Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2015:2586

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
09-07-2015
Datum publicatie
13-07-2015
Zaaknummer
F 200.151.821_01
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2016:2045, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Internationaal privaatrecht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

erkenning Marokkaans echtscheidingsvonnis

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1
Burgerlijk Wetboek Boek 1 157
Burgerlijk Wetboek Boek 1 253a
Burgerlijk Wetboek Boek 1 377e
Burgerlijk Wetboek Boek 1 401
Burgerlijk Wetboek Boek 10
Burgerlijk Wetboek Boek 10 31
Burgerlijk Wetboek Boek 10 57
Burgerlijk Wetboek Boek 10 59
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PFR-Updates.nl 2015-0238
JPF 2015/114 met annotatie van mr. dr. I. Curry-Sumner

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak: 9 juli 2015

Zaaknummer: F 200.151.821/01

Zaaknummer eerste aanleg: C/01/263366 FA RK 13-2650

in de zaak in hoger beroep van:

[de vrouw] ,

wonende te

[woonplaats 1],

appellante in principaal appel,

geïntimeerde in incidenteel appel

,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. J. Cortet,

tegen

[de man] ,

wonende te

[woonplaats 2], Zwitserland,

verweerder in principaal appel,

appellant in incidenteel appel

,

hierna te noemen: de man,

advocaat: mr. J.M.F. Honders.

In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

de Raad voor de Kinderbescherming,

hierna te noemen: de raad.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 27 maart 2014.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 27 juni 2014, heeft de vrouw verzocht voormelde beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende, zo nodig onder aanvulling van gronden, de verzoeken van de vrouw, zoals opgenomen in het verzoekschrift d.d. 16 mei 2013, alsnog geheel toe te wijzen, dan wel een beslissing te nemen die het hof juist acht.

2.2.

Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 6 oktober 2014, heeft de man verzocht, uitvoerbaar bij voorraad:

1. de vrouw niet-ontvankelijk te verklaren in haar beroep, althans haar verzoeken af te wijzen;

2. de door de vrouw verzochte proceskostenveroordeling af te wijzen.

Tevens heeft de man incidenteel appel ingesteld en verzocht voormelde beschikking te vernietigen voor zover zijn (voorwaardelijk) verzoek een zorgregeling vast te stellen is afgewezen en een zorgregeling tussen hem en de kinderen vast te stellen, zodanig dat hij met ingang van de datum van de beschikking gerechtigd is iedere 14 dagen een weekend – al dan niet in Zwitserland – omgang met de hierna nader te noemen kinderen te hebben en dat hij gerechtigd is de helft van alle schoolvakanties, in elk geval de helft van de kerst- en zomervakanties omgang met de kinderen te hebben – al dan niet in Marokko – onder de verplichting van vrouw om alle noodzakelijke medewerking te verlenen.

2.2.1.

Bij verweerschrift in incidenteel appel met producties, ingekomen ter griffie op

17 november 2014, heeft de vrouw verzocht de man niet-ontvankelijk te verklaren in zijn incidenteel appel, althans zijn verzoeken af te wijzen.

2.3.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 2 juni 2015. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

  • -

    de vrouw, bijgestaan door mr. Cortet;

  • -

    de man, bijgestaan door mr. Honders;

  • -

    de raad, vertegenwoordigd door mevrouw [vertegenwoordiger Raad].

2.4.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

  • -

    de brief met bijlagen van de advocaat van de man d.d. 16 oktober 2014;

  • -

    de brief met bijlagen van de advocaat van de vrouw d.d. 19 mei 2015;

  • -

    de brief met bijlage van de advocaat van de vrouw d.d. 20 mei 2015.

3 De beoordeling

In het principaal en incidenteel appel

3.1.

Partijen zijn op [trouwdatum] 2005 te [plaats 1], Marokko, met elkaar gehuwd. Het huwelijk van partijen is niet ingeschreven in de Nederlandse registers van de burgerlijke stand.

Uit hun voorhuwelijkse relatie is geboren:

- [kind 1] (hierna: [kind 1] ), op [geboortedatum] 2004 te [plaats 2].

Uit het huwelijk van partijen zijn geboren:

  • -

    [kind 2](hierna: [kind 2]), op [geboortedatum] 2008 te [plaats 2],

  • -

    [kind 3] (hierna: [kind 3]), op [geboortedatum] 2009 te [plaats 2].

