Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2015:2673

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
14-07-2015
Datum publicatie
20-07-2015
Zaaknummer
HD 200.161.841_01
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Declaratie van in Egypte gemaakte ziektekosten voldoet niet aan de verzekeringsvoorwaarden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer HD 200.161.841/01

arrest van 14 juli 2015

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats],

appellant,

hierna aan te duiden als [appellant],

advocaat: mr. M. de Boorder te 's-Gravenhage,

tegen

Ohra Zorgverzekeringen N.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats],

geïntimeerde,

hierna aan te duiden als Ohra,

advocaat: mr. I.J.M.A. Hustings-Goes te Tilburg,

op het bij exploot van dagvaarding van 21 november 2014 ingeleide hoger beroep van het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, kanton Tilburg, van 3 september 2014, gewezen tussen [appellant] als eiser en Ohra als gedaagde.

1 Het geding in eerste aanleg (zaaknr. 2882103 CV EXPL 14-2285)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding in hoger beroep;

  • -

    de memorie van grieven;

  • -

    de memorie van antwoord;

  • -

    het pleidooi, waarbij partijen pleitnotities hebben overgelegd.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De beoordeling

3.1.

In een niet genummerde grief klaagt [appellant] erover dat de door de rechtbank vastgestelde feiten de kern lijken te missen. Deze grief wordt verworpen. De rechtbank heeft de door [appellant] in de toelichting op deze grief gestelde feiten (i) terecht niet relevant geacht voor de beoordeling van het geschil dan wel (ii) terecht niet als vaststaand aangenomen gelet op de gemotiveerde betwisting van de gestelde feiten door Ohra.

3.2.

In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende, grotendeels ook al door de rechtbank vastgestelde en door partijen niet betwiste, feiten.

  1. [appellant] heeft in 2010 en 2011 met Ohra een (restitutie)zorgverzekering gesloten (prod. 1 cva).

  2. In artikel D.14.1 van de bij de zorgverzekering behorende verzekeringsvoorwaarden (prod. 2 cva) is bepaald dat zorg in het buitenland voor vergoeding in aanmerking komt wanneer het gaat om medisch noodzakelijke zorg die redelijkerwijs niet uitgesteld kan worden. Verder is in artikel A.19.2 van de verzekeringsvoorwaarden (prod. 3 cva) onder meer het volgende bepaald:

‘(...) Wij handelen nota’s af volgens de verzekeringsvoorwaarden van de door u gesloten verzekering(en), als ze aan bepaalde eisen voldoen.

Nota’s moeten:

origineel zijn (geen kopie) (...)

  • -

    Als u zorg in het buitenland hebt gehad, hebt u mogelijk recht op vergoeding van (een deel van) nota’s die u eerder hebt ingediend in uw woonland. In dat geval nemen wij kopieën van de originele, buitenlandse nota’s in behandeling. (...)

  • -

    Nota’s hebben betrekking op daadwerkelijk plaatsgevonden behandelingen en geleverde zorg of hulpmiddelen.

  • -

    (...)

  • -

    Nota’s zijn van u, de zorgaanbieder of zorginstelling afkomstig;

  • -

    Nota’s moeten zo gespecificeerd en vertaald zijn, dat wij deze zonder vertaling, navraag of verder onderzoek volgens de verzekeringsvoorwaarden kunnen afhandelen. Voor specificatie van nota’s gaan wij uit van dezelfde eisen als de belastingdienst. Zo moeten op een nota bij voorbeeld de naam en het adres van de zorgaanbieder, uw naam, de inhoud, aantal/periode en het bedrag van de geleverde zorg staan. (...)’

In april 2011 is [appellant] naar het Bronovo ziekenhuis in Den Haag gegaan wegens knieklachten. In mei 2011 is [appellant] in Nederland geopereerd vanwege een breuk in het tibiaplateau, zijnde een onderdeel van de knie. De kosten van deze operatie en van een aan [appellant] verstrekt hulpmiddel ter stabilisatie van zijn knie zijn vergoed door Ohra.

