vriendelijk om mij een uitstel te verlenen voor het nemen van de akte na tussenarrest. Cliënt woont immers in Roemenië en heb vandaag vernomen dat het vertalen van de stukken zes dagen in beslag heeft genomen. Cliënt verstuurt vandaag de stukken per post naar mij toe. Wederpartij stemt niet in met het uitstel verzoek.”

Naar het oordeel van het hof heeft mr. Volbeda hiermee zijdens [geïntimeerde] voldoende de aanwezigheid van klemmende redenen als bedoeld in artikel 2.12 van het Pilotreglement onderbouwd. Terecht is dan ook aan [geïntimeerde] een nader uitstel van 14 dagen, als verzocht, verleend. Het verweer van Highways wordt verworpen.

10.3

Bij het tussenarrest van 29 juli 2014 (r.o. 4.12.1) heeft het hof in het kader van de beoordeling van de tweede grief in het incidenteel hoger beroep als volgt overwogen:

“Toen er een geschil ontstond tussen Highways en [geïntimeerde] omtrent de vraag of [geïntimeerde] na het einde van zijn vakantie wegens arbeidsongeschiktheid niet in staat was om te werken en Highways daarop negen dagen heeft ingehouden op het salaris van augustus 2010, had het dus in beginsel op de weg van [geïntimeerde] gelegen om een deskundigenverklaring als bedoeld in artikel 7:629a BW aan te vragen. Het in het eerste lid van artikel 7:629a BW neergelegde voorschrift tot overlegging van een verklaring van een UWV-deskundige geldt naar het oordeel van het hof evenwel niet indien het overleggen van de verklaring in redelijkheid niet van de werknemer kan worden gevergd (lid 2 van laatstgenoemd artikel). Gelet hierop wenst het hof van [geïntimeerde] te vernemen waarom het voor [geïntimeerde] niet mogelijk was om bij inleidende dagvaarding een verklaring in de zin van artikel 7:629a BW in het geding te brengen.”

[geïntimeerde] werd in de gelegenheid gesteld om bij akte na tussenarrest deze vraag te beantwoorden en tevens in te gaan op de Verordening (EG) nr. 883/04 van de Raad van 29 april 2004 en op de Verordening (EG) nr. 987/2009 van de Raad van 16 september 2009.

10.4.

Bij het tussenarrest van 3 maart 2015 (r.o. 7.4) heeft het hof als volgt overwogen:

“[geïntimeerde] heeft bij zijn akte na tussenarrest geen antwoord gegeven op de door het hof aan hem gestelde vraag waarom het voor hem niet mogelijk was bij inleidende dagvaarding een verklaring als bedoeld in artikel 7:629a BW te overleggen. In plaats daarvan heeft [geïntimeerde] een ‘raport medical privind incapacitatea de muncă (E116), afgestempeld op de datum 20 juli 2010, en een ‘cerere de prestatii ȋn bani pentru incapacitate de muncă (E115), afgestempeld op 21 juli 2010, overgelegd. Het hof stelt vast dat het hier gaat om door de EU van de hiervoor onder 7.1 genoemde verordeningen opgestelde standaardformulieren. Het E115-formulier is bedoeld voor een aanvraag om uitkering wegens arbeidsongeschiktheid en wordt gebruikt wanneer in een ander dan het bevoegde EU-land een verzekerd persoon zich ziek meldt, [in] het geval van [geïntimeerde] dus in Roemenië. Het E116-formulier betreft een geneeskundige verklaring in geval van arbeidsongeschiktheid en is een verklaring van de arts van het orgaan van de woonplaats of (zoals in dit geval) de verblijfplaats van de werknemer ten tijde van de ziekmelding (vgl. ook artikel 27 lid 10 van de toepassingsverordening) naar aanleiding van een medisch onderzoek als gevolg van de ziekmelding. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, kunnen de overgelegde stukken naar het oordeel van het hof op één lijn worden gesteld met een verklaring in de zin van artikel 7:629a BW. Hiermee heeft [geïntimeerde] in beginsel alsnog voldaan aan het in het eerste lid van artikel 7:629a BW neergelegde voorschrift.

