Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2015:2720

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
16-07-2015
Datum publicatie
28-11-2017
Zaaknummer
F 200.161.363-01
Formele relaties
Einduitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2016:3022
Einduitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2017:4408
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

deskundigenonderzoek vervangende toestemming erkenning ex artikel 1:204 lid 3 BW

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak : 16 juli 2015

Zaaknummer : F 200.161.363/01

Zaaknummer 1e aanleg : C/02/268079 FA RK 13-4578

in de zaak in hoger beroep van:

[appellante] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellante,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: mr. E.M.A. Leijser,

tegen

[verweerder] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerder,

hierna te noemen: de man,

advocaat: mr. R.G.J. van Kerkhof.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

- [de bijzondere curator] , in haar hoedanigheid van bijzondere curator van de minderjarige [minderjarige] (geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2013).

In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

- de Raad voor de Kinderbescherming, regio Midden- en West-Brabant,

vestiging: [vestigingsplaats] ,

hierna te noemen: de raad.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 16 september 2014.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 16 december 2014, heeft de moeder verzocht (naar het hof begrijpt) voormelde beschikking te vernietigen voor zover daarbij aan de man vervangende toestemming is verleend tot erkenning van de minderjarige [minderjarige] en, opnieuw rechtdoende:

  • -

    het beroep van de moeder gegrond te verklaren;

  • -

    het inleidend verzoek ten aanzien van de vervangende toestemming tot het verkrijgen voor erkenning alsnog af te wijzen;

  • -

    de man te veroordelen in de proceskosten van dit geding.

2.2.

De man heeft geen verweerschrift ingediend.

2.3.

Bij schrijven, ingekomen ter griffie op 28 januari 2015, heeft de bijzondere curator verzocht, naar het hof begrijpt, de bestreden beschikking in stand te laten voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen.

2.4.

De advocaten van partijen hebben het hof geïnformeerd (de advocaat van de moeder op 4 juni 2015 en de advocaat van de man op 8 juni 2015) dat beide partijen wensen af te zien van een mondelinge behandeling in hoger beroep en dat de zaak – wat partijen betreft – schriftelijk, met het geven van een tussenbeschikking waarin het hof een DNA-onderzoek zal gelasten, kan worden afgedaan.

Ondanks deze berichtgeving, is de man toch verschenen op de geplande zitting in hoger beroep op 9 juni 2015. Zoals nader zal worden uiteengezet in ro. 3.4. van deze beschikking heeft het hof de man vervolgens in de gelegenheid gesteld om kort zijn visie op het door de moeder ingestelde hoger beroep te geven, van welke gelegenheid de man gebruik heeft gemaakt.

2.5.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

  • -

    de V-formulieren d.dis 24 december 2014, 3 juni 2015 en 4 juni 2015 met bijlagen van de advocaat van de moeder;

  • -

    de V-formulieren d.dis 27 januari 2015, 29 januari 2015 en 8 juni 2015 met bijlagen van de advocaat van de man;

  • -

    het bericht van Stichting Bureau Jeugdzorg d.d. 23 april 2015;

  • -

    de brief van de raad d.d. 22 januari 2015.

3 De beoordeling

3.1.

Uit de moeder is geboren:

- [minderjarige] (hierna te noemen: [minderjarige] ), op [geboortedatum] 2013 te [geboorteplaats] .

3.2.1.

De man heeft de rechtbank verzocht te bepalen dat hem vervangende toestemming wordt verleend om over te gaan tot erkenning van [minderjarige] .

Tevens heeft de man verzocht een omgangsregeling tussen hem en [minderjarige] vast te stellen alsmede om hem, met de moeder, te belasten met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .

3.2.2.

Bij beschikking van 15 oktober 2013 heeft de rechtbank [de bijzondere curator] benoemd tot bijzondere curator voor [minderjarige] , teneinde haar als belanghebbende te vertegenwoordigen ter zake het verzoek van de man tot het verlenen van vervangende toestemming tot erkenning.

3.2.3.

Bij beschikking van 28 januari 2014 heeft de rechtbank een DNA-onderzoek gelast met betrekking tot de vraag of de man de verwekker is van [minderjarige] .

Uit de inhoud van de stukken is gebleken dat de moeder niet heeft meegewerkt aan dit onderzoek.

3.2.4.

Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank het verzoek van de man betreffende de vervangende toestemming tot erkenning toegewezen en ten aanzien van het gezag afgewezen. Voorts heeft de rechtbank de raad verzocht onderzoek te doen naar de mogelijkheden van het al dan niet vaststellen van een omgangsregeling tussen de man en [minderjarige] en heeft de zaak aangehouden tot 9 december 2014 pro forma.

3.3.

