Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2015:2625

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
14-07-2015
Datum publicatie
14-07-2015
Zaaknummer
20-002625-13
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2013:5858, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Cassatie: ECLI:NL:HR:2016:1398, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Grenslijkzaak. Het hof veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 jaren ter zake van het plegen van doodslag op zijn vrouw en het verbergen van haar lijk.

Anders dan de rechtbank acht het hof het bezit van een kinderpornografische afbeelding niet bewezen en spreekt het verdachte daarvan vrij.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
EeR 2015, afl. 5, p. 189
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer : 20-002625-13

Uitspraak : 14 juli 2015

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Zeeland-

West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 9 augustus 2013 in de strafzaak met parketnummer
02-801163-10 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1971,

thans verblijvende in Huis van Bewaring Roermond te Roermond.

Hoger beroep

Bij vonnis waarvan beroep:

- is de verdachte ter zake van:

doodslag,

een lijk verbergen met het oogmerk om het feit en de oorzaak van het overlijden te verhelen, en

een afbeelding van een seksuele gedraging, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt, is betrokken, in bezit hebben,

veroordeeld tot een gevangenisstraf van 11 jaren met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht;

- heeft de rechtbank beslist over in beslag genomen voorwerpen.

De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De vordering van de advocaat-generaal houdt in dat het hof het beroepen vonnis zal vernietigen en opnieuw rechtdoende:

  • -

    de verdachte voor de hem onder 1. ten laste gelegde doodslag en de onder 2. en 3. ten laste gelegde feiten zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 jaar met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht;

  • -

    zal beslissen op de in beslag genomen voorwerpen conform de beslissing van de rechtbank.

De verdediging heeft:

  • -

    bepleit dat verdachte van het hem onder 1. en 2. ten laste gelegde zal worden vrijgesproken;

  • -

    zich gerefereerd aan het oordeel van het hof ten aanzien van het onder 3. ten laste gelegde.

Ontvankelijkheid van het hoger beroep

Het hoger beroep van de verdachte richt zich mede tegen de vrijspraak door de rechtbank van hetgeen aan de verdachte onder 3. ten laste werd gelegd ten aanzien van de afbeeldingen [bestandsnaam], [bestandsnaam], [bestandsnaam], [bestandsnaam], [bestandsnaam] en [bestandsnaam]. Dat is in strijd met het bepaalde in artikel 404 van het Wetboek van Strafvordering, zodat de verdachte in zoverre niet-ontvankelijk zal worden verklaard in het hoger beroep.

Vonnis waarvan beroep

Het hof kan zich op onderdelen niet met het beroepen vonnis – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – verenigen. Om redenen van efficiëntie zal het hof evenwel het gehele vonnis vernietigen.

Tenlastelegging

Aan verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg en voor zover thans nog aan de orde – ten laste gelegd dat:

1. primair
hij op of omstreeks 13 april 2007, althans in of omstreeks de periode van 13 april 2007 tot en met 18 februari 2008 te Baarle-Nassau, althans in Nederland en/of te Baarle-Hertog, althans in België opzettelijk en al dan niet met voorbedachte rade, [slachtoffer], van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet en al dan niet na kalm beraad en rustig overleg

  • -

    met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp die [slachtoffer] in haar rechterbovenbeen gesneden en/of gestoken en/of

  • -

    die [slachtoffer] gewurgd of doen stikken en/of samendrukkend geweld toegepast op de hals/keel van die [slachtoffer], in elk geval bij die [slachtoffer] op enige wijze de ademhaling belemmerd,

ten gevolge of mede ten gevolge van welke handeling(en) die [slachtoffer] is overleden, in elk geval opzettelijk zodanig geweld tegen/op die [slachtoffer] uitgeoefend dat zij is overleden;

subsidiair
hij op of omstreeks 13 april 2007, althans in de periode van 13 april 2007 tot en met
18 februari 2008 te Baarle-Nassau, althans in Nederland en/of te Baarle-Hertog, althans in België, aan een persoon genaamd [slachtoffer], zijnde zijn, verdachtes, echtgenote, opzettelijk en al dan niet met voorbedachte rade, zwaar lichamelijk letsel (een steek/snijwond in het rechterbovenbeen), heeft toegebracht, door opzettelijk, al dan niet na kalm beraad en rustig overleg met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp in het been van voornoemde [slachtoffer] te steken en/of snijden, in elk geval door opzettelijk geweld tegen/op die [slachtoffer] uit te oefenen, terwijl het feit de dood ten gevolge heeft gehad;

meer subsidiair
hij op of omstreeks 13 april 2007, althans in de periode van 13 april 2007 tot en met
18 februari 2008 te Baarle-Nassau, althans in Nederland en/of te Baarle-Hertog, althans in België opzettelijk, al dan niet met voorbedachte rade, mishandelend een persoon (te weten [slachtoffer], zijnde zijn, verdachtes, echtgenote), na kalm beraad en rustig overleg met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp in het rechterbovenbeen heeft gestoken en/of gesneden, althans zodanig geweld heeft uitgeoefend tegen/op een persoon (te weten

[slachtoffer], zijnde zijn, verdachtes, echtgenote) ten gevolge waarvan deze is overleden;

meest subsidiair
hij op of omstreeks 13 februari 2007, althans in de periode van 13 februari 2007 tot en met 18 februari 2008 te Baarle-Nassau, althans in Nederland en/of te Baarle-Hertog, althans in België, opzettelijk [slachtoffer], zijnde zijn, verdachtes, echtgenote, tot wiens onderhoud en/of verpleging en/of verzorging hij, verdachte, krachtens wet en/of overeenkomst verplicht was, in een hulpeloze toestand heeft gebracht en/of gelaten, immers heeft hij, verdachte, toen voornoemde [slachtoffer] ernstig letsel (een verwonding aan het rechterbovenbeen) had opgelopen, nagelaten tijdig adequate medische hulp in te roepen, ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;

2.
hij op of omstreeks 13 april 2007, althans in of omstreeks de periode van 13 april 2007 tot en met 18 februari 2008 te Baarle-Nassau, althans in Nederland en/of Baarle-Hertog, althans in België het lijk van [slachtoffer] heeft verborgen en/of weggevoerd en/of weggemaakt, met het oogmerk om het feit en/of de oorzaak van het overlijden van die [slachtoffer] te verhelen, immers heeft hij, verdachte,

  • -

    het stoffelijk overschot van voornoemde [slachtoffer] in een slaapzak en/of bruidszak verpakt en/of (vervolgens)

  • -

    het stoffelijk overschot van voornoemde [slachtoffer] in een afvalcontainer gedeponeerd en/of (vervolgens)

  • -

    een houten kist/kubus om die afvalcontainer met daarin het stoffelijk overschot van die [slachtoffer] heen gebouwd waardoor die afvalcontainer met daarin het stoffelijk overschot van die [slachtoffer] aan het zicht werd onttrokken, althans die container met daarin het stoffelijk overschot van voornoemde [slachtoffer] in een houten kist/kubus verborgen;

3.
hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 december 2007 tot en met 27 februari 2008, in elk geval op of omstreeks 27 februari 2008, in Miami en/of elders in de Verenigde Staten en/of op de luchthaven Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, één of meermalen (telkens) een afbeelding en/of (een) gegevensdrager(s), te weten één foto/fotografische afbeelding en/of een laptop (Acer type Aspire 4520) en/of een mobiele telefoon (Sony Ericsson K810i) en/of een digitale camera (Sony DSC-S80) heeft vervaardigd en/of ingevoerd en/of uitgevoerd en/of in bezit heeft gehad, terwijl die afbeelding en/of gegevensdrager één of meer afbeeldingen van seksuele gedragingen bevatte(n), waarbij (telkens) een persoon die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet had bereikt, was betrokken of schijnbaar was betrokken, welke voornoemde seksuele gedragingen bestonden uit (onder meer):

* het betasten van de geslachtsdelen en/of de borsten en/of tepels en/of de billen door een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaren nog niet heeft bereikt (met de penis en/of vinger(s)/hand(en) en/of een voorwerp en/of de tong) (afbeelding zoals omschreven op
blz. 8358: [bestandsnaam])

en/of

* het geheel of gedeeltelijk naakt (laten) poseren van een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaren nog niet heeft bereikt, waarbij deze persoon gekleed en/of opgemaakt is en/of in een omgeving en/of met voorwerpen en/of in (erotisch getinte) houdingen poseert die niet bij de leeftijd past en/of waarbij deze persoon zich (vervolgens) in opeenvolgende afbeeldingen/filmfragmenten van de kleding ontdoet en/of (waarna) door het camerastandpunt en/of de uitsnede van de afbeelding/film en/of de (onnatuurlijke) pose en/of de wijze van kleden van deze persoon nadrukkelijk de (ontblote) geslachtsdelen in beeld gebracht worden (afbeelding zoals omschreven op blz. 8358: [bestandsnaam]).

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten of omissies voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Vrijspraak

De advocaat-generaal heeft gerequireerd tot bewezenverklaring van het onder 3. ten laste gelegde feit, te weten – kort weergegeven – het in bezit hebben van een afbeelding van een seksuele gedraging, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt, is betrokken.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

Artikel 240b van het Wetboek van Strafrecht ziet op een afbeelding van een gedraging van expliciet seksuele aard, zoals die aan de hand van de afbeelding kan worden vastgesteld, waaronder begrepen het op zinnenprikkelende wijze tonen van de geslachtsdelen of de schaamstreek. Het gaat hierbij om een gedraging die reeds door haar karakter strekt tot het opwekken van een seksuele prikkeling.

Voorts ziet artikel 240b op een afbeelding die weliswaar niet een gedraging van expliciet seksuele aard in de hiervoor aangegeven zin toont, maar die, gelet op de wijze waarop zij is tot stand gekomen eveneens strekt tot het opwekken van seksuele prikkeling. Hierbij kan het gaan om een afbeelding van iemand in een houding of omgeving die weliswaar op zichzelf of in andere omstandigheden ‘onschuldig’ zou kunnen zijn, maar die in het concrete geval een onmiskenbaar seksuele strekking heeft.

Het hof heeft de ten laste gelegde afbeelding in raadkamer bekeken. Naar het oordeel van het hof kan de afbeelding in het licht van het vorenstaande niet worden gekwalificeerd als een afbeelding van een seksuele gedraging als bedoeld in artikel 240b van het Wetboek van Strafrecht. Op de afbeelding is immers naar het oordeel van het hof geen sprake van een gedraging van expliciet seksuele aard, terwijl het hof uit het voorhanden bewijs evenmin de overtuiging heeft bekomen dat de afbeelding een onmiskenbaar seksuele strekking heeft.

Bijgevolg zal de verdachte worden vrijgesproken van het hem onder 3. ten laste gelegde.

Het bewijs 1

1. De verklaring van verdachte, voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als volgt:

De familienaam van mijn vrouw is [slachtoffer] met roepnaam [slachtoffer]. Op zijn Wit-Russisch is haar voornaam [slachtoffer]. Ze wordt ook [slachtoffer] genoemd.2

2. Het proces-verbaal van verbalisanten [verbalisant 3], [verbalisant 4] en [verbalisant 5], voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als volgt:

Op verzoek van [naam] werd door ons op 18 februari 2008 en navolgende dagen een onderzoek ingesteld in een woning en aan goederen. Aanleiding van dit verzoek was een rechtshulpverzoek gedaan namens de Belgische autoriteiten met de vraag assistentie te verlenen bij een doorzoeking in een woning te Baarle-Nassau.

Het onderzoek vond plaats in een woning met bedrijfsruimte deels gelegen op het grondgebied van de gemeente Baarle-Hertog (België) deels op het grondgebied van de gemeente Baarle-Nassau (Nederland.)

Aan de voorzijde van het pand gezien vanaf de [straat] te Baarle-Nassau bevond zich een woongedeelte en aan de achterzijde van het pand bevond zich een bedrijfsgedeelte.

Beide delen waren tegen elkaar aangebouwd en vormden samen één pand en stonden inpandig met elkaar in verbinding.

Het woongedeelte was gelegen aan de [straat] te Baarle-Nassau en was voorzien van het [huisnummer].

Het bedrijfsgedeelte was gelegen aan de [straat] te Baarle-Hertog en was voorzien van het [huisnummer].

Tijdens de doorzoeking werd door ons in de speelkamer een zwakke, doch indringende lucht waargenomen. Deze lucht herkenden wij als een geur die vrijkomt bij de ontbinding van een lijk. Hierop werd door mij, [verbalisant 3], assistentie gevraagd aan de Belgische speurhondgeleiders.

Door de hondengeleiders werd aan mij gemeld dat hun honden een reactie vertoonden bij de bekisting in de speelkamer in het woongedeelte van het pand. Gezien deze reactie bestond de mogelijkheid dat in deze bekisting een stoffelijk overschot was verborgen.

Door medewerkers van het Korps Landelijke Politie Diensten werd vervolgens met behulp van röntgenapparatuur een opname gemaakt van deze bekisting. Op één van de röntgenfoto's zag ik, [verbalisant 3], lichaamsdelen van een mens.3

3. De verklaring van [getuige 25], voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als volgt:

Het vastleggen van de grensbepaling in deze woning heeft plaatsgevonden. Hieruit blijkt dat de bewuste locatie (noot verbalisant: de locatie in de woning [adres 1] te Baarle-Nassau alwaar zich vermoedelijk een stoffelijk overschot in bevindt) zich integraal op Nederlands grondgebied bevindt.4

4. Het rapport “Sporenonderzoek naar aanleiding van het aantreffen van een stoffelijk overschot in een vuilcontainer op 18 februari 2008” van het Nederlands Forensisch Instituut, voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als volgt:

Op de plaats delict werd de bekisting in de speelkamer verwijderd. In deze bekisting bleek een grijze vuilcontainer te staan. Tussen de bekisting en de vuilcontainer werden uitgeharde delen polyurethaanschuim aangetroffen, voornamelijk op het deksel en nabij de onderzijde van de vuilcontainer.

Het deksel van de container was met een kit afgedicht. Na het onderzoek aan de buitenzijde van de vuilcontainer werd deze voor nader onderzoek vervoerd naar het NFI.

Op de bovenzijde van het deksel en aan de onderzijde van de container werden restanten van polyurethaanschuim aangetroffen. Het deksel van de vuilcontainer was afgedicht met een siliconenlijm.

In de vuilcontainer bevonden zich achtereenvolgens vanaf de bovenzijde gezien:

1. een laag uitgehard polyurethaanschuim;

2. een laag versnipperd papier;

3. verpakt slachtoffer (wordt nader gespecificeerd);

4. losse kranten, folders en papierenbescheiden door vermoedelijk het lichaamsvocht samengeklonterd tot één pakket.

Onderzoek verpakt slachtoffer

Het slachtoffer was verpakt in een overwegend blauw gekleurde slaapzak met deels daarom heen een witte kledingzak. De witte kledingzak toont het opschrift “[naam winkel] [adres 2](niet leesbaar) [plaats] Tel. [telefoonnummer]”.

De slaapzak werd aan de bovenliggende zijde opengeknipt. Nadat de slaapzak was opengeknipt werd het slachtoffer uit de slaapzak verwijderd en op een aparte tafel gelegd voor nader onderzoek.

Onderzoek stoffelijk overschot

Het gemummificeerde lichaam lag in een foetushouding met het hoofd in de richting van de bodem van de vuilcontainer. Op het rechter bovenbeen was een wond zichtbaar.5

5. De brief opgemaakt door van E.A.J. van Dijk, voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als volgt:

Op 21 februari 2008 werd door mij een onderzoek ingesteld naar de dentale gegevens van een vrouw, wiens in verregaande staat van ontbinding verkerende lijk op 18 februari 2008 werd aangetroffen in een woning aan de [adres 1] te Baarle-Nassau, teneinde middels gebitsvergelijking een uitspraak te kunnen doen over de identiteit.

Daartoe werd de dode vrouw door mij geschouwd in het mortuarium van het NFI. Door mij werd een post mortem odontogram opgemaakt.

De vermoedelijke personalia van de vrouw luiden:

[slachtoffer], geboren [geboortedag] 1981 te [geboorteplaats], laatst wonende [adres 1] te Baarle-Nassau.

Ante mortem gegevens waren aanwezig in de vorm van een behandeljournaal en een OPG röntgenopname, afkomstig van [tandarts], tandarts te Westerloo, België.

Conclusie.

De AM gegevens tonen 27 behandelingen aan evenzoveel elementen, waaronder een driedelige brug, een metaalporselein kroon en 15 buccale veneers van composiet.

Alle verrichtingen zijn post mortaal in overeenstemming, zowel qua element nummer als gebruikte materialen.

Met absolute zekerheid kan ik verklaren dat de door mij geschouwde vrouw, [slachtoffer] is met verdere personalia als boven vernoemd.6

6. Het rapport “Pathologie onderzoek naar aanleiding van een mogelijk niet natuurlijke dood” van het Nederlands Forensisch Instituut, voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als volgt:

Overledene

Naam [slachtoffer]

Geboortedatum [geboortedag] 1981

Geboorteplaats [geboorteplaats], Wit-Rusland

Volgens verkregen inlichtingen werd deze vrouw bij een huiszoeking dood aangetroffen. Het lichaam werd in een vrijwel luchtdicht afgesloten container aangetroffen.

Bij de sectie werd vooralsnog geen anatomische doodsoorzaak aangetoond.

Er waren geen aanwijzingen voor ziekelijke orgaanafwijkingen die het intreden van de dood zouden kunnen verklaren of hiervoor van betekenis geweest zouden kunnen zijn.

Er waren geen aanwijzingen verkregen voor inwerking van uitwendig mechanisch samendrukkend of botsend geweld op de hals. Dit sluit een dergelijk geweld echter niet uit omdat bij jonge personen er geen breuken aan het halsskelet hoeven op te treden bij samendrukkend geweld op de hals en bloeduitstortingen niet meer goed te beoordelen waren wegens de zeer voortgeschreden postmortale veranderingen. Er werd geen toxicologische bijdrage aan het overlijden aangetoond.

Conclusie

Bij de sectie op het lichaam van [slachtoffer], geboren op [geboortedag] 1981, werd geen anatomische en geen toxicologische doodsoorzaak gevonden.

Uitwendige schouwing

Op het rechterbovenbeen aan de voorzijde, op circa 64 tot 73 centimeter vanaf de voetzoolrand werd een schuin verlopende, streepvormige en in de onderhuid vrij scherprandige huidperforatie geconstateerd, reikend tot in het onderhuidse weefsel en spieren en in een klein gebied tot op het bot.7

7. De verklaring van B. Kubat, zoals afgelegd ter terechtzitting in eerste aanleg van
9 juni 2011, voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als volgt:

Bij de obductie is de klieving geconstateerd en onderzocht. Ik had zicht op het bovenbeenbot. De grote beenvaten kunnen niet zijn geraakt. Andere wat grotere bloedvaten kunnen wel geraakt zijn. Als een dergelijke klieving in deze vaten bij leven wordt toegebracht, dan kan dit een op zichzelf staande doodsoorzaak zijn.

8. De verklaring van B. Kubat, zoals afgelegd ter terechtzitting in eerste aanleg van
27 september 2011, voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als volgt:

De medische voorgeschiedenis van het slachtoffer geeft geen aanleiding om te concluderen dat er sprake is geweest van een ziekelijke afwijking.

9. De brief, opgemaakt door F.R.W. van de Goot, voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als volgt:

Naar ontvangen gegevens zou het lichaam van een vrouw gevonden zijn. Het lichaam zou in een plastic container gelegen hebben. Het zou hier om de op [geboortedag] geboren [slachtoffer] gaan.

