Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2015:2627

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
14-07-2015
Datum publicatie
14-07-2015
Zaaknummer
HD 200.156.168_01
Formele relaties
Einduitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2016:124
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ontbinding huurovereenkomst woning en ontruiming wegens hard drugshandel vanuit die woning. Artikel 7:219 BW en artikel 6:265 BW. (Tegen)bewijsopdracht omtrent wetenschap huurder met betrekking tot de hard drugshandel.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 7 219, geldigheid: 2015-07-14
Burgerlijk Wetboek Boek 6 265, geldigheid: 2015-07-14
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer HD 200.156.168/01

arrest van 14 juli 2015

in de zaak van

[appellant],

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

hierna aan te duiden als [appellant] ,

advocaat: mr. S.H.J. van der Linden te Venlo,

tegen

Stichting Wonen Limburg,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

geïntimeerde,

hierna aan te duiden als Wonen Limburg,

advocaat: mr. A.D.A. Quaedvlieg te Venlo,

op het bij exploot van dagvaarding van 25 juli 2014 ingeleide hoger beroep van het vonnis van de kantonrechter van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, van 9 juli 2014, gewezen tussen [appellant] als gedaagde en Wonen Limburg als eiseres.

1 Het geding in eerste aanleg (zaaknr. 2698879/CV EXPL 14-504)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding in hoger beroep;

  • -

    de memorie van grieven met 2 producties;

  • -

    de memorie van antwoord;

  • -

    het pleidooi, waarbij beide partijen pleitnotities hebben overgelegd;

  • -

    de bij H-formulier van 20 april 2015 door [appellant] toegezonden productie nummer 3, die [appellant] bij het pleidooi in het geding heeft gebracht.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De beoordeling

3.1.

De feiten

In dit hoger beroep wordt van de volgende feiten uitgegaan.

a. De rechtsvoorgangster van Wonen Limburg, een woningcorporatie conform het bepaalde in artikel 12a van het Besluit Beheer Sociale Huursector, heeft de (flat)woning aan [het adres] te [woonplaats] , in de woonwijk [woonwijk] , met ingang van 1 september 1996 voor onbepaalde tijd aan [appellant] verhuurd. Op de huurovereenkomst zijn de Algemene Huurvoorwaarden Huurovereenkomst zelfstandige woonruimte Stichting Wonen Limburg van toepassing (de door [appellant] overgelegde versie dateert van april 2012).

b. Bij een politie-inval in voormelde woning op 13 juni 2013 zijn in een lade van een kast verdovende middelen aangetroffen (58,8 gram heroïne en 14,5 gram cocaïne) en in beslag genomen. Verder werden onder andere een gripzakje met een geringe hoeveelheid hennep, 2 weegschaaltjes, een pakje plastic boterhamzakjes, een omgekeerde asbak en een mesje en 2 rolletjes folie aangetroffen op de salontafel in de woonkamer. De politie heeft foto’s gemaakt van de situatie. Deze zijn overgelegd.

c. Bij de politie-inval op 13 juni 2013 heeft de politie de deur geforceerd, waardoor schade is ontstaan. In verband met het herstel van deze schade is door Technisch Bureau [Technisch bureau] een offerte d.d. 14 mei 2014 uitgebracht van € 1.742,40 inclusief btw.

d. De genoemde woning is eind augustus 2014 gedwongen ontruimd.

3.2.

In eerste aanleg heeft Wonen Limburg wegens schending door [appellant] van zijn contractuele verplichtingen alsmede van zijn wettelijke verplichting om zich als een goed huurder te gedragen (artikel 7:213 BW), ontbinding van de huurovereenkomst met betrekking tot de woning gevorderd alsmede ontruiming van die woning door [appellant] . Voorts heeft Wonen Limburg veroordeling van [appellant] tot betaling van de schade aan de woning gevorderd wegens het aan [appellant] toe te rekenen tekortschieten in de nakoming van de huurovereenkomst (artikel 7:218 lid 1 BW).

De kantonrechter heeft - kort gezegd - de huurovereenkomst met betrekking tot voormelde woning ontbonden en [appellant] veroordeeld om die woning te ontruimen en om

€ 1.742,40 aan Wonen Limburg te betalen als schadevergoeding.

