Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2015:2702

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
16-07-2015
Datum publicatie
20-07-2015
Zaaknummer
F 200.158.780_01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

partneralimentatie

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak: 16 juli 2015

Zaaknummer: F 200.158.780/01

Zaaknummer eerste aanleg: C/03/187898/FA RK 14-361

in de zaak in hoger beroep van:

[de vrouw] ,

wonende te

[woonplaats 1],

appellante,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. W.A.M. Maatman-Abarbanel,

tegen

[de man] ,

wonende te

[woonplaats 2],

verweerder,

hierna te noemen: de man,

advocaat: mr. J.J.H.S. Thomassen.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 30 juli 2014.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 28 oktober 2014, heeft de vrouw verzocht voormelde beschikking te vernietigen voor zover het betreft de onderhoudsbijdrage en opnieuw rechtdoende het verzoek van de man om een bijdrage in de kosten van levensonderhoud vast te stellen, af te wijzen, dan wel een bijdrage vast te stellen die het hof redelijk acht en te bepalen dat hetgeen door de man teveel is ontvangen door hem moet worden terugbetaald.

2.2.

Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie op 15 december 2014, heeft de man verzocht het beroep van de vrouw af te wijzen als ongegrond.

2.3.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 11 juni 2015. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

  • -

    de vrouw, bijgestaan door mr. Maatman-Abarbanel;

  • -

    de man, bijgestaan door mr. Thomassen.

2.4.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

  • -

    het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg op 30 juli 2014;

  • -

    het V6-formulier met bijlagen van de advocaat van de vrouw d.d. 30 mei 2015;

  • -

    de ter zitting door de advocaat van de man overgelegde brief van de gemeente Maastricht d.d. 12 december 2014.

3 De beoordeling

3.1.

Partijen zijn op [datum] 1990 met elkaar gehuwd.

3.2.

Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank tussen partijen de echtscheiding uitgesproken, welke beschikking 8 december 2014 is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

Bij deze beschikking heeft de rechtbank voorts, voor zover thans van belang, bepaald dat de vrouw als bijdrage in het levensonderhoud van de man moet voldoen een bedrag van € 831,- per maand met ingang van de dag van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand.

3.3.

De vrouw kan zich met deze beslissing niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen.

3.4.

De grieven van de vrouw betreffen - zakelijk weergegeven - :

- de (aanvullende) behoefte van de man (grief 1);

- het door de rechtbank in aanmerking genomen Wwb-normbedrag (grief 2);

- de door de rechtbank (niet) in aanmerking genomen lasten (grief 3);

- de draagkracht van de vrouw (grief 4);

- de jusvergelijking (grief 5).

Ingangsdatum

3.5.

De ingangsdatum van de vastgestelde onderhoudsbijdrage, te weten 8 december 2014, zijnde de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand, is tussen partijen niet in geschil, zodat ook het hof die datum als uitgangspunt zal nemen.

Behoefte man

3.6.

Ter zitting zijn partijen het er over eens geworden dat de huwelijksgerelateerde behoefte van de man € 1.837 netto (2.400,- bruto) per maand bedraagt.

Aanvullende behoefte man

3.7.

Tussen partijen is het feitelijk inkomen van de man in geschil.

De man heeft in eerste aanleg de salarisstroken van februari, maart en april 2014 overgelegd, waaruit een bruto maandinkomen blijkt van € 1.485,60 exclusief vakantiegeld. Hoewel de man stelt dat zijn netto maandinkomen € 1.350,- per maand bedraagt, zal het hof, gelet op de betwisting daarvan door de vrouw, in redelijkheid uitgaan van het uit de salarisstroken blijkende maandinkomen van € 1.485,60 bruto exclusief vakantiegeld, hetgeen neerkomt op een netto besteedbaar inkomen van € 1.373,- per maand.

3.7.1.

Gelet op het vorenoverwogene becijfert het hof de aanvullende behoefte van de man aldus op € 464,- netto per maand of wel € 915,- bruto per maand. Grief 1 slaagt.

Draagkracht

3.8.

De vrouw stelt dat haar draagkracht ontoereikend is om de vastgestelde bijdrage in het levensonderhoud van de man van € 831,- per maand te voldoen.

3.9.

Met betrekking tot het inkomen van de vrouw gaat het hof uit van de jaaropgave over 2014, waaruit een jaarinkomen blijkt van € 32.449, -.

3.10.

Voor het overige gaat het hof met betrekking tot de financiële situatie van de vrouw uit van de door de rechtbank in aanmerking genomen gegevens, voor zover deze door partijen niet, althans onvoldoende zijn betwist. Voor zover die gegevens in hoger beroep wel zijn betwist, zal het hof daarop gemotiveerd ingaan bij het desbetreffende onderdeel.

Wwb-normbedrag

3.11.

De vrouw stelt dat niet de bijstandsnorm voor een alleenstaande, doch die van samenwonenden dient te worden gehanteerd, nu haar nieuwe partner in verband met medische en psychische klachten niet in staat is inkomen uit arbeid of anderszins te verwerven.

De man heeft de stelling van de vrouw gemotiveerd betwist.

3.11.1.

Het hof overweegt dat de vrouw tegenover de gemotiveerde betwisting van de man haar stelling niet nader heeft onderbouwd.
Uit de overgelegde stukken blijkt dat de partner van de vrouw op 30 november 2013 wegens economische redenen is ontslagen en dat de WW-uitkering die na zijn ontslag aan hem is toegekend op 19 februari 2014 is geëindigd. Voor zover uit de door de vrouw overgelegde medische gegevens van het Medisch Centrum [medisch centrum] d.d. 28 mei 2015 en de brief van Mondriaan d.d. 31 maart 2015 al kan worden begrepen dat haar partner klachten heeft, blijkt uit geen van deze stukken dat de huidige partner van de vrouw niet in staat zou zijn betaalde arbeid te verrichten.