Aan het rechter been wordt een diepe scherprandige klieving van de huid en de onderliggende weke delen gezien. Hierbij zou zelfs het bot (net) geraakt zijn.

Na bestuderen van de foto's kan worden opgemaakt dat de weke delen (het vetweefsel en de spieren) eveneens duidelijk tekenen van ontbinding tonen (zeker als dit wordt vergeleken met de weke delen die zichtbaar worden bij het uitnemen van het aangedane botstuk met omgevende weke delen). Hieruit kan de conclusie worden getrokken dat het letsel reeds aanwezig was ten tijde van het ontbindingsproces. Het is derhalve zeer onwaarschijnlijk dat dit letsel dus bijvoorbeeld bij de berging van het lichaam of tijdens het transport is opgeleverd.

Hiervan uitgaande kan dus niet worden uitgesloten dat deze beschadiging dus al langer aanwezig was en openbaart zich ook de mogelijkheid dat deze beschadiging ten dele of in zijn geheel ten tijde van het verstoppen ook al aanwezig was.

Op grond van ontbindingskenmerken kan alleen gesteld worden dat het letsel reeds aanwezig was toen het slachtoffer in de definitieve bergplaats werd verstopt waarbij er de mogelijkheid bestaat dat dit letsel ook al ten tijde van het intreden van de dood aanwezig was.

Indien dit letsel bij leven zou zijn opgelopen ben ik het zondermeer eens dat dit een grote rol zou kunnen spelen bij het intreden van de dood. Een dermate verwonding bevat legio kleine slagadertjes die tezamen een even dodelijke verbloeding kunnen opleveren.

Ik ben het met dr. B. Kubat eens dat op grond van de sectiebevindingen geen zekere doodsoorzaak kan worden aangewezen.

Het is mijns inziens zondermeer een mogelijkheid dat klievend letsel aan het been op basis van verbloeding de oorzaak van het intreden van de dood kan zijn. Tevens is een andere, veel voorkomende oorzaak voor het intreden van de dood, te weten wurging, niet uit te sluiten.

Conclusie

Bij [slachtoffer], geboren [geboortedag] was geen zekere anatomische of toxicologische doodsoorzaak aanwijsbaar. Het letsel aan het rechter been zou, indien ten dele of in zijn geheel bij leven opgelopen, het intreden van de dood kunnen verklaren op basis van bloedverlies.8

10. De verklaring van F.R.W. van de Goot, zoals afgelegd ter terechtzitting in eerste aanleg van 28 september 2011, voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als volgt:

Ik heb de medische voorgeschiedenis van het slachtoffer ontvangen. De bloedwaarden die ik heb gezien, duiden niet op iets acuuts.

Ik kan op grond van de stukken die ik ontvangen heb zeggen dat het slachtoffer niet in de container waarin zij is aangetroffen, is overleden. Op het moment dat het lichaam in de kliko werd gestopt, was het letsel aan het been zeker aanwezig.

Als het letsel bij leven is toegebracht, dan leidt dat tot hevig bloedverlies. De grote keep in het been heeft dan tot de dood kunnen leiden.

11. Het proces-verbaal onderzoek kist, voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als volgt:

Bij het ontmantelen van de kist bleek dat de platen MDF met behulp van schroeven, lijm en kit op de houten constructie waren bevestigd. Vervolgens waren de hoeklatten ook met behulp van lijm aangebracht. Het was niet mogelijk de kist te ontmantelen zonder het aanbrengen van schade. Bij onderzoek van de buitenzijde van de kist voor het ontmantelen werd geen schade of andere onregelmatigheden aan de kist geconstateerd waaruit kon worden afgeleid dat de kist in een eerder stadium werd opengemaakt en weer dichtgemaakt.9

12. Het proces-verbaal van onderzoek betreffende het onderzoek van de kist, voor zover – inhoudende – zakelijk weergegeven – als volgt:

Op 18 februari 2008 werd bij een doorzoeking van het pand [adres 1] te Baarle-Nassau het stoffelijk overschot aangetroffen van [slachtoffer], geboren te [geboorteplaats]

(Wit Rusland) op [geboortedag] 1981. Het lichaam werd aangetroffen in een in de speelkamer van het pand staande afvalcontainer. Deze afvalcontainer stond in een tegen een van de wanden gemaakte houten kist. Voor het verwijderen van de afvalcontainer werd de houten kist geheel afgebroken. Bij het afbreken van deze ombouw werd een onderzoek naar de wijze van bouwen van de kist en een onderzoek naar sporen aan de kist en de container ingesteld.

De kist stond tegen de muur.

Gezien de beschadigingen die ontstonden bij de demontage van de kist kan worden gesteld, dat het onmogelijk is de kist zoals die door ons werd aangetroffen te openen en opnieuw te sluiten, zonder dat dit aan de buitenzijde zichtbaar is.10

13. Het TNO-rapport “Bouwvolgorde kist”, voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als volgt:

In het onderzoek is uitgegaan van twee mogelijke scenario’s:

  1. De kist is geconstrueerd, de vuilcontainer is ingebracht en vervolgens is de kist kort daarna afgesloten en afgewerkt. Dit wordt gezien als het ware één handeling.

  2. De kist is geconstrueerd en geheel afgewerkt. Vervolgens, na enige tijd, wordt de rechter zijplaat verwijderd, de vuilcontainer wordt ingebracht waarna de kist wederom wordt afgewerkt. Dit wordt gezien als het ware twee handelingen.

Het nadere onderzoek is onder te verdelen in drie hoofdlijnen:

  1. bouwtechnische aspecten;

  2. gebruikte materialen;

  3. aanbrengen van de laag purschuim aan de bovenzijde van de vuilcontainer.

De gebruikte materialen zijn:

  • -

    delen van de kist aangetroffen op de PD;

  • -

    de vuilcontainer zoals aangetroffen op de PD;

  • -

    het deksel van een nieuwe vuilcontainer, deze is aangeschaft t.b.v. de reconstructie;

  • -

    de reconstructie van de kist bij TNO;

  • -

    spuitbussen en vulspuiten met materialen soortgelijk met die van de PD;

  • -

    foto’s en dvd’s gemaakt tijdens ontmanteling van de kist.

2.1 Bouw technische aspecten

2.1.1 Beschadigingen van de MDF platen

Tijdens het ontmantelen van de kist door een team specialisten van Forensisch Technisch Onderzoek (FTO) zijn de hoeklatten, waarmee de kist was afgewerkt, losgemaakt. Ondanks gehanteerde voorzichtigheid zijn de MDF platen, waarop de afwerklatten verlijmd waren, beschadigd.

Om zeker te stellen of er altijd beschadigingen optreden aan de rechter zijplaat en de afwerklatten is de kist in het laboratorium nagebouwd. Vervolgens is, met inachtneming van de droogtijd en uithardtijd van de gebruikte materialen, getracht om de afwerklatten te demonteren zonder de MDF plaat en de afwerklatten te beschadigen. Echter dat is niet gelukt.

Het blijkt dus niet mogelijk te zijn om de afwerklatten los te maken zonder de MDF platen te beschadigen. Daarnaast is het niet mogelijk gebleken om de afwerklatten te demonteren zonder dat ze in twee of meer stukken scheurden. Een overeenkomend patroon is waarneembaar betreffende beschadigingen van de verflaag.

Bij nauwlettend onderzoek van de rechter zijplaat uit de PD zijn geen beschadigingen op de MDF plaat en de verflaag aangetroffen anders dan die zijn ontstaan bij het demonteren van de kist door het team van FTO. Bovendien kwamen de beschadigingen aan de MDF plaat en de afwerklatten uit het laboratorium en de PD overeen.

2.1.2 Schroefgaten voor montage van de rechter zijplaat

De rechter zijplaat was onder meer met schroeven gemonteerd op het houten frame van de kist. Er zijn geen dubbele schroefgaten gevonden in het houten frame van de kist. Dubbele schroefgaten zouden gevonden zijn wanneer de rechter zijplaat vervangen zou zijn door een soortgelijke, niet beschadigde, plaat MDF. Het is zeer onwaarschijnlijk dat de schroeven op exact dezelfde positie kunnen worden geplaatst op een nieuwe plaat MDF, zelfs wanneer de oude plaat als mal gebruikt zou worden. Derhalve mag geconcludeerd worden dat indien scenario B geldig is, de rechter zijplaat exact op dezelfde positie gemonteerd was, gebruik makende van dezelfde schroefgaten en dezelfde MDF-plaat als tijdens de bouw van de kist in scenario A.

2.1.3 Discussie

Het is niet mogelijk om de rechter zijplaat te demonteren, tijdens scenario B, zonder:

  • -

    de verflaag te beschadigen;

  • -

    de afwerklatten onherstelbaar te beschadigen;

  • -

    de MDF plaat te beschadigen.

Het is zeer onwaarschijnlijk dat de MDF plaat, tijdens scenario B, vervangen is door een nieuw, niet beschadigd exemplaar. In dat geval zouden dubbele schroefgaten zichtbaar moeten zijn in het houten frame van de kist.

Bij het analyseren van de rechter zijplaat zijn geen andere beschadigingen aangetroffen, anders dan ontstaan bij het demonteren van de kist door het team van FTO. Deze beschadigingen hadden zichtbaar moeten zijn wanneer scenario B geldig is. Derhalve mag geconcludeerd worden dat het niet waarschijnlijk is dat de rechter zijplaat tijdens scenario B verwijderd is en vervolgens herplaatst.

De afwerklatten die zijn gebruikt voor het afwerken van de kist zijn allen identiek, voor zover visueel waarneembaar. Doordat het niet mogelijk is de afwerklatten te demonteren zonder deze onherstelbaar te beschadigen zouden deze vervangen moeten zijn in scenario B. Het is bijzonder toevallig dat de onherstelbaar beschadigde latten vervangen zijn, in scenario B, door identieke latten.

2.2 Gebruikte materialen

Bij het construeren van de kist zijn onder meer de volgende montage middelen gebruikt:

  • -

    Acrylaat kit, kleur wit, merk Rubson;

  • -

    Fixall, lijm, merk Soudal;

  • -

    Purschuim, merk Bison.

2.2.1 Het gebruik van acrylaat kit

Er was kit aangetroffen tussen de MDF plaat aan de voorzijde, de houten balk, waartegen de MDF plaat gemonteerd was en de vloer. Bovendien was kit aangetroffen op meerdere plaatsen onder de verf waarmee de kist afgewerkt was. De kist is dus onder meer samengesteld met kit tijdens scenario A.

Om de rechter zijplaat af te werken was tijdens scenario B tevens kit gebruikt. Voor zover visueel waarneembaar komen de gebruikte kitsoorten bij beide scenario’s overeen.

2.2.2 Het gebruik van lijm

Tijdens het bouwen van de kist (scenario A) was lijm te weten fixit, gebruikt voor

het verlijmen van het voorpaneel, de linkerzijkant en de afwerklatten.

Tijdens het herplaatsen van de rechter zijwand (scenario B) was dezelfde lijm gebruikt (getuige een lege flacon die gevonden is in de laag purschuim dus aan de onderzijde van de vuilcontainer was aangebracht). Voor zover visueel waarneembaar komen de gebruikte lijmsoorten bij beide scenario's overeen.

2.2.3 Afwerking van de kist met verf

De kist was aan de buitenzijde volledig afgewerkt met witte verf. Dit geldt zowel voor de platen als voor de latten op de hoeken van de kist. De dikte van de verflaag is opgemeten met behulp van een microscoop.

Er zijn op de verschillende onderdelen van de kist telkens drie metingen verricht om vervolgens de gemiddelde verflaagdikte te berekenen (zie Tabel 1).

Tabel 1 De dikte van de verflaag (in um) op verschillende onderdelen van de kist. De metingen zijn 3 keer uitgevoerd op de onderdelen. Vervolgens is per onderdeel de gemiddelde dikte berekend.

Onderdeel

Meting

Gemiddelde

1

2

3

Linker zijwand houten lat

84

110

99

94

Linker zijwand MDF plaat

82

84

83

83

Rechter zijwand houten lat

36

39

36

37

Rechter zijwand MDF plaat

52

42

50

48

Linker zijwand op kit

127

148

142

139

Bovenplaat op lijm balk met muur

145

162

152

153

De verflaag bestond uit één laag en niet uit twee afzonderlijke lagen. Dit impliceert dat de verflaag in één keer is aangebracht of dat de tweede verflaag binnen 24 uur na aanbrengen van de eerste verflaag is aangebracht (terwijl de eerste laag nog niet uitgehard was). Opvallend is dat de verflaag op de linkerzijwand zowel op de plaat als op de houten lat veel dikker is in vergelijking met de verflaag van de rechter zijwand.

Discussie

Het is bijzonder toevallig dat er tijdens het bouwen van de kist (scenario A) en het herplaatsen van de rechter zijplaat (scenario B) vier materialen zijn gebruikt door verschillende personen, die overeenkomen. Deze overeenkomst betreft de kit, de lijm en de verf voor zover visueel waarneembaar. Dit is op zich geen sterk argument tegen de geldigheid van scenario B, het is wel bijzonder toevallig.

Sterkere argumenten, tegen geldigheid van scenario B, betreffen de laagdikte en de laagopbouw van de verflaag waarmee de kist was afgewerkt. Wanneer uitgegaan wordt van het bestaan van scenario B zou de rechter zijplaat voor een tweede keer afgewerkt moeten worden. Dit om ontstane schade aan de verflaag bij demontage van de rechter zijplaat te herstellen. Zou de schade niet hersteld zijn, tijdens scenario B, dan had de schade aan de kist zichtbaar moeten zijn bij het aantreffen van de kist door het team van FTO. Deze schade is niet aangetroffen. Na het noodzakelijke herstel zou een dikke verflaag, circa 100 um, bestaande uit meerdere lagen gevonden moeten worden. Juist het tegengestelde is gevonden: een verflaagdikte van circa 40 um bestaande uit een enkele verflaag. Hiermee is het onwaarschijnlijk dat scenario B bestaan heeft en is de vuilcontainer kort na het bouwen van de kist aangebracht.

2.3 Aanbrengen van de laag purschuim aan de bovenzijde van de vuilcontainer

In de probleemstelling is het sterke vermoeden besproken dat het niet mogelijk is de laag purschuim aan te brengen aan de bovenkant van de vuilcontainer ingeval alleen de rechter zijplaat van de kist is verwijderd. Dit vermoeden berust op het feit dat er tussen de wanden en het deksel van de kist en de vuilcontainer weinig ruimte aanwezig is om te manoeuvreren, zowel horizontaal als verticaal, met een spuitbus met purschuim. De verticale ruimte is noodzakelijk omdat een spuitbus purschuim in principe onderste boven gehouden moet worden ten opzichte van de spuitmond om te kunnen spuiten. Wanneer de spuitbus vlak gehouden wordt t.o.v. de spuitmond, dan zal de spuitbus zodra hij half leeg is geen pur meer spuiten en alleen maar drijflucht. Dit komt doordat het schuim zich aan de onderkant van de (horizontale) fles bevindt en niet meer bij de spuitmond kan komen. Zodra de spuitmond boven de spuitbus gehouden wordt komt er nagenoeg alleen maar drijflucht uit de spuitbus.

Om na te gaan hoe het pur is aangebracht en of het mogelijk is om de laag purschuim aan te brengen zonder de deksel te verwijderen zijn een aantal praktijk proeven met het eerder vervaardigde testmodel en een vuilcontainer uitgevoerd. Daarbij is een aantal keren een laag purschuim aangebracht waarbij het deksel in een laboratorium op de kist gemonteerd was en een aantal keren waarbij het deksel gedemonteerd was. Daarbij is een laag purschuim aangebracht, vervolgens gewacht totdat het materiaal was uitgehard om vervolgens opgemeten te worden.

Laag purschuim met gemonteerd deksel

Hel bleek mogelijk te zijn om een laag purschuim aan te brengen, ondanks de geringe ruimte om te kunnen manoeuvreren met de spuitbus, die het gehele deksel bedekte. Daarbij is als eerste een laag purschuim aangebracht tussen het deksel van de kist en de vuilcontainer door vanaf de zijkant te spuiten. Daarbij werd de spuitbus met purschuim horizontaal gehouden. Vervolgens is zoveel mogelijk geprobeerd purschuim aan te brengen door vanaf de onderzijde te spuiten. Daarbij werd de spuitbus met purschuim rechtop gehouden. Deze handeling is 4 keer herhaald waarbij een resultaat werd verkregen waarbij het gehele deksel van de vuilcontainer bedekt was.

De dikte van elke laag purschuim is opgemeten vanaf de onderkant van het deksel van de kist en het laagste punt van de laag purschuim. De gemiddelde laagdikte was 7,0 cm.

Opvallend was dat er nagenoeg geen hechting was tussen de bovenkant van de aangebrachte laag purschuim en het deksel. Het deksel van de kist was eenvoudig te verwijderen waarbij weinig materiaal aan het deksel bleef kleven.

Laag purschuim met gedemonteerd deksel

Het aanbrengen van de laag purschuim waarbij het deksel gedemonteerd was ging eenvoudig. Vervolgens werd het deksel gemonteerd, en werd gewacht totdat het purschuim uitgehard was.

Tabel 3 De laagdikte van het purschuim met gedemonteerd deksel (afmetingen in cm).

1

2

3

4

gemiddelde

Laagdikte

40,50

40,50

37,80

38,10

39,2

Vervolgens werd wederom de maximale laagdikte opgemeten. De gemiddelde laagdikte was 20,7 cm (het hof begrijpt: 39,2 centimeter).

Opvallend was dat er een zeer goede hechting was ontstaan tussen de bovenkant van de aangebrachte laag purschuim en het deksel van de kist. Het deksel van de kist was erg lastig te demonteren waarbij veel materiaal aan het deksel van de kist bleef kleven.

2.3.1 Analyse van de DVD bij het ontmantelen van de kist en de vuilcontainer

Op de PD is een dikke laag purschuim aan de bovenzijde van de vuilcontainer aangetroffen. De hoogte is opgemeten waarbij gebruik gemaakt is van een afbeelding uit de DVD. De laag purschuim heeft bij de blauwe handschoenen een dikte van 45,5 cm.

Tevens is duidelijk, na bestuderen van de DVD van de ontmanteling van de kist en de vuilcontainer op de PD, dat het zeer lastig was het deksel van de kist te demonteren: deze moest losgesneden worden.

2.3.2 Discussie

De gemiddelde laagdikte, uit de laboratorium proef, van de laag purschuim die werd aangebracht met het gemonteerde deksel van de kist komt niet overeen met die van de PD. De overeenkomstige laagdikte, uit de laboratorium proef, wanneer het deksel niet gemonteerd is komt wel overeen met die van de PD. De reden hiervoor is dat het niet mogelijk is om voldoende purschuim aan te brengen wanneer het deksel gemonteerd is. Hiervoor is onvoldoende ruimte aanwezig.

Het deksel, in de laboratorium proef, is eenvoudig te demonteren wanneer de laag purschuim is aangebracht met het gemonteerde deksel van de kist. Dit komt niet overeen met de situatie waarbij het deksel van de kist gedemonteerd werd uit de PD. Ook dit kan weer teruggevoerd worden naar het feit dat het niet mogelijk is om voldoende purschuim aan te brengen wanneer het deksel gemonteerd is.

Het deksel, in de laboratorium proef, is moeilijk te demonteren wanneer de laag purschuim is aangebracht met het gedemonteerde deksel. Dit komt overeen met de aangetroffen situatie op de PD. Hiermee is het bestaan van scenario A juist en het bestaan van scenario B onjuist en zeer onwaarschijnlijk.