(…)”

Het hof heeft aldus geoordeeld dat in beginsel door [geïntimeerde] een verklaring als bedoeld in artikel 7:629a BW was overgelegd. Beoordeeld diende nog wel te worden of [geïntimeerde] deze verklaring overeenkomstig artikel 7:629a lid 1 BW ook ‘bij de eis’ had overgelegd. [geïntimeerde] had de betreffende formulieren immers eerst bij akte na arrest d.d. 26 augustus 2014 in het geding gebracht. Daarom overwoog het hof in genoemde rechtsoverweging:

“(…)

Daar waar het hof de voorgedrukte in de Roemeense taal opgestelde tekst op de overgelegde formulieren E115 en E116 nog kan begrijpen door deze tekst te vergelijken met de voorgedrukte teksten in de in de Nederlandse taal opgestelde E115 en E116 formulieren, geldt dit niet voor de handgeschreven teksten op het overgelegde E116-formulier. Daarnaast zijn de overgelegde formulieren niet goed leesbaar. Teneinde te kunnen beoordelen of [geïntimeerde], zoals hij stelt, daadwerkelijk ook de laatste twee weken van juli 2010 niet in staat was te werken wegens ziekte, stelt het hof [geïntimeerde] in de gelegenheid om bij akte de originelen van de door hem overgelegde formulieren, voorzien van een beëdigde vertaling van de handgeschreven teksten in de Nederlandse taal, ter griffie van het hof te deponeren. Het hof merkt voorts op dat, gelet op de data waarop de formulieren zijn afgestempeld (20 juli 2010 en 21 juli 2010), de formulieren reeds ten tijde van de inleidende dagvaarding beschikbaar waren, althans hadden moeten zijn. Het hof stelt [geïntimeerde] tevens in de gelegenheid bij akte een verklaring te geven voor het feit dat de formulieren eerst in hoger beroep zijn overgelegd en niet reeds bij de inleidende dagvaarding.”

10.5.

Bij akte na tussenarrest d.d. 3 maart 2015 heeft [geïntimeerde] het volgende aangevoerd:

“Reden dat de stukken [hof: de formulieren E115 en E116] niet al in eerste aanleg zijn overgelegd is de slechte leesbaarheid daarvan en het feit dat er nog geen beëdigde vertaling voor handen was.”

10.6.

Naar het oordeel van het hof heeft [geïntimeerde] daarmee in geen enkel opzicht afdoende verklaard waarom hij de genoemde formulieren, die reeds in juli 2010 waren afgestempeld, niet bij inleidende dagvaarding, welke van 1 mei 2012 dateert, had overgelegd. De door [geïntimeerde] aangevoerde slechte leesbaarheid van de betreffende formulieren en het ontbreken van een beëdigde vertaling hadden [geïntimeerde] er niet van behoeven te weerhouden de betreffende formulieren bij inleidende dagvaarding over te leggen. Ten overvloede voegt het hof daar nog aan toe dat in het geval zou moeten worden geoordeeld dat [geïntimeerde] nog in hoger beroep bij memorie van grieven in incidenteel appel d.d. 3 december 2013 de deskundigenverklaring in de zin van artikel 7:629a BW had kunnen overleggen, uit het voorgaande volgt dat hij in dat geval eens te meer volstrekt onvoldoende heeft verklaard waarom hij de genoemde formulieren niet bij die gelegenheid heeft overgelegd.

10.7.

De conclusie is dat ook de tweede grief in het incidenteel appel faalt.

in het principaal en incidenteel hoger beroep

10.8.

In het tussenarrest van 29 juli 2014 overwoog het hof reeds dat de grieven in het principaal beroep falen. Uit het voorgaande volgt dat ook de grieven in het incidenteel beroep falen. De slotsom is dat het bestreden vonnis moet worden bekrachtigd. Highways wordt als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van het hoger beroep in het principaal appel veroordeeld, als na te melden. [geïntimeerde] wordt als de in het incidenteel hoger beroep in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van het incidenteel appel veroordeeld.

11 De uitspraak

Het hof:

op het principaal en het incidenteel hoger beroep

bekrachtigt het bestreden vonnis;

veroordeelt Highways in de proceskosten van het principaal hoger beroep, welke kosten tot op heden aan de zijde van [geïntimeerde] worden begroot op € 299,-- aan verschotten en op

€ 1.896,-- aan salaris advocaat en bepaalt dat deze bedragen binnen veertien dagen na de dag van deze uitspraak moeten zijn voldaan, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf het einde van voormelde termijn tot aan de dag der voldoening;

verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

veroordeelt [geïntimeerde] in de proceskosten van het incidenteel hoger beroep, welke kosten tot op heden aan de zijde van Highways worden begroot op € 948,-- aan salaris advocaat.

Dit arrest is gewezen door mrs. C.E.L.M. Smeenk-van der Weijden, M.J.H.A. Venner-Lijten en A.A.H. van Hoek en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 21 juli 2015.

griffier rolraadsheer