De man heeft de kinderen naar Nederlands recht erkend.

Partijen hebben zowel de Nederlandse als de Marokkaanse nationaliteit.

3.2.

Bij vonnis van 24 juli 2012 heeft de rechtbank te Casablanca, Marokko, op verzoek van de man de echtscheiding uitgesproken op grond van duurzame ontwrichting van het huwelijk. Bij dit vonnis heeft de rechtbank tevens, voor zover thans van belang, het verzorgingsrecht over voornoemde kinderen toegewezen aan de vrouw, een zorgregeling vastgesteld zoals in dat vonnis is weergegeven en bepaald dat de man ten behoeve van de kinderen moet voldoen: 2.000 dirham (ongeveer € 185,-) per kind per maand als kinderalimentatie, 600 dirham (ongeveer € 55,-) per maand als vergoeding voor hun verzorging en 3.000 dirham (ongeveer € 277,-) per maand als woonkostenvergoeding.

3.3.

Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank de verzoeken van de vrouw tot vaststelling van het hoofdverblijf respectievelijk wijziging van de kinder- en partneralimentatie afgewezen. Tevens heeft de rechtbank het voorwaardelijk verzoek van de man een zorgregeling vast te stellen afgewezen.

3.4.

De vrouw kan zich met deze beslissing niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen. De man is van de beslissing in incidenteel hoger beroep gekomen.

3.5.

De vrouw stelt zich primair op het standpunt dat de Nederlandse rechter bevoegd is ten aanzien van het echtscheidingsverzoek en nevenvoorzieningen en dat daarop Nederlands recht van toepassing is. Subsidiair stelt de vrouw dat het Marokkaanse echtscheidingsvonnis van 24 juli 2012 niet voor erkenning vatbaar is, nu dit niet na een behoorlijke rechtspleging tot stand is gekomen. Zij voert hiertoe – kort samengevat – onder meer aan dat zij de Arabische taal niet machtig is en haar het recht op een tolk werd ontzegd, waardoor zij in aanzienlijke mate werd gehinderd in haar procesvoering. Zo is haar niet duidelijk of het feit dat zij de bevoegdheid van de Marokkaanse rechter en de toepasselijkheid van het Marokkaanse recht heeft betwist, überhaupt aan de orde is gekomen, nu hieromtrent in het vonnis niets is overwogen. Voorts voert zij hiertoe aan dat de echtscheiding in strijd met de in Marokko te volgen procedure tot stand is gekomen en dat de man valsheid in geschrifte heeft gepleegd en aan de rechtbank onjuiste gegevens heeft verstrekt.

3.6.

De man stelt zich op het standpunt dat de rechtbank terecht de Marokkaanse echtscheidingsbeslissing heeft erkend. Hij voert daartoe aan de dat de vrouw in eerste aanleg in de Marokkaanse procedure is verschenen, zich door een advocaat heeft laten vertegenwoordigen, om de toepassing van Marokkaans recht heeft verzocht en vorderingen toegewezen heeft gekregen in het kader van alimentatie en hoofdverblijf van de kinderen. De man stelt dat partijen hun huwelijk bewust en opzettelijk om hen moverende redenen buiten de Nederlandse rechtssfeer hebben gehouden. De man betwist dat de vrouw gehinderd werd in haar procesvoering doordat zij de Arabische taal niet machtig is en dat er in Marokko geen sprake is geweest van een behoorlijke procesvoering.

3.7.

Het hof overweegt als volgt.

Rechtsmacht

Het internationale karakter van de zaak vraagt een beoordeling van de rechtsmacht van de Nederlandse rechter. Het hof verwijst hiervoor naar de daaraan gewijde overwegingen van de rechtbank waartegen geen grieven zijn gericht en die het hof onderschrijft. De Nederlandse rechter komt rechtsmacht toe met betrekking tot de verzoeken van partijen.

Erkenning van het Marokkaans vonnis

3.8.1.

