Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2015:2754

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
21-07-2015
Datum publicatie
27-07-2015
Zaaknummer
HD 200.121.134_01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Franchiseovereenkomst onderneming in kappersbenodigdheden. Uitleg overeenkomst in verband met andere activiteiten franchisenemer op hetzelfde terrein. Vraag of deze buiten het verband van de franchiseovereenkomst vallen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ̓s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer HD 200.121.134/01

arrest van 21 juli 2015

in de zaak van

Medusa [vestigingsnaam 1] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

appellante in het principaal appel,

geïntimeerde in het incidenteel appel,

verder: Medusa,

advocaat: mr. P.J.M. Boomaars te Breda,

tegen

1 Haarmode Tigera V.O.F.,

2. [geïntimeerde 2] ,

3. [geïntimeerde 3] ,

gevestigd/wonende te [vestigings-/woonplaats] ,

geïntimeerden in het principaal appel,

appellanten in het incidenteel appel,

verder: Tigera,

advocaat: mr. L.G.M. Delahaije te Breda,

als vervolg op het tussenarrest van dit hof van 19 maart 2013 in het hoger beroep van het door de rechtbank Breda onder zaaknummer/rolnummer 243913/HA ZA 12-8 tussen partijen gewezen vonnis van 19 december 2012.

5 Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenarrest van 19 maart 2013;

  • -

    het proces-verbaal van de comparitie van partijen op 15 april 2013, waarbij geen minnelijke regeling van het geschil is bereikt;

  • -

    de memorie van grieven van Medusa van 25 juni 2013 met producties;

  • -

    de memorie van antwoord tevens memorie van grieven in het incidenteel appel van

Tigera van 3 september 2013 met producties en eiswijziging;

  • -

    de akte van Medusa van 17 september 2013 met bezwaar vermeerdering van eis;

  • -

    de rolbeslissing van 1 oktober 2013 waarbij het bezwaar ongegrond is verklaard;

  • -

    de memorie van antwoord in het incidenteel appel van Medusa van 12 november 2013 met producties;

  • -

    de akte van Tigera van 31 december 2013;

  • -

    de antwoordakte van Medusa van 28 januari 2014 met producties.

Partijen hebben arrest gevraagd. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

6. De gronden van het hoger beroep

In het principaal appel en in het incidenteel appel

Voor de tekst van de grieven wordt verwezen naar de memorie van grieven.

7 De verdere beoordeling

In het principaal appel en in het incidenteel appel

7.1

De vaststelling van de feiten in het eindvonnis van 19 december 2012 is niet bestreden zodat het hof ook in hoger beroep hiervan uitgaat. Deze vaststelling luidt als volgt:

  • -

    Haarmode Tigera is opgericht op 13 maart 2000 met als activiteiten onder meer de kappersgroothandel inclusief verkoop via internet.

  • -

    Medusa heeft een formule ontwikkeld voor het onder de naam “Medusa Kappersbenodigdheden” exploiteren van een groothandel in kappersbenodigdheden alsmede voor het verrichten van werkzaamheden die daarmee verband houden en/of daaraan bevorderlijk kunnen zijn.

  • -

    Haarmode Tigera heeft een koopovereenkomst d.d. 27 mei 2006 gesloten met Medusa [vestigingsnaam 2] (een aan Medusa gelieerde vennootschap) waarbij Haarmode Tigera de activa van Medusa [vestigingsnaam 2] heeft gekocht behorende bij de door Medusa [vestigingsnaam 2] gedreven groothandel in kappersbenodigdheden aan de [bedrijfsadres] te [vestigingsplaats] .

  • -

    Partijen hebben op enig moment in 2006 een franchiseovereenkomst gesloten met Medusa als franchisegever en Haarmode Tigera als franchisenemer.

  • -

    In de franchiseovereenkomst is – voor zover hier relevant – de navolgende overweging opgenomen: “5. Medusa als groothandel door haar inkoopbeleid en afname kwantiteit betere prijsafspraken kan maken bij producenten c.q. importeurs dan franchisenemer.”

  • -

    In artikel 2 ‘Verplichtingen franchisenemer’ zijn – voor zover hier relevant - de navolgende verplichtingen van Haarmode Tigera opgenomen:

(…) 2.2 Franchisenemer is gehouden jaarlijks minimaal 90% van de door franchisenemer te verwerven kappersbenodigdheden en haarartikelen in te kopen bij Medusa.