De kantonrechter heeft daartoe - samengevat - overwogen:

- voldoende aannemelijk is dat vanuit de woning van [appellant] drugshandel heeft plaatsgevonden;

- alles wijst erop dat de drugshandel op het conto komt van twee andere personen, door [appellant] aangeduid als ‘ [naam 1] ’ en ‘ [naam 2] ’; [appellant] dient echter verantwoordelijk te worden gehouden voor alles wat in en om het gehuurde gebeurt. Het feit dat er drugs en drugsgerelateerde voorwerpen zijn aangetroffen in de woning duidt er op dat [appellant] zijn woning aan andere personen ter beschikking heeft gesteld of heeft toegelaten dat deze andere personen hun gang konden gaan in de woning. Daarmee heeft [appellant] gehandeld in strijd met de bepalingen van de huurovereenkomst;

- de belangen van Wonen Limburg wegen zwaarder dan de persoonlijke belangen van [appellant] ;

- er is voldoende causaal verband tussen het gedogen door [appellant] van drugshandel in zijn woning en de gestelde schade aan de woning.

3.3.

Grieven 1 tot en met 3

[appellant] is het (volgens grief 1) niet eens met de overweging van de kantonrechter dat voldoende aannemelijk is geworden dat vanuit de woning van [appellant] drugshandel heeft plaatsgevonden.

Die overweging is volgens [appellant] gebaseerd op hetgeen zich gedurende één middag op

13 juni 2013 heeft afgespeeld. [appellant] stelt dat hij zich nooit bezig heeft gehouden met de handel in drugs en dat hij er niet van op de hoogte was of er rekening mee had moeten en hoeven houden dat de op 13 juni 2013 ten tijde van de politie-inval in zijn woning aanwezige (en toen via het balkon gevluchte) [naam 1] en [naam 2] (volgens verklaring van [appellant] ter zitting dezelfde persoon als ‘ [naam 2] ’) zich in of vanuit zijn woning hebben bezig gehouden met drugshandel of drugs aanwezig hebben gehad. Daar waren geen signalen voor volgens [appellant] . [appellant] betwist dat hij is tekortgekomen in zijn verplichtingen uit de huurovereenkomst.

Grief 2 keert zich, kort gezegd, tegen het oordeel van de kantonrechter dat hij, [appellant] , verantwoordelijk kan worden gehouden voor wat er in de woning is gebeurd. Hij betwist in het bijzonder de aansprakelijkheid op de voet van artikel 7:219 BW.

Verder is [appellant] het (volgens grief 3) niet eens met de overweging van de kantonrechter de toerekenbare tekortkoming dusdanig ernstig is, dat van Wonen Limburg niet gevergd kan worden [appellant] nog langer in het genot van het gehuurde te laten, waarbij het belang van Wonen Limburg zwaarder weegt dan de persoonlijke belangen van [appellant] .

[appellant] biedt getuigenbewijs aan door het horen van zijn buurman [buurman] . (Buurman [buurman] kan niet meer als getuige worden gehoord, aangezien hij inmiddels is overleden.)

3.4.

Het hof oordeelt als volgt.

3.4.1.

Iedere tekortkoming van een partij in de nakoming van een van haar verbintenissen geeft aan de wederpartij de bevoegdheid om de overeenkomst geheel of gedeeltelijk te ontbinden, tenzij de tekortkoming, gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis, deze ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt (artikel 6:265 BW).

Artikel 7:219 BW bepaalt dat de huurder jegens de verhuurder op gelijke wijze als voor eigen gedragingen aansprakelijk is voor de gedragingen van hen die met zijn goedvinden het gehuurde gebruiken of zich met zijn goedvinden daarop bevinden. Voor gedragingen (misdragingen) van deze derden is de huurder alleen aansprakelijk naar mate dat ook de huurder zelf zich, met het oog op die gedragingen, niet als goed huurder heeft gedragen, bijvoorbeeld door er onvoldoende op toe te zien dat die gedragingen achterwege zouden blijven (vgl. HR 22 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ8743).

De omstandigheid dat artikel 7:219 BW een aansprakelijkheid van de huurder vestigt voor een tekortkoming die hij niet zelf heeft bewerkstelligd, brengt mee dat het ontbreken van wetenschap dienaangaande, indien aannemelijk, kan worden meegewogen bij de beoordeling van de vraag of de tekortkoming de ontbinding rechtvaardigt (HR 29 mei 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH2952).

3.4.2.

Uit de volgende feiten en omstandigheden - in onderlinge samenhang beschouwd - leidt het hof voorshands af dat sprake was van handel in hard drugs door (een) perso(o)(nen), door [appellant] ‘ [naam 1] ’ en/of ‘ [naam 2] ’ genoemd, vanuit de woning van [appellant] :

- de op 13 juni 2013 aangehouden verdachte [verdachte] heeft bij de politie verklaard dat hij [appellant] een half jaar kent en dat hij gedurende die tijd 3 of 4 keer drugs heeft gekocht in diens woning aan [het adres] ;

- door de politie is aan [appellant] voorgehouden dat [buurman] heeft verklaard dat [naam 1] vanuit de woning van [appellant] zou dealen, dat hij dat 4 á 5 keer heeft gezien en dat [appellant] tegen [buurman] heeft gezegd dat [appellant] wist dat [naam 1] dat deed;