Op grond van artikel 10:57 van het Burgerlijk Wetboek (BW) wordt een in het buitenland na een behoorlijke rechtspleging verkregen ontbinding van het huwelijk of scheiding van tafel en bed in Nederland erkend, indien zij tot stand is gekomen door de beslissing van een rechter of andere autoriteit en indien aan die rechter of andere autoriteit daartoe rechtsmacht toekwam. Op grond van artikel 10:59 BW wordt aan een in het buitenland tot stand gekomen ontbinding van het huwelijk erkenning onthouden indien deze erkenning kennelijk onverenigbaar is met de openbare orde. Daarvan is sprake als deze evident in strijd is met waarden en normen die in de Nederlandse rechtsorde als fundamenteel worden beschouwd.

3.8.2.

Voor zover de vrouw heeft gesteld dat de Marokkaanse rechter geen rechtsmacht toekwam, nu deze zijn rechtsmacht heeft aangenomen op grond van de onjuiste veronderstelling dat de man woonplaats had in Casablanca, gaat het hof hieraan voorbij. De vraag of de Marokkaanse terecht rechtsmacht heeft aangenomen, moet worden beoordeeld aan de hand van internationale maatstaven. Het feit dat beide partijen de Marokkaanse nationaliteit hebben voldoet aan voornoemde maatstaven.

3.8.3.

Met betrekking tot de stelling van de vrouw dat het Marokkaanse vonnis niet na een behoorlijke rechtspleging tot stand is gekomen omdat zij gehinderd werd in haar procesvoering, overweegt het hof als volgt.

Uit het vonnis blijkt dat de vrouw zich in de echtscheidingsprocedure in Marokko heeft gesteld, van rechtsbijstand was voorzien, inhoudelijk verweer heeft gevoerd – haar standpunt ten aanzien van de (reden van de) door de man verzochte echtscheiding en de gevolgen van de echtscheiding voor haar en de kinderen zijn expliciet in het vonnis weergegeven – en verzocht heeft de door haar in het vonnis gespecificeerde financiële rechten ten aanzien van haar zelf en de kinderen toe te wijzen. De vrouw is van het vonnis in hoger beroep gegaan, doch heeft dit op eigen initiatief weer ingetrokken. Gelet op het voorgaande kan naar het oordeel van het hof niet worden volgehouden dat het feit dat de vrouw de Arabische taal niet machtig is en niet over een tolk beschikte, impliceert dat van een behoorlijke rechtspleging geen sprake is geweest.

3.8.4.

Ten aanzien van de stelling van de vrouw dat de echtscheiding in strijd met de in Marokko voor de onderhavige situatie voorgeschreven procedure tot stand is gekomen, nu er geen sprake is geweest van een verzoeningspoging, zodat sprake is van strijd met de openbare orde, overweegt het hof als volgt. Zo de juiste procedure al niet is gevolgd – hetgeen door de man wordt betwist – en er, hoewel voorgeschreven, geen verzoeningspoging is geweest – hetgeen wordt weersproken door het echtscheidingsvonnis dat melding maakt van drie verzoeningszittingen, bij twee waarvan de vrouw en haar vertegenwoordiger verstek hebben laten gaan – is er naar het oordeel van het hof geen sprake van strijd met de openbare orde, nu de echtscheiding is uitgesproken op grond van duurzame ontwrichting van het huwelijk, hetgeen naar Nederlands recht eveneens grond is voor echtscheiding. Dat de vrouw naar Marokkaans recht geen recht heeft op partneralimentatie maakt evenmin dat het Marokkaanse vonnis in strijd komt met de openbare orde.

Hetgeen de vrouw overigens met betrekking tot de handelswijze van de man heeft gesteld - zijn nieuwe huwelijk tijdens de echtscheidingsprocedure, het plegen van valsheid in geschrifte en het verstrekken van onjuiste gegevens aan de rechtbank -, voor zover daarvan al in het licht van de betwisting van de man vanuit kan worden gegaan, staat zulks aan de erkenning van het Marokkaanse vonnis niet in de weg.

3.8.5.

Gelet op het voorgaande is naar het oordeel van het hof voldaan aan de vereisten van artikel 10:57 BW, zodat het echtscheidingsvonnis van 24 juli 2012 in Nederland wordt erkend.

Hoofdverblijf en zorgregeling

3.9.1.

