Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2015:2701

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
16-07-2015
Datum publicatie
20-07-2015
Zaaknummer
F 200.168.992_01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

UITHUISPLAATSING

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak : 16 juli 2015

Zaaknummer : F 200.168.992/01

Zaaknummers 1e aanleg : C/02/291838 / JE RK 14-2375, C/291839 JE RK 14-2376 en C/02/291841 JE RK 14-2377

in de zaak in hoger beroep van:

[appellante],

wonende te [woonplaats],

advocaat: mr J.P.M. Sio

en

[appellant],

wonende te [woonplaats],

advocaat: mr. P.C. Schouten,

appellanten,

hierna te noemen: de ouders,

tegen

Stichting Bureau Jeugdzorg Noord-Brabant,

gevestigd te Eindhoven en mede kantoorhoudende te Roosendaal,

verweerster,

hierna te noemen: de stichting.

Als belanghebbenden kunnen worden aangemerkt:

- de heer en mevrouw [pleegouders 1] (hierna te noemen: de pleegvader respectievelijk de pleegmoeder, tezamen de pleegouders van [kind 1]);

- de heer en mevrouw [pleegouders 2] (hierna te noemen: de pleegvader respectievelijk de pleegmoeder, tezamen de pleegouders van [kind 2] en [kind 3]).

In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

de Raad voor de Kinderbescherming,

vestiging: Breda,

hierna te noemen: de raad.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 23 januari 2015.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 23 april 2015, hebben de ouders verzocht voormelde beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

primair: te beslissen dat het verzoek van de stichting strekkende tot verlenging van de ondertoezichtstelling en de uithuisplaatsing van de hierna nader te noemen kinderen alsnog wordt afgewezen;

subsidiair: de machtiging uithuisplaatsing te verkorten tot de duur die het hof juist acht, zulks met opdracht aan de stichting om alle mogelijkheden tot thuisplaatsing van de kinderen te bezien, ook wanneer dat inhoudt het (doen) verrichten van onderzoek naar de pedagogische kwaliteiten en eventueel de leerbaarheid van de ouders.

2.2.

Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 2 juni 2015, heeft de stichting verzocht het hoger beroep van de ouders af te wijzen en de bestreden beschikking in stand te laten.

2.3.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 23 juni 2015. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- de moeder, bijgestaan door mr. Schouten, waarnemend voor mr. Sio;

- mr. Schouten voor de vader;

- de stichting, vertegenwoordigd door de heer [vertegenwoordiger stichting];

- de pleegouders van [kind 2] en [kind 3].

2.3.1.

De vader, de raad en de pleegouders van [kind 1] zijn, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet ter zitting verschenen.

2.3.

Het hof heeft de minderjarige [kind 1] in de gelegenheid gesteld zijn mening kenbaar te maken. Hij heeft hiervan gebruik gemaakt en is voorafgaand aan de mondelinge behandeling ter zitting buiten aanwezigheid van partijen en overige belanghebbenden gehoord. Ter zitting heeft de voorzitter de inhoud van dit verhoor zakelijk weergegeven, waarna alle aanwezigen de gelegenheid hebben gekregen daarop te reageren.

2.4.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van de brief met bijlagen van de advocaat van de ouders d.d. 1 juni 2015.

3 De beoordeling

3.1.

De moeder en de vader hebben - voor zover hier van belang – de navolgende kinderen:

- [kind 1], (hierna te noemen: [kind 1]), op [datum 1] 2002 te [plaats 1];

- [kind 3] (hierna te noemen: [kind 3]), op [datum 3] 2005 te [plaats 2]; - [kind 2], (hierna te noemen: [kind 2]), op [datum 2] 2007 te [plaats 1].

De ouders hebben gezamenlijk het gezag over de kinderen.

3.2.

De kinderen staan sinds 24 juni 2008 onder toezicht van de stichting.

3.3.

De kinderen zijn op grond van een daartoe strekkende machtiging sinds 4 juli 2008 uit huis geplaatst in een verblijf pleegouder 24-uurs.

