Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2015:2587

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
09-07-2015
Datum publicatie
13-07-2015
Zaaknummer
F 200.169.539_01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

ONDERTOEZICHTSTELLING

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak : 9 juli 2015

Zaaknummer : F 200.169.539/01

Zaaknummer 1e aanleg : C/02/294292 / JE RK 15-163

in de zaak in hoger beroep van:

[de moeder] ,

wonende te [woonplaats],

appellante,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: mr. B.P.A. van Beers,

tegen

Raad voor de Kinderbescherming,

regio Zuidwest Nederland, locatie Breda,

verweerder,

hierna te noemen: de raad.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

- William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering (hierna te noemen: de stichting).

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 10 februari 2015.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 4 mei 2015, heeft de moeder verzocht voormelde beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende, bij beschikking, alsnog het verzoek van de raad, als ongegrond en/of onbewezen, af te wijzen.

2.2.

Er is geen verweerschrift ingekomen.

2.3.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 18 juni 2015. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- de moeder, bijgestaan door mr. Van Beers;

- de raad, vertegenwoordigd door mevrouw [vertegenwoordiger Raad];

- de stichting, vertegenwoordigd door mevrouw [vertegenwoordiger Stichting].

2.4.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

  • -

    het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg op 10 februari 2015;

  • -

    de brief met bijlagen van de stichting d.d. 28 mei 2015.

3. De beoordeling

3.1.

Uit de moeder is op [geboortedatum] 2013 te [woonplaats] [kind] (hierna te noemen: [kind]) geboren.

3.2.

Bij de bestreden – uitvoerbaar bij voorraad verklaarde – beschikking heeft de rechtbank [kind] onder toezicht gesteld voor de duur van één jaar, derhalve tot 10 februari 2016.

3.3.

De moeder kan zich met deze beslissing niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen.

3.4.

De moeder voert in het beroepschrift, zoals aangevuld ter zitting – kort samengevat – het volgende aan.

De moeder lijkt te worden afgerekend op de hulpverlening die is ingezet voor haar andere kinderen, die thans 21, 17 en 14 jaar oud zijn. De moeder heeft in de afgelopen jaren echter veel geleerd en is in staat om [kind] (meer dan de andere kinderen) structuur en grenzen te bieden. De conclusies van de raad in zijn rapport d.d. 29 januari 2015 zijn gebaseerd op hooguit twee contactmomenten. De vier informanten van de raad verwijzen voorts met name naar hun ervaringen met de andere kinderen van de moeder. De raad heeft de gestelde zorgpunten (ook anderszins) niet, althans onvoldoende onderbouwd.

De moeder woont thans met [kind] in [woonplaats], in welke stad c.q. omgeving ook haar moeder, broer en zus wonen. Zij hoeft ’s avonds dan ook niet langer van [plaats] naar [woonplaats] te reizen, als zij [kind] naar haar zus wil brengen. De problemen met de onderbuurman in [plaats] zijn ook verleden tijd. De moeder haalde [kind] wel eens eerder uit bed, omdat de onderbuurman last had van het huilen van [kind]. [kind] ligt nu altijd op tijd in bed.

Er is te weinig gewicht toegekend aan het feit dat er geen zorgen zijn over de gedragsmatige en sociaal-emotionele ontwikkeling van [kind] en hetgeen voorts uit eerder raadsonderzoek naar voren is gekomen.

De moeder biedt [kind] de basale zorg die zij nodig heeft en zij staat open voor hulpverlening. Zij heeft zich daarvoor eerder uit eigen beweging aangemeld. Thans krijgt zij begeleiding van Prisma, welke begeleiding ook in het vrijwillige kader kan voortduren. De moeder voldoet aan alle in het Plan van Aanpak opgenomen eisen. Reeds vóór de behandeling van het verzoek in eerste aanleg heeft de moeder [kind] aangemeld voor de peuterspeelzaal. De moeder kan ook weer terugvallen op haar sociale netwerk.

3.5.

De raad voert ter zitting – kort samengevat – het volgende aan.

De moeder wordt niet alleen afgerekend op hetgeen in het verleden is misgegaan. De raad merkt daarbij wel op dat het verleden niet kan worden weggepoetst en dat het lage niveau dat bij de moeder is vastgesteld, blijvend is. De belaste geschiedenis met de andere kinderen van de moeder is voorts een risicofactor voor een jong kind als [kind].