In mei 2011 heeft [appellant] bij de politie in Ismaïlia in Egypte aangifte gedaan van een ongeval dat hem aldaar zou zijn overkomen op 23 december 2010. In de Engelse vertaling van de aangifte (productie bij inl. dagv) staat vermeld: ‘... on that day 23/12/2010 […] I was walking in [straatnaam] street..., I was surprised to see that a car crashed into my car on the backside on the same direction of my driving which resulted in severe injuries on my body, I lost consciousness, and I knew after I recovered from the people who were there that the car that crashed into my car [...] was driven by a lady ... I knew from the people that the lady called her husband who came and took me to the general hospital of Ismailia and after that he took me to the University Hospital at about 1 o’clock a.m. and I was taken inside the department of Neurosurgery and I was made to stay in the University Hospital for about three weeks, after that I headed to International Medical Center. My case was diagnosed after making x-rays and it turned out to be a Brain blood clot which needed to be removed by a surgical operation and I entered Al Fouad specialized medical complex and my knee was cured [...] and I received physiotherapy... After the restoration of memory I traveled to the Netherlands to complete the treatment of mine and I still cure my left knee up till now’

[appellant] heeft een door hem ondertekend en op 15 september 2011 gedateerd ‘Vragenformulier Buitenland’ bij Ohra ingediend (productie bij inl. dagv). Op dit formulier staat een aantal vragen voorgedrukt die [appellant] op het formulier heeft beantwoord. Op de vraag door welke zorgverlener(s) [appellant] in het buitenland is behandeld heeft hij geantwoord: ‘specialist orthopedische chirurgie, en de hersenenspecialist, en specialistische ocg’. Verder heeft [appellant] op het formulier ingevuld dat er sprake is geweest van een ongeval op 23 december 2010 en dat hij van 23 december 2010 tot en met 23 februari 2011 opgenomen is geweest in het ziekenhuis. Verder heeft hij op het formulier vermeld dat hij in het ziekenhuis is behandeld op de afdeling orthopedische chirurgie en dat de naam van de behandelend arts [arts] is. Daarnaast heeft [appellant] op het formulier ingevuld dat hij per ambulance naar het ziekenhuis is vervoerd. Op de vraag welk bedrag de zorgverlener/het ziekenhuis/apotheek in rekening heeft gebracht heeft [appellant] geantwoord ‘168000 Egyptische pond, ongeveer 20,000 €’. Hij heeft verklaard dat dit bedrag door zijn vader is betaald. Op de vraag aan wie dit bedrag is betaald heeft [appellant] geantwoord: ‘Nor Al Foad Medical … (ziekenhuis)’.

In de Nederlandse vertaling van een stuk, gedateerd 24 februari 2011, staat onder meer vermeld:

‘[Recept]

(…) Conclusie, hij werd opgenomen in het ziekenhuis van 23-12-2010 tot 23-2-2011 (…) hij kreeg (…) röntgenfoto’s, medicatie (…) na hersencontusie (…) wat 20.000 Euro kostte

Naam specialist: [arts]

(…)

www.nourelfouad.com’

Ohra weigert de door [appellant] gedeclareerde zorgkosten voor behandeling in Egypte van omgerekend € 20.000,00 aan hem te vergoeden.

3.3.

In de onderhavige procedure heeft [appellant] betaling door Ohra gevorderd van een bedrag van € 20.000,00 vermeerderd met wettelijke rente.

[appellant] heeft, kort samengevat, het volgende aan zijn vordering ten grondslag gelegd. Op

23 december 2010 is [appellant] in Egypte, terwijl hij liep, door een auto van de stoep gereden waardoor hij zwaar letsel aan zijn linkerknie en onderbeen, een gebroken pols en schouder, een schedelbreuk en gebroken oogkassen heeft opgelopen. [appellant] is hiervoor opgenomen geweest in drie Egyptische ziekenhuizen en zijn ouders en broer hebben de ziekenhuiskosten van 160.000 Egyptische ponden, zijnde omgerekend € 20.000,00, betaald. Ohra is – naar het hof de stellingen van [appellant] begrijpt: op grond van de zorgverzekering – verplicht om de ziektekosten van [appellant] van € 20.000,00 aan hem te vergoeden.