2.3

Franchisenemer zal aan Medusa op diens verzoek inzage verstrekken in die delen van de administratie die een getrouw beeld geven over de omvang van de inkoop als hiervoor onder 2.2 bedoeld.

2.4

Franchisenemer zal een accurate administratie bijhouden van haar inkoop uitgesplitst naar leverancier.

2.5

Franchisenemer is gehouden ten behoeve van het voeren van de financiële administratie op eigen kosten het softwarepakket Accountview aan te schaffen.

In artikel 10 ‘Boete’ is - voor zover relevant - als volgt bepaald:

10.1

Indien een franchisenemer jaarlijks minder dan 90 % van de inkoop via Medusa betrekt is franchisenemer aan Medusa een boete verschuldigd overeenkomende met het verschil tussen het bedrag dat daadwerkelijk via Medusa is ingekocht en het bedrag dat bij Medusa ingekocht had moeten zijn.

10.2

Indien op basis van de administratie van franchisenemer geen getrouw beeld over de totale omvang van de inkoop is vast te stellen, geldt dat 90% genomen wordt van de gemiddelde inkoop van franchisenemer over de achterliggende twee kalenderjaren en wordt het verschil met inkoop conform artikel 10.1 afgewikkeld. (…)

10.4

Indien franchisenemer enige andere bepaling, o.a. genoemd in artikel 5 en 6, van deze overeenkomst ondanks aanmaning bij aangetekende brief, niet naleeft is franchisenemer aan Medusa een boete verschuldigd van € 50.000,- (…) en € 1.00,- (..) per dag, zolang er sprake is van niet-naleving van enige bepaling, onverlet het recht van Medusa volledige schadevergoeding te vorderen. (…)

  • -

    Bij brief van 21 december 2009 heeft Medusa op grond van artikel 2.3 van de franchiseovereenkomst inzage verzocht in de administratie van Haarmode Tigera over 2009.

  • -

    Medusa heeft Haarmode Tigera bij brief van 26 februari 2010 meegedeeld dat zij van mening is dat Haarmode Tigera zich niet dan wel niet geheel heeft gehouden aan artikel 2 van de franchiseovereenkomst.

  • -

    Bij brief van 17 juni 2011 heeft mr. Knops van [accountants] Accountants (verder [accountants] ) namens Medusa aan Haarmode Tigera meegedeeld dat zij over 2009 niet aan het criterium heeft voldaan dat minimaal 90% van haar inkoop via Medusa moet worden betrokken en dat zij conform artikel 10 lid 4 en 5 van de franchiseovereenkomst een direct opeisbare boete verschuldigd is.

  • -

    Haarmode Tigera heeft bij brief van 20 juni 2011 de juistheid van de inhoud van de brief van [accountants] namens Medusa betwist.

  • -

    Nadien heeft nog correspondentie tussen partijen plaatsgevonden evenals een bespreking op 11 augustus 2011.

  • -

    Medusa heeft vervolgens op basis van door Haarmode Tigera toegezonden administratie een boekenonderzoek laten verrichten door [accountants] . [accountants] heeft een rapport d.d. 25 oktober 2011 uitgebracht.

7.2

Bij dagvaarding in eerste aanleg van 22 december 2011 heeft Medusa de onderhavige procedure geëntameerd. In deze procedure stelt Medusa dat Tigera haar verplichtingen uit de franchiseovereenkomst niet is nagekomen. Volgens Medusa heeft Tigera in 2009 voor een bedrag ad € 150.675,= ten onrechte bij derden heeft ingekocht, zodat Medusa op grond van artikel 10.1 van de franchiseovereenkomst aanspraak heeft op dat bedrag (I), heeft Tigera de administratie over 2010 niet aan haar ter beschikking gesteld, zodat Tigera op grond van artikel 10.4 een contractuele boete van € 50.000,= dient te betalen (II), heeft Tigera over 2010 niet de volledige gegevens over 2010 ter beschikking gesteld, zodat zij met toepassing van artikel 10.2 een bedrag van € 98.593,= verschuldigd is geworden (III) en is Tigera op grond van artikel 11.1 van de franchiseovereenkomst aansprakelijk voor de volledige door Medusa gemaakte kosten die tot aan de dagvaarding een bedrag van € 11.797,= belopen (IV). In eerste aanleg vorderde Medusa in conventie, kort gezegd, veroordeling van Tigera tot betaling van de vier genoemde bedragen, vermeerderd met rente en kosten. Tigera heeft de vorderingen van Medusa bestreden.