Geconcludeerd mag worden dat niet mogelijk is de laag purschuim aan te brengen, met een dikte die overeenkomt met die uit de PD, waarbij het deksel van de kist gemonteerd was, Hiermee is het bestaan van scenario A juist en het bestaan van scenario B onjuist en zeer onwaarschijnlijk.

3 Samenvattende discussie en conclusie

Het uitgangspunt van dit onderzoek waren twee scenario's, te weten:

A. De kist was geconstrueerd, de vuilcontainer was ingebracht en vervolgens was de kist kort daarna afgesloten en afgewerkt. Dit wordt gezien als het ware één handeling.

B. De kist was geconstrueerd en geheel afgewerkt. Vervolgens, na enige tijd, werd de rechter zijplaat verwijderd, de vuilcontainer werd ingebracht waarna de kist wederom werd afgewerkt. Dit wordt gezien als het ware twee handelingen.

Het verschil tussen de enkelvoudige “korte” handeling (scenario A) en de meervoudige handeling die “enige tijd” duurt (scenario B) is in ieder geval langer dan de tijd die nodig is om de verf, waarmee de kist was afgewerkt, te laten uitharden.

Aan de hand van onderzoek op het beschikbare materiaal en uitgevoerde proeven in het laboratorium zijn een aantal feiten verzameld die het bestaan van beide scenario's bevestigen, ontkrachten, dan wel verwerpen. In de onderstaande tabel wordt een overzicht gegeven van de relatie tussen de gevonden feiten en de waarschijnlijkheid van het bestaan van de bovengenoemde scenario's.

Scenario A

Scenario B

Gevonden beschadigingen aan de rechter zijplaat. Bij scenario A zou een enkelvoudige beschadiging gevonden moeten zijn, bij scenario B een meervoudige.

Bevestigd: er zijn enkelvoudige beschadigingen gevonden die zijn veroorzaakt bij de ontmanteling van de kist door FTO.

Ontkracht: er zijn geen meervoudige beschadigingen gevonden.

Om beschadigingen te repareren moeten bij scenario B twee lagen verf aangebracht zijn. Daardoor zal de laagdikte bij scenario B circa 100 um zijn en circa 45 um bij scenario A.

Bevestigd: de gevonden laagdikte op de rechter zijplaat is circa 40 um.

Verworpen: de laagdikte (40 um) komt niet overeen met die van een dubbele verflaag (100 um).

Bij scenario A is de kist een enkele keer afgewerkt met een resulterende enkele verflaag. Om beschadigingen te repareren moeten bij scenario B twee lagen verf aangebracht zijn.

Bevestigd: er is een enkele verflaag gevonden.

Verworpen: er is een enkele verflaag gevonden en geen twee verflagen.

Het aanbrengen van een laag purschuim met een dikte van circa 40 cm aan de bovenkant van de vuilcontainer. Hierbij wordt uitgegaan van het demonteren van het deksel in scenario A. In scenario B blijft het deksel, op aangeven van de verdediging gemonteerd.

Bevestigd: het aanbrengen van de laag purschuim met een dikte van 40 cm is mogelijk bij demontage van het deksel van de kist.

Verworpen: bij een gemonteerd deksel is het alleen mogelijk een laag purschuim aan te brengen met een dikte van circa 7 cm.

In scenario A zijn materialen gebruikt door een enkele persoon. In scenario B zijn dezelfde materialen op twee tijdstippen door twee verschillende personen gebruikt.

Bevestigd: in dit scenario zijn de materialen door een enkele persoon gebruikt, dit is aannemelijk.

Ontkracht: het is bijzonder toevallig dat twee personen op twee verschillende tijdstippen dezelfde materialen gebruiken bij de montage van de kist.

Scenario A wordt uitgaande van de gevonden feiten 5 keer bevestigd. Scenario B wordt daartegen 2 keer ontkracht en 3 keer verworpen. Daarmee mag de volgende conclusie getrokken worden: het meest waarschijnlijke scenario is A, het scenario B is zeer onwaarschijnlijk. Bovendien is aangetoond dat het noodzakelijk is om het deksel van de kist te verwijderen om een laag purschuim aan te brengen, aan de bovenzijde van de vuilcontainer, met een dikte die overeen komt met die gevonden op de PD.11

14. Het TNO-rapport “Bouwvolgorde kist, deel 2”, voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als volgt:

1. Inleiding

De verdediging heeft aanvullende hypotheses gedefinieerd ofwel extra informatie aangereikt. Vervolgens heeft het gerechtshof ’s-Hertogenbosch TNO gevraagd om aanvullend te rapporteren over de reconstructie van de kist:

“De hypothese van de verdediging is de volgende:

De kist is geconstrueerd maar niet geheel afgewerkt. De rechter zijplaat was enkel met schroeven bevestigd en de afwerklatten waren hierop niet duurzaam aangebracht. Vervolgens, na enige tijd, wordt de rechter zijplaat verwijderd, de vuilcontainer wordt ingebracht waarna de kist wordt afgewerkt.

Ook wanneer het gaat om het aanbrengen van het purschuim in de kist, heeft TNO in de visie van de verdediging een te beperkt onderzoek verricht. In de visie van de verdediging is het immers mogelijk dat het purschuim in de kist is aangebracht, waarna de vuilcontainer in de kist wordt geschoven.”

Om aanvullend te kunnen rapporteren heeft TNO het volgende uitgevoerd:

• Chemische onderzoek naar de gebruikte kit en lijm;

• Laboratorium onderzoek naar PUR en verflagen;

• Sporen onderzoek naar de vorm van de lijmlagen die zijn aangebracht op de verschillende afwerklatten van de kist.

De resultaten worden vervolgens besproken in het licht van de hypotheses van de verdediging en zijn verwoord in dit rapport.

2 De invloed van niet duurzaam aangebracht afwerklatten

2.1 Breuklijnen in de verflaag

Het is mogelijk om niet duurzaam gemonteerde afwerklatten te demonteren zonder de afwerklatten en de MDF platen waarmee de kist was geconstrueerd te beschadigen. Deze handeling is, echter, niet zonder gevolgen voor de witte afwerking van de kist. Immers, wanneer de afwerklatten worden gedemonteerd wordt de aangebrachte verflaag verbroken.

Vervolgens is onderzocht is of het mogelijk is om bij demontage van de (niet duurzaam aangebrachte afwerklatten) een mooie rechte, nagenoeg niet zichtbare, breuklijn te verkrijgen. Echter, telkenmale wordt door hechting van de verflaag aan de afwerklatten een stuk verf van de plaat waarop de lat gemonteerd was, meegetrokken. Er ontstaat dus schade aan de verflaag, uitgaande van de hypothese van de verdediging, bij het demonteren van de niet duurzaam gemonteerde afwerklatten. Na demontage zijn de latten weer gemonteerd, nu gebruik makende van lijm, wederom uitgaande van de hypothese van de verdediging. Vervolgens zijn de afwerklatten door het team van de forensische opsporing gedemonteerd. Daarbij ontstond zowel schade aan de afwerklatten, de platen waarmee de kist is geconstrueerd en de verflaag. Bij het demonteren van de afwerklatten wordt zelfs een stuk MDF van de platen van de kist afgebroken.

Uitgaande van de hypothese van de verdediging zou de verflaag tweemaal beschadigd zijn: de eerste keer bij demontage van de niet duurzaam gemonteerde afwerklatten met een min of meer subtiele beschadiging, de tweede keer bij demontage van de inmiddels duurzaam aangebrachte afwerklatten, dit keer met zwaardere beschadigingen (waarbij delen van de zijplaten afgebroken zijn). Er is echter maar één beschadiging aan de verflaag geconstateerd. En dat is de beschadiging bij demontage van de afwerklatten door het team van de forensische opsporing.

Doordat er één enkele beschadiging is geconstateerd aan de verflaag is de door TNO gehanteerde hypothese, met scenario A, zeer veel waarschijnlijker.

2.2 Aanbrengen van de lijmlagen op de afwerklatten

Alle afwerklatten van de kist zijn naast elkaar gelegd om de wijze waarop de lijmlagen op de afwerklatten zijn aangebracht met elkaar te vergelijken. Dus ook de afwerklatten die gemonteerd waren op de rechter zijplaat.

Het lijmpatroon is gelijk voor alle afwerklatten: het vertoont gelijkmatige en gelijkvormige slingers en/of dotten. Het is onwaarschijnlijk dat een tweede persoon de lijm op eenzelfde wijze aanbrengt, op een later moment met hetzelfde patroon. Het is veel waarschijnlijker dat de latten op één moment door één persoon gemonteerd zijn. Aan de hand van het gelijkvormige lijmpatroon op de afwerklatten is de door TNO gehanteerde hypothese, met scenario A, waarschijnlijker.

2.3 Chemische analyse van de kit/lijmlagen

Er zijn monsters genomen van de kit en de lijm:

  • -

    Kit: waarmee de afwerklatten en de verschillende platen van de kist (zowel aan de linker als de rechter zijde) zijn afgewerkt (dit zijn monsters 1 en 2);

  • -

    Lijm: uit de in de kist aangetroffen tube lijm (van het merk ‘Fix It All’ (het hof begrijpt: ‘Fix-All’)), dit is monster 4;

  • -

    Lijm: waarmee de afwerklatten op de linker zijde en de rechter zijde van de kist gemonteerd waren (dit zijn monsters 3 en 5).

Met FTIR (Fourier Transform Infrarood) onderzoek is een infrarood spectrum opgenomen van een klein deel van alle monsters. Van alle monsters zijn doorsnedes gemaakt loodrecht op de dikterichting en twee doorsnedes per monster zijn onderzocht. Dit spectrum geeft de chemische banden weer van de organische stoffen van de uitgeharde kit/lijm (elke band, ook wel piek genoemd, is specifiek voor de aanwezige chemische verbinding).

Op basis van de resultaten van de verkregen spectra blijkt dat de chemische compositie van monster 1 (kit 1) en monster 2 (kit 2) identiek is.

FTIR spectra lijken sterk op elkaar voor alle drie de lijmmonsters. Geconcludeerd mag worden, omdat de spectra van de drie monsters sterk op elkaar lijken, dat alle afwerklatten gemonteerd zijn met lijm van het merk ‘Fix It All’ (het hof begrijpt: ‘Fix-All’).

Het is waarschijnlijker dat één persoon de afwerklatten heeft aangebracht op een gelijk moment, gebruik makende van dezelfde kit en lijm, dan dat twee personen op verschillende tijdstippen dezelfde kit en lijm hebben gebruikt.

Aan de hand van overeenkomst in gebruikte lijm op de afwerklatten is de door TNO gehanteerde hypothese, met scenario A, waarschijnlijker.

3.1 Aanbrengen purschuim aan de onderkant van het deksel

In de visie van de verdediging is het mogelijk purschuim in de kist aan te brengen om vervolgens de vuilcontainer in de kist te schuiven. Deze hypothese staat recht tegenover het door TNO gerapporteerde resultaat dat op basis van onderzoek geconcludeerd kan worden dat het niet mogelijk is om de laag purschuim aan te brengen met een dikte die overeenkomt met die uit de plaats delict, waarbij het deksel gemonteerd was.

Onderzocht is of het mogelijk is purschuim aan de onderzijde van het gemonteerde deksel aan te brengen. Het resultaat is dat het purschuim niet hecht aan het deksel en direct naar beneden valt. Dit is verschillende keren herhaald, echter telkens met hetzelfde resultaat: het purschuim hecht niet en valt naar beneden.

Aldus is het niet mogelijk voldoende purschuim aan de onderkant van het deksel aan te brengen, alvorens de vuilcontainer in de kist te schuiven. Hiermee is het scenario waarbij het deksel verwijderd moet worden zeer veel waarschijnlijker.

Doordat het niet mogelijk is om voldoende purschuim aan de onderkant van het deksel van de kist aan te brengen is de door TNO gehanteerde hypothese, met scenario A, zeer veel waarschijnlijker.

4 Conclusie

De resultaten onderschrijven de eerdere resultaten:

  • -

    Wanneer de afwerklatten twee keer worden verwijderd, de eerste keer door een derde, de tweede keer door het team van de forensische opsporing wordt de verflaag op twee manieren beschadigd. Echter, er is één type beschadiging aangetroffen: die bij het demonteren van de duurzaam gemonteerde afwerklatten door het team van de forensische opsporing;

  • -

    De kit en lijm waarmee de afwerklatten duurzaam zijn gemonteerd komt voor alle afwerklatten zowel in vorm als in chemische samenstelling overeen. Dit wijst erop dat de afwerklatten in één keer duurzaam gemonteerd zijn door één en dezelfde constructeur. Dit is waarschijnlijker dan het scenario omschreven door de verdediging dat uit gaat van twee handelingen;

  • -

    Het aanbrengen van voldoende purschuim, alvorens de vuilcontainer in de kist te schuiven, om een laag purschuim te verkrijgen die overeenkomt met die is aangetroffen op de PD is onmogelijk gebleken.

Al met al blijft de door TNO gehanteerde hypothese A, veel tot zeer veel waarschijnlijker in vergelijking met hypothese B en dat van de verdediging.12

15. Het proces-verbaal bevindingen van verbalisanten [verbalisant 9] en [verbalisant 10], voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als volgt:

Bij technisch onderzoek van de kist waarin het stoffelijk overschot werd aangetroffen werden een koker bouwlijm, een bus purschuim, een koker acrylaatkit alsmede een hoekijzertje aangetroffen.

Onderzoek bouwlijm.

De bouwlijm is van het merk Fix-All Crystal, transparant van kleur, inhoud 290 ml.

Bij de doorzoeking van de woning en de bedrijfsruimte van de verdachte de datum
23 februari 2008, werden diverse goederen aangetroffen die vervolgens in beslag werden genomen. Onder de door de Belgische politie inbeslaggenomen goederen bevonden zich aankoopbonnen en facturen van de navolgende bouwmarkten:

- [bouwmarkt] te Herentals (België)

- [bouwmarkt] te Turnhout, Lommel en Mol (België)

- [bouwmarkt] te Herenthout (België)

- [bouwmarkt] te Baarle-Nassau (Nederland)

Uit deze aankoopbonnen en facturen is gebleken dat in de maand april 2007 veelvuldig bouwmaterialen werden ingekocht bij de [bouwmarkt] te Herentals en de [bouwmarkt] te Turnhout.

Bouwmarkt [bouwmarkt] te Turnhout.

Uit een bij de doorzoeking van de woning aangetroffen aankoopbon van [bouwmarkt] te Turnhout de datum 19 april 2007 te 12.35 uur is gebleken dat er 8 kokers Fix-All Crystal transparant (bouwlijm) werden aangeschaft.13

16. Het rapport betreffende het biologische sporen- en DNA-onderzoek, voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als volgt:

Balkje (ABU571)

Het betreft een houten balkje met opschrift '007-049', wat bevestigd zat tussen de vuilcontainer en de muur. Dit balkje is door IFS voorzien van het DNA-identiteitszegel ABU571.

Bemonstering

Van het balkje zijn door IFS een aantal bemonsteringen genomen, op locaties die mogelijk door de dader zijn gehanteerd: van de schroef, van de omgeving van de schroef, onder en rond het purschuim, van een mogelijke afdruk in een kleine hoeveelheid purschuim (ABU571 IFS#06) en van het oppervlak van het balkje.

Resultaat bemonstering ABU571 IFS#06

Van de bemonstering zijn complexe DNA-mengprofielen verkregen. Uit de resultaten van het NGM-onderzoek blijkt dat zich in de bemonstering celmateriaal bevindt van tenminste drie personen.

De verkregen autosomale profielen bevatten alle kenmerken in het profiel van de [verdachte]. Dit kan betekenen dat zijn DNA deel uitmaakt van het celmateriaal in deze bemonstering. De bevindingen, zoals die tot nu toe naar voren komen uit het

DNA-onderzoek, zijn veel waarschijnlijker wanneer de [verdachte], onbekende man A en een onbekende persoon celmateriaal aan bemonstering ABU571 IFS#06 hebben bijgedragen, dan wanneer drie onbekende personen celmateriaal hebben bijgedragen.

Deze bemonstering is genomen van donkere vlekken op het balkje. Het purschuim is op die locaties afgeschraapt. Dit vergroot de kans dat DNA alleen aanwezig is geweest op of in het purschuim.

Het is onwaarschijnlijk dat het DNA van de [verdachte] vooraf op het hout aanwezig is geweest en op die manier in het purschuim is terecht gekomen. Het purschuim is bij de bemonstering van het hout geschraapt waarbij de onderste laag is blijven zitten.14

17. Het proces-verbaal van bevindingen m.b.t. OVC d.d. 15 september 2009, voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als volgt:

Op 14 oktober 2009 ontvangen: USB-stick.

Op de USB-stick bleek een geluidsopname te staan. Het betrof, naar wij hoorden, één gesprek dat plaatsvond tussen twee mannen. Eén van hen bleek uit stemherkenning de ons ambtshalve bekende

Naam : [verdachte]

Geboren : [geboortedag] 1971 te [geboorteplaats]

De andere man wordt hieronder verder NN genoemd.

Transcriptie

[verdachte]: Het blijkt dus dat in die kast zeg maar of in die kist

[verdachte]: heeft een kliko gestaan. Zo'n vuilcontainer euh..

NN: Zo'n plastic bak.

[verdachte]: En daar schijnt zij dubbelgevouwen ingezeten te hebben en die was afgepurt.

NN; Dat zo iets niet gaat stinken of zo euh

[verdachte]: Door die pur denk ik. Het was schijnbaar helemaal afgesloten. En die randen waren dicht gekit met kit. Met siliconenkit of iets.15

18. Het ambtelijk verslag, voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als volgt:

In de kist werd een grijze kliko aangetroffen, welke behoorde bij het adres [adres 1] te Baarle-Nassau. In de kliko werd het stoffelijk overschot aangetroffen van [slachtoffer], geboren op [geboortedag] 1981 te [geboorteplaats], Wit Rusland.

Naar de wijze waarop het stoffelijk overschot in de kliko lag, werd onderzoek gedaan. Het stoffelijk overschot was afgedekt met een laag papier afkomstig uit een papierversnipperaar. In de woning van verdachte werd voorts bij de doorzoeking een zak met papiersnippers aangetroffen afkomstig uit een papierversnipperaar. De in de woning aangetroffen papiersnippers waren soortgelijk als de papiersnippers aangetroffen in de kliko met daarin [slachtoffer].

Door politieambtenaren, undercover, werden contacten onderhouden met [verdachte]. In een aantal gesprekken heeft de verdachte zich uitgelaten over de dood van zijn echtgenote en de wijze waarop zij werd aangetroffen. Zo zegt verdachte in een gesprek op 15 september 2009 onder meer tegen de undercover dat er in de kist een kliko heeft gestaan. Het gesprek tussen de undercover en de [verdachte] werd opgenomen. [verdachte] zegt dan:

“En daar schijnt zij dubbelgevouwen ingezeten te hebben en die was afgepurt”.

Nadat de andere man, de undercover zegt: “Dat zo iets niet gaat stinken of iets”, zegt [verdachte] : “Door die pur denk ik. Het was schijnbaar helemaal afgesloten. En die randen waren dicht gekit met kit. Met siliconenkit of iets”.