Er waren bij de raad echter ook concrete zorgen over de ontwikkeling van [kind]. Stichting MEE gaf te kennen dat de op dat moment aanwezige hulpverlening te weinig was en ten tijde van het raadsonderzoek kon de moeder de noodzakelijke hulpverlening maar moeilijk accepteren. Er kwamen voorts zorgelijke signalen binnen van mensen die de situatie bij de moeder observeerden. De moeder is een liefdevolle en zorgzame moeder. [kind] wordt echter ouder en zij zal steeds meer een eigen wil gaan krijgen. Intensieve ondersteuning is nodig om ervoor te zorgen dat alles goed blijft gaan en om te voorkomen dat [kind] “met moeder aan de haal gaat”.

Volgens de raad is het positief dat de moeder en [kind] weer in [woonplaats] wonen en dat het netwerk is hersteld. De raad benadrukt echter dat toen de moeder na het conflict in haar netwerk naar [plaats] was verhuisd, het zonder de ondersteuning van dat netwerk direct weer moeizaam verliep in de thuissituatie van de moeder.

De ondertoezichtstelling is er juist voor bedoeld om te zorgen dat de moeder [kind] zelf kan grootbrengen.

3.6.

De stichting voert – kort samengevat – het volgende aan.

De stichting complimenteert de moeder met de stappen die zij sinds het uitspreken van de ondertoezichtstelling heeft gezet. Bij aanvang van de ondertoezichtstelling was er bij de moeder nog sprake van weerstand en wantrouwen naar de hulpverlening. Aangezien de moeder met de hulpverlening van SDW negatieve ervaringen heeft gehad, is gekozen voor de hulpverlening van Prisma. Bij Prisma heeft het ook enige tijd geduurd om het vertrouwen van de moeder te winnen. Sinds twee weken ligt er echter een Plan van Aanpak. Prisma heeft te kennen gegeven dat de moeder de hulpverlening accepteert en handelt naar de adviezen die zij krijgt. Prisma ziet ook dat [kind] een pittig meisje is dat de grenzen opzoekt. Dit vormt voor de moeder nog steeds een uitdaging. De moeder kan nu wel weerstand bieden wanneer [kind] bijvoorbeeld chips wil eten als ontbijt. Op 2 september 2015 start [kind] op de peuterspeelzaal. Er wordt nu al gewerkt aan het creëren van een dag- en nachtstructuur dat daarvoor nodig is. Daarop gerichte methodes die de moeder aangereikt heeft gekregen, kan zij nu toepassen. De moeder wilde op enig moment haar zoon en oudste dochter opvangen, maar zij is gaan inzien dat dit geen verstandige keuze zou zijn. Zij heeft zich toch genoodzaakt gezien haar zoon in huis te nemen, omdat hij nergens anders naar toe kon, maar heeft wel hulpverlening en instellingen gebeld om opvang elders voor hem te regelen.

Volgens de stichting gaat het nu wel goed, maar “staat het allemaal maar net”. Het zou volgens de stichting goed zijn als de ondertoezichtstelling voor de duur van de resterende termijn in stand blijft, zodat de stichting (op de achtergrond) de situatie kan blijven monitoren.

De hulpverlening van Prisma zou volgens de stichting ook in het vrijwillige kader kunnen worden voortgezet.

3.7.

Het hof overweegt het volgende.

3.7.1.

Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:

a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;

b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, in staat zijn te dragen.

3.7.2.

Het hof is van oordeel dat hiervan sprake is en overweegt daartoe het volgende.

3.7.3.

Het hof is van oordeel dat [kind] ernstig in haar ontwikkeling wordt bedreigd. De concrete bedreigingen in de ontwikkeling van [kind], zoals blijkt uit het raadsrapport d.d. 29 januari 2015, hebben vooral betrekking op de opvoedingsvaardigheden en het opvoedershandelen van de moeder in combinatie met haar cognitief beperkte vermogens. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat de moeder ten tijde van het uitspreken van de ondertoezichtstelling moeite had met het uitoefenen van haar gezag over [kind]. De moeder bracht [kind] laat naar bed en gaf [kind] te veel koek, snoep en chips. [kind] leek in de thuissituatie de regie te nemen en de moeder leek hierin onmachtig.