Voor zover nodig heeft [appellant] nog de nietigheid van de verzekeringsvoorwaarden ingeroepen voor zover deze meebrengen dat hij moet aantonen welke behandelingen hij heeft gehad. Subsidiair heeft [appellant] gesteld dat een beroep op de verzekeringsvoorwaarden in strijd met de redelijkheid en billijkheid is.

Ohra heeft de vordering gemotiveerd betwist.

3.4.

In het bestreden vonnis heeft de kantonrechter de vordering van [appellant] afgewezen en hem veroordeeld in de proceskosten. Daartoe heeft de kantonrechter, kort samengevat, het volgende overwogen. Uitgangspunt om te kunnen beoordelen of gedeclareerde kosten onder de dekking van de verzekering vallen, is dat bekend moet zijn welke kosten zijn gemaakt, waarvoor en door wie. Dit volgt ook uit de verzekeringsvoorwaarden. In het onderhavige geval kan echter niet worden vastgesteld of de door [appellant] gedeclareerde kosten onder de dekking van de verzekering vallen, omdat niet gebleken is welke kosten zijn gemaakt, waarvoor en door wie.

Voor zover [appellant] heeft beoogd om een beroep te doen op de vernietigbaarheid van de bedingen in de verzekeringsvoorwaarden waarop Ohra zich beroept, heeft de kantonrechter overwogen dat er voor vernietiging van deze algemene voorwaarden geen aanleiding is. Tot slot heeft de kantonrechter het beroep van [appellant] op de redelijkheid en billijkheid opgevat als een beroep op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid en dit beroep verworpen.

3.5.

Bij memorie van grieven heeft [appellant] naast de hierboven reeds besproken grief vijf grieven aangevoerd tegen het bestreden vonnis. [appellant] heeft geconcludeerd tot vernietiging van het dit vonnis en tot het alsnog toewijzen van zijn vordering, met veroordeling van Ohra in de proceskosten van de eerste aanleg en van het hoger beroep.

3.6.

Het hof zal de grieven 1 t/m 5 hierna gezamenlijk bespreken. Hiermee wordt in de kern de vraag aan de orde gesteld of Ohra op grond van de zorgverzekering verplicht is om de door [appellant] gedeclareerde ziektekosten te vergoeden. Het hof overweegt hierover als volgt.

3.7.

Tussen partijen is kennelijk niet in geschil dat tussen hen de toepasselijkheid van bovengenoemde verzekeringsvoorwaarden van Ohra op de zorgverzekeringsovereenkomst is overeengekomen. Dat betekent dat deze verzekeringsvoorwaarden tussen partijen gelden, tenzij het hierna te bespreken beroep van [appellant] op nietigheid van de voorwaarden of op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid zou slagen.

3.8.

Niet ter discussie staat dat de declaratie van [appellant] van de in Egypte gemaakte ziektekosten niet voldoet aan de eisen die aan een dergelijke declaratie worden gesteld in artikel A.19.2 van de verzekeringsvoorwaarden.