Opgemerkt wordt dat de [verdachte] in zijn verhoren ten tijde van zijn eerste aanhouding, niet is geconfronteerd met de inhoud van de kliko en de wijze waarop de kliko was afgedicht. Informatie hieromtrent was eveneens niet opgenomen in het aan de raadsman van verdachte verstrekte dossier ten tijde van de eerste aanhouding van verdachte. In krantenberichten is wel naar voren gekomen dat [slachtoffer] werd aangetroffen in purschuim.

De verklaring van verdachte over de randen van de kliko die waren dicht gekit met kit en dat de kliko was afgepurt, komt overeen met de wijze waarop de kliko met daarin [slachtoffer] werd aangetroffen.16

19. Het proces-verbaal van bevindingen verwerking verkeersgegevens, voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als volgt:

Verdachte [verdachte]

Op 13 april 2007 zijn er 72 contacten geregistreerd tussen 08:37 en 23:34 uur met het nummer [telefoonnummer] in gebruik bij de [verdachte].

Tussen 20:57 uur en 23:34 uur wordt de zendmast aangestraald op de locatie

[adres 3] te 2387 Baarle-Hertog. Deze zendmast staat op ongeveer 1 km vanaf de woning van het slachtoffer en de verdachte.

Het betreffen 27 contacten:

Het eerste contact is te 20:57 uur.

Het volgende contact is van 22:30 uur. Tussen 22:30 en 22:58 uur zijn er 11 contacten. Tussen 22:58 en 23:34 uur zijn er 15 contacten.

Op 13 april 2007 te 20:34 uur straalt het nummer in gebruik bij [slachtoffer] dezelfde zendmast aan als het nummer in gebruik bij de [verdachte] te 20:57 uur namelijk de zendmast [adres 3] te 2387 Baarle-Hertog.

Op 14 april 2010 (het hof begrijpt: 2007) zijn er 70 contacten geregistreerd tussen 04:51 en 21:47 uur met het nummer [telefoonnummer] in gebruik bij de [verdachte].

Te 04:51 wordt de zendmast bij de woning aan de [straat] aangestraald, namelijk die op de locatie [adres 3] te 2387 Baarle-Hertog.

Tussen 08:05 en 16:55 uur worden de zendmasten in Grobbendonk en Bouwel aangestraald.

Slachtoffer [slachtoffer]

Op 13 april 2007 tussen 10:50 en 20:34 uur zijn er met het nummer [telefoonnummer] in gebruik bij het slachtoffer [slachtoffer], 8 contacten waarbij een zendmast is geregistreerd. Bij de contacten wordt de zendmast aangestraald op de locatie [adres 3] te 2387 Baarle-Hertog met uitzondering van één contact - 15:19 uur met nummer in gebruik bij de [verdachte].

Op 13 april 2007 te 20:34 uur straalt het nummer in gebruik bij het slachtoffer [slachtoffer] dezelfde zendmast aan als het nummer in gebruik bij de [verdachte] te 20:57 uur namelijk de zendmast [adres 3] te 2387 Baarle-Hertog. Vanaf dat moment blijft het nummer in gebruik bij de verdachte, binnen het bedekkingsgebied van deze zendmast.

Contacten tussen (toestellen in gebruik bij) de [verdachte] en [getuige 1].

13-04-07

22:31:39

[telefoonnummer] ([verdachte]) stuurt een sms naar [telefoonnummer] ([getuige 1])

Inhoud: Ik zag alles verkeerd, moest gewoon zo door kunnen gaan. Ik financieel en liefst een kamer bij ons. Ben veel gewend, maar dat is wel toppunt.

13-04-07

22:38:14

[telefoonnummer] ([verdachte]) ontvangt een sms van [telefoonnummer] ([getuige 1])

Inhoud: Heeft [slachtoffer] het toegegeven dat ze er iets mee had/heb ? En [dochter verdachte] is ze bij jou ?

13-04-07

22:42:36

[telefoonnummer] ([verdachte]) stuurt een sms naar [telefoonnummer] ([getuige 1])

Inhoud: Ja [dochter verdachte] is hier. Ze heeft half toegegeven. Paspoort klopte niet en verder wou ze niks zeggen.

13-04-07

22:59:47

[telefoonnummer] ([verdachte]) ontvangt een sms van [telefoonnummer] ([getuige 1])

Inhoud: Half dat is al iets dan, dan weet je toch al wel dat er iets niet klopt! Vind het toch wel shit dat ik iets verteld heb tegen je! Jij zal morgenochtend niet kunnen ivm [dochter verdachte], zal ik m en s wel wegbrengen om 5 uur!

13-04-07

23:04:03

[telefoonnummer] ([verdachte]) stuurt een sms naar [telefoonnummer] ([getuige 1])

Inhoud: Hoeft niet. Ik neem ze wel mee en kijk of ik haar rond 8 ff bij mijn ouders kwijt kan of zo. Ik ben gewoon om 5 bij [getuige 2]. Blij dat je het zei, hoe lang had het anders zo doorgegaan?! X

13-04-07

23:10:56

[telefoonnummer] ([verdachte]) ontvangt een sms van [telefoonnummer] ([getuige 1])

Inhoud: Dat is onzin om [dochter verdachte] zo vroeg mee te nemen! Ik breng ze wel weg om 5 uur

13-04-07

23:26:34

[telefoonnummer] ([verdachte]) stuurt een sms naar [telefoonnummer] ([getuige 1])

Inhoud: Maakt mij niet uit, maar ik wil niemand tot last zijn. Ik moet toch def. oplossing zoeken. Plus dan moet je nog vroeg op?!

13-04-07

23:29:38

[telefoonnummer] ([verdachte]) ontvangt een sms van [telefoonnummer] ([getuige 1])

Inhoud: Kan ze toch nog een paar uurtjes slapen bij mij! En speelgoed heb ik nog wel staan op zolder ! Als ze wil tenminste !

13-04-07

23:32:26

[telefoonnummer] ([verdachte]) stuurt een sms naar [telefoonnummer] ([getuige 1])

Inhoud: Denk wel dat ze dat wil. ik bel [getuige 2] wel als ik hier ga rijden.

14-04-07

8:07:51

[telefoonnummer] ([verdachte]) ontvangt een sms van [telefoonnummer] ([getuige 1])

Inhoud: Nou [dochter verdachte] is wakker we hebben op de bank geslapen!

15-04-07

19:16:02

[telefoonnummer] ([verdachte]) stuurt een sms naar [telefoonnummer] ([getuige 1])

Inhoud: [dochter verdachte] breng ik zo te logeren bij mijn ouders. Haal ik ze

woensdag op voor verjaardag, kan ze do middag met ouders weer terug.

Contacten tussen (toestellen in gebruik bij) de [verdachte] en [getuige 2].

14-04-07

4:51:56

[telefoonnummer] ([verdachte]) belt naar [telefoonnummer] ([getuige 2])

Inhoud: [verdachte] laat weten dat hij onderweg is. Voor [getuige 2] is dit OK17

20. Het proces-verbaal betreffende voeging relevante gesprekken uit dossier 53/07, voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven als volgt:

Wij zijn overgegaan tot het overmaken van de mogelijks relevante gesprekken uitgaande van het afluisteren van het telefoontoestel met oproepnummer [telefoonnummer]. Het toestel met het hierboven vermelde nummer was in gebruik bij [verdachte]. De onderschepte gesprekken die gevoerd werden, handelen over de periode 04/04/07 tot 25/04/07.

Over deze periode werden voor dit oproepnummer in gebruik bij [verdachte] relevante gesprekken en SMS-berichten weerhouden met betrekking tot onderhavig dossier.

Hierbijgevoegd

Bijlage 02: SMS-berichten18

21. Een geschrift, als bijlage 2 gevoegd bij het hiervoor onder 20. weergegeven proces-verbaal, voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven als volgt:

Sms-berichten van het oproepnummer [telefoonnummer] - [verdachte]

dag en uur 13/04/2007 16.56.53

van [telefoonnummer] naar [telefoonnummer]

sms tussen [verdachte] – [slachtoffer]

SMS: You go zonnebank? Not to hot?

dag en uur 13/04/2007 16.59.46

van [telefoonnummer] naar [telefoonnummer]

sms tussen [slachtoffer] - [verdachte]

SMS: Nee its not to hoy. Its just ok! Whay you write for me like this?

dag en uur 13/04/2007 17.08.02

van [telefoonnummer] naar [telefoonnummer]

sms tussen [verdachte] – [slachtoffer]

SMS: Just ask19

22. De verklaring van [getuige 3], voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als volgt:

Ik ben opgegroeid in een gezin dat bestaat uit 5 mensen, te weten een vader en een moeder en drie kinderen. Mijn oudste zus [getuige 14], [slachtoffer] en ik zelf ben de jongste van het gezin.

V:Hoe verliep het contact tussen jou en [slachtoffer] toen zij in het buitenland verbleef?

A:Dit contact verliep telefonisch.

[slachtoffer] heeft [verdachte] leren kennen en is vervolgens bij hem ingetrokken. [slachtoffer] belde dan meestal en op die manier onderhielden wij het contact.

V:Hoe vaak nam zij met jou of jullie gezin contact op?

A:Vanaf het moment dat zij samen met [verdachte] ging wonen belde zij ons vrijwel elke dag. En met ons bedoel ik mij en mijn vader. Mijn vader is in 2004 overleden en toen uiteraard alleen nog met mij.

Wat mij nog bijstaat is het laatste gesprek dat ik met [slachtoffer] heb gevoerd. Dit gesprek was op 12 april 2007. Dat was aan het eind van de ochtend rond een uur of elf a twaalf Wit-Russische tijd.
Diezelfde avond op de twaalfde april 2007 hebben [slachtoffer] en ik over en weer
sms-berichten naar elkaar gestuurd. Ik weet dat die avond mijn oudste zus nog met [slachtoffer] gesproken heeft over de telefoon. [getuige 14] heeft toen met [slachtoffer] afgesproken dat zij een week later weer contact zouden hebben.20

23. De verklaring van [getuige 3], voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als volgt:

De dagen na 12 april 2007 heb ik geen contact meer gezocht met [slachtoffer]. Ik verkeerde in de veronderstelling dat wanneer [slachtoffer] mij nodig zou hebben zij wel met mij contact op zou nemen. Maar toen kwam de dag dat mijn zus [getuige 14] met [slachtoffer] had afgesproken opnieuw contact te hebben om door te geven welke beslissing [slachtoffer] zou nemen. Ik werd toen door [getuige 14] gebeld die mij vertelde dat zij [slachtoffer] niet kon bereiken. [getuige 14] vertelde dat de mobiele telefoon van [slachtoffer] uitstond. [getuige 14] was ook verbaasd over het feit dat [slachtoffer] zelf ook geen contact met haar had opgenomen. Na dit gesprek met [getuige 14] ben ik begonnen om zelf sms’jes te versturen naar [slachtoffer]. Ik kreeg geen bevestiging dat mijn sms’jes waren afgeleverd.21

24. De verklaring van [getuige 14], voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als volgt:

V:Wanneer had je voor het laatst contact met [slachtoffer]?

A:De laatste keer dat zij mij belde was op 12 april van het vorig jaar (het hof begrijpt:

12 april 2007).

Wij spraken toen af dat wij elkaar na een week zouden bellen. Toen ik na een week belde, antwoordde [verdachte].

A:Ik belde op de mobiel van [slachtoffer] en ik belde naar het huis. Maar elke keer antwoordde [verdachte] en [slachtoffer] belde niet meer.

V:Het laatste contact wat jij hebt gehad met [slachtoffer] dateert van 12 april vorig jaar?

A:Ja, en daarna heb ik contact opgenomen met de politie want [slachtoffer] belde mij normaliter elke week en soms wel twee keer in de week.22

25. De verklaring van [getuige 4], voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als volgt:

Wat weet u van [slachtoffer]?

Ik ben met haar bevriend geraakt.

De man van [slachtoffer] ken ik als [verdachte].

Op 13 april 2007 bracht ze me naar het AZC in Gilze. Zij vertelde me dat ze me 's avonds zou bellen. Zij heeft mij 's avonds niet gebeld. Dat was de laatste keer dat ik haar gezien heb.

De dag dat zij verdween op 13 april 2007 kan ik me goed herinneren. Die 13 april 2007 haalde ze me op bij het AZC omstreeks 12 uur. We hebben toen gewinkeld in Baarle-Nassau of Gilze. Daarna heb ik bij haar thuis gegeten. Na het eten bracht ze me weer terug naar het AZC met haar auto omstreeks 18.00 uur. Zij zei me dat ze me nog zou bellen of sms’en. Ik herinner me het goed omdat het ook de 13de van de maand was. Sinds die dag heb ik niets meer van haar vernomen. Geen telefoontje en geen sms’je. Zij belde en sms’te mij met regelmaat.23

26. De verklaring van [getuige 4], voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als volgt:

Opmerking verbalisanten:

Door ons werd er een drietal foto's getoond.

Een van een gedeelte van de woonkamer zijnde de doorgang van de woonkamer naar de kinderspeelkamer. Deze foto zal verder foto 1 worden genoemd.

Een van de kinderkamer met daarop een witte kist en daarnaast een donkerkleurige kist. Deze foto zal verder foto 2 worden genoemd.

Een van de kinderkamer waarop een witte kist en een bureau aan de raamzijde te zien is. Deze foto zal verder foto 3 genoemd worden.

V: Als jij deze foto's 1, 2 en 3 bekijkt, valt jou dan iets op?

A: Ik zie dat er in de kamer grenzend aan de woonkamer, waar voorheen de computer stond, een verandering heeft plaatsgevonden. Deze ruimte werd door [slachtoffer] het kleine kantoor genoemd. Ik noemde dat op mijn situatieschets een werkkamer. Ik zie dat op de plaats waar nu een witte kist staat, voorheen een grote wandmeubel stond. Ik had op de situatieschets dit ook als zodanig aangegeven. Ik zie daar nu een witte kist staan. Deze kist had ik tevoren nog nooit gezien.

Er lag toen in het geheel geen speelgoed.

V: Wat kan jij ons verder vertellen over die kist op de werkkamer?

A: Deze kist zie ik nu pas voor het eerst. In het gehele huis hadden ze zo'n kist niet staan. Ook in [plaats] niet. Voorheen was dit een werkkamer. Als ik het nu zo zie dan is het een kinderspeelkamer. Toen ik daar nog kwam speelde [dochter verdachte] op haar eigen slaapkamer. Ook daar stond toen haar speelgoed.

Als ik die foto's zie heeft die werkkamer nu een totaal andere inrichting gekregen.

V: [verdachte] heeft tegen de politie verklaard dat hij die witte kist op de kinderspeelkamer samen met jou heeft gemaakt. Wat kun jij daarover verklaren?

Nee, ik heb die kist niet samen met [verdachte] gemaakt. [verdachte] heeft mij nooit om enige hulp gevraagd ook niet voor het maken van die kist. Ik heb die kist niet alleen of met hem in elkaar gezet. Nogmaals ik zie die kist nu pas voor het eerst.

Als jullie dit aan [getuige 22] gaan vragen dan kan hij bevestigen dat die kist daar tevoren nooit heeft gestaan. Wij zaten namelijk regelmatig in die kamer achter de computer. De laatste keer dat ik daar geweest ben stond die kist er nog niet. Met de laatste keer bedoel ik op 13 april 2007.24

27. De verklaring van [getuige 22], voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als volgt:

[getuige 22] is mijn roepnaam.

Ik ben samen met [getuige 4] uit Wit-Rusland vertrokken.

Ik heb [slachtoffer] via [getuige 4] leren kennen.

V: Wanneer ben jij voor het laatst in het pand in Baarle-Nassau geweest?

A: Ik denk dat dit ongeveer een week is geweest, voordat [slachtoffer] verdwenen is. [slachtoffer] reageerde niet meer op sms-berichten en haar mobiele telefoon werd opgenomen door [verdachte]. [getuige 4] belde dan naar [slachtoffer] en ik was daar bij. [verdachte] antwoorde ook op sms’jes van mij en [getuige 4].

V: Hoe is het contact geweest tussen [verdachte] en [getuige 4] na de verdwijning van [slachtoffer]?

A: [getuige 4] heeft geprobeerd te bellen met [slachtoffer] en dan werd de telefoon opgenomen door [verdachte].

Opmerking verbalisanten:

Aan getuige worden enkele foto's getoond van de keuken, woonkamer, hobbykamer, hal/entree.

V: Welke wijzingen of details zie jij op de getoonde foto's?

A: Foto 9: Wat ik in de woonkamer zie klopt zoals het was, wat ik hier vandaan zie in die hobbykamer, al die kinderspullen, herken ik niet. Deze spullen stonden daar toen niet. Ik herken ze ook niet vanuit een andere ruimte.

De kast met dat gele kuikentje erop geplakt heb ik nooit eerder gezien.

Foto 10: Het speelgoed, zoals de kinderkeuken, onder het raam stond toen bij [dochter verdachte] op de slaapkamer. De witte kast met dat gele kuikentje erop heb ik nooit eerder gezien.

Foto 11: Dat speelgoed stond bij [dochter verdachte] op de slaapkamer.

V: Wanneer had je deze ruimtes in die woning voor het eerst gezien?

A: Ergens in februari 2007, samen met [getuige 4] en [slachtoffer].

V: Wanneer had jij deze ruimtes in de woning voor het laatst gezien?

A: Ik denk dat dit twee weken is geweest voor de verdwijning van [slachtoffer], dat ik al deze ruimtes nog gezien heb.

V: Door [verdachte] is verklaard dat hij begin januari 2007, vlak voor de verhuizing naar Baarle-Nassau samen met [getuige 4] in dit pand te Baarle-Nassau de kist van de kinderspeelkamer had gebouwd. Wat weet jij daarvan?

A: Ik heb deze kast nooit eerder gezien. Ik heb hiervan niet eerder gehoord.25

28. De verklaring van [getuige 5], voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als volgt:

Ik ben in de woning aan de [straat] te Baarle-Nassau bij [slachtoffer] geweest. Ik ben samen met mijn man [getuige 6] en mijn dochter [kind] daar geweest. [slachtoffer] heeft een rondleiding gegeven door de woning.

V: Wanneer bent u voor het laatst in de woning geweest?

A: Ik weet zeker dat dit op 25 januari 2007 is geweest.

V: Waar speelden [dochter verdachte] en [kind]?

A: Ze speelden in de slaapkamer van [dochter verdachte] en in de keuken.

V: Wat voor speelgoed lag er in de slaapkamer van [dochter verdachte]?

A: Er lag heel veel speelgoed.

Opmerking verbalisanten:

We laten getuige enkele foto's zien van het pand te Baarle-Nassau.

V: Welke ruimte(s) en welke bijzonderheden ziet u op de foto's?

A: Ik zie het volgende op de getoonde foto's.

Foto 12; Dat witte ding wat er staat met die “Tweety” erop herken ik niet. Er hingen destijds geen versieringen zoals Cinderella aan de muur.

Foto 13; Ik zie een speelgoedkeukentje, dat eerst op de slaapkamer van [dochter verdachte] stond.

Foto 14; Dit is een foto van de tussenruimte. Hier staat die witte kast weer op die ik niet herken. Ik heb die kist niet eerder gezien.26

29. De verklaring van [getuige 6], voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als volgt:

V: Hoe is de plattegrond van het woongedeelte van het pand in Baarle-Nassau aan [adres 1]?

A: Ik ben daar 1 keer geweest en heb toen het hele pand mogen zien. [slachtoffer] leidde mij en mijn vrouw, [getuige 5], door het hele pand. Ik ben daar geweest op 25 januari 2007 samen met mijn vrouw [getuige 5], die in navolging het haar zou gaan doen van [slachtoffer]. Mijn oudste dochter [kind] was hier ook bij aanwezig.