7.3

In reconventie stelt Tigera primair dat de franchiseovereenkomst wegens dwaling/als onredelijk bezwarend vernietigd dient te worden, subsidiair dat de overeenkomst ontbonden dient te worden op grond van de toerekenbare tekortkoming van Medusa, inhoudende dat niet overeenkomstig het contract wordt geleverd tegen concurrerende groothandelprijzen en al zeker niet tegen prijzen die gelden als inkoopprijzen voor de groothandel, en meer subsidiair dat de franchiseovereenkomst op grond van de wijziging van omstandigheden moet worden gewijzigd in die zin dat de exclusieve afnameplicht daaruit wordt geschrapt en voor recht wordt verklaard dat het Tigera vrij staat elders in te kopen zonder dat dit strijd oplevert met het franchisecontract. Dienovereenkomstig heeft Tigera in reconventie gevorderd. Voor het geval zij boeten heeft verbeurd, verlangt Tigera matiging daarvan. Medusa heeft een en ander op haar beurt bestreden.

7.4

Bij tussenvonnis van 7 maart 2012 heeft de rechtbank een comparitie van partijen bepaald. Deze heeft op 11 juni 2012 plaatsgevonden. Bij eindvonnis van 19 december 2012 heeft de rechtbank zowel in conventie als in reconventie alle vorderingen afgewezen met veroordeling van partijen over en weer in de proceskosten.

7.5

In hoger beroep heeft Trigera haar eis in reconventie aldus gewijzigd dat zij, kort gezegd, haar primaire vordering tot vernietiging van de franchiseovereenkomst baseert op dwaling en bedrog, dat zij subsidiair tevens ontbinding per 3 september 2013 (datum memorie) vordert en dat zij aan haar primaire en subsidiaire vorderingen toevoegt een vordering tot ongedaanmaking van alle verbintenissen en veroordeling van Medusa tot betaling van € 21.864,75 en van schadevergoeding, op te maken bij staat, een en ander te vermeerderen met de wettelijke handelsrente. Tegen de eiswijzigingen Medusa bezwaar gemaakt. Dit bezwaar is bij rolbeslissing van 1 oktober 2013 ongegrond verklaard, zodat het hof uitgaat van de vorderingen zoals gewijzigd.

7.6

Het hof zal eerst ingaan op de primaire vordering van Tigera. Tigera heeft ter onderbouwing van haar beroep op dwaling in eerste aanleg aangevoerd dat zij ten tijde van het sluiten van de overeenkomst op grond van de door Medusa opgewekte verwachtingen ervan kon en mocht uitgaan dat zij daadwerkelijk als groothandel zou kunnen gaan functioneren, hetgeen niet zo blijkt te zijn omdat Medusa niet tegen groothandelprijzen aan Tigera levert. Tigera wist niet en kon ook niet weten dat Medusa zich niet aan de afspraken over de mogelijkheid om als groothandel te functioneren zou houden. Tigera heeft eind 2009 ontdekt dat Medusa niet tegen groothandelprijzen levert en al zeker niet tegen inkoopprijzen voor een groothandel, aldus Tigera. De rechtbank heeft het beroep op dwaling als onvoldoende onderbouwd afgewezen. Hierop ziet grief 1 van Tigera in het incidenteel appel. Volgens Tigera heeft zij genoegzaam aangetoond dat Medusa haar in de waan heeft gebracht dat zij als groothandel zou kunnen functioneren.