Daarbij neemt het hof in aanmerking dat geen grief is gericht tegen r.o. 3.8.3 en 3.8.4 van het bestreden vonnis waarin de kantonrechter onder meer heeft geoordeeld dat de door [appellant] overgelegde drie vertalingen van stukken in het Nederlands (waaronder de hierboven in r.o. 3.2 onder f genoemde vertaling) niet kunnen worden aangemerkt als nota’s maar patiëntenbrieven zijn die niet voldoen aan de verzekeringsvoorwaarden. Daarnaast is van belang dat, hoewel grief 2 formeel is gericht tegen r.o. 3.8.1 en 3.8.2 van het bestreden vonnis, [appellant] zich in de toelichting op deze grief niet keert tegen de daarin gegeven oordelen dat uit de verzekeringsvoorwaarden volgt dat om te kunnen beoordelen of gedeclareerde kosten onder de dekking van de verzekering vallen, bekend moet zijn welke kosten zijn gemaakt, waarvoor en door wie, en dat de stukken zoals genoemd in r.o. 3.6 (het hof leest: 3.5) van het bestreden vonnis hier niet aan voldoen. Nu [appellant] voorts in hoger beroep niet aanvoert dat (afgezien van voormelde drie vertalingen) één of meerdere stukken voldoen aan de in artikel A.19.2 van de verzekeringsvoorwaarden gestelde eisen en hij er aldus niet over klaagt dat de kantonrechter kennelijk van het tegendeel is uitgegaan, gaat het hof er net als de kantonrechter van uit dat geen enkel stuk dat in deze procedure is overgelegd voldoet aan de in artikel A.19.2 van de verzekeringsvoorwaarden gestelde eisen voor een declaratie van in het buitenland gemaakte ziektekosten.

3.9.

Nu de declaratie van [appellant] niet voldoet aan de in de verzekeringsvoorwaarden gestelde eisen, is Ohra op grond van deze voorwaarden in beginsel niet verplicht om de gedeclareerde ziektekosten te vergoeden.

3.10.1.

[appellant] voert echter aan dat de verzekeringsvoorwaarden nietig zijn, althans dat Ohra daarop in redelijkheid geen beroep kan doen, en doelt daarbij naar het hof begrijpt meer in het bijzonder artikel A.19.2 van die voorwaarden.

3.10.2.

Het hof constateert dat [appellant] ook in hoger beroep heeft nagelaten om toe te lichten waarop zijn beroep op nietigheid is gegrond.

Voor zover [appellant] bedoeld zou hebben een beroep te doen op de vernietigbaarheid van bedingen in algemene voorwaarden, overweegt het hof als volgt. [appellant] heeft geen grief gericht tegen het oordeel van de kantonrechter dat hij kennis heeft kunnen nemen van de verzekeringsvoorwaarden. Dat betekent dat er geen grond is voor vernietiging van die voorwaarden overeenkomstig artikel 6:233 onder b BW. Evenmin is er grond om de bedingen in artikel A.19.2. van de verzekeringsvoorwaarden als onredelijk bezwarend te vernietigen overeenkomstig artikel 6:233 onder a BW. Nog daargelaten dat [appellant] niet heeft aangegeven welke specifieke bedingen hij wil vernietigen, constateert het hof dat de hierboven weergegeven bedingen uit artikel A.19.2 van de verzekeringsvoorwaarden geen bedingen betreffen als bedoeld in artikel 6:236 BW en 6:237 BW die geacht of vermoed worden onredelijk bezwarend te zijn. Het hof acht de bedingen waarop Ohra zich beroept ook niet onredelijk bezwarend voor [appellant], gelet op de in artikel 6:233 onder a BW genoemde omstandigheden waaronder de aard en overige inhoud van de zorgverzekering. De bedingen strekken ertoe dat voor vergoeding van in het buitenland gemaakte ziektekosten is vereist dat nota’s bij de verzekeraar worden ingediend die, kort weergegeven, origineel zijn en inzicht geven in de behandeling, de reden van de behandeling, wanneer en door welke zorgverlener de behandeling heeft plaatsgevonden en hoe hoog de aan de behandeling verbonden kosten zijn geweest. Het hof acht deze eisen alleszins redelijk. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat Ohra niet kan beoordelen of door een verzekerde geclaimde ziektekosten onder de dekking van de zorgverzekering vallen, als niet duidelijk en controleerbaar is welke kosten zijn gemaakt, waarvoor en door wie. Indien Ohra steeds gehouden zou zijn om geclaimde ziektekosten te vergoeden, zonder dat zij kan controleren of deze kosten zijn gemaakt en onder de dekking van de verzekering vallen, dan is, zoals Ohra terecht stelt, het zorgverzekeringsstelsel niet langer houdbaar. Het is aan [appellant], die aanspraak maakt op een vergoeding van kosten onder de verzekering, om bedoelde duidelijkheid aan Ohra te verschaffen onder overlegging van nota’s die aan de in artikel A.19.2 van de verzekeringsvoorwaarden gestelde eisen voldoen.
Uiteraard is denkbaar dat een verzekerde onder bepaalde (bijzondere) omstandigheden in redelijkheid niet of niet volledig aan deze eisen kan voldoen maar de ziektekosten wel op andere wijze aannemelijk kan maken, in welk geval een beding in de verzekeringsvoorwaarden om die reden onredelijk bezwarend zou kunnen worden geacht. De door [appellant] gestelde omstandigheden dat de meeste artsen die hem hebben behandeld naar Dubai zijn gevlucht door de onrust die begin 2011 in Egypte is uitgebroken, hij zeker twee maanden in coma heeft gelegen en hij nooit meer de oude is geworden waardoor hij wordt beperkt in zijn denkvermogen, rechtvaardigen naar het oordeel van het hof echter niet de conclusie dat [appellant] niet volledig, laat staan in het geheel niet, zou kunnen voldoen aan bedoelde eisen. Het hof neemt hierbij nog in ogenschouw dat uit de stellingen van [appellant] kan worden afgeleid dat hij tijdens het gestelde ziekenhuisverblijf in Egypte is bijgestaan door zijn naaste familie. Volgens [appellant] is zijn neef M. [appellant] betrokken geweest bij het regelen van de ziekenhuizen voor [appellant] en de betaling van de nota’s voor zijn verpleging in Egypte. Verder stelt [appellant] dat zijn ouders en broer aan de drie verschillende ziekenhuizen waarin hij zou hebben gelegen in totaal omgerekend € 20.000,00 contant hebben betaald, omdat hij anders niet zou worden behandeld. Bewijsstukken van die door zijn naaste familieleden gedane betalingen, zoals kwitanties of nota’s waarop is aangetekend dat deze zijn voldaan, zijn echter niet overgelegd door [appellant].