[kind 1] verblijft sedert maart 2010 in het huidige netwerkpleeggezin (zus van de moeder), [kind 3] en [kind 2] verblijven sedert juli 2009 samen in het huidige pleeggezin.

3.4.

Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking heeft de rechtbank de ondertoezichtstelling van de kinderen met ingang van 25 januari 2015 verlengd tot 25 januari 2016 alsmede de aan de stichting verleende machtiging verlengd om de kinderen met ingang van 25 januari 2015 tot uiterlijk 25 januari 2016 uit huis te plaatsen in een verblijf pleegouder 24-uurs.

3.5.

De ouders kunnen zich met deze beslissing niet verenigen en zijn hiervan in hoger beroep gekomen.

3.6.

De ouders voeren in het beroepschrift, zoals aangevuld ter zitting, - kort samengevat - het volgende aan.

De ouders hebben geen kennisgeving ontvangen ter zake de verzoeken van de stichting in eerste aanleg noch zijn zij uitgenodigd voor de mondelinge behandeling bij de rechtbank.

In het belang van de kinderen dient op korte termijn serieus onderzocht te worden of er bij de moeder toekomstperspectief is voor de kinderen. Uit het onderzoeksrapport van het Ambulatorium van 24 juni 2014 blijkt dat de moeder over voldoende pedagogische vaardigheden beschikt, regels en structuur kan bieden en in staat is te reflecteren.

De moeder heeft altijd geprobeerd het belang van de kinderen bovenaan te stellen en zij heeft daaraan ook daadwerkelijk uitvoering gegeven: de vader en de moeder leven al geruime tijd gescheiden van tafel en bed. Op termijn kunnen de kinderen bij de moeder verblijven. De vader ondersteunt dit en zal dan de kinderen bij de moeder onder haar toezicht kunnen bezoeken. Genoemde mogelijkheid is niet eerder overwogen. De rapportages op basis waarvan de machtiging uithuisplaatsing is afgegeven en telkens is verlengd, bevatten onjuistheden.

3.7.

De stichting voert in het verweerschrift, zoals aangevuld ter zitting, - kort samengevat – het volgende aan.

Het Ambulatorium heeft in haar rapport d.d. 24 juni 2014 niet alleen gesteld dat de moeder op affectief en pedagogische gebied over mogelijkheden beschikt, doch tevens dat de moeder weinig verweer heeft tegen de ondermijnende invloed van de vader alsook dat een thuisplaatsing sterke onveiligheidsgevoelens bij de kinderen teweeg zal brengen. Hoewel de moeder en de vader inmiddels gescheiden van elkaar wonen, treden zij ten aanzien van de kinderen nog gezamenlijk op. Gezien de - positieve - opstelling van de moeder wordt niet uitgesloten dat het contact tussen de kinderen en de moeder in de toekomst op een andere manier kan plaatsvinden dan met de vader. Gelet op de hechting, de nog bestaande onveiligheidsgevoelens van de kinderen, alsook de onduidelijkheid over een stabiele woonomgeving van de moeder is continuering van de uithuisplaatsing in het belang van de kinderen. De kinderen ontwikkelen zich positief in de pleeggezinnen en op school.

3.8.

Het hof overweegt het volgende.

3.8.1.

Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen zijn op grond van het overgangsrecht op deze zaak de wetsartikelen van toepassing zoals deze vóór 1 januari 2015 golden. Het hof doelt hierna derhalve op de betreffende artikelen en met inhoud als geldende tot 1 januari 2015. Op grond van artikel 1:254 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter een minderjarige onder toezicht stellen wanneer die zodanig opgroeit, dat zijn zedelijke of geestelijke belangen of zijn gezondheid ernstig worden bedreigd, en andere middelen ter afwending van deze bedreiging hebben gefaald of, naar is te voorzien, zullen falen.

Het hof is met de rechtbank van oordeel dat de gronden voor de ondertoezichtstelling aanwezig zijn. De ouders hebben hiertegen geen grieven aangevoerd. Het hof zal dan ook de bestreden beschikking op dit onderdeel bekrachtigen.

3.8.2.