7.7

Het hof overweegt hierover het volgende. Tigera heeft bij dit beroep op dwaling kennelijk het oog op de situatie van artikel 6:228 lid 1 sub a BW. Ingevolge die bepaling is een overeenkomst vernietigbaar die is tot stand gekomen onder invloed van dwaling en bij een juiste voorstelling van zaken niet zou zijn gesloten, indien de dwaling is te wijten aan een inlichting van de wederpartij, tenzij deze mocht aannemen dat de overeenkomst ook zonder deze inlichting zou worden gesloten. Door Tigera is niet betwist dat de vestiging van Medusa aan de [bedrijfsadres] te [vestigingsplaats] al enige tijd bestond toen Tigera de onderneming en de huurovereenkomst overnam en de franchiseovereenkomst met Medusa sloot. Gesteld noch gebleken is dat Medusa aan Tigera over de resultaten van de vestiging voorafgaande aan de overname een onjuist beeld heeft gegeven. De franchiseovereenkomst houdt in dat Tigera ten opzichte van producenten en leveranciers de positie van groothandel verkrijgt. Dat is ook gerealiseerd; hetgeen Tigera in eerste aanleg en in hoger beroep naar voren heeft gebracht biedt geen voldoende onderbouwing voor de veronderstelling dat Tigera die positie niet heeft verkregen dan wel dat zij feitelijk uitsluitend als detailhandel kon gaan functioneren. Door Tigera zijn geen concrete inlichtingen van de kant van Medusa gesteld die bij Tigera tot een onjuiste voorstelling van zaken hebben geleid. Tigera benadrukt dat zij bij het sluiten van de overeenkomst alle vertrouwen had in Medusa en er op basis van dat vertrouwen van uitging dat de onderneming een positief resultaat zou hebben. Wanneer Tigera op basis van dergelijk vertrouwen overeenkomsten sluit, betekent dat niet dat sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 6:228 lid 1 sub a BW. Door Tigera zelf gekoesterde verwachtingen die niet zijn gebaseerd op onjuist gebleken inlichtingen van haar wederpartij bieden geen grond voor een beroep op dwaling. Het hof kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank dat dit beroep op dwaling faalt, zodat grief I van Tigera in het incidenteel appel in zoverre faalt.

7.8

Deze grief faalt ook voor zover deze is gebaseerd op de stelling dat de franchiseovereenkomst vernietigd dient te worden vanwege bedrog van de kant van Medusa. Ingevolge artikel 3:44 lid 3 BW is bedrog aanwezig wanneer iemand een ander tot het verrichten van een bepaalde rechtshandeling beweegt door enige opzettelijk daartoe gedane onjuiste mededeling, door het opzettelijk daartoe verzwijgen van enig feit dat de verzwijger verplicht was mede te delen, of door een andere kunstgreep. Aanprijzingen in algemene bewoordingen, ook al zijn ze onwaar, leveren op zichzelf geen bedrog op. Naar het oordeel van het hof heeft Tigera geen concrete feiten of omstandigheden gesteld die een beroep op deze bepaling kunnen dragen, zodat ook op deze grond vernietiging van de franchiseovereenkomst niet kan volgen en grief I van Tigera in het incidenteel appel ook voor het overige faalt. In het hierna volgende dient daarom uitgegaan te worden van de overeenkomst zoals deze tussen partijen is gesloten.

7.9

Wat de vorderingen van Medusa in conventie betreft, gaat het om de vraag of Tigera in 2009 meer bij andere leveranciers dan Medusa heeft ingekocht dan haar op grond van de franchiseovereenkomst was toegestaan (onderdeel I) en of zij in voldoende mate heeft voldaan aan haar administratieve verplichtingen jegens Medusa (onderdelen II en III).

Kern van het geschil is of de (internet)activiteiten van Tigera onder de handelsnaam ’t Kapperswinkeltje al dan niet binnen het bereik van de franchiseovereenkomst en de daaruit voor Tigera voortvloeiende verplichtingen vallen. De rechtbank heeft geoordeeld dat uit de tekst van de franchiseovereenkomst niet is af te leiden dat die activiteiten van Tigera ook onder de franchiseovereenkomst vallen (r.o. 3.11) en dat Medusa ook niet gerechtvaardigd mocht verwachten dat de franchiseovereenkomst wat die activiteiten betreft allesomvattend was (r.o. 3.12). De grieven van Medusa in het principaal appel betreffen deze oordelen en de consequenties daarvan voor haar vorderingen. Het gaat hierbij om de reikwijdte van de franchiseovereenkomst.

7.10

Het hof stelt voorop dat de betekenis van een omstreden overeenkomst door de rechter moet worden vastgesteld aan de hand van hetgeen partijen over en weer hebben verklaard en uit elkaars verklaringen en gedragingen overeenkomstig de zin die zij daaraan in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs mochten toekennen, hebben afgeleid en van hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Uit een en ander volgt dat redelijkheid en billijkheid hierbij een rol spelen. De tekst van een schriftelijke overeenkomst speelt hierbij een belangrijke, maar geen doorslaggevende rol.