De moeder kan zich met deze beslissing, uitsluitend voor zover daarbij aan de man vervangende toestemming is verleend om over te gaan tot erkenning van [minderjarige] , niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen. In haar appelschrift voert zij, kort samengevat, aan dat zij zich in eerste aanleg belemmerd heeft gevoeld om volledige openheid van zaken te geven uit angst voor de handelingen en bedreigingen van de man. De moeder ontkent ten stelligste dat de man de biologische vader is van [minderjarige] ; er heeft nimmer geslachtsgemeenschap tussen partijen plaatsgevonden. Daarbij komt dat [minderjarige] is verwekt tijdens een vakantie in Portugal, in de periode van 7 tot en met 14 mei 2012 waarbij de man niet aanwezig was. De moeder is exact in de 40e week van haar zwangerschap bevallen van [minderjarige] , op [geboortedatum] 2013, zodat de man onmogelijk de verwekker van [minderjarige] kan zijn.

De moeder betwist verder, in tegenstelling tot wat de rechtbank overweegt, dat de man is mee geweest naar de verloskundige en/of een bezoek heeft gebracht aan het ziekenhuis en/of dat hij haar en [minderjarige] na de geboorte heeft verzorgd. De man is op geen enkele wijze betrokken geweest bij het verloop van de zwangerschap.

Voorts handhaaft de moeder haar stelling dat erkenning de ongestoorde verhouding tussen haar en [minderjarige] zal schaden. De man heeft de moeder gestalkt en de man werd wegens een dubbele diagnose begeleid door de GGZ. Vanwege de invloed van de man op het gezin van de moeder, diende de moeder haar woning te verlaten en werd haar relatie met [minderjarige] verstoord. De raad heeft zich genoodzaakt gezien een verzoek op te stellen om [minderjarige] (en haar halfbroer [halfbroer van de minderjarige] ) uit huis te plaatsen op een geheime locatie uit veiligheidsoverwegingen vanwege de man. Door de rechtbank is hier gevolg aan gegeven en in augustus 2013 zijn de moeder en de kinderen geplaatst in De Bocht.

De moeder is zeer angstig voor de man en zij heeft herhaaldelijk aangifte gedaan bij de politie. De man heeft meerdere keren goederen van de vrouw vernield en haar met de dood bedreigd.

De erkenning heeft tot gevolg dat de man prominenter in beeld zal zijn voor de moeder. De moeder is van mening dat de man over de positie van de moeder heen walst en niet kan kijken naar de belangen van [minderjarige] . De man zoekt continu de confrontatie met de moeder en organisaties die een advies over de zaak dienen uit te brengen. De moeder stelt dat aan het gedrag van de man een persoonlijkheidsproblematiek en beperkingen ten grondslag liggen waardoor de man uiterst primair en verbaal agressief reageert. Door de erkenning zal de agressie van de man wederom toenemen, omdat de man dan het gevoel heeft invloed te kunnen uitoefenen.

Tot slot merkt de moeder op dat het afdwingen van een DNA-onderzoek ongerechtvaardigd is en tevens een onnodige inbreuk op de lichamelijke en morele integriteit van de moeder oplevert.

3.4.

De man heeft ter zitting van het hof op opgewonden wijze zijn ongenoegen geuit over de gang van zaken tot dusver. Hij heeft daarbij aangegeven dat hij al twee keer zijn DNA-materiaal heeft afgestaan en dat hij nu voor een derde keer moet meewerken aan een DNA-onderzoek. Daarbij heeft de man zijn twijfels geuit of de moeder inderdaad [minderjarige] zal meenemen naar het onderzoekslaboratorium of dat zij van een ander kind DNA-materiaal zal laten afnemen.

3.5.

In haar verweerschrift stelt de bijzondere curator, kort samengevat en voor zover relevant, dat de moeder gedurende de procedure in eerste aanleg zich niet heeft uitgelaten over de kwestie of de man al dan niet de verwekker is van [minderjarige] . In hoger beroep ontkent zij dit voor het eerst, waarbij haar ontkenning tegenover de stelling van de man staat dat hij de verwekker van [minderjarige] is.

De bijzondere curator voert verder aan dat de moeder niet is verschenen bij de beide zittingen in eerste aanleg, en dat de man wel aanwezig was en heeft geantwoord op vragen van de rechtbank. De moeder hult zich in stilzwijgen (komt ook niet op gesprek bij de bijzondere curator), weigert opheldering te geven over zaken betreffende haar persoon (haar verblijf in detentie, haar eigen diagnostisering) en bovenal geeft zij tot op de dag van vandaag geen duidelijkheid over wie wèl de verwekker van [minderjarige] zou zijn. Hiermee handelt zij in strijd met de belangen van [minderjarige] .

Voorts is de bijzondere curator van mening dat van de moeder verlangd kan worden dat zij meewerkt aan een DNA-onderzoek. Dit onderzoek levert een geringe schending op van de lichamelijke integriteit en kan niet als zo ingrijpend als door de moeder voorgesteld worden beschouwd. [minderjarige] heeft er groot belang bij dat er absolute zekerheid komt over het feit of de man nu wel of niet haar biologische vader is. Aan de weigering van de moeder kan de conclusie worden verbonden dat de man geacht wordt de verwekker te zijn van [minderjarige] , nu er geen feiten en omstandigheden zijn die tot een oordeel moeten leiden dat erkenning in strijd is met de belangen van [minderjarige] . Gesteld noch gebleken is dat ten gevolge van de erkenning er voor [minderjarige] reële risico’s bestaan dat zij wordt belemmerd in een evenwichtige sociaalpsychologische en emotionele ontwikkeling. Erkenning van de man sluit volgens de bijzondere curator aan bij de biologische werkelijkheid: een werkelijkheid waarvoor ook de moeder heeft gekozen ten tijde van de verwekking van [minderjarige] . Dat zij nu niets meer wil weten van de man als partner, doet niets af aan het vaderschap en het recht van [minderjarige] om te weten wie haar vader is.