V: Waar speelden [dochter verdachte] en [kind]?

A: Zij speelden meestal in de keuken of in de slaapkamer van [dochter verdachte] alwaar op een plateau haar bed stond.

V: Welke speelgoed is u in haar slaapkamer opgevallen?

A: Er stond heel veel speelgoed daar. Maar ik kan u vertellen dat er een donkerkleurige houten speelgoedkist stond, alsmede een plastic kinderkeukentje.

Opmerking verbalisanten:

We laten getuige enkele foto's zien van het pand te Baarle-Nassau.

V: Welke ruimte(s) en welke bijzonderheden ziet u op de foto's?

A: Ik zie het volgende op getoonde foto's.

Foto 12: Woonkamer met zicht op tussenkamer. Die witte kist in de tussenkamer valt mij op, omdat deze daar toen niet stond. De tussenkamer is een kamer alwaar op een werkblad in de hoek van die kamer onder het raam een p.c. stond van [verdachte]. Deze tussenkamer gaf ook toegang naar de hal en de kelder.

Foto 12 (het hof begrijpt: 13): Tussenkamer. Het speelgoed, zoals de kinderkeuken, van [dochter verdachte] valt mij op. Dit stond eerst boven op haar slaapkamer. Het lijkt erop dat van deze kamer na ons laatste bezoek aan [slachtoffer] te Baarle-Nassau een kinderspeelkamer is gemaakt. De witte kist met bestickering erop zoals de Tweety heb ik niet eerder gezien in de woning en zeker niet daar in die tussenkamer.

Foto 14: Tussenkamer met deur richting hal en bijkeuken. Verder zie ik de kinderscooter van [dochter verdachte] die eerst op haar slaapkamer heeft gestaan. Ook zie ik de donkerkleurige verkleedkist staan van [dochter verdachte]. Ook deze kist stond eerder op de slaapkamer van [dochter verdachte].

Foto 16: Tussenkamer met deuren naar kelder en woonkamer. Vogelkooi met Tweety erin die ik eerder op de slaapkamer van [dochter verdachte] heb gezien.

De kist valt mij gewoon gelijk op omdat ik deze zeer zeker toen niet heb gezien. De tussenkamer was toen ingericht als kantoor.27

30. De verklaring van [getuige 7], voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als volgt:

V; Hoe heb je [verdachte] leren kennen?

A; Ik hoorde via een kennis van mij, [getuige 8] dat [verdachte] op zoek was naar een oppas voor zijn kind. Ik heb toen gezegd dat ze hem maar moest bellen en mijn nummer moest geven. [getuige 8] heeft nog even bij [verdachte] gepoetst, daar zal ik later over verklaren.

V; Wanneer was dat ongeveer?

A; Ik denk eind mei, begin juni, ik denk dat ik daar op 4 juni (het hof begrijpt: 2007) begonnen ben met werken, ik weet dat het een woensdag was, dan was de parenclub van [verdachte] altijd dicht. Het was net voor de opening van [bedrijfsnaam], die zou het weekend daarop volgend zijn. Als het dan woensdag 6 juni was, zoals jullie zeggen, dan zal het wel die datum geweest zijn.

V; Hoe hebben jullie afspraken gemaakt?

A; Die dinsdag voor de opening ben ik met [getuige 8] naar [bedrijfsnaam] gegaan en heb daar kennis gemaakt met [verdachte]. Ik heb daar met hem afgesproken dat ik een keer het huis zou gaan bekijken en kennis maken met [dochter verdachte], als dat klikte dan zou ik daar gaan werken,

V; Wanneer ben je naar Baarle-Nassau gegaan?

A; Ik denk dezelfde dag of een dag later. Ik ben daar toen samen met [getuige 8] naar toe gereden, in de ochtend. [getuige 8] en ik hebben die dag daar het huis gepoetst.

V: Kun jij de indeling van het woonhuis voor ons schetsen en enige uitleg geven?

A: Uiteraard. Ik heb schetsen gemaakt van een totaalindeling en vervolgens op afzonderlijke papieren de kamers.

Schets 4 betreft de speelkamer van [dochter verdachte].

Dit was de speelkamer van [dochter verdachte] en daar stond links in de hoek een bureau, de ene muur was raam, dan de muur met de deur naar de hal daaraan stond een houten speelgoedkist en daarnaast links een witte hoge kist. Op die witte kist stond een plantje en daar lag tekenpapier, knutselspullen. Als [dochter verdachte] een tekening gemaakt had dan plakten wij die daarop.28

31. De verklaring van [getuige 7], voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als volgt:

Helemaal achter in de kelder, bij de trap om weer naar boven te gaan via die geheime deur, lag op een stapel dozen de trouwjurk van [slachtoffer]. [verdachte] pakte hem nog een keer op en zei tegen mij; hier, is dat niet een goede lap om te poetsen. Die jurk lag daar gewoon zo, zat niet ergens in.

Ik ging met [getuige 11] een keer wat lege dozen naar de kelder brengen en we zagen toen die trouwjurk liggen. [verdachte] was toen al weg. De moeder van [getuige 11] gaat op 8 augustus trouwen en [getuige 11] heeft toen die jurk meegenomen voor haar mama.29

32. De verklaring van [getuige 7], voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als volgt:

V. Waar is de trouwjurk van [slachtoffer] gebleven?

A. Die was bij [getuige 11], een vriendin van mij. Die is nu terug bij de politie.

V. Waar zat de jurk in?

A. Nergens in. Hij lag gewoon in de kelder beneden en zat nergens in.

De jurk lag gewoon bij de rommel. Als er een hoes omheen zou hebben gezeten dan had ik dat wel gezegd en had die er nog wel om gezeten toen de jurk opgehaald werd bij [getuige 11].30

33. De verklaring van [getuige 8], voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als volgt:

[verdachte] heeft mij gevraagd of ik bij hem thuis in Baarle-Nassau kon komen poetsen.

V: Kun je precies vertellen op welke datum dat is geweest ?

A: Ik weet niet precies de datum, maar als [verdachte] kan vertellen wanneer de parenclub open is gegaan, dan weet ik dat ik in de loop van de week daarvoor daar gepoetst heb. In diezelfde tijd heeft [verdachte] mij gevraagd of ik bij hem kon komen poetsen.

Ik denk dat het eind mei/begin juni 2007 geweest is, toen [verdachte] mij het huis liet zien. Ik heb toen aan hem gevraagd waarom die kist daar stond. Die kist viel mij gewoon op. Ik vond die gewoon niet bij het huis passen. Ik zag dat op de kist afbeeldingen van Cinderella, Assepoester en Sneeuwwitje geplakt waren.

V: Kun je die kist omschrijven ?

A: Het was een kubus. De kist was van hout en wit geverfd. De kist was verder heel netjes afgewerkt. De hoeken van de kist waren voorzien van afwerklatjes. De voorkant van de kist was voorzien van de sprookjesafbeeldingen. De kist was helemaal dicht.

Ik heb [getuige 7] in contact gebracht met [verdachte]. [getuige 7] gaat graag met kinderen om en ik wist van [verdachte] dat hij een oppas zocht. Op een dinsdag ben ik naar het huis van [verdachte] in Baarle-Nassau gereden. Die dag heb ik in het huis gepoetst. Het is de volgende dag geweest dat ik [verdachte] heb gevraagd van het nut van die kist. De volgende dag -dat is dus woensdag geweest- ben ik samen met [getuige 7] weer bij [verdachte] thuis geweest. Die woensdag hebben [getuige 7] en ik het huis nog gepoetst.31

34. De verklaring van [getuige 1], voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als volgt:

[slachtoffer] heeft op een gegeven moment verteld dat [getuige 4] geen neef van haar was. Volgens [slachtoffer] was [getuige 4] verliefd op haar. [slachtoffer] vertelde dat ze ook gevoelens had voor [getuige 4].32

35. Het proces-verbaal van bevindingen van verbalisanten [verbalisant 17] en
[verbalisant 19], voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als volgt:

Op 15 mei 2008 werd [getuige 1] als getuige gehoord.

Aan getuige werd gevraagd wat [kamernummer] betekent in het sms-verkeer tussen haar en [verdachte]. Getuige verklaarde dat dat het kamernummer van een hotelkamer is geweest. Dit was in een hotel in de buurt van Breda. Getuige verklaarde dat het [hotel] genaamd is. Dit was maar voor een uurtje.

Door verbalisanten werd verteld tegen getuige dat volgens verklaringen [verdachte] op vrijdag 13 april 2007 bij [getuige 1] thuis is geweest en dat getuige daar tegen [verdachte] heeft gezegd, dat [slachtoffer] een verhouding had met [getuige 4]. Tevens is ons uit het sms-verkeer gebleken dat getuige en [verdachte] behoorlijk verliefd waren op elkaar.

Getuige verklaarde dat zij die dag niet tegen [verdachte] heeft verteld dat [slachtoffer] een verhouding had met [getuige 4]. Getuige verklaarde dat zij dat bij [hotel] heeft verteld tegen [verdachte].

Aan getuige werd gevraagd hoeveel keer ze het met [verdachte] over de verhouding tussen [slachtoffer] en [getuige 4] heeft gehad. Getuige verklaarde dat ze dat volgens haar een keer verteld heeft op het terras bij [hotel].33

36. De verklaring van [getuige 1], voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als volgt:

V: Uit het onderzoek is gebleken dat jij op 12 april 2007 met [verdachte] in [kamernummer] van [hotel] in Breda zou zijn geweest.

Op vrijdagavond 13 april 2007 werd met het destijds bij jou in gebruik zijnde mobiele nummer, [telefoonnummer], het volgende sms-bericht naar het nummer van [verdachte] gestuurd:

“O ik dacht dat jij wel modern was! (geintje) Heeft [slachtoffer] het toegegeven dat ze er iets mee had/heb ? Vind het rot voor je en als je erover wil praten kan je altijd bij mij terecht, zal je helpen wat ik kan! En [dochter verdachte] is ze bij jou ? Groetjes [getuige 1] x”

Wat bedoelde je met “Heeft [slachtoffer] het toegegeven dat ze er iets mee had/heb”?

A: Hiermee doelde ik op die zogenaamde neef uit Rusland. [slachtoffer] had een relatie met hem. Die zogenaamde neef wilde dat [slachtoffer] met hem terug ging naar Rusland.

V: Verder werd door jou het volgende bericht naar het nummer van [verdachte] gestuurd:

“Half dat is al iets dan, dan weet je toch al wel dat er iets niet klopt! Vind het toch wel shit dat ik iets verteld heb tegen je! Jij zal morgenochtend niet kunnen ivm [dochter verdachte], zal ik m en s wel wegbrengen om 5 uur! Groetjes [getuige 1] x”

Wat bedoelde je met “Vind het toch wel shit dat ik iets verteld heb tegen je!”?

A: Dat weet ik nog wel. Ik heb tegen [verdachte] gezegd dat ik wist dat [slachtoffer] en die zogenaamde neef uit Rusland een relatie hadden met elkaar.34

37. De verklaring van [getuige 9], voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als volgt:

[slachtoffer] is de echtgenote van [verdachte]. Dit zijn voormalige vrienden van mij en mijn vriend uit Baarle-Nassau c.q. Baarle-Hertog.

In mei 2007 kwam ik bij toeval [verdachte] tegen bij de Makro in Breda.

Op 12 augustus 2007 te 11.33 uur stuurde hij mij plotseling een mail via mijn Hotmail-account.

In deze mail refereerde hij naar onze ontmoeting bij de Makro en gaf hij te kennen om iets van mij te laten horen. Ik had hierna via MSN opnieuw contact met hem opgenomen en had geïnformeerd hoe het met hem ging en hoe alles verder verlopen was. Deze correspondentie liep via zijn e-mailadres.

Dit contact was in de maanden van augustus tot begin november 2007. Via deze MSN-berichten liet hij mij weten dat [slachtoffer] een verhouding had met een Russische man. Hij vertelde dat hij daar achter was gekomen en dat zij daar ruzie over gehad hadden. Ik weet niet meer hoe hij deze ruzie had omschreven, maar ik maakte er uit op dat deze ruzie heftig was geweest.35

38. De verklaring van [getuige 10], voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als volgt:

V: Hoe vaak bent u in dit pand aan de [adres 1] geweest.

A: In het woongedeelte ben ik welgeteld 2 keer geweest. De eerste keer nadat [verdachte] er net ingetrokken was. Hij heeft mij toen het gehele woongedeelte laten zien behalve de kelder. Er stonden toen nog geen meubels.

De tweede en laatste keer ben ik er met [naam] en [getuige 7] geweest. Ik ben toen in de gehele woning geweest alsmede de kelder.

Ik heb daar in de kelder nog een trouwjurk gezien in het gangetje nabij de houten trap. Het was crèmekleurige jurk en was niet verpakt en leek daar zo weggeslingerd te zijn.36

39. De verklaring van [getuige 11], voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als volgt:

V. Volgens getuige heb jij verbleven in de woning [adres 1] te Baarle-Nassau. Weet je nog wanneer je daar voor het eerst naar toe bent gegaan.

A. Dit is geweest in augustus 2007.

V. Wie heeft jou het huis laten zien.

A. [getuige 7] (het hof begrijpt: [getuige 7]) en [dochter verdachte]. Ik ben overal geweest in het woongedeelte.

V. Wat weet jij van goederen die weg zijn uit het huis van [verdachte].

A. Het trouwkleed heb ik. Dit zagen wij liggen in de kelder. Je kwam via de bar in de kelder. De jurk lag daar los in de kelder. Omdat mijn moeder gaat trouwen dacht ik toen dat zij hem wel kon gebruiken. Deze jurk mag u van mij hebben.

V. Waar is de jurk nu.

A. Die ligt bij mij in mijn woning.37

40. Het proces-verbaal bevindingen van verbalisanten [verbalisant 13] en [verbalisant 17], voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als volgt:

Uit onderzoek is gebleken dat de bruidsjurk die [slachtoffer] droeg bij haar huwelijk met [verdachte] vermoedelijk door haar werd aangeschaft bij een bruidsmodezaak in [plaats].

Op 21 april 2008 spraken wij [getuige 13].

Zij deelde ons mede dat haar moeder van 1999 tot 2004 een bruidsmodezaak heeft gehad in [plaats]. Zij verklaarde dat zij daar weleens hielp.

Op onze vraag hoe de bruidsjurken aan de klanten werden geleverd antwoordde betrokkene dat de jurken in een hoes werden geleverd. Betrokkene stelde ons een soortgelijke hoes ter beschikking. Dit is een roomkleurige hoes met een gouden bies en het opschrift: “[naam winkel] [adres 2] [plaats]”.38

41. De verklaring van [getuige 12], voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als volgt:

Ik ben eigenaresse geweest van [naam winkel]. Deze winkel was gelegen aan het adres [adres 2] te [plaats]. Ik heb deze winkel in mijn bezit gehad vanaf 1999 tot en met 2004.

Opmerking verbalisanten: Met getuige werd op internet een foto bekeken van [slachtoffer] en haar schoonmoeder.

Getuige verklaarde bij het zien van de foto:

Ik herken twee vrouwen van deze foto. Ik herken de vrouw met het lange blonde haar en destijds haar aanstaande schoonmoeder. Zij staan naast elkaar op de foto. Ik weet dat zij bij mij een bruidsjurk hebben gekocht.

Opmerking verbalisanten: Aan getuige werd medegedeeld, dat de vrouw met het blonde haar [slachtoffer] genaamd is.

V: Wat heeft u precies verkocht aan [slachtoffer] en haar schoonmoeder.

A: Ik weet nog dat dit een crèmekleurige zogeheten Cissy-jurk was. Een Cissy-jurk is een jurk die strapless is en vanonder een hoepel heeft.

V: Op welke wijze werd de bruidsjurk meegegeven.

A: Deze jurk werd meegegeven in een witte bruidsjurkenhoes. Dit betrof een witte hoes met daarop het logo van [naam winkel]. De hoes was wit van kleur en het logo en de randen goudkleurig.

Opmerking verbalisanten: Aan getuige werd een trouwjurk getoond en tevens een foto op het internet van [slachtoffer] die een trouwjurk draagt.

V: Wat kunt u over deze trouwjurk zeggen.

A: Dit is de trouwjurk, welke ik aan het meisje [slachtoffer] en haar schoonmoeder heb verkocht. Ik verkocht van elk model jurk 1 exemplaar en ik weet voor 100% zeker dat dit de jurk was.

Opmerking verbalisanten: Aan getuige werd een bruidsjurkhoes getoond, welke wij verkregen hadden van de dochter van getuige genaamd: [getuige 13].

V: Wat kunt u over deze bruidsjurkhoes zeggen.

A: In zo'n zelfde hoes is de jurk van [slachtoffer] meegegeven. Er was maar een maat van die hoezen waar de naam van de winkel op stond.39

42. De verklaring van verdachte, voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als volgt:

Aan [getuige 1] merkte ik in april van hé, de d'r is iets hier en dus op een gegeven moment zat ik met [getuige 1] op ‘n terrasje en zo ik zeg eh ik zeg d'r is iets aan jou.

Dus op een gegeven moment zitten wij op ‘n terrasje, hebben we ‘t daar zo op een gegeven moment over, dus ik zeg op een gegeven moment tegen elkaar ik zeg jij weet iets, jij weet iets wat ik niet weet. Nee, ja, allemaal d'r overheen praten maar op een gegeven moment ja ik zag dat gewoon aan haar dat dat wel was dus op een gegeven moment had ik het d'r uit gekregen toen had ze dan gezegd van dat [slachtoffer] haar in vertrouwen had verteld van dat ze dan eh ja eigenlijk helemaal niet meer van mij hield eheh dat ze eigenlijk puur alleen hier was eh voor voor de eh paspoort nog en voor d'r voor d'r verblijf en eh [getuige 4] die wou heel graag dat was dan geen neef, had ze ook verklaard tegen die [getuige 1], en daar was ze wel verliefd op en die [getuige 4] die wou gewoon heel graag dat ze mee ging naar Rusland alleen ze wou dat niet want eh [getuige 4] kon voor haar financieel niet in staan en bij mij was het zo alles wat ze vroeg dat kreeg ze.

Toen had ik dus gehoord van dat verhaal van [getuige 1] van dat dat was, dus toen heb ik dat aan haar voorgelegd op een gegeven moment, ik zeg ja hoe zit dat nou, ja [getuige 4] is ‘n neef en d'r is verders niks en zo. Ik zeg luister, ik zeg dit en dat en dat heb ik gehoord, ik zeg en dat heb ik gehoord van bepaalde mensen om mij heen, dus ik had niet gezegd van [getuige 1] zelf, want ja ik wou ‘n beetje die die bron beschermen, dus ik heb ook gezegd eh dat had ik dan tegen haar gelogen, van luister, ik ben getapt door de politie dat wist ze, ik zeg maar in die taps is dat verhaal ook naar voren gekomen, ik zeg dus die hebben mij daarmee geconfronteerd ik zeg hoe zit dit.

V: wanneer was dat?

R: dat is die die die die die dertiende april geweest

V: tweeduizendzeven?

R: ja40

43. De verklaring van verdachte, voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als volgt:

V: Dan gaan we het over die dag effe hebben. Hè. Wat kan jij ons vertellen van die dag?

R: Nou zoals ik zei.

V: Want dan hebben we het over?

R: Die vrijdag dan.

V: Ja dat is, wat voor dag was dat?

R: Ja de dertiende dan hè. Neem ik aan.

Volgens mij kwam ik rond een uur of acht of zo thuis. Daar staat me iets van bij.