7.11

Met de rechtbank is het hof van oordeel dat de tekst van de franchiseovereenkomst niet inhoudt dat alle activiteiten van Tigera op het gebied van de handel in kappersbenodigdheden onder deze overeenkomst vallen, ook niet wanneer de tekst van de overeenkomst wordt gelezen in samenhang met de overeenkomst waarbij de onderneming in [vestigingsplaats] werd overgenomen en de huurovereenkomst. Partijen hadden dat eventueel met zoveel woorden in de overeenkomst kunnen opnemen, maar zij hebben dat niet gedaan. Vervolgens is de vraag of de overige omstandigheden van het geval leiden tot de uitleg die Medusa aan de franchiseovereenkomst geeft en waarop haar vorderingen zijn gebaseerd. In dit verband heeft Medusa in hoger beroep aangevoerd dat uit het uittreksel uit het Handelsregister (prod. 2 mvg) blijkt dat Tigera de handelsnaam ’t Kapperswinkeltje eerst in 2008 is gaan hanteren, terwijl de franchiseovereenkomst van 2006 dateert. Dit argument kan Medusa evenwel niet baten aangezien in hetzelfde uittreksel ook is vermeld dat Tigera naast een kapsalon en een galerie met ingang van 25 november 2004 een kappersgroothandel inclusief verkoop via internet, onder de handelsnaam Midos, heeft doen inschrijven. Uit hetgeen partijen over en weer naar voren hebben gebracht kan niet worden afgeleid dat Medusa mocht verwachten dat alle activiteiten van Tigera op het gebied van de handel in kappersbenodigdheden onder de franchiseovereenkomst zouden vallen, dat Tigera na het sluiten van die overeenkomst uitsluitend via Medusa activiteiten op dat terrein zou ontplooien of dat de vestiging van Tigera in [vestigingsplaats] op geen enkele wijze betrokken zou worden bij dergelijke activiteiten van Tigera buiten het verband van de Medusa-onderneming. Dat betekent dat niet staande kan worden gehouden dat op Tigera op grond van de franchiseovereenkomst meer of andere verplichtingen jegens Medusa rustten dan voortvloeiend uit het drijven van een groothandel in kappersbenodigdheden volgens de Medusa-formule in de vestiging in [vestigingsplaats] . Medusa kan Tigera daarom niet verwijten dat zij ten behoeve van haar overige ondernemingsactiviteiten, onder andere handelsnamen dan Medusa, producten heeft laten leveren en heeft geweigerd inzage te verlenen in bedrijfsgegevens die met die andere ondernemingsactiviteiten te maken hebben. Dit betekent dat de grieven 1 tot en met 4 van Medusa in het principaal appel worden verworpen. Hetzelfde geldt voor haar grieven 5 en 6 die naast de overige grieven geen zelfstandige betekenis hebben.

7.12

Grief II van Tigera in het incidenteel appel betreft de subsidiaire vordering van Tigera tot ontbinding van de franchiseovereenkomst per 3 september 2013. Ter onderbouwing van deze vordering voert Tigera aan dat Medusa haar niet in staat heeft gesteld daadwerkelijk als groothandel te fungeren en dat Medusa een nieuwe vestiging in [vestigingsplaats] heeft gerealiseerd. Medusa heeft een en ander gemotiveerd betwist. Wat de nieuwe vestiging in [vestigingsplaats] betreft kan in het midden blijven in hoeverre deze is aan te merken als een Medusa-vestiging of een wat de belevering betreft daarmee vergelijkbare onderneming. Gesteld noch gebleken is dat de franchiseovereenkomst tussen Tigera en Medusa een exclusiviteitsgarantie inhoudt terwijl Tigera ook voor het overige niet voldoende met concrete feiten of omstandigheden heeft onderbouwd dat en waarom Medusa zich jegens Tigera zou moeten onthouden van betrokkenheid bij een andere vestiging dan die van Tigera in [vestigingsplaats] . Door Tigera is ook niet toegelicht waarom hun rechtsverhouding voor Medusa geen ruimte voor andere ondernemingsactiviteiten zou bieden en wel voor Tigera zelf.