Het hof overweegt het volgende.

3.6.1.

Ingevolge artikel 1:204 lid 3 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de toestemming van de moeder wier kind de leeftijd van zestien jaren nog niet heeft bereikt, dan wel de toestemming van het kind van twaalf jaren of ouder, op verzoek van de persoon die het kind wil erkennen, door de toestemming van de rechtbank worden vervangen, tenzij dit de belangen van de moeder bij een ongestoorde verhouding met het kind schaadt of een evenwichtige sociaalpsychologische en emotionele ontwikkeling van het kind in het gedrang komt, mits deze persoon de verwekker van het kind is of de biologische vader van het kind, die niet de verwekker is en in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind.

3.6.2.

Het hof stelt voorop dat niet vast staat dat de man de verwekker is van [minderjarige] .

Voorts stelt het hof vast dat uit de brief van de advocaat van de vrouw van 4 juni 2015 en de brief van de advocaat van de man van 8 juni 2015 kan worden geconcludeerd dat beide partijen bereid zijn hun medewerking te verlenen aan een DNA-onderzoek om duidelijkheid te verkrijgen over de vraag of de man de verwekker is van [minderjarige] .

In het kader van hetgeen aan het hof ter beoordeling voorligt, is vooreerst van belang dat deze duidelijkheid wordt verkregen. Het hof zal dan ook een deskundigenonderzoek in de zin van artikel 194 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) gelasten. Het hof zal mevrouw dr. M. Hidding, DNA-specialist, werkzaam bij Verilabs Nederland B.V. tot deskundige, dan wel haar plaatsvervanger, benoemen teneinde een DNA-onderzoek te verrichten ter beantwoording van de vraag of de man kan worden aangemerkt als de verwekker van [minderjarige] .

De deskundige zal worden verzocht het resultaat van het onderzoek uiterlijk op 19 oktober 2015 aan het hof en aan partijen te doen toekomen.

De kosten van het onderzoek zijn door de deskundige begroot op een bedrag van € 585,=-, inclusief BTW. Deze kosten zullen voorlopig ten laste worden gebracht van het Rijk. Bij de eindbeschikking zal het hof beslissen hoe de kosten van dit onderzoek onder partijen worden verdeeld dan wel of één der partijen deze kosten volledig voor zijn of haar rekening dient te nemen.

Partijen worden na bekendwording van de uitslag van het onderzoek tot uiterlijk 2 november 2015 in de gelegenheid gesteld daarop schriftelijk te reageren, waarna het hof partijen zal inlichten over het verdere verloop van de procedure.

3.6.3.

Voor de goede orde wijst het hof erop dat partijen verplicht zijn mee te werken aan het onderzoek. Krachtens het bepaalde in artikel 198 lid 3 Rv kan het hof uit een gebrek aan medewerking van partijen de gevolgtrekking maken die het geraden acht.

3.6.4.

Het hof houdt iedere verdere beslissing in deze zaak aan.

4 De beslissing

Het hof:

gelast een deskundigenonderzoek naar de DNA-eigenschappen van de man en [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2013 te [geboorteplaats] , zulks ter beantwoording van de vraag of de man de verwekker is van [minderjarige] ;

benoemt tot deskundige mevrouw dr. M. Hidding, DNA-specialist, werkzaam bij Verilabs Nederland B.V., [adres] , [postcode] [kantoorplaats] , of haar plaatsvervanger;

bepaalt het voorschot op de kosten van het deskundigenonderzoek voorlopig op het door de deskundige begrote bedrag van € 585,= inclusief BTW, tenzij partijen of één van hen binnen veertien dagen na deze uitspraak tegen de hoogte van het voorschot bezwaar heeft gemaakt in welk geval het hof op dat bezwaar zal beslissen en de hoogte van het voorschot zal bepalen;

bepaalt dat het voorschot voorlopig ten laste van ’s Rijks kas komt;

verzoekt de deskundige, indien de kosten het voorschot te boven mochten gaan, het hof daarover tijdig in te lichten;

bepaalt dat de deskundige binnen een maand na ontvangst van het bericht van betaling haar werkzaamheden zal aanvangen en – zo mogelijk binnen twee maanden daarna – schriftelijk aan het hof zal rapporteren;

bepaalt dat de griffier van het hof zo spoedig mogelijk een afschrift van deze beschikking aan de benoemde deskundige zal doen toekomen;

houdt de zaak pro forma aan tot 22 oktober 2015;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze beschikking is gegeven door mrs. J.H.J.M. Mertens-Steeghs, M.C. Bijleveld-van der Slikke en H.M.A.W. Erven en in het openbaar uitgesproken op 16 juli 2015.