3.10.3.

Het hof acht de bedingen waarop Ohra zich beroept dus niet onredelijk bezwarend. Dit wordt niet anders vanwege het feit dat Ohra wel de in Nederland gemaakte kosten van een in mei 2011 door [appellant] ondergane knieoperatie en van een aan hem verstrekt hulpmiddel voor zijn knie heeft vergoed. Anders dan [appellant] stelt, kan op grond van het enkele feit dat Ohra deze kosten heeft vergoed niet worden geconcludeerd dat de knieoperatie in Nederland een vervolg is op een eerdere behandeling in het buitenland, laat staan dat Ohra daardoor moet weten wat de eerdere behandeling van [appellant] in Egypte heeft gekost. Dit geldt temeer nu geen enkel stuk van een ziekenhuis of zorgverlener is overgelegd waaruit blijkt dat [appellant] in Egypte is behandeld vanwege knieklachten en wat die behandeling dan zou hebben ingehouden. Bovendien constateert het hof dat [appellant] naar zijn zeggen door het ongeluk niet alleen knieletsel maar onder meer ook ernstig hoofdletsel heeft opgelopen en in coma in het ziekenhuis in Egypte heeft gelegen (waarbij overigens niet duidelijk is hoe lang hij precies in coma heeft gelegen). Ook gelet daarop ziet het hof niet in hoe Ohra in verband met de in Nederland uitgevoerde knieoperatie moet weten wat de behandeling van [appellant] in Egypte heeft gekost.

3.11.