Op grond van artikel 1:261 lid 1 van het BW kan de rechter een machtiging verlenen om een onder toezicht gestelde minderjarige uit huis te plaatsen, indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.

3.8.3.

Het hof is van oordeel dat hier sprake van is en overweegt daartoe het volgende.

3.8.4.

De kinderen zijn sinds juli 2008 uit huis geplaatst. [kind 1] verblijft sinds maart 2010 in een netwerkpleeggezin, [kind 3] en [kind 2] verblijven sinds juli 2009 in een perspectief biedend pleeggezin. Blijkens het rapport van de raad d.d. 23 maart 2015 zijn de kinderen in hun pleeggezinnen ingegroeid en veilig gehecht en ontwikkelen zij zich binnen hun eigen mogelijkheden positief. Bij de ouders kennen de kinderen geen basisveiligheid. Tot op heden laten zij rondom de contacten met de ouders nog steeds gevoelens van onveiligheid zien. Hoewel de moeder bij de kinderen kan aansluiten en over pedagogische capaciteiten beschikt, is ook zij niet bij machte om voor een veilig gevoel bij de kinderen te zorgen, zo blijkt uit het rapport van de raad. Het Ambulatorium [Ambulatorium] concludeert in de ouderschapsbeoordeling d.d. 24 juni 2014 dat, gezien de negatieve factoren in de opvoedingssituatie bij de ouders en de onveiligheidsgevoelens van de kinderen met betrekking tot de ouders, terugplaatsing van de kinderen naar de ouders niet wenselijk en niet in hun belang is te achten. Blijkens voornoemde ouderschapsbeoordeling is het de verwachting dat bij een thuisplaatsing de mogelijkheden van de kinderen om vertrouwensrelaties aan te gaan beschadigd zullen worden, zij beperkte probleemoplossingsvaardigheden zullen aanleren en er een scheefgroei zal ontstaan in hun sociaal-emotionele ontwikkeling.

3.8.5.

Reeds de gevoelens van veiligheid die de kinderen thans ontlenen aan de situatie in hun pleeggezin, de onveiligheidgevoelens van de kinderen jegens de ouders en de onmacht van de ouders om daaraan het hoofd te bieden, maken naar het oordeel van het hof dat de noodzaak voor uithuisplaatsing van de kinderen aanwezig is en dat een terugplaatsing - ook bij alleen de moeder - geen reële optie is. Het rapport van de raad en de bevindingen van het Ambulatorium zijn wat dat betreft duidelijk en consistent. Gelet op het voorgaande ziet het hof geen aanleiding de machtiging uithuisplaatsing te beperken in de tijd en evenmin aanleiding nog een nader onderzoek naar thuisplaatsing van de kinderen te gelasten.

3.8.6.

Het voorgaande neemt niet weg dat een goed contact tussen de ouders en de kinderen in het belang van de kinderen wenselijk is. Ter zitting van het hof is gebleken dat daar bij de stichting ook ruimte voor wordt gezien.

3.8.7.

Voor zover de ouders hebben gegriefd tegen het feit dat zij geen kennisgeving hebben ontvangen ter zake de verzoeken van de stichting in eerste aanleg en niet zijn uitgenodigd voor de mondelinge behandeling bij de rechtbank, gaat het hof daar aan voorbij, nu het hoger beroep er mede toe kan dienen om in de procedure in eerste aanleg gemaakte fouten en omissies - voor zover hiervan sprake is - te herstellen. De ouders hebben in hoger beroep voldoende gelegenheid gehad hun standpunt kenbaar te maken.

3.9.

Het voorgaande leidt ertoe dat de bestreden beschikking dient te worden bekrachtigd.

4 De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 23 januari 2015, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

verzoekt de griffier krachtens het bepaalde in het Besluit Gezagsregisters een afschrift van deze uitspraak toe te zenden aan de griffier van de rechtbank Oost-Brabant, afdeling civiel recht, team familie- en jeugdrecht, ter attentie van het centraal gezagsregister;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. C.A.R.M. van Leuven, J.H.J.M. Mertens-Steeghs en

M.C. Bijleveld-van der Slikke en in het openbaar uitgesproken op 16 juli 2015.