Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2015:2668

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
14-07-2015
Datum publicatie
09-06-2016
Zaaknummer
HD 200.159.191_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2014:6684, Overig
Einduitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2017:4175
Einduitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2019:562
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Pensioenrecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2016/1620
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer HD 200.159.191/01

arrest van 14 juli 2015

gewezen in de incidenten in de zaak van

1 Stichting Pensioenfonds Metaal en Techniek,
gevestigd te [vestigingsplaats 1] ,

2. Stichting Vervroegd Uittreden Metaal en Techniek,
gevestigd te [vestigingsplaats 1] ,

3. Stichting Sociaal Fonds Metaal en Techniek
gevestigd te [vestigingsplaats 1] ,

4. N.V. Schadeverzekering Metaal en Technische Bedrijfstakken
gevestigd te [vestigingsplaats 1] ,

5. Stichting Opleidings- en Ontwikkelingsfonds voor het Technisch Installatiebedrijf,
(voorheen genaamd: Stichting Opleidings- en Ontwikkelingsfonds voor het Loodgieters-, Fitters- en Centrale Verwarmingsbedrijf),
gevestigd te [vestigingsplaats 1] ,

appellanten in principaal appel, geïntimeerden in incidenteel appel en

eiseressen in de incidenten,

hierna aan te duiden als: de Fondsen,

advocaat: mr. M.J.H. Halsema te Rotterdam,

tegen

1 [Onroerend Goed] Onroerend Goed B.V.,
(voorheen achtereenvolgens genaamd: V.O.F. [V.O.F.] Service en
[Rioolservice] Rioolservice B.V.),
gevestigd te [vestigingsplaats 2] ,

2. [Rioolservice] Rioolservice B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats 2] ,

3. [Riooltechniek] Riooltechniek B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats 2] ,

4. [aandeelhouder bestuurder 1] ,
gedurende de periode 1 maart 1993 tot 31 mei 2005 vennoot van de per laatstgenoemde datum beëindigde vennootschap onder firma V.O.F. [V.O.F.] Service en per 31 mei 2005 (indirect) aandeelhouder en bestuurder van geïntimeerden sub 1, 2, 3 en 6,
wonende te [woonplaats] ,

5. [aandeelhouder bestuurder 2] ,
gedurende de periode 1 maart 1993 tot 31 mei 2005 vennoot van de per laatstgenoemde datum beëindigde vennootschap onder firma V.O.F. [V.O.F.] Service en per 31 mei 2005 (indirect) bestuurder van geïntimeerden sub 1, 2, 3 en 6,
wonende te [woonplaats] ,

6 [Holding] Holding B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats 2] ,

geïntimeerden in principaal appel, appellanten in incidenteel appel en

verweersters in de incidenten,

hierna aan te duiden als: [geïntimeerden] .,

advocaat: mr. P.H.J.G. van Huizen te Rotterdam,

op het bij exploot van dagvaarding van 22 oktober 2014 ingeleide hoger beroep van het door de kantonrechter van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond gewezen vonnis van 23 juli 2014 tussen de Fondsen als eiseressen in conventie, verweersters in reconventie en [geïntimeerden] . als gedaagden in conventie, eiseressen in reconventie.

1 Het geding in eerste aanleg (zaaknummer 374046/ CV EXPL 13-1852)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding in hoger beroep;

  • -

    het exploot van anticipatie van 30 oktober 2014;

  • -

    de memorie van grieven met producties;

  • -

    de memorie van antwoord tevens incidenteel appel, incidentele vordering tot schorsing van de executie van het vonnis van de kantonrechter te Roermond alsmede een incidentele vordering tot verbod tot inning van premie en overige bijdragen over de periode na datum van het vonnis van de kantonrechter te Roermond,

  • -

    de incidentele conclusie van antwoord van de Fondsen.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald in de incidenten.

3 De beoordeling

In het incident tot schorsing van de executie

3.1.

In het bestreden vonnis heeft de kantonrechter voor recht verklaard dat geïntimeerde sub 1 gedurende de periode vanaf 1 januari 2008 tot 29 januari 2009 en geïntimeerde sub 2 gedurende de periode vanaf 29 januari 2009 tot de datum van het vonnis, 23 juli 2014, als werkgever vallen onder de werkingssfeer van de in dat vonnis vermelde Bedrijfstakregelingen in de Metaal en Techniek (pensioen en CAO). Verder heeft de kantonrechter geïntimeerden sub 1 en 2 als werkgever die valt onder de werkingssfeer van de bedrijfstakregelingen, veroordeeld:

- tot het verstrekken van gegevens uit het werknemersbestand,

- tot betaling van de – op basis van de onder rechtsoverweging 5.1 en 5.2 van het vonnis bedoelde gegevens – berekende bedragen, en

- tot betaling van het – op basis van de door hiervoor bedoelde gegevens – berekende bedrag over de periode 29 januari 2009 tot en met 31 maart 2013.

Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

3.2.

De vordering in dit incident strekt ertoe dat het hof de uitvoerbaarheid bij voorraad aan het vonnis ontzegt, althans de uitvoerbaarheid schorst zolang het bestreden vonnis nog niet tussen partijen bindend is en op het verzoek tot vrijstelling van de verplichte deelneming aan de Fondsen nog niet definitief afwijzend is beslist, alsmede dat het hof de Fondsen op straffe van verbeurte van een dwangsom veroordeelt om de (ex)medewerkers van [geïntimeerden] . op basis van een door [geïntimeerden] . goedgekeurde tekst schriftelijk te berichten dat hun deelnemerschap aan de bedrijfstakregelingen met terugwerkende kracht per 1 januari 2008 is ingetrokken.