Verder voert [appellant] aan dat het beroep van Ohra op haar verzekeringsvoorwaarden in strijd is met de redelijkheid en billijkheid. Het hof begrijpt de stellingen die [appellant] in verband hiermee heeft ingenomen aldus dat hij stelt dat artikel A.19.2 van de verzekeringsvoorwaarden niet van toepassing is, omdat dit in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is (vgl. artikel 6:248 lid 2 BW).
Hoewel denkbaar is dat zich omstandigheden voordoen op grond waarvan geoordeeld moet worden dat in die omstandigheden één of meerdere eisen uit artikel A.19.2 van de verzekeringsvoorwaarden niet van toepassing zijn, omdat dit naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, is het hof van oordeel dat de door [appellant] gestelde omstandigheden niet tot die conclusie kunnen leiden. Kortheidshalve verwijst het hof hierbij naar hetgeen hierboven in r.o. 3.10.2 en 3.10.3 is overwogen over de door [appellant] gestelde omstandigheden en over de strekking van de in artikel A.19.2 van de verzekeringsvoorwaarden gestelde eisen.

3.12.1.

Bij al het voorgaande gaat het hof voorbij aan de (bewijs)aanbiedingen die [appellant] heeft gedaan. Daartoe overweegt het hof als volgt.

3.12.2.

Tijdens het pleidooi heeft [appellant] gesteld dat de heer [tolk], een zeer ervaren Egyptische tolk/vertaler, momenteel bezig is met onderzoek in Egypte om bij de betrokken ziekenhuizen te achterhalen welke administratieve bescheiden er zijn over het letsel van [appellant], de behandeling, de kosten en de betaling daarvan. Te verwachten is dat deze bescheiden tussen een maand en twee maanden beschikbaar komen, zo heeft de heer [tolk] op de dag van het pleidooi aan de advocaat van [appellant] medegedeeld. Voor zover er stukken niet beschikbaar zijn, zou de heer [tolk] uit eigen waarneming kunnen verklaren waarom die stukken ontbreken, aldus [appellant].

3.12.3.

Voor zover [appellant] hiermee beoogt aan te bieden om, indien er nog stukken achterhaald zouden kunnen worden die wèl voldoen aan de in artikel A.19.2 van de verzekeringsvoorwaarden gestelde eisen, deze stukken alsnog over te leggen, gaat het hof hieraan voorbij. Het hof acht het in strijd met de eisen van een goede procesorde en met het daarin besloten liggende beginsel van concentratie van het processuele debat, tot uitdrukking komend in de tweeconclusieregel (vgl. Hoge Raad 8 mei 2015, ECLI:NL:HR:1224), om [appellant] in deze stand van de procedure in de gelegenheid te stellen om, indien alsnog stukken zouden kunnen worden achterhaald die wèl voldoen aan de verzekeringsvoorwaarden, deze stukken alsnog over te leggen. De grenzen van de rechtsstrijd zijn in beginsel afgebakend in de memories van grieven en antwoord. De memorie van grieven bevat geen grief tegen het oordeel van de kantonrechter dat de overgelegde stukken waarmee [appellant] zijn claim heeft onderbouwd, niet voldoen aan de eisen die daaraan in de verzekeringsvoorwaarden worden gesteld. Aan het hof ligt dan ook niet ter beoordeling voor of de vordering van [appellant] toewijsbaar is op de grond dat de door [appellant] ingediende declaratie voldoet aan de eisen uit de verzekeringsvoorwaarden. Het hof neemt verder nog in ogenschouw dat uit de processtukken blijkt dat Ohra al enkele jaren geleden de door [appellant] geclaimde ziektekosten heeft afgewezen omdat niet is voldaan de verzekeringsvoorwaarden (ook nog na heroverweging in 2013, zie de brief van Ohra d.d. 30 januari 2013 die als productie bij inleidende dagvaarding is overgelegd), terwijl Ohra dit verweer ook direct in de procedure heeft gevoerd bij haar conclusie van antwoord d.d. 16 april 2014 (en in al haar overige processtukken). Gelet hierop had het op de weg van [appellant] gelegen om in ieder geval bij memorie van grieven mede aan zijn vordering ten grondslag te leggen dat Ohra de ziektekosten moet vergoeden omdat de declaratie van de ziektekosten voldoet aan de in de verzekeringsvoorwaarden gestelde eisen, onder overlegging van stukken waaruit dit blijkt. [appellant] heeft dit echter nagelaten, terwijl hij geen feiten en omstandigheden heeft aangevoerd waaruit blijkt dat hij het gestelde onderzoek in Egypte niet eerder had kunnen laten uitvoeren en de stukken niet eerder over had kunnen leggen. Daar komt nog bij dat [appellant] er kennelijk zelf van uitgaat dat hij de door hem gedeclareerde ziektekosten niet volledig zal kunnen onderbouwen en dat de uitkomst van het onderzoek in Egypte onzeker is. Tijdens het pleidooi heeft [appellant] immers gesteld dat hij grotendeels in staat zal zijn om zijn ziektekosten te onderbouwen. Verder heeft hij gesteld dat het moeilijk zal zijn om stukken te verkrijgen van de eerste twee ziekenhuizen waarin hij heeft gelegen (en waarop de geclaimde ziektekosten mede betrekking zouden hebben). Tot slot heeft hij gesteld dat voor zover stukken niet beschikbaar zijn, de heer [tolk] uit eigen waarneming kan verklaren waarom de stukken ontbreken.