7.13

Tigera stelt verder dat Medusa toerekenbaar tekortgeschoten is in de nakoming van haar verplichtingen uit de franchiseovereenkomst doordat zij aan Tigera te hoge prijzen in rekening bracht, die eerder het karakter hadden van prijzen voor de detailhandel dan van prijzen voor de groothandel, terwijl de franchiseovereenkomst een groothandel betreft en niet een detailhandel. Tigera voert in dit verband aan dat zij met die prijzen en de door haar te betalen franchisefee met de onderneming geen voldoende positief resultaat heeft kunnen bereiken. Volgens Medusa strandt de hierop gebaseerde subsidiaire vordering op de omstandigheid dat zij niet in verzuim is komen te verkeren vanwege het ontbreken van een ingebrekestelling van de kant van Tigera. Dit verweer treft doel; gesteld noch gebleken is dat Tigera Medusa schriftelijk in gebreke heeft gesteld. Voor zover Tigera betoogt dat een ingebrekestelling niet was vereist omdat Medusa had laten blijken haar verplichtingen niet te zullen nakomen, gaat het hof hieraan voorbij aangezien Tigera dit tegenover de gemotiveerde betwisting door Medusa niet genoegzaam heeft onderbouwd. Ook voor het overige zijn naar het oordeel van het hof geen voldoende concrete feiten of omstandigheden gesteld of gebleken die meebrengen dat een ingebrekestelling in dit geval achterwege kon blijven. Een en ander leidt tot de slotsom dat grief II in het incidenteel appel wordt verworpen.

7.14

Grief III van Tigera in het incidenteel appel betreft haar meer subsidiaire vordering tot wijziging van de franchiseovereenkomst op grond van onvoorziene/gewijzigde omstandigheden. Tigera heeft hierbij kennelijk het oog op artikel 6:258 lid 1 BW, dat de bevoegdheid geeft de gevolgen van een overeenkomst op verlangen van een der partijen te wijzigen of deze geheel of gedeeltelijk te ontbinden op grond van onvoorziene omstandigheden welke van dien aard zijn dat de wederpartij naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid ongewijzigde instandhouding van de overeenkomst niet mag verwachten, aan welke wijziging of ontbinding terugwerkende kracht kan worden verleend. Het hof overweegt hierover het volgende. Deze bepaling leent zich alleen voor toepassing onder uitzonderlijke omstandigheden en dient door de rechter met terughoudendheid te worden toegepast. Het is aan de partij die zich op deze bepaling beroept om te stellen en zo nodig te bewijzen dat sprake is van dergelijke uitzonderlijke omstandigheden. Hetgeen Tigera in dit verband naar voren heeft gebracht biedt daarvoor onvoldoende grond, zodat de meer subsidiaire vordering van Tigera hierop strandt en grief III in het incidenteel appel wordt verworpen.

7.15

Grief IV van Tigera in het incidenteel appel heeft naast de overige grieven geen zelfstandige betekenis en wordt daarom eveneens verworpen.

7.16

Voor het overige hebben partijen over en weer geen feiten of omstandigheden gesteld die, indien bewezen, tot een andere beslissing leiden zodat bewijslevering als door hen aangeboden niet in aanmerking komt.

7.17

De conclusie is dat het vonnis waarvan beroep wordt bekrachtigd, dat het meer of anders gevorderde wordt afgewezen en dat Medusa wordt veroordeeld in de kosten van het principaal appel met nakosten als gevorderd en Tigera in de kosten van het incidenteel appel.

8 De uitspraak

Het hof:

in het principaal appel en in het incidenteel appel

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt Medusa in de kosten van het principaal appel, tot op deze uitspraak aan de zijde van Tigera begroot op € 4.961,= aan vast recht en op € 8.157,50 aan salaris advocaat, deze bedragen te vermeerderen met de nakosten met € 131,= indien geen betekening plaatsvindt, dan wel met € 199,= vermeerderd met de explootkosten indien betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden;

veroordeelt Tigera in de kosten van het incidenteel appel, tot op deze uitspraak aan de zijde van Medusa begroot op € 4.078,75 aan kosten advocaat;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. B.A. Meulenbroek, M.G.W.M. Stienissen en J.H.C. Schouten en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 21 juli 2015.

griffier rolraadsheer