- [appellant] heeft tegenover de politie verklaard dat [naam 1] vaker in zijn woning was;

- [naam 1] heeft schriftelijk verklaard (productie 2 cva) dat [naam 2] toen de politie binnenviel alle materiaal snel in de kast heeft gestopt, dat [naam 2] meestal naar de lift of naar buiten ging als er bij [appellant] werd aangebeld, dat [appellant] diverse malen gezegd heeft dat hij niet wilde dat vreemde mensen bij hem aanbelden. [appellant] heeft bij pleidooi verklaard dat hij die verklaring heeft opgesteld en dat deze door [naam 1] is getekend;

- [appellant] heeft tegenover de politie verklaard dat hij denkt dat [naam 1] en [naam 2] geld hebben omdat zij in drugs dealen;

- uit het politierapport blijkt dat zich ten tijde van het onderzoek in de woning op 13 juni 2013 nog twee personen meldden voor het kopen van verdovende middelen;

- het aantreffen van een aanzienlijke hoeveelheid drugs en verder drugsgerelateerde attributen op de salontafel in de woning van [appellant] (zie r.o. 3.1. sub b.).

Op grond van deze feiten en omstandigheden acht het hof voorshands bewezen dat [appellant] van de harddrugshandel op de hoogte was, of daarmee ernstig rekening had te houden, maar heeft nagelaten de in verband daarmee redelijkerwijs van hem te verlangen maatregelen te treffen, bijvoorbeeld door [naam 1] en/of [naam 2] buiten de deur te houden of weg te sturen. Daarmee is voorshands sprake van een tekortkoming van [appellant] in de nakoming van zijn verplichtingen uit de huurovereenkomst. Het toestaan van harddrugshandel vanuit zijn woning en het niet nemen van maatregelen om dat tegen te gaan moet als handelen in strijd met de verplichting van [appellant] om zich als goed huurder te gedragen worden beschouwd. Tevens moet dit als handelen in strijd met (artikel 6.8. van de) algemene huurvoorwaarden worden beschouwd.

[appellant] stelt echter dat hij niet van de harddrugshandel vanuit zijn woning, volgens hem enkel geconstateerd op 13 juni 2013, op de hoogte was; pas op het moment dat [naam 1] en [naam 2] vluchtten voor de politie bleek hem dat zij verdovende middelen bij zich hadden. Hij heeft in dat verband het voormelde bewijsaanbod gedaan (punt 9 mvg) om zijn buurman [buurman] , die in de woning van [appellant] aanwezig was ten tijde van de politie-inval, te doen horen.

Het hof zal [appellant] toelaten feiten en omstandigheden, waaruit zijn stelling kan worden afgeleid, te bewijzen in het kader van tegenbewijs tegen het voormelde voorshands aangenomen bewijs van de tekortkoming van [appellant] .

Voormelde bewijsopdracht is tevens van belang voor het feit dat de (eventuele) aannemelijkheid van het ontbreken van wetenschap van [appellant] aangaande de harddrugshandel moet worden meegewogen bij de beoordeling of de tekortkoming de ontbinding rechtvaardigt. Dienaangaande (de ‘tenzij-bepaling’) rust de bewijslast bij [appellant] en is in zoverre sprake van bewijslevering, niet van tegenbewijs.

3.5.

In afwachting van de bewijslevering houdt het hof iedere verdere beslissing aan.

4 De uitspraak

Het hof:

laat [appellant] toe (tegen)bewijs bij te brengen als weergegeven in r.o. 3.4.2.;

bepaalt, voor het geval [appellant] bewijs door getuigen wil leveren, dat getuigen zullen worden gehoord ten overstaan van mr. C.E.L.M. Smeenk-van der Weijden als raadsheer-commissaris, die daartoe zitting zal houden in het Paleis van Justitie aan de Leeghwaterlaan 8 te 's-Hertogenbosch op een door deze te bepalen datum;

verwijst de zaak naar de rol van 28 juli 2015 voor opgave van het aantal getuigen en van de verhinderdata van partijen zelf, hun advocaten en de getuige(n) in de periode van 4 tot 12 weken na de datum van dit arrest;

bepaalt dat de raadsheer-commissaris na genoemde roldatum dag en uur van het getuigenverhoor zal vaststellen;

bepaalt dat de advocaat van [appellant] tenminste zeven dagen voor het verhoor de namen en woonplaatsen van de te horen getuigen zal opgeven aan de wederpartij en aan de civiele griffie;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. C.E.L.M. Smeenk-van der Weijden, W.H.B. den Hartog Jager en F.M. Visser en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 14 juli 2015.

griffier rolraadsheer