3.12.4.

Overigens acht het hof het aanbod van [appellant] om nadere stukken over te leggen ook onvoldoende onderbouwd in het licht van het feit dat hij bij memorie van grieven nog heeft gesteld dat hij niet meer stukken over kan leggen dan dat hij heeft gedaan. Het hof betrekt hierbij nog het volgende:

  1. [appellant] heeft niet gesteld welke behandelingen hij wanneer en in welk ziekenhuis heeft ondergaan en wat de kosten van die verschillende behandelingen zijn geweest, zodat hij niet heeft voldaan aan zijn stelplicht;

  2. Daar waar [appellant] in de inleidende dagvaarding nog stelde dat het geclaimde bedrag van € 20.000,00 is betaald aan het derde ziekenhuis waarin hij heeft gelegen, de Nour al Fouad polikliniek, heeft hij tijdens het pleidooi verklaard dat het bedrag van € 20.000,00 ook betrekking heeft op kosten die zijn betaald aan de eerste twee ziekenhuizen waarin hij heeft gelegen. Deze laatste stelling valt echter niet te rijmen met het feit dat [appellant] op bovengenoemd vragenformulier heeft ingevuld dat het bedrag van € 20.000,00 aan ‘Nor Al Foad Medical … (ziekenhuis)’ is betaald, waarmee kennelijk het Nour al Fouad ziekenhuis is bedoeld, en met het feit dat zijn advocaat dit ook nog in de brief aan Ohra d.d. 11 januari 2013 heeft geschreven. Ook lijkt die stelling zich niet te verhouden met de hierboven in r.o. 3.2 onder f genoemde vertaling. Deze Nederlandse vertaling lijkt betrekking te hebben op een stuk dat afkomstig is van het Nour al Fouad ziekenhuis (het buitenlandse stuk dat is vertaald is niet overgelegd). In de vertaling worden de totale kosten van € 20.000,00 genoemd, hetgeen niet voor de hand ligt indien slechts een deel van deze kosten aan het (privé) ziekenhuis Nour al Fouad is betaald en een deel aan twee andere (publieke) ziekenhuizen.

  3. De processtukken bevatten onder meer tegenstrijdigheden over de toedracht van het ongeval en over het vervoer naar het eerste ziekenhuis. Zo heeft [appellant] gesteld dat hij lopend van de stoep is gereden, terwijl in de vertaling van de aangifte van [appellant] bij de politie staat vermeld dat een auto tegen de achterkant van zijn auto is gebotst. Verder staat in de vertaling van de aangifte dat [appellant] na het ongeluk door de echtgenoot van de veroorzaakster van het ongeval naar het ziekenhuis is gebracht, terwijl [appellant] op bovengenoemd vragenformulier heeft vermeld dat hij per ambulance naar het ziekenhuis is vervoerd. Weliswaar suggereert [appellant] dat de aangifte onjuist is opgenomen of vertaald, maar het betreft hier een door hem zelf naar Ohra gestuurde vertaling van de aangifte. Stukken waaruit blijkt dat deze vertaling onjuist is, zijn niet overgelegd.