We zijn toen op een gegeven moment begonnen daarover van die verhalen weer over die [getuige 4] en zo. Nou en toen op een gegeven moment hebben we die gesprekken gehad die ik dus de eerste dag ook allemaal verklaard heb.

V: En wat voor kleur had die euh

R: Die kist? Die is dezelfde kleur gemaakt als de muur.

V: En wie heeft dat geverfd?

R: Ik heb geverfd.41

44. De verklaring van verdachte, voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als volgt:

V Met wie heeft ze de trouwjurk gekocht?

R Met m'n moeder.

V Jouw moeder?

R Die heeft hem volgens mij ook betaald dacht ik.

V Hoe zag [slachtoffer] eruit?

V Wat voor een jurk?

R In het wit. Lang.

V Strak of uh?

R Volgens mij van boven strak en van onder wijd.

V Ja, me met zo'n uh

R Zo'n hoepel erin of zoiets.

V Ja, zo'n hoepel erin.

R Volgens mij wel.

R Of in ieder geval iets versteviging in ieder geval.

V En toen? Jurk de kast in of hoe moe’k da zien?

R Ja, de kast in en uh.

V Waar waar, hoe is die jurk bewaard?

R Volgens mij zat die in een hoes.

R En toen is ie de kast in gegaan en die heeft nog een tijdje, is ie nog naar m'n ouders toe gegaan. Heeft die ook nog een tijdje gehangen. En toen heb ik hem weer opgehaald daar een keer.

V En waar is hij terecht gekomen toen je hem bij je ouders ophaalde?

R Toen hebben we hem in de kast gehangen.

V Welke woning

R Toen woonden we volgens mij nog in . Hij is wel mee

verhuisd maar.

V Hij is mee verhuisd.

R Waar die is? Volgens mij ligt die ergens als oud vuil in de kelder of zo. Dak wel 's heb gezien.

V Hij is na de verhuizing in uh

V Van [plaats] naar Baarle

V Waarschijnlijk in de kelder beland. Dat denk je daar heb je hem een keer gezien.

R Ja, of in de kast. Hij heeft een tijdje in de kast gehangen.

V En je hebt hem in de kelder gezien zei je.

R Ja.

V Waar in de kelder lag ie?

R Ja achterin volgens mij bij de andere spullen.

V Zat er nog iets om heen?

R Ja volgens mij die hoes.

V En wat voor hoes was dat?

R Ja een kledingzak.

V En de kleur van die jurk was?

R Wit

V En die hoes die d'r omheen zat?

R Volgens mij ook.

V Ook een witte hoes.

R Ja.42

45. De verklaring van verdachte, zoals afgelegd ter terechtzitting in eerste aanleg van
3 juli 2013, voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als volgt:

Ik heb [slachtoffer] na 13 april 2007 niet meer gesproken.

46. De verklaring van verdachte, zoals afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 19 juni 2015, voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als volgt:

De kist in de speelkamer heb ik gebouwd.

Die kist is gebouwd. De kist was wit, exact dezelfde kleur als de muur.

Er moest een definitieve oplossing komen zodat de opvang van mijn dochter [dochter verdachte] geregeld was.

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

A.

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

Elk bewijsmiddel wordt – ook in zijn onderdelen – slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezen verklaarde feit, of die bewezen verklaarde feiten, waarop het, blijkens zijn inhoud, betrekking heeft.

B.1

Door en namens de verdachte is ter terechtzitting in hoger beroep ten verweer betoogd dat de bevindingen en de verklaringen van A.J.K. Oudenhuijzen en J.D. de Jong, de rapporteurs van TNO, niet als deskundigenberichten kunnen gelden, aangezien genoemde rapporteurs niet als (forensisch) deskundigen mogen worden aangemerkt. Daartoe is aangevoerd

– zakelijk weergegeven – dat:

  • -

    de rapporteurs geen enkele forensische achtergrond hebben, terwijl van een deskundige wordt vereist dat hij begrijpt wat zijn rol als deskundige inhoudt en dat hij kennis heeft van het desbetreffende rechtsgebied;

  • -

    de wijze van het duiden van conclusies door TNO niet past bij een deskundige zoals de wet veronderstelt.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

B.2.1

Aan de stelling dat van een deskundige wordt vereist dat hij begrijpt wat zijn rol als deskundige inhoudt en dat hij kennis heeft van het desbetreffende rechtsgebied heeft de raadsman ten grondslag gelegd dat de kwalificaties van artikel 12, tweede lid, van het Besluit register deskundige in strafzaken als uitgangspunt dienen te worden genomen om te bepalen of iemand als deskundige kan worden aangemerkt. Op grond van voormelde bepaling dient een deskundige onder meer te beschikken over voldoende kennis van en ervaring in het desbetreffende rechtsgebied en voldoende bekend te zijn met de positie en de rol van de deskundige daarin.

B.2.2

Naar het oordeel van het hof vindt deze stelling van de verdediging geen steun in het recht. Een persoon kan als deskundige worden aangemerkt als hij met de nodige deskundigheid zijn expertise heeft gegeven betreffende hetgeen zijn wetenschap hem leert omtrent datgene wat aan zijn oordeel onderworpen is.

In dat verband is het volgende van belang.

B.3.1

De rapporteur A.J.K. Oudenhuijzen heeft ter terechtzitting in eerste aanleg van 3 juli 2013 als deskundige een verklaring afgelegd, onder meer inhoudende:

“Ik ben van huis uit ontwerper van beroep. Ik heb me beziggehouden met de cockpit van de Fokker Aircraft en met de opbouw van vliegtuigen. Verder beoordeel ik werkplekken en werk ik veel voor Defensie. Ik kan de vraag beantwoorden of een persoon in een werkplek kan functioneren. Met andere woorden, past hij erin? Ik hou me op dit moment bezig met de F35 en wel met de samenbouwheid. De expertise die ik op dit gebied heb opgebouwd, is van belang voor onderhavige zaak.

Ik ben sinds mei 1995 werkzaam bij TNO. Ik heb ervaring met het monteren en demonteren van kisten. Ik heb dat vaker gedaan. Toen TNO met het onderzoek begon, was ik druk doende met de afwikkeling van de Walrus-zaak. De vraag was of er mensen in de Walrus pasten en daarvoor heb ik alles nagebouwd. Ik heb complete schepen nagebouwd. Nu gaat alles digitaal en dus veel gemakkelijker. Dat is in onderhavige zaak ook gedaan. Ik heb ervaring in de samenbouw.

Ik heb met De Jong samengewerkt. De Jong is houtspecialist. Ik heb een aantal vragen over hout bij hem weggelegd en hij heeft nader onderzoek verricht. De opdracht is praktisch uitgewerkt en er volgde een hele lijst met details. In het laatste rapport zijn onze bevindingen neergelegd.

De enige externe informatie die we hadden, was een dvd die door Unit FTO werd gemaakt toen zij de kist aan het ontmantelen waren.

De bus met purschuim is ondersteboven leeggespoten. Als je de bus schuin houdt, dan komt er alleen lucht uit en dus geen pur. Er zijn praktijkproeven op een testmodel afgenomen. Wij hebben de situatie gereconstrueerd.

In het rapport (het hof begrijpt: het rapport van maart 2013) wordt een aantal mogelijkheden beoordeeld. Met 'verworpen' wordt bedoeld dat het onmogelijk is. Het is dan hoogst onwaarschijnlijk. Met 'ontkracht' bedoel ik dat discussie mogelijk is. Met 'bevestigd' wordt bedoeld dat de testen het resultaat ondubbelzinnig bevestigen. Ik sta achter de eindconclusies die in het rapport getrokken zijn.

Op pagina 16 van het rapport bedoel ik met zeer onwaarschijnlijk dat het niet geloofwaardig is.”

B.3.2

Rapporteur De Jong heeft ter terechtzitting in eerste aanleg van 3 juli 2013 onder meer het navolgende verklaard:

“Ik heb de opleiding Hout aan de MTS afgerond en ik heb de opleiding Bouwkunde aan de HTS afgerond. Verder beschik ik over een analistendiploma. Ik ben een specialist in hout. Ik ben 32 jaren geleden in het laboratorium begonnen met werken bij TNO. Daarna ben ik projectleider geworden. Ik beoordeel een heel spectrum aan zaken. Verder houd ik mij bezig met productinnovatie en -ontwikkeling voor klanten. Ik behandel veel bouwschades en probeer dan een eventuele technische oorzaak te achterhalen. Ik houd mij alleen met hout bezig, dus dat betekent veel meten, de bepaling van de sterkte van hout en het opbouwen van voorwerpen met behulp van hout.

Oudenhuijzen vroeg mij of ik in het laboratorium de voorwerpen wilde nameten en nabootsen.

Ik was verantwoordelijk voor het houttechnisch deel van het onderzoek. Door middel van een radar werd ingemeten. Er werd aan de hand van bestaande onderdelen nagemeten.

Bij het tweede onderzoek is gekeken naar de aangetroffen beschadigingen.

Tijdens het eerste onderzoek zijn metingen gedaan. Bij het tweede onderzoek zijn de kitlijnen, het plaatsen en het gebruik van verf goed onderzocht. Er heeft aanvullend onderzoek plaatsgevonden en hiervoor verwijs ik naar het rapport. Er is gekeken naar de bouwvolgorde en het gebruikte purschuim. Dat was een specifiek onderzoek. Het technische deel van het rapport is van mij.

Op pagina 7 staat dat de plank met schroeven bevestigd is.

Op het moment dat de plank wordt nagemaakt, neem je de gaten over. Er ontstaan dan ook dubbele gaten, want het kan nooit hetzelfde zijn. Ook bij gebruik van een mal past de plank er niet goed in. Ik baseer deze conclusie op grond van mijn ruime ervaring. Ook nu lukte het niet.

Het onderzoek dat op pagina 11 wordt genoemd, heb ik samen met [naam] uitgevoerd. Ik heb vaker onderzoek naar verfdiktes verricht.”

B.4

In de rapporten, zoals gebezigd tot het bewijs hebben Oudenhuijzen en De Jong de wijze waarop zij hun onderzoeken hebben uitgevoerd uitvoerig omschreven. Tevens hebben zij hun onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg uitgebreid toegelicht. Gelet daarop acht het hof de door Oudenhuijzen en De Jong gebezigde onderzoeksmethoden betrouwbaar. Voorts zijn Oudenhuijzen en De Jong, gelet op hun opleiding en ervaring zoals die blijkt uit de hiervoor weergegeven verklaringen, voldoende deskundig op hun vakgebied en ook bekwaam in de door hen gebruikte onderzoeksmethoden.

B.5

Aan de stelling van de verdediging dat de wijze van het duiden van conclusies door TNO niet past bij een deskundige zoals de wet veronderstelt, is ten grondslag gelegd dat in de rapporten van TNO conclusies zijn getrokken als “niet geloofwaardig”, “bijzonder toevallig”, “verworpen” en “onjuist en zeer onwaarschijnlijk”, waaruit blijkt dat Oudenhuijzen en De Jong niet enkel hebben geconcludeerd over hetgeen hun wetenschap en kennis hen leren omtrent datgene wat aan hun oordeel onderworpen is. Het hof is echter van oordeel dat, mede gelet op de hiervoor weergegeven verklaring van Oudenhuijzen omtrent de uitleg van de door hem gebruikte conclusies, de in de rapporten gebezigde bewoordingen geenszins afdoen aan de deskundigheid van Oudenhuijzen en De Jong.

B.6

Het hof merkt Oudenhuijzen en De Jong dan ook aan als deskundigen en merkt hun rapporten aan als deskundigenverslagen.

Bijgevolg wordt het verweer in al zijn onderdelen verworpen.

C.

De verdediging heeft voorts - op gronden als in de pleitnota verwoord – de conclusies van de deskundigen Oudenhuijzen en De Jong inhoudelijk betwist. Uit het onderzoek ter terechtzitting zijn evenwel geen feiten of omstandigheden naar voren gekomen op grond waarvan aan de juistheid van die conclusies zou moeten worden getwijfeld.

Het hof laat deze conclusies dan ook bijdragen aan de bewijsvoering.

D.

Door en namens de verdachte is ter terechtzitting in hoger beroep ten verweer betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van het hem onder 1. en 2. ten laste gelegde, aangezien niet buiten redelijke twijfel kan worden vastgesteld of er een delict is gepleegd en zo ja, welk. Daartoe is aangevoerd – zakelijk weergegeven – dat:

  • -

    verdachtes lezing – te weten: dat hij op 13 april 2007 ’s avonds [slachtoffer] heeft geconfronteerd met informatie dat [getuige 4] haar minnaar was, waarna zij uit de woning is vertrokken met achterlating van persoonlijke spullen, en dat hij haar daarna nooit meer heeft gezien – niet als zijnde uiterst onwaarschijnlijk kan worden weerlegd;

  • -

    geen doodsoorzaak betreffende [slachtoffer] is kunnen worden vastgesteld, zodat het bewijs ervoor tekort schiet dat verdachte haar opzettelijk van het leven heeft beroofd;

  • -

    verdachte stelt dat een ander de afvalcontainer met daarin het lichaam van [slachtoffer] in het meubel heeft gezet.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

E. Het deponeren van het lichaam in de afvalcontainer en het bouwen van de kist

E.1

De lezing van verdachte komt – kort weergegeven – op het volgende neer.

In januari, februari 2007 heeft verdachte samen met [getuige 4] de kist gebouwd met de bedoeling daar een media-toren van te maken. De kist is toen geverfd, maar niet helemaal afgewerkt. De rechter zijplaat is met enkele schroeven bevestigd en de afwerklatten zijn niet duurzaam aangebracht. Op enig moment is de rechter zijplaat door een ander verwijderd. Deze heeft de afvalcontainer met daarin het lichaam van [slachtoffer] in de kist geplaatst en vervolgens de kist afgewerkt.

E.2.

Uit de gebezigde bewijsmiddelen blijkt onder meer het volgende.

E.2.1

Blijkens het hiervoor opgenomen proces-verbaal onderzoek kist (zie bewijsmiddel 11) is de buitenzijde van de kist door de politie onderzocht voordat de kist ontmanteld werd. Daarbij werd geen schade of andere onregelmatigheden geconstateerd waaruit kon worden afgeleid dat de kist in een eerder stadium werd opengemaakt en weer dichtgemaakt.

E.2.2

Door de deskundigen Oudenhuijzen en De Jong van TNO zijn twee scenario’s getoetst, te weten:

  1. De kist is geconstrueerd, de vuilcontainer is ingebracht en vervolgens is de kist kort daarna afgesloten en afgewerkt. Dit wordt gezien als het ware één handeling.

  2. De kist is geconstrueerd en geheel afgewerkt. Vervolgens, na enige tijd, wordt de rechter zijplaat verwijderd, de vuilcontainer wordt ingebracht waarna de kist wederom wordt afgewerkt. Dit wordt gezien als het ware twee handelingen.

De deskundigen kwamen op basis van hun bevindingen, zoals weergegeven in hun eerste rapport over de bouwvolgorde van de kist, tot de conclusie dat scenario A het meest waarschijnlijk is en dat scenario B hoogst onwaarschijnlijk is.

In hoger beroep hebben de deskundigen aanvullend onderzoek gedaan. Op basis van hun bevindingen concluderen de deskundigen in hun tweede rapport over de bouwvolgorde van de kist dat scenario A veel tot zeer veel waarschijnlijker blijft dan scenario B en dat scenario B niet geloofwaardig is.

Het hof volgt de conclusies van de deskundigen en maakt die tot de zijne.

E.2.3

Getuige [getuige 4] heeft ontkend dat hij de kist samen met verdachte heeft gemaakt, zoals door de verdachte is gesteld. Voorts heeft hij verklaard dat hij op 13 april 2007 voor het laatst in de woning van verdachte en [slachtoffer] is geweest, dat de kamer waarin de kist is aangetroffen toen nog niet was ingericht als speelkamer en dat de kist toen nog niet in de kamer stond.

Deze verklaring vindt steun in de verklaring van [getuige 22] waaruit blijkt dat deze de witte kist nooit heeft gezien en dat de kamer nog niet was ingericht als speelkamer toen hij deze voor het laatst had gezien, te weten: ongeveer twee weken voor de verdwijning van [slachtoffer].

Voorts vindt de verklaring van [getuige 4] steun in de hiervoor weergegeven verklaringen van [getuige 5] en [getuige 6] met betrekking tot de inrichting van de woning zoals zij die op 25 januari 2007 hebben waargenomen.

E.3

Gelet op het hiervoor onder E.2 overwogene, in onderling verband en samenhang bezien, hecht het hof geen geloof aan de verklaring van verdachte dat hij de kist in januari, februari 2007 tezamen met [getuige 4] heeft gebouwd.

Het hof gaat er van uit dat verdachte, zoals hij ook zelf heeft verklaard, de kist heeft gebouwd. Uit het onderzoek ter terechtzitting is niet aannemelijk geworden dat hij daarbij door een ander is geassisteerd.

E.4

Uit de gebezigde bewijsmiddelen leidt het hof voorts af dat:

  • -

    in de kist een afvalcontainer is aangetroffen die hoorde bij de woning van verdachte;

  • -

    in de afvalcontainer het lichaam van [slachtoffer] werd aangetroffen in een slaapzak met deels daaromheen de hoes van haar trouwjurk;

  • -

    [slachtoffer] reeds was overleden toen zij in de afvalcontainer werd gedeponeerd;

  • -

    boven het lichaam van het slachtoffer een laag papiersnippers lag, welke papiersnippers soortgelijk waren aan een in de woning aangetroffen zak met papiersnippers uit een papiervernietiger;

  • -

    de randen van de afvalcontainer waren dicht gekit met siliconenkit;

  • -

    verdachte op 17 september 2009 tegen een undercoveragent heeft gezegd dat de randen van de afvalcontainer waren dichtgekit, zulks terwijl hij tijdens zijn eerdere verhoren niet was geconfronteerd met de inhoud van de afvalcontainer en de wijze waarop de afvalcontainer was afgedicht en deze informatie ook niet was opgenomen in het aan zijn raadsman verstrekte dossier, zodat redelijkerwijs kan worden aangenomen dat het om daderinformatie gaat;

  • -

    in een bemonstering van een mogelijke afdruk in een kleine hoeveelheid purschuim op een houten balkje uit de kist celmateriaal is aangetroffen. De verkregen autosomale profielen bevatten alle kenmerken in het profiel van de [verdachte]. Dit kan betekenen dat zijn DNA deel uitmaakt van het celmateriaal in deze bemonstering.
    De bevindingen uit het DNA-onderzoek zijn veel waarschijnlijker wanneer onder meer de [verdachte] celmateriaal aan deze bemonstering heeft bijgedragen dan wanneer drie onbekende personen celmateriaal hebben bijgedragen;

  • -

    onwaarschijnlijk is dat het DNA van verdachte vooraf op het hout aanwezig is geweest en op die manier in het purschuim is terecht gekomen;

  • -

    in de woning van verdachte een aankoopbon d.d. 19 april 2007 is aangetroffen, waaruit blijkt dat 8 kokers Fix-All Crystal transparant (bouwlijm) werden aangeschaft, terwijl in de kist een koker bouwlijm van het merk Fix-All Crystal, transparant van kleur, is aangetroffen en de afwerklatten zijn gemonteerd met deze lijm;

  • -

    de getuigen [getuige 8] en [getuige 7] de kist op respectievelijk 5 en 6 juni 2007 hebben zien staan in de speelkamer.