De Marokkaanse rechter heeft bij het echtscheidingsvonnis het hoede-/verzorgingsrecht toegewezen aan de vrouw en een zorgregeling vastgesteld. Op grond van artikel 23 van het Haags Kinderbeschermingsverdrag wordt het Marokkaans vonnis ook op deze punten erkend.

3.9.2.

Tussen partijen is niet in geschil dat met de toewijzing door de Marokkaanse rechter van het hoede-/verzorgingsrecht aan de vrouw het hoofdverblijf van de kinderen bij de vrouw is bepaald. Ter zitting is met partijen besproken dat het hof in het dictum voor recht zal verklaren dat voornoemde kinderen bij de vrouw het hoofdverblijf hebben.

3.9.3.

De bij het Marokkaanse vonnis bepaalde zorgregeling, inhoudende dat de man elke zondag van 9:00 uur tot 18:00 uur omgang heeft met de kinderen, is tussen partijen wel in geschil. Ingevolge artikel 1:253a lid 1 BW kunnen geschillen omtrent de gezamenlijke uitoefening van het ouderlijk gezag aan de rechter worden voorgelegd.

In het geval van een geschil omtrent de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken kan de rechter, gelet op artikel 1:377e BW in samenhang met artikel 1:253a lid 4 BW, een eerdere beslissing dienaangaande wijzigen op grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd.

De rechter neemt een zodanige beslissing als hem in het belang van het kind wenselijk voorkomt.

3.9.4.

Ten aanzien van [kind 1] en [kind 2] zijn partijen het erover eens dat zij gezamenlijk het gezag over hen uitoefenen. Ten aanzien van [kind 3] is daartoe door partijen in Nederland geen actie ondernomen, echter nu [kind 3] staande het Marokkaanse huwelijk van partijen is geboren, welk huwelijk op grond van artikel 10:31 BW van rechtswege wordt erkend, staat hij - eveneens van rechtswege - onder gezag van beide ouders. Aldus oefenen partijen ook ten aanzien van [kind 3] gezamenlijk het gezag uit.

3.9.5.

Gelet op de inhoud van de tussen partijen gevoerde procedures in kort geding omtrent de zorgregeling is het hof van oordeel dat sprake is van een wijziging van omstandigheden sedert de vaststelling van de zorgregeling in het Marokkaanse vonnis.

3.9.6.

Ter zitting hebben partijen hun standpunt omtrent de zorgregeling kenbaar gemaakt. In verband met het werk van de man waarbij hij regelmatig buiten Europa verblijft, stelt de vrouw een zorgregeling voor waarbij de kinderen drie weekenden per maand bij de man verblijven, met de vrijheid voor de man om - na kennisgeving daarvan minimaal een week van te voren - een weekend per maand te laten vervallen. Daarnaast wil de vrouw dat de omgang gedurende een jaar uitsluitend in Nederland plaatsvindt en pas daarna ook in het buitenland. Ten slotte acht de vrouw het van belang dat de man de zorg voor de kinderen niet uitbesteedt aan anderen.

3.9.7.

De man acht drie weekenden per maand niet realistisch. Hij stelt een zorgregeling voor van een weekend per veertien dagen met de mogelijkheid bij verhindering in onderling overleg een weekend in te halen. Voorts heeft de man te kennen gegeven graag de mogelijkheid te hebben de kinderen tijdens vakanties mee naar Marokko te nemen.

3.9.8.

Met inachtneming van het voorgaande zal het hof omtrent de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken een regeling vaststellen als na te melden, die het hof in het belang van voornoemde kinderen wenselijk voorkomt. Het hof overweegt daarbij in hetgeen de vrouw heeft aangevoerd en ook overigens geen aanleiding te zien de man beperkingen op te leggen wat betreft het reizen met de kinderen in en naar het buitenland. Het hof zal de regeling als volgt inrichten:

De kinderen verblijven met ingang van de datum van deze beschikking bij de man eenmaal per veertien dagen een weekend van vrijdagmiddag na school tot zondagavond 18.00 uur en gedurende de helft van de vakanties en feestdagen in onderling overleg nader te bepalen en tenminste drie aaneengesloten weken in de zomervakantie. Het hof gaat er daarbij van uit dat indien de man een weekend is verhinderd, hij de vrouw daar zo spoedig mogelijk, tenminste drie dagen tevoren, van op de hoogte stelt, waarna partijen in onderling overleg de data waarop dit weekend kan worden ingehaald, vaststellen.

