Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2015:2631

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
14-07-2015
Datum publicatie
14-07-2015
Zaaknummer
20-003873-12 (OWV)
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBMAA:2011:BP3519, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Openbaar Ministerie ontvankelijk in hoger beroep, ondanks het ontbreken van een appelschriftuur in de zin van artikel 410 Sv. Afwijzing van vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel wegens algehele vrijspraak in de hoofdzaak.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer : 20-003873-12 (OWV)

Uitspraak : 14 juli 2015

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen de beslissing van de rechtbank Maastricht van

6 november 2012 op de vordering ex artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht, in de zaak met parketnummer 03-703190-06 tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1970,

wonende te [postcode] [woonplaats], [adres].

Hoger beroep

Bij beslissing waarvan beroep is het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel geschat op een bedrag van € 39.000,00 en is aan hem een betalingsverplichting jegens de staat opgelegd voor een bedrag van € 34.000,00.

De veroordeelde en de officier van justitie hebben tegen voormelde beslissing hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de veroordeelde naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof de beslissing van de politierechter zal vernietigen en opnieuw rechtdoende, het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht kan worden geschat, zal vaststellen op € 47.000,00 en de veroordeelde de verplichting zal opleggen tot betaling aan de staat van het op dat bedrag geschatte voordeel.

Namens de veroordeelde is betoogd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, althans dat de ontnemingsvordering dient te worden afgewezen.

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in hoger beroep

De verdediging heeft bepleit dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk zal worden verklaard in zijn hoger beroep. Daartoe heeft de raadsman aangevoerd dat de officier van justitie geen schriftuur houdende grieven als bedoeld in artikel 410 van het Wetboek van Strafvordering heeft ingediend.

Het hof overweegt als volgt.

De enkele omstandigheid dat de officier van justitie geen appelschriftuur heeft ingediend brengt in de onderhavige zaak, gelet op de aard van de zaak en de inhoud van de processtukken in eerste aanleg waaruit het van de beslissing van de politierechter afwijkende, gemotiveerde standpunt van het openbaar ministerie volgt, niet mee dat het openbaar ministerie in het ingestelde hoger beroep niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Het openbaar ministerie kan derhalve in het hoger beroep worden ontvangen.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis zal worden vernietigd omdat het niet te verenigen is met de hierna volgende beslissing.

Vordering

De schriftelijke vordering van de officier van justitie strekt tot de vaststelling van het door veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel op een bedrag van € 708.398,21.

In hoger beroep heeft de advocaat-generaal, zoals hierboven vermeld, gevorderd dat het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel zal worden geschat op een bedrag van € 47.000,00.

Beoordeling

De veroordeelde is bij arrest van dit gerechtshof van 14 juli 2015, gewezen onder parketnummer 20-000475-11, vrijgesproken van de gehele tenlastelegging. Gelet hierop is er geen grondslag voor de oplegging van een verplichting tot betaling van een geldbedrag aan de staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Om die reden zal het hof de vordering ingevolge artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht afwijzen.

Gelet op bovenstaande beslissing behoeft het Salduz-verweer van de verdediging geen nadere bespreking.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Wijst af de vordering strekkende tot oplegging van de verplichting tot betaling aan de staat van het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel tot het in die vordering genoemde bedrag.

Aldus gewezen door

mr. P.T. Gründemann, voorzitter,

mr. N.J.L.M. Tuijn en mr. O.A.J.M. Lavrijssen, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. H.M. Vos, griffier,

en op 14 juli 2015 ter openbare terechtzitting uitgesproken.