E.5

Gelet op al het vorenstaande kan het naar het oordeel van het hof niet anders zijn dan dat verdachte degene is geweest die in de periode van 13 april 2007 tot en met 6 juni 2007 de met kit afgesloten afvalcontainer met daarin het lichaam van de overleden [slachtoffer] in de door hem gebouwde kist heeft geplaatst, dan wel die kist om de container heeft opgebouwd en vervolgens die kist heeft gesloten, waardoor die afvalcontainer aan het zicht werd onttrokken totdat deze werd ontdekt op 18 februari 2008.

Dat een ander persoon de afvalcontainer via de rechter zijwand in de kist heeft geplaatst, acht het hof op grond van de conclusies van de deskundigen van TNO niet aannemelijk geworden.

Nu uit het onderzoek terechtzitting voorts niet aannemelijk is geworden dat iemand anders bij de dood van [slachtoffer] betrokken is geweest, komt het hof ook tot de conclusie dat het niet anders kan zijn dan dat het verdachte is geweest die het lichaam van [slachtoffer] nadat zij was overleden in een slaapzak en bruidszak heeft verpakt en het verpakte lichaam vervolgens in de afvalcontainer heeft geplaatst.

F. De oorzaak van het overlijden van [slachtoffer]

Bij de sectie op het lichaam van [slachtoffer] werd geen anatomische en geen toxicologische doodsoorzaak gevonden.

Het hof acht desalniettemin bewezen dat [slachtoffer] is overleden als gevolg van opzettelijk op haar uitgeoefend geweld. Dat oordeel is in het bijzonder gebaseerd op de navolgende, uit de gebezigde bewijsmiddelen blijkende feiten en omstandigheden, te weten dat:

  • -

    bij de sectie op het lichaam van [slachtoffer] geen ziekelijke orgaanafwijkingen zijn geconstateerd;

  • -

    de medische voorgeschiedenis van [slachtoffer], welke zich in het dossier bevindt43, geen aanleiding geeft om te concluderen dat er sprake is geweest van een bij haar bestaande ziekelijke afwijking;

  • -

    verwurging als doodsoorzaak niet is uitgesloten;

  • -

    de verwonding aan het bovenbeen van [slachtoffer], indien bij leven toegebracht, het intreden van de dood van [slachtoffer] zou kunnen verklaren;

Het hof overweegt voorts als volgt.

Het is volstrekt onwaarschijnlijk dat iemand het lichaam van zijn echtgenote, nadat zij is overleden door een natuurlijke doodsoorzaak of een ongeval, verpakt in een slaapzak en een hoes van haar trouwjurk, het verpakte lichaam in een afvalcontainer deponeert, de afvalcontainer vrijwel luchtdicht afsluit en vervolgens de afvalcontainer verbergt in een kist in zijn woning.

Het feit dat niet is komen vast te staan welke geweldshandeling(en) exact op het lichaam van [slachtoffer] is of zijn toegepast, brengt nog niet met zich dat sprake zou zijn van een natuurlijke doodsoorzaak of een ongeval.

G. Gebeurtenissen op 13 april 2007

G.1

De lezing van verdachte komt – kort weergegeven – op het volgende neer.

Verdachte is op 13 april 2007 ’s avonds thuis gekomen. Verdachte heeft met [slachtoffer] gesproken over haar relatie met [getuige 4]. Verdachte en [slachtoffer] hebben toen een woordenwisseling gehad over het feit dat [getuige 4] altijd in de woning van verdachte en [slachtoffer] verbleef. [slachtoffer] verkeerde op dat moment in dronken toestand. [slachtoffer] is boos geworden en heeft de woning verlaten. Haar telefoon en haar verblijfskaart heeft [slachtoffer] in de woning laten liggen. Nadien heeft verdachte haar niet meer gezien.

G.2

Uit de gebezigde bewijsmiddelen blijkt onder meer het volgende.

Op 12 april 2007 heeft [getuige 1] verdachte verteld dat [slachtoffer] een relatie had met [getuige 4], terwijl [slachtoffer] tegen verdachte had gezegd dat hij haar neef was.

Op 13 april 2007 heeft [slachtoffer] gewinkeld met [getuige 4] en is vervolgens met hem naar haar woning gereden. Om 16.59 uur heeft [slachtoffer] een sms-bericht verzonden naar verdachte. Daarbij straalde de telefoon van verdachte de zendmast op de locatie [adres 3] te Baarle-Hertog aan, welke zendmast op ongeveer 1 kilometer van de woning van verdachte en [slachtoffer] stond. Rond 18.00 uur heeft [slachtoffer] [getuige 4] teruggebracht naar het asielzoekerscentrum.

Verdachte is naar eigen zeggen rond 20.00 uur thuis gekomen. Verdachtes telefoon straalt vanaf 20.57 uur tot en met 14 april 2007 om 04.51 uur voormelde zendmast op de locatie [adres 3] te Baarle-Hertog aan, terwijl de telefoon van [slachtoffer] om 20.34 uur eveneens die zendmast aanstraalde.

Verdachte heeft in de woning [slachtoffer] geconfronteerd met hetgeen hij van [getuige 1] had vernomen, te weten: dat [slachtoffer] een relatie had met [getuige 4].

Verdachte en [slachtoffer] hebben daarover een heftige ruzie gehad.

Tussen 22.31 uur en 23.32 uur stuurt verdachte sms-berichten naar [getuige 1]. Deze sms-berichten houden onder meer in dat [slachtoffer] “half heeft toegegeven”. Voorts wordt in het sms-verkeer tussen verdachte en [getuige 1] afgesproken dat verdachte de volgende ochtend rond 05.00 uur zijn dochter [dochter verdachte] naar de woning van [getuige 1] en [getuige 2] zal brengen, omdat verdachte ergens naar toe moest. Tevens schreef verdachte dat hij een “def. oplossing” moest zoeken. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft verdachte verklaard dat hij een definitieve oplossing moest zoeken voor de opvang van zijn dochter [dochter verdachte].

Op 14 april 2007 omstreeks 05.00 uur heeft verdachte [dochter verdachte] naar de woning van [getuige 1] en [getuige 2] gebracht.

Na de avond van 13 april 2007 is niets meer van [slachtoffer] vernomen. Verdachte heeft naar eigen zeggen [slachtoffer] op 13 april 2007 voor het laatst gesproken.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is evenwel het volgende gebleken.

Verdachte heeft:

- op 15 april 2007 om 10.12 uur een sms-bericht verstuurd naar het telefoonnummer van [slachtoffer], welk sms-bericht vermoedelijk bestemd was voor haar zus [getuige 14] en inhield dat [slachtoffer] spullen had gepakt, was weggegaan uit de woning en niemand wilde spreken;44

- op 15 april 2007 om 11.02 uur en 11.22 uur sms-berichten verstuurd naar

[getuige 1], inhoudende dat [slachtoffer] haar paspoort was komen ophalen, had gezegd naar Rusland te gaan en had gezegd dat zij voorgoed ging;45

- op 15 april 2007 om 15.59 uur een sms-bericht verstuurd naar [getuige 2] inhoudende dat [slachtoffer] de volgende dag zou vliegen;46

- op 17 april 2007 tegen [getuige 4] gezegd dat [slachtoffer] in [geboorteplaats] was;47

- op 24 april 2007 tegen zijn moeder gezegd dat [slachtoffer] die dag had gebeld en dat zij had gezegd dat ze in [geboorteplaats] zat en niet meer terug zou komen.48

Voorts heeft verdachte:

- [getuige 14] verteld dat [slachtoffer] haar paspoort, haar creditcard en wat kleding had meegenomen en niet meer naar [getuige 14] wilde luisteren;49

- [getuige 7] verteld dat [slachtoffer] naar Rusland was vertrokken;50

- [getuige 15] verteld dat hij [slachtoffer] had betrapt met een zogenaamde neef die een jeugdvriend bleek te zijn, dat hij [slachtoffer] daarna de deur had gewezen, dat ze bezig waren met de scheiding en dat [slachtoffer] vermoedelijk met haar jeugdvriend in Amsterdam zou zitten;51

- [getuige 16] verteld dat [slachtoffer] na haar verdwijning nog telefonisch contact had opgenomen en had gezegd dat wanneer hij haar € 35.000,- zou betalen, hij dan alles mocht houden, inclusief hun kind;52

- [getuige 17] verteld dat [slachtoffer] op een terras in Eindhoven voor de ogen van zijn dochter was doodgereden;53

- [getuige 18] verteld dat [slachtoffer] verongelukt was toen hij met zijn dochter op het terras zat;54

- [getuige 19] verteld dat [slachtoffer] er vandoor was gegaan en dat hij [slachtoffer] een geldbedrag had gegeven waarvoor zij afstand van hun kind had gedaan;55

- [getuige 20] verteld dat hij [slachtoffer] op het vliegtuig had gezet naar Wit-Rusland;56

- [getuige 21] verteld dat hij zou gaan verhuizen naar Isla Margarita, dat hij een
Wit-Russische vrouw had en dat zijn vrouw op dat moment in Wit-Rusland was om afscheid te nemen van haar familie.57

G.3

Gelet op het hiervoor overwogene acht het hof de verklaring van verdachte dat [slachtoffer] op 13 april 2007 ’s avonds de woning heeft verlaten volstrekt ongeloofwaardig. Daarbij heeft het hof in het bijzonder gelet op:

  • -

    De omstandigheid dat na 13 april 2007 niets meer van [slachtoffer] is vernomen terwijl zij voor die datum veelvuldig contact had met [getuige 4] en met haar familie;

  • -

    de wisselende mededelingen van verdachte tegenover anderen omtrent de afwezigheid van [slachtoffer];

  • -

    de omstandigheid dat verdachte, zoals hiervoor overwogen, degene is geweest die het lichaam van [slachtoffer] na haar overlijden in de afvalcontainer heeft gedeponeerd.

H. Conclusie

H.1

Naar het oordeel van het hof kan het gelet op het hiervoor onder E., F. en G. overwogene niet anders zijn dan dat verdachte op 13 april 2007 tussen 20.00 uur en 22.30 uur tijdens een heftige ruzie en/of in de periode daarna opzettelijk zodanig geweld op [slachtoffer] heeft uitgeoefend dat zij is overleden.

H.2

Daarbij betrekt het hof dat verdachte [slachtoffer] in de maanden februari, maart en april 2007 naar het leven stond en meermalen haar keel heeft dichtgeknepen.

Zulks leidt het hof af uit:

- de omstandigheid dat [slachtoffer] op 19 februari 2007 tegen een centralist van de Belgische politie en een politiepatrouille heeft verteld dat zij ruzie had met verdachte en tegen de centralist tevens heeft gezegd: “hij probeert mij dood doen, net!”;58

- de omstandigheid dat [slachtoffer] in februari 2007 [getuige 5] in een sms-bericht heeft verzonden, inhoudende “[verdachte] tried te kill me with handen.” en vervolgens [getuige 5] telefonisch heeft verteld dat verdachte haar keel had dicht geknepen;59

- de verklaring van [getuige 23] dat [slachtoffer] haar op 21 maart 2007 heeft verteld dat verdachte had getracht haar te wurgen;60

- de verklaring van [getuige 24] dat zij op 22 maart 2007 bij [slachtoffer] blauwe plekken in de halsstreek heeft gezien, waarna [slachtoffer] haar had verteld dat verdachte haar keel had dichtgeknepen;61

- de verklaring van [getuige 22] dat hij rode donkere plekken en krassen op de hals van [slachtoffer] heeft gezien en dat [slachtoffer] hem heeft verteld dat verdachte had gepoogd haar te verwurgen;62

- de verklaring van [getuige 4] dat [slachtoffer] had verteld dat zij een week voor 13 april 2007 ruzie had gehad met verdachte waarbij verdachte haar bij haar keel had gepakt en dat hij bij [slachtoffer] een kleine blauwe plek aan de zijkant van haar hals had gezien;63

- de verklaring van [getuige 3] dat [slachtoffer] haar op 12 april 2007 heeft verteld dat verdachte op 11 april 2007 ’s avonds haar bij haar keel had gepakt en had geprobeerd haar te wurgen.64

H.3

Gelet op het vorenstaande acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte in de periode van 13 april 2007 tot en met 6 juni 2007 [slachtoffer] opzettelijk van het leven heeft beroofd en vervolgens in de periode van 13 april 2007 tot en met 18 februari 2008 haar lijk heeft verborgen met het oogmerk om het feit en de oorzaak van het overlijden van [slachtoffer] te verhelen.

Bijgevolg verwerpt het hof het verweer in al zijn onderdelen.

Bewezenverklaring

Op grond van de hiervoor vermelde redengevende feiten en omstandigheden en de daaraan ten grondslag liggende bewijsmiddelen (als hierboven genoemd), in onderling verband en samenhang beschouwd, acht het hof het aan verdachte onder 1. primair en 2. ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

1.
hij in de periode van 13 april 2007 tot en met 6 juni 2007 te Baarle-Nassau en/of te Baarle-Hertog, opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet zodanig geweld op die [slachtoffer] uitgeoefend dat zij is overleden;

2.
hij in de periode van 13 april 2007 tot en met 18 februari 2008 te Baarle-Nassau en/of Baarle-Hertog het lijk van [slachtoffer] heeft verborgen met het oogmerk om het feit en de oorzaak van het overlijden van die [slachtoffer] te verhelen, immers heeft hij, verdachte,

- het stoffelijk overschot van voornoemde [slachtoffer] in een slaapzak en bruidszak verpakt en vervolgens

- het stoffelijk overschot van voornoemde [slachtoffer] in een afvalcontainer gedeponeerd en vervolgens

- een houten kist/kubus om die afvalcontainer met daarin het stoffelijk overschot van die [slachtoffer] heen gebouwd waardoor die afvalcontainer met daarin het stoffelijk overschot van die [slachtoffer] aan het zicht werd onttrokken.

Partiële vrijspraak

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken. Daartoe overweegt het in het bijzonder dat het niet wettig en overtuigend bewezen acht dat verdachte het slachtoffer met voorbedachten rade van het leven heeft beroofd, zodat hij in zoverre zal worden vrijgesproken van het hem onder 1. ten laste gelegde.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het onder 1. bewezen verklaarde levert op:

Doodslag.

Het onder 2. bewezen verklaarde levert op:

Een lijk verbergen met het oogmerk om het feit en de oorzaak van het overlijden te verhelen.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Daarbij wordt rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals die onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

Ten aanzien van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan, heeft het hof in het bijzonder het navolgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft op 13 april 2007 of in de periode daarna op zijn echtgenote [slachtoffer] in hun echtelijke woning zodanig geweld toegepast dat [slachtoffer] als gevolg daarvan is overleden. Verdachte heeft daarmee de nabestaanden groot en onherstelbaar leed toegebracht. Hij heeft zijn zeer jonge dochter haar moeder ontnomen. Zij zal moeten opgroeien in de wetenschap dat haar vader haar moeder van het leven heeft beroofd.

Door te handelen zoals hij heeft gedaan, heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan doodslag, een van de ernstigste misdrijven die het Wetboek van Strafrecht kent. Door een dergelijk delict wordt de rechtsorde zeer ernstig geschokt; het brengt in de maatschappij gevoelens van onrust en onveiligheid te weeg.

Verdachte is vervolgens respectloos omgegaan met het lichaam van [slachtoffer]. Hij heeft het lichaam met het hoofd naar beneden in een afvalcontainer gedeponeerd. Vervolgens heeft hij in de echtelijke woning op de speelkamer een houten kist om die afvalcontainer gebouwd, waardoor die afvalcontainer aan het zicht werd onttrokken. Gedurende de periode (van ongeveer 9 maanden) dat het lichaam in de kist verborgen was, heeft verdachte zijn dochter laten spelen in de omgeving van deze kist.

Gedurende de periode dat [slachtoffer] werd vermist, heeft verdachte de nabestaanden en anderen voorgelogen en hen op die wijze de hoop laten houden dat [slachtoffer] nog in leven was. Door de nabestaanden op die wijze in het ongewisse te laten, heeft de verdachte het leed van de nabestaanden vergroot. Zijn gedrag getuigt van een groot gebrek aan piëteit tegenover het slachtoffer en haar nabestaanden.

Ten aanzien van de persoon van verdachte heeft het hof allereerst gelet op de inhoud van het hem betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 4 maart 2015, waaruit blijkt dat hij niet eerder door de strafrechter ter zake soortgelijke feiten is veroordeeld.

Voorts heeft het hof acht geslagen op de overige persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken.

Gelet op het vorenstaande kan naar het oordeel van het hof niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt. Het hof heeft wat betreft de duur van deze straf aansluiting gezocht bij de straffen die gebruikelijk door dit gerechtshof in gevallen vergelijkbaar met de onderhavige worden opgelegd.

Alles overwegende acht het hof oplegging van de gevorderde gevangenisstraf voor de duur van 12 jaren passend en geboden.

Beslag

De na te noemen in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, blijkens het onderzoek ter terechtzitting aan verdachte toebehorend, zijn vatbaar voor verbeurdverklaring, nu het voorwerpen zijn met behulp waarvan het onder 2. ten laste gelegde en bewezen verklaarde is begaan. Het hof heeft hierbij rekening gehouden met de draagkracht van verdachte.

Ten aanzien van een aantal in de beslissing als zodanig te noemen in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen kan geen persoon als rechthebbende worden aangemerkt en daarvan zal het hof de bewaring ten behoeve van de rechthebbende gelasten.

Van de in beslag genomen kledinghoes zal de teruggave aan [getuige 13] worden gelast, zijnde degene die blijkens het onderzoek ter terechtzitting redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt.

Van hetgeen verder in beslag genomen en nog niet teruggegeven is, zal de teruggave aan de verdachte worden gelast.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 33, 33a, 57, 63, 151 en 287 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de vrijspraak van het onder 3. ten laste gelegde ten aanzien van de afbeeldingen [bestandsnaam], [bestandsnaam], [bestandsnaam], [bestandsnaam], [bestandsnaam] en [bestandsnaam].

Vernietigt het vonnis voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 3. ten laste gelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1. primair en 2. ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte onder 1. en 2. meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 (twaalf) jaren.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Verklaart verbeurd:

  • -

    een kist, goednr. 13

  • -

    een grote doos met materialen van kist en/of materialen uit kist, goednr. 13B;

  • -

    een kleine doos met materialen van kist en/of materialen uit kist, goednr. 13C;

  • -

    twee zakken purschuim, aangetroffen in de kist, goednr. 13D;

  • -

    een zak met purschuim en plastic dop, aangetroffen in de kist, goednr. 13E.

Gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van:

  • -

    onbekend materiaal, goednr. 13F, spoornr. PL206C/08-049863/006/014;

  • -

    een kraaltje, goednr. 13G, spoornr. PL206C/08-049863/007/019;

  • -

    een afdeklat, goednr. 76.

Gelast de teruggave aan [getuige 13] van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten: een kledinghoes, goednr. 7.

Gelast de teruggave aan verdachte van:

  • -

    plastic kraaltjes, goednr. 3, spoornr. PL206C/08-49863/013/002;

  • -

    een zwarte computertas, merk Samsonite, goednr. 24;

  • -

    een laptop, merk Acer, goednr. 25

  • -

    een gebloemd schrift met opschrift “[dochter verdachte]”, goednr. 27;

  • -

    een crèche oppasboek van [dochter verdachte], goednr. 46;

  • -

    een zwarte gereedschapskist, Skil 200PCS, goednr. 75;

  • -

    een groene regenbroek, goednr. 1, spoornr. PL206C/08-049863/007/042;

  • -

    twee oranje handschoenen, goednr. 2, spoornr. PL206C/08-049863/007/043 en 044.