3.12.5.

Met het leveren van getuigenbewijs kan [appellant] niet voldoen aan de eisen die aan nota’s worden gesteld in de verzekeringsvoorwaarden, zodat het getuigenbewijsaanbod in zoverre als niet ter zake dienend moet worden gepasseerd.

3.12.6.

Voor zover het getuigenbewijsaanbod van [appellant] alsmede zijn aanbod om (eventueel) nog te achterhalen stukken over te leggen betrekking hebben op het beroep van [appellant] op nietigheid van de verzekeringsvoorwaarden en zijn beroep op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid, gaat het hof daaraan voorbij. [appellant] heeft geen feiten en omstandigheden te bewijzen aangeboden die, indien bewezen, tot de conclusie kunnen leiden dat de verzekeringsvoorwaarden (i) onredelijk bezwarend zijn of (ii) buiten toepassing moeten worden gelaten omdat dit in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Daarnaast acht het hof het getuigenbewijsaanbod en het aanbod om (eventueel) nog te achterhalen stukken over te leggen onvoldoende onderbouwd. Kortheidshalve verwijst het hof hiervoor naar hetgeen hierboven in r.o. 3.12.3 en 3.12.4 is overwogen.

Het voorgaande geldt ook voor het tijdens het pleidooi door [appellant] gedane aanbod om een Egyptisch vonnis, dat in maart of april 2015 tussen hem en de veroorzaakster van het ongeval zou zijn gewezen, en een vertaling van dat vonnis, over te leggen.

3.12.7.

Tot slot verwerpt het hof het betoog van [appellant] dat de kantonrechter een deskundige had moeten benoemen om het letsel van [appellant] te onderzoeken en de kosten daarvan te herleiden. Het hof ziet geen aanleiding om een deskundige te benoemen, omdat ook als zou blijken dat sprake is geweest van letsel bij [appellant], het op grond van de verzekeringsvoorwaarden aan [appellant] is om stukken over te leggen waaruit volgt, kort gezegd, welke ziektekosten zijn gemaakt ter behandeling van dat letsel, en door wie. Daar komt nog bij dat [appellant] zoals gezegd niet heeft voldaan aan zijn stelplicht, onder meer doordat hij niet heeft gesteld welke behandelingen hij wanneer en in welk ziekenhuis heeft ondergaan en wat de kosten van die verschillende behandelingen zijn geweest.

3.13.

De grieven 1 t/m 5 falen.
Het bovenstaande leidt tot de conclusie dat Ohra op dit moment niet verplicht is om de door [appellant] gedeclareerde ziektekosten ad € 20.000,00 te vergoeden, omdat zijn declaratie van deze kosten niet voldoet aan de in artikel A.19.2 van de verzekeringsvoorwaarden gestelde eisen en er voorts in rechte van moet worden uitgegaan dat dit artikel geldig en van toepassing is.

3.14.

De slotsom is dat het hof het bestreden vonnis zal bekrachtigen en [appellant] als de in het ongelijk gestelde partij zal veroordelen in de proceskosten van het hoger beroep, vermeerderd met de door Ohra gevorderde rente.

4 De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt [appellant] in de proceskosten van het hoger beroep, welke kosten tot op heden aan de zijde van Ohra worden begroot op € 1.920,00 aan verschotten en op € 2.682,00 aan salaris advocaat;

en bepaalt dat deze bedragen binnen veertien dagen na de dag van deze uitspraak moeten zijn voldaan, bij gebreke waarvan deze bedragen worden vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW daarover vanaf het einde van voormelde termijn tot aan de dag der voldoening;

verklaart dit arrest voor zover het de veroordelingen betreft uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.Th. Begheyn, D.A.E.M. Hulskes en J.W.P.M. van der Velden en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 14 juli 2015.

griffier rolraadsheer