De man is gerechtigd de kinderen mee te nemen naar het buitenland, tijdens de weekeinden binnen Europa, tijdens de vakanties ook daarbuiten.

Bijdrage man in kosten verzorging en opvoeding minderjarigen

3.10.1.

Nu naar het oordeel van het hof bij de totstandkoming van het Marokkaanse vonnis aan de voorwaarden voor erkenning is voldaan, kan aan dit vonnis ook op het punt van de bijdragen van de man in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen rechtskracht worden toegekend. Hieruit vloeit voort dat dit vonnis door de Nederlandse rechter kan worden gewijzigd, indien daartoe naar Nederlands recht aanleiding is.

3.10.2.

Een rechterlijke uitspraak of overeenkomst betreffende levensonderhoud kan bij latere rechterlijke uitspraak worden gewijzigd of ingetrokken wanneer zij nadien door wijziging van omstandigheden ophoudt aan de wettelijke maatstaven te voldoen (artikel 1:401 lid 1 BW) dan wel indien zij van de aanvang af niet aan de wettelijke maatstaven heeft beantwoord, doordat bij die uitspraak van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan (artikel 1:401 lid 4 BW) of indien zij is aangegaan met grove miskenning van de wettelijke maatstaven (artikel 1:401 lid 5 BW).

3.10.3.

Het hof is van oordeel dat aan hetgeen de vrouw ter onderbouwing van haar standpunt dat sprake is van een situatie als bedoeld in dit artikel 401 lid 1 heeft aangevoerd, te weten de omstandigheid dat zij in financiële moeilijkheden is geraakt omdat de door de Marokkaanse rechter toegekende bedragen niet toereikend zijn, niet de betekenis kan worden toegekend die de vrouw daaraan toegekend wenst te zien en is er naar het oordeel van het hof geen sprake van een relevante wijziging van omstandigheden in vorenbedoelde zin.

3.10.4.

Voor zover de vrouw heeft gesteld dat de door de Marokkaanse rechter naar Marokkaans recht vastgestelde onderhoudsverplichtingen van meet af aan niet aan de wettelijke maatstaven hebben voldaan, doordat bij de uitspraak van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan, overweegt het hof als volgt.

3.10.5.

In het Marokkaanse recht wordt bij de vaststelling van het levensonderhoud rekening gehouden met onder meer het inkomen van de onderhoudsplichtige (artikel 189 Mudawwana). Ter zitting van het hof heeft de man desgevraagd verklaard dat hij al sedert 2008 variabele vergoedingen ontvangt boven zijn vaste salaris waarover de Marokaanse rechter niet is geïnformeerd en daarmee bij de vaststelling van de bijdragen voor de kinderen dus geen rekening heeft kunnen houden. De man schat die vergoedingen op een (gemiddeld) bedrag dat ligt tussen € 80.000 en € 140.000 per jaar. Hieruit volgt naar het oordeel van het hof dat de Marokkaanse rechter bij de vaststelling van de bijdragen voor de kinderen van meet af aan van onjuiste gegevens is uitgegaan, hetgeen een hernieuwde beoordeling van de onderhoudsbijdrage ten behoeve van de kinderen rechtvaardigt. De man heeft geen concreet inzicht gegeven in de hoogte van de vergoedingen. De vrouw heeft ter zitting aangegeven er mee te kunnen instemmen dat het hof uit zal gaan van de door de man mondeling verstrekte opgave. Nu partijen daarnaast aan het hof geen, althans onvoldoende inzicht hebben gegeven in hun financiële situaties, ten tijde van hun samenleven, kan het hof niet toekomen aan de berekening van de behoefte van de kinderen. De door de man verstrekte gegevens over zijn financiële positie zijn eveneens ontoereikend om tot een verantwoorde draagkrachtberekening te komen terwijl de inkomenssituatie van de vrouw met zich brengt dat zij op basis daarvan geen dan wel nagenoeg geen draagkracht heeft. Het hof zal daarom naar de maatstaven van redelijkheid en billijkheid, met name ook gerelateerd aan het inkomen van de man zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken. met inachtneming van het door de vrouw