Aldus gewezen door

mr. H. Harmsen, voorzitter,

mr. J. Platschorre en mr. M.L.P. van Cruchten, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. M.F.S. ter Heide, griffier,

en op 14 juli 2015 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

1 Hierna wordt – tenzij anders vermeld – verwezen naar dossierpagina’s betreffende ambtsedige
processen-verbaal van politie en andere bescheiden, opgenomen in het proces-verbaal van
Politie Regio Midden en West Brabant, onderzoek TGO Kluis, dossiernr. PL203M/ 08-002491.

2 Het verhoor van verdachte, d.d. 7 december 2007, zijnde een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5 van het Wetboek van Strafvordering, opgemaakt door [verbalisant 1] en [verbalisant 2], beiden Officier van Gerechtelijke Politie (opgenomen op p. 730 in de ordner met het opschrift “Map 22”).

3 Het ambtsedig proces-verbaal, d.d. 19 mei 2008, zaaknr. BPS PL206C/08-049863, opgemaakt door [verbalisant 3], brigadier van politie, [verbalisant 4], inspecteur van politie, en [verbalisant 5], brigadier van politie (opgenomen op p. 2746-2752 in de ordner met het opschrift “Map 6”).

4 Het ambtsedig proces-verbaal van verhoor, d.d. 18 februari 2008, PL202M/08-048471, opgemaakt door [verbalisant 6], hoofdagent van politie (opgenomen op p. 2285 in de ordner met het opschrift “Map 5”).

5 Het rapport “Sporenonderzoek naar aanleiding van het aantreffen van een stoffelijk overschot in een vuilcontainer op 18 februari 2008” van het Nederlands Forensisch Instituut, d.d. 21 april 2008, zijnde een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 4, van het Wetboek van Strafvordering, opgemaakt door ing. M. van Beest en M. Roos, beiden sporendeskundige (opgenomen op p. 2921-2930 in de ordner met het opschrift “Map 7”).

6 De brief, d.d. 24 februari 2008, zijnde een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5 van het Wetboek van Strafvordering, opgemaakt door E.A.J. van Dijk, tandarts forensisch odontoloog, dossierpagina 187 (opgenomen op p. 2317 in de ordner met het opschrift “Map 5”).

7 Het rapport “Pathologie onderzoek naar aanleiding van een mogelijk niet natuurlijke dood” van het Nederlands Forensisch Instituut, d.d. 23 april 2008, zijnde een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 4 van het Wetboek van Strafvordering, opgemaakt door dr. D. Kubat, arts en patholoog (opgenomen op p. 2289-2293 in de ordner met het opschrift “Map 5”).

8 De brief, d.d. 11 juni 2011, zijnde een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5 van het Wetboek van Strafvordering, opgemaakt door F.R.W. van de Goot, arts-patholoog.

9 Het ambtsedig proces-verbaal, d.d. 25 juni 2008, zaaknr. BPS PL206C/08-049863, opgemaakt door [verbalisant 7] en [verbalisant 8], beiden inspecteur van politie (opgenomen op p. 2721 in de ordner met het opschrift “Map 6”).

10 Het ambtsedig proces-verbaal, d.d. 23 juni 2008, zaaknr. BPS PL206C/08-049863, opgemaakt door [verbalisant 7] en [verbalisant 8], beiden inspecteur van politie (opgenomen op p. 2725, 2726 en 2737 in de ordner met het opschrift “Map 6”).

11 Het TNO-rapport “Bouwvolgorde kist”, TNO 2013 R10401, d.d. maart 2013, zijnde een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5 van het Wetboek van Strafvordering, opgemaakt door
ir. A.J.K. Oudenhuijzen en J.D. de Jong.

12 Het TNO-rapport “Bouwvolgorde kist, deel 2”, TNO 2015 R10706, d.d. mei 2015, zijnde een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5 van het Wetboek van Strafvordering, opgemaakt door
ir. A.J.K. Oudenhuijzen en J.D. de Jong.

13 Het ambtsedig proces-verbaal bevindingen, d.d. 15 april 2008, PL201M/08-048471, opgemaakt door
[verbalisant 9] en [verbalisant 10], beiden hoofdagent van politie (opgenomen op p. 2510-2512 in de ordner met het opschrift “Map 6”).

14 Het rapport betreffende het biologisch sporen- en DNA-onderzoek, d.d. 27 januari 2011, zijnde een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 4 van het Wetboek van Strafvordering, opgemaakt door ing. R. Eikelenboom, forensisch wetenschappelijk onderzoeker.

15 Het ambtsedig proces-verbaal van bevindingen mbt OVC d.d. 15 september 2009, d.d. 28 september 2010, proces-verbaalnr. 08-049886, opgemaakt door [verbalisant 11], [verbalisant 12] en [verbalisant 13], allen brigadier van politie, en [verbalisant 19], hoofdagente van politie (opgenomen op p. 1390 en
1406-1407 in de ordner met het opschrift “Map 4”).

16 Het ambtsedig ambtelijk verslag, d.d. 29 november 2010, dossiernr. PL203M/08-002491, opgemaakt door
[verbalisant 28], brigadier van politie (opgenomen op p. 6, 15-16 en 21 in de ordner met het opschrift “Aanvullend dossier”).

17 Het ambtsedig proces-verbaal van bevindingen verwerking verkeersgegevens, d.d. 28 oktober 2010,
proces-verbaalnr. 08-049886, opgemaakt door [verbalisant 11], brigadier van politie (opgenomen op
p. 136-138 en 142-152 in de ordner met het opschrift “Aanvullend dossier”).

18 Het proces-verbaal betreffende voeging relevante gesprekken uit dossier 53/07, d.d. 18 maart 2008, zijnde een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5 van het Wetboek van Strafvordering, opgemaakt door [verbalisant 14], rechercheur, Agent van Gerechtelijke Politie (opgenomen op p. 167 in de ordner met het opschrift “Map 21”).

19 Een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5 van het Wetboek van Strafvordering (opgenomen op p. 173 en 181-182 in de ordner met het opschrift “Map 21”).

20 Het ambtsedig proces-verbaal van verhoor, d.d. 13 mei 2008, PL205A/08-049842, opgemaakt door
[verbalisant 15], hoofdagent van politie (opgenomen op p. 4024-4031 in de ordner met het opschrift “Map 9”).

21 Het ambtsedig proces-verbaal van verhoor, d.d. 13 mei 2008, PL205A/08-049842, opgemaakt door
[verbalisant 15], hoofdagent van politie (opgenomen op p. 4033 in de ordner met het opschrift “Map 9”).

22 Het ambtsedig proces-verbaal van verhoor, d.d. 19 mei 2008, PL205A/08-049842, opgemaakt door
[verbalisant 15], hoofdagent van politie (opgenomen op p. 4066-4067 in de ordner met het opschrift “Map 9”).

23 Het ambtsedig proces-verbaal van verhoor getuige, d.d. 28 januari 2008, nr. 2008002379, opgemaakt door
[verbalisant 16], inspecteur van politie (opgenomen op p. 1245-1247 in de ordner met het opschrift “Map 23”).

24 Het ambtsedig proces-verbaal van verhoor, d.d. 11 maart 2008, PL201M/08-049836, opgemaakt door
[verbalisant 9], hoofdagent van politie, en [verbalisant 13], brigadier van politie (opgenomen op
p. 3214-3215 in de ordner met het opschrift “Map 7”).

25 Het ambtsedig proces-verbaal van verhoor, d.d. 10 maart 2008, procesverbaalnr. 08049836, opgemaakt door
[verbalisant 17] en [verbalisant 18], beiden hoofdagent van politie (opgenomen op p. 3277-3285 in de ordner met het opschrift “Map 7”).

26 Het ambtsedig proces-verbaal van verhoor, d.d. 29 maart 2008, PL204B/08-048471, opgemaakt door
[verbalisant 17] en [verbalisant 18], beiden hoofdagent van politie (opgenomen op p. 2372-2375 in de ordner met het opschrift “Map 6”).

27 Het ambtsedig proces-verbaal van verhoor, d.d. 20 maart 2008, PL204B/08-048471, opgemaakt door
[verbalisant 17] en [verbalisant 18], beiden hoofdagent van politie (opgenomen op p. 2402-2404 in de ordner met het opschrift “Map 6”).

28 Het ambtsedig proces-verbaal van verhoor, d.d. 5 maart 2008, PL205A/08-049842, opgemaakt door
[verbalisant 19], hoofdagent van politie, en [verbalisant 13], brigadier van politie (opgenomen op p. 3226-3231 in de ordner met het opschrift “Map 7”).

29 Het ambtsedig proces-verbaal van verhoor, d.d. 23 april 2008, PL205A/08-049842, opgemaakt door
[verbalisant 19], hoofdagent van politie, en [verbalisant 13], brigadier van politie (opgenomen op
p. 3251-3252 in de ordner met het opschrift “Map 7”).

30 Het ambtsedig proces-verbaal van verhoor, d.d. 5 juni 2008, PL205A/08-049842, opgemaakt door
[verbalisant 10] en [verbalisant 15], beiden hoofdagent van politie (opgenomen op p. 3256-3257 in de ordner met het opschrift “Map 7”).

31 Het ambtsedig proces-verbaal van verhoor, d.d. 26 maart 2008, PL201B/08-049842, opgemaakt door
[verbalisant 20], brigadier van politie, en [verbalisant 18], hoofdagent van politie (opgenomen op p. 3616-3619 in de ordner met het opschrift “Map 8”).

32 Het ambtsedig proces-verbaal van verhoor, d.d. 17 maart 2008, PL204M/08-049842, opgemaakt door
[verbalisant 17] en [verbalisant 21], beiden hoofdagent van politie (opgenomen op p. 3362 in de ordner met het opschrift “Map 8”).

33 Het ambtsedig proces-verbaal van bevindingen, d.d. 10 juni 2008, PL204B/08-049842, opgemaakt door
[verbalisant 17] en [verbalisant 19], beiden hoofdagent van politie (opgenomen op p. 3395 in de ordner met het opschrift “Map 8”).

34 Het ambtsedig proces-verbaal verhoor getuige, d.d. 4 november 2010, proces-verbaalnr. PL204B 20101214040-9, opgemaakt door [verbalisant 17], hoofdagent, en [verbalisant 13], brigadier (opgenomen op p. 183-184 in de ordner met het opschrift “Aanvullend dossier”).

35 Het ambtsedig proces-verbaal van verhoor, d.d. 22 februari 2008, PL201M/08-049842, opgemaakt door [verbalisant 9] en [verbalisant 21], beiden hoofdagent van politie (opgenomen op p. 2423-2425 in de ordner met het opschrift “Map 6”).

36 Het ambtsedig proces-verbaal van verhoor, d.d. 10 april 2008, PL202M/08-049842, opgemaakt door
[verbalisant 18] en [verbalisant 17], beiden hoofdagent van politie (opgenomen op p. 3879 in de ordner met het opschrift “Map 9”).

37 Het ambtsedig proces-verbaal van verhoor, d.d. 15 april 2008, PL202A/08-049842, opgemaakt door
[verbalisant 10] en [verbalisant 22], beiden hoofdagent van politie (opgenomen op p. 3934-3937 in de ordner met het opschrift “Map 9”).

38 Het ambtsedig proces-verbaal bevindingen, d.d. 22 april 2008, PL205A/08-049842, opgemaakt door [verbalisant 13], brigadier van politie, en [verbalisant 17], hoofdagent van politie (opgenomen op p. 3969 in de ordner met het opschrift “Map 9”).

39 Het ambtsedig proces-verbaal van verhoor, d.d. 21 april 2008, PL204B/08-049842, opgemaakt door
[verbalisant 17], hoofdagent van politie, en [verbalisant 13], brigadier van politie (opgenomen op
p. 3971 -3972 in de ordner met het opschrift “Map 9”).

40 Het ambtsedig proces-verbaal verbatim uitwerken verhoor, d.d. 10 augustus 2010, proces-verbaalnr. V27022008, opgemaakt door [verbalisant 19], hoofdagent van politie, en [verbalisant 13], brigadier van politie (opgenomen op p. 1495-1497 in de ordner met het opschrift “Map 4”).

41 Het ambtsedig proces-verbaal verbatim uitwerken verhoor, d.d. 18 augustus 2010, proces-verbaalnr. V04032008 middag, opgemaakt door [verbalisant 11] en [verbalisant 13], beiden brigadier van politie (opgenomen op p. 1709-1710 en 1757 in de ordner met het opschrift “Map 4”).

42 Het ambtsedig proces-verbaal verbatim uitwerken verhoor, d.d. 25 augustus 2010, proces-verbaalnr. V31032008 ochtend, opgemaakt door [verbalisant 11] en [verbalisant 13], beiden brigadier van politie (opgenomen op p. 2128-2133 in de ordner met het opschrift “Map 5”).

43 Het ambtsedig proces-verbaal bevindingen, d.d. 10 juni 2008, PL201M/08-049827, opgemaakt door
[verbalisant 9], hoofdagent van politie, en de daarbij gevoegde stukken (opgenomen op p. 611-646 in de ordner met het opschrift “Map 2”)

44 Zie het ambtsedig proces-verbaal van bevindingen verwerking verkeersgegevens, d.d. 28 oktober 2010,
proces-verbaalnr. 08-049886, opgemaakt door [verbalisant 11], brigadier van politie (opgenomen op
p. 138 in de ordner met het opschrift “Aanvullend dossier”).

45 Idem (p. 142 en 149-150 in de ordner met het opschrift “Aanvullend dossier”).

46 Idem (p. 151-152 in de ordner met het opschrift “Aanvullend dossier”).

47 Idem (p. 152 in de ordner met het opschrift “Aanvullend dossier”).

48 Zie het afschrift van een telefoongesprek d.d. 24 april 2007 te 14.30 uur, zijnde een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5 van het Wetboek van Strafvordering (opgenomen op p. 172 in de ordner met het opschrift “Map 21”).

49 Zie het ambtsedig proces-verbaal van verhoor, d.d. 19 mei 2008, PL205A/08-049842, opgemaakt door
[verbalisant 15], hoofdagent van politie (opgenomen op p. 4066 in de ordner met het opschrift “Map 9”).

50 Zie het ambtsedig proces-verbaal van verhoor, d.d. 5 maart 2008, PL205A/08-049842, opgemaakt door
[verbalisant 19], hoofdagent van politie, en [verbalisant 13], brigadier van politie (opgenomen op
p. 3229 in de ordner met het opschrift “Map 7”).

51 Zie het ambtsedig proces-verbaal van verhoor, d.d. 26 maart 2008, PL204M/08-049842, opgemaakt door
[verbalisant 21] en [verbalisant 17], beiden hoofdagent van politie (opgenomen op p. 3693-3694 in de ordner met het opschrift “Map 8”).

52 Zie het ambtsedig proces-verbaal van verhoor, d.d. 28 februari 2008, PL203M/08-049842, opgemaakt door
[verbalisant 18] en [verbalisant 9], beiden hoofdagent van politie (opgenomen op p. 3168-3169 in de ordner met het opschrift “Map 7”).

53 Zie het ambtsedig proces-verbaal van verhoor, d.d. 10 maart 2008, PL202M/08-049842, opgemaakt door
[verbalisant 23], hoofdagent van politie (opgenomen op p. 3268 in de ordner met het opschrift “Map 7”).

54 Zie het ambtsedig proces-verbaal van verhoor, d.d. 9 april 2008, PL202M/08-049842, opgemaakt door
[verbalisant 23] en [verbalisant 17], beiden hoofdagent van politie (opgenomen op p. 3841 in de ordner met het opschrift “Map 9”).

55 Zie het ambtsedig proces-verbaal van verhoor, d.d. 17 april 2008, PL204B/08-049842, opgemaakt door
[verbalisant 17] en [verbalisant 18], beiden hoofdagent van politie (opgenomen op p. 3960 in de ordner met het opschrift “Map 9”).

56 Zie het ambtsedig proces-verbaal van verhoor, d.d. 18 maart 2008, PL205A/08-049842, opgemaakt door
[verbalisant 13], brigadier van politie, en [verbalisant 17], hoofdagent van politie (opgenomen op
p. 3399-3400 in de ordner met het opschrift “Map 8”).

57 Zie het ambtsedig proces-verbaal van verhoor, d.d. 24 april 2008, PL202M/08-049842, opgemaakt door
[verbalisant 17] en [verbalisant 18], beiden hoofdagent van politie (opgenomen op p. 3985-3986 in de ordner met het opschrift “Map 9”).

58 Zie het ambtsedig proces-verbaal bevindingen, d.d. 14 april 2008, PL202M/08-049811, opgemaakt door [verbalisant 12], hoofdagent van politie (opgenomen op p. 2505-2508 in de ordner met het opschrift “Map 6”), alsmede het aanvankelijk proces-verbaal van Federale Gerechtelijke Politie Turnhout, d.d. 7 december 2007, zijnde een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5 van het Wetboek van Strafvordering, opgemaakt door [verbalisant 1], Officier van Gerechtelijke Politie (opgenomen op p. 743 in de ordner met het opschrift “Map 22”).

59 Zie het ambtsedig proces-verbaal van verhoor, d.d. 20 februari 2008, PL202M/08-048471, opgemaakt door [verbalisant 24] en [verbalisant 25], beiden hoofdagent van politie (opgenomen op p. 2360 in de ordner met het opschrift “Map 6”), alsmede het ambtsedig proces-verbaal van verhoor, d.d. 20 maart 2008, PL204B/08-048471, opgemaakt door [verbalisant 26], buitengewoon opsporingsambtenaar, en [verbalisant 27], brigadier van politie (opgenomen op p. 2399-2400 in de ordner met het opschrift “Map 6”).

60 Zie het verhoor van [getuige 23], d.d. 10 januari 2008, zijnde een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5 van het Wetboek van Strafvordering, opgemaakt door [verbalisant 1], Officier van Gerechtelijke Politie (opgenomen op p. 656-658 in de ordner met het opschrift “Map 22”).

61 Zie het ambtsedig proces-verbaal van verhoor, d.d. 12 maart 2008, PL205A/08-049836, opgemaakt door
[verbalisant 15], hoofdagent van politie (opgenomen op p. 3312-3313 in de ordner met het opschrift “Map 7”).

62 Zie het ambtsedig proces-verbaal van verhoor, d.d. 10 maart 2008, procesverbaalnr. 08049836, opgemaakt door [verbalisant 17] en [verbalisant 18], beiden hoofdagent van politie (opgenomen op p. 3287-3288 in de ordner met het opschrift “Map 7”).

63 Zie het ambtsedig proces-verbaal van verhoor getuige, d.d. 28 januari 2008, nr. 2008002379, opgemaakt door [verbalisant 16], inspecteur van politie (opgenomen op p. 1247 in de ordner met het opschrift “Map 23”). alsmede het ambtsedig proces-verbaal van verhoor, d.d. 10 maart 2008, PL201M/08-049836, opgemaakt door [verbalisant 9], hoofdagent van politie, en [verbalisant 13], brigadier van politie (opgenomen op p. 3209 in de ordner met het opschrift “Map 7”).

64 Zie het ambtsedig proces-verbaal van verhoor, d.d. 13 mei 2008, PL205A/08-049842, opgemaakt door
[verbalisant 15], hoofdagent van politie (opgenomen op p. 4029-4030 in de ordner met het opschrift “Map 9”), alsmede het ambtsedig proces-verbaal van verhoor, d.d. 13 mei 2008, PL205A/08-049842, opgemaakt door
, hoofdagent van politie (opgenomen op p. 4037 in de ordner met het opschrift “Map 9”).