3.3.

[geïntimeerden] . leggen aan hun vordering het volgende ten grondslag. Door het condemnatoire gedeelte van het vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren is de kantonrechter eraan voorbijgegaan dat dat gedeelte volledig afhankelijk is van een partijen (nog) niet bindende verklaring voor recht. Het condemnatoire gedeelte bouwt immers volledig voort en is afhankelijk van de verklaring voor recht dat [geïntimeerden] . kwalificeert als werkgever in de zin van de bedrijfstakregelingen. Daarbij komt dat de Fondsen op oneigenlijke wijze gebruik hebben gemaakt van hun bevoegdheid om het vonnis bij voorraad uit te voeren. De Fondsen hebben de uitvoerbaarheid bij voorraad aangegrepen om [geïntimeerden] . vanaf 1 januari 2008 verplicht te laten deelnemen aan bedrijfstakregelingen en zijn medewerkers eveneens per 1 januari 2008 als deelnemer aan de bedrijfstakregelingen te kwalificeren, terwijl het gedeelte van het vonnis waarop deze berichtgeving is gebaseerd een verklaring voor recht is die nog geen kracht van gewijsde heeft. Volgens [geïntimeerden] . hebben de Fondsen met hun berichtgeving de grenzen van hun bevoegdheid overschreden.

3.4.

De Fondsen voeren gemotiveerd verweer.

3.5.

Het hof constateert dat de kantonrechter de uitvoerbaarverklaring bij voorraad niet heeft beperkt tot de veroordelingen, maar ook de verklaring voor recht uitvoerbaar bij voorraad heeft verklaard. Het uitgangspunt van [geïntimeerden] . bij hun betoog dat de gegeven verklaring voor recht niet uitvoerbaar bij voorraad is verklaard en de Fondsen daarom niet bevoegdheid zijn om het vonnis bij voorraad uit te voeren, is reeds om die reden onjuist. Dat betekent dat de grondslag aan – beide onderdelen van – de incidentele vordering ontvalt. Daar komt bij dat ook het condemnatoire gedeelte van het vonnis (zelfstandig) uitvoerbaar bij voorraad is verklaard.

Nu [geïntimeerden] . verder niet hebben toegelicht wat hun belang is bij de gevorderde schorsing van de uitvoerbaarheid, noch waarom hun belang bij schorsing van de executie zwaarder weegt dan het belang van de Fondsen bij het achterwege laten van schorsing, zal het hof de vordering van [geïntimeerden] afwijzen.

In het incident tot een verbod tot het innen van premiebedragen en overige bijdragen over de periode na datum vonnis

3.6.

De vordering in dit incident strekt ertoe dat het de Fondsen op straffe van verbeurte van een dwangsom wordt verboden om voor de periode vanaf de datum van het bestreden vonnis premiebedragen en overige bedragen van [geïntimeerden] . te vorderen.

3.7.

[geïntimeerden] . stellen daartoe dat de kantonrechter heeft beslist dat zijn verklaring voor recht dat [geïntimeerden] per 1 januari 2008 onder de verplichte deelneming valt niet verder strekt dan de datum waarop het vonnis is gewezen, maar dat de Fondsen in hun berichtgeving deze begrenzing naar tijd niet in acht hebben genomen. Evenmin kunnen de Fondsen volgens [geïntimeerden] aan het vonnis het recht ontlenen om voor de periode na datum vonnis van [geïntimeerden] premiebedragen en overige bijdragen te vorderen.

3.8.

De Fondsen voeren gemotiveerd verweer.

3.9.

Vast staat dat de kantonrechter de verklaring voor recht en de daaraan gekoppelde veroordelingen in tijd heeft geperkt tot de datum van het bestreden vonnis, 23 juli 2014. Dat betekent dat de Fondsen voor de periode na 23 juli 2014 niet over een titel beschikken om de volgens hen door [geïntimeerden] . verschuldigde bijdragen te innen. Dit gegeven laat echter onverlet dat het de Fondsen vrij staat deze bijdragen bij [geïntimeerden] . in rekening te brengen. Nu verder gesteld noch gebleken is dat de Fondsen het bestreden vonnis gebruiken als executoriale titel om de bijdragen te innen, zal de incidentele vordering worden afgewezen.

3.10.

Als de in het ongelijk gestelde partij zullen [geïntimeerden] worden veroordeeld in de kosten van de incidenten. Op vordering van de Fondsen zal de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard.

In de hoofdzaak

3.11.

De zaak is reeds naar de rol verwezen van 21 juli 2015 voor memorie van antwoord in incidenteel appel aan de zijde van de Fondsen. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

4 De beslissing

Het hof:

in de incidenten

wijst de vordering van [geïntimeerden] . af;

veroordeelt [geïntimeerden] . in de proceskosten van de incidenten, welke kosten aan de zijde van de Fondsen tot de dag van deze uitspraak worden begroot op € 894,-- aan salaris advocaat;

verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

in de hoofdzaak

verstaat dat de zaak is verwezen naar de rol van 21 juli 2015 voor memorie van antwoord in incidenteel appel aan de zijde van de Fondsen;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. S.M.A.M. Venhuizen, M.G.W.M. Stienissen en C.N.M. Antens en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 14 juli 2015.

griffier rolraadsheer