3.11.2.

Gelet op het voorgaande houdt het hof rekening met het op de Wwb gebaseerde normbedrag, exclusief de ondergrens woonkostencomponent, voor een alleenstaande, inclusief de maximale toeslag, ter voorziening in de noodzakelijke kosten van levensonderhoud. De tweede grief slaagt niet.

(Niet) in aanmerking genomen lasten

3.12.

Uit het vorenstaande vloeit voorts voort dat, anders dan de vrouw heeft betoogd, haar partner in staat wordt geacht de helft van de woonlasten voor zijn rekening te nemen en zelf zijn zorgpremie en eigen risico voor ziektekosten te voldoen. De derde grief slaagt evenmin.

3.13.

Het hof houdt rekening met de door de vrouw gestelde (netto) reiskosten ad € 139,- per maand, nu de man daartegen niet heeft gegriefd.

Vaststelling van de alimentatie

3.14.

Het vorenstaande in aanmerking genomen, heeft de vrouw een draagkrachtruimte van

€ 675,- per maand. Daarvan is 60% beschikbaar voor de betaling van een onderhoudsbijdrage voor de vrouw, dit is een bedrag van € 405,- netto per maand.

3.14.1.

Betaalde partneralimentatie is geheel aftrekbaar voor de inkomstenbelasting. Het fiscaal voordeel dat de vrouw door deze aftrek geniet, komt geheel ten goede aan de man. Rekening houdend met dit te realiseren fiscaal voordeel, heeft de vrouw de draagkracht om

€ 698,- per maand te betalen als bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw. Grief 4 van de vrouw slaagt derhalve.

Jusvergelijking

3.15.

De vrouw heeft verzocht om een jusvergelijking toe te passen, waartoe het hof eveneens aanleiding ziet.

3.15.1.

Ten aanzien van het inkomen van de man gaat het hof uit van voormelde salarisstroken, waaruit een bruto maandinkomen blijkt van € 1.485,60 exclusief vakantiegeld.

Het hof houdt rekening met de navolgende fiscale aspecten:

- € 4.371,- per jaar ter zake aftrekbare hypotheekrente;

- een eigenwoning forfait van € 984,- per jaar;

- de algemene heffingskorting en de arbeidskorting.

Aan de lastenzijde houdt het hof rekening met het op de Wet werk en bijstand (Wwb) gebaseerde normbedrag, exclusief de ondergrens woonkostencomponent, voor een zelfstandig wonende alleenstaande en de volgende lasten:

- een hypotheekrente van € 364,- per maand;

- een premie ziektekostenverzekering gelijk aan die van de vrouw van € 125,72,-;

- een zorgtoeslag van € 76,- per maand.

Ter zitting heeft de man anders dan in zijn verweerschrift gesteld dat geen rekening gehouden hoeft te worden met de kosten van de bij hem inwonende [kind].

3.16.

Het hof acht het redelijk dat de man en de vrouw voor wat betreft het vrij te besteden inkomen in een gelijke positie komen te verkeren. Indien de alimentatie op basis van de draagkracht van de vrouw zou worden vastgesteld, zou de man qua vrij besteedbaar inkomen in een financieel betere positie dan de vrouw komen. Indien de alimentatie wordt vastgesteld op een bedrag van € 370,- netto per maand, zijn de man en de vrouw qua vrij besteedbare inkomens in een gelijke positie, om welke reden het hof de alimentatiebijdrage zal vaststellen op een bedrag van € 370,- netto per maand, hetgeen na toerekening van het belastingvoordeel overeenkomt met een bedrag van € 593,- bruto per maand.

Grief 5 slaagt.

Terugbetaling

3.17.

De vrouw heeft verzocht te bepalen dat hetgeen door de man teveel is ontvangen door hem moet worden terugbetaald. Zij stelt daartoe dat zij de man reeds voor de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking heeft geïnformeerd over haar grieven met betrekking tot de bestreden beschikking. Nu de man deze stelling van de vrouw niet heeft betwist noch heeft gesteld of anderszins aannemelijk heeft gemaakt dat de teveel ontvangen bedragen zijn opgesoupeerd en uit de stukken niet is gebleken dat de man in financiële problemen komt indien hij de reeds ontvangen doch teveel betaalde bedragen dient terug te betalen, zal het hof het verzoek van de vrouw de man een terugbetalingsverplichting op te leggen, toewijzen. Het hof neemt daarbij tevens in aanmerking dat de door de rechtbank aan de vrouw opgelegde alimentatieverplichting haar draagkracht te boven gaat.

3.18.

De beschikking waarvan beroep dient aldus gedeeltelijk te worden vernietigd.

4 De beslissing

Het hof:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van

30 juli 2014, voor zover het betreft de daarbij vastgestelde bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de man;

en in zoverre opnieuw rechtdoende:

bepaalt dat de vrouw aan de man voor zijn levensonderhoud zal voldoen een bedrag van

€ 593,- per maand met ingang van 8 december 2014, voor wat de nog niet verschenen termijnen betreft te voldoen bij vooruitbetaling;

bepaalt dat de man gehouden is aan de vrouw terug te betalen hetgeen zij uit hoofde van deze beschikking teveel aan partneralimentatie heeft ontvangen;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. M.C. Bijleveld-van der Slikke,

E.L. Schaafsma-Beversluis en H. van Winkel en in het openbaar uitgesproken op

16 juli 2015.