Nu is [kind] nog zeer jong, maar de verwachting is dat naarmate [kind] groter en ouder wordt de zorg voor [kind] op meer leefgebieden dan alleen maar de basale zorg zal toenemen en dat de moeder zal worden geconfronteerd met complexere opvoedsituaties, die zij onvoldoende zal aankunnen. Dit is in het verleden gebleken in de opvoeding van de oudere kinderen van de moeder, die allen uit huis zijn geplaatst. [kind] is nu al drammerig en huilerig als zij probeert haar zin te krijgen.

De moeder stond maar tot op zekere hoogte open voor hulpverlening en adviezen. De zeer intensieve hulpverlening die door de betrokken hulpverlening noodzakelijk werd geacht, werd door de moeder niet geaccepteerd.

Op grond van het voorgaande is het hof van oordeel dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat een ondertoezichtstelling noodzakelijk is om de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreigingen in de ontwikkeling van [kind] noodzakelijk is, te waarborgen.

3.7.4.

Het hof stelt op grond van het verhandelde ter zitting vast dat de noodzakelijk geachte intensieve hulpverlening thans wel door de moeder wordt geaccepteerd. De stichting Prisma begeleidt de moeder sinds het uitspreken van de ondertoezichtstelling. Prisma is tevreden over de houding van en de samenwerking met de moeder. De moeder lijkt in te zien dat [kind] meer structuur, duidelijkheid en begrenzing dient te worden geboden en dat de moeder hierbij hulp nodig heeft. Voorts volgt de moeder de adviezen van de hulpverlening op en is zij (door de aanwijzingen van de hulpverlening op te volgen) beter in staat weerstand te bieden aan het gedrag van [kind].

3.7.5.

Het hof acht het echter met de raad en de stichting noodzakelijk dat er zicht blijft op de opvoedsituatie bij de moeder, dat de noodzakelijke hulpverlening gewaarborgd blijft en dat de rol van de moeder als opvoedster van [kind] wordt bewaakt. Het hof neemt daarbij onder meer in overweging dat het gezin van de moeder een belaste geschiedenis kent, waarin de moeder het vaak erg moeilijk heeft gevonden om de nodige hulpverlening te accepteren. Het hof is van oordeel dat het risico niet kan worden genomen dat de thans aanwezige hulpverlening van Prisma wegvalt.

Bovendien is het nog altijd de vraag in hoeverre de moeder leerbaar is en met name in hoeverre het geleerde beklijft. De hulpverlening van Prisma is er mede op gericht om daar meer zicht op te krijgen. Gelet op de lange hulpverleningsgeschiedenis en de beperkte vermogens van de moeder, voorziet het hof dat langdurige begeleiding noodzakelijk blijft. Het hof acht het derhalve noodzakelijk dat de ondertoezichtstelling voortduurt.

3.7.6.

Naar het oordeel van het hof is tevens de verwachting gerechtvaardigd dat de moeder, binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van [kind] aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, in staat is te dragen. Alle betrokken hulpverleners en de raad hebben de verwachting dat, zolang de moeder open blijft staan voor hulp en advies en praktische ondersteuning in de opvoedsituatie, de belangen en ontwikkeling van [kind] voldoende gewaarborgd kunnen worden.

3.7.7.

Het hof acht met de rechtbank een ondertoezichtstelling van [kind] voor de duur van één jaar noodzakelijk om de ontwikkelingsbedreigingen af te wenden.

Een ondertoezichtstelling voor een kortere termijn dan een jaar is, gezien de omstandigheden en het doel van de hulpverlening – zie met name de overwegingen van hof onder 3.7.5. – naar het oordeel van het hof niet aan de orde.

3.8.

Het voorgaande leidt ertoe dat de bestreden beschikking dient te worden bekrachtigd.

4 De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 10 februari 2015;

verzoekt de griffier krachtens het bepaalde in het Besluit Gezagsregisters een afschrift van deze uitspraak toe te zenden aan de griffier van de rechtbank Oost-Brabant, afdeling civiel recht, team familie- en jeugdrecht ter attentie van het centraal gezagsregister;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. M.C. Bijleveld-van der Slikke, J.H.J.M. Mertens-Steeghs en H. van Winkel en in het openbaar uitgesproken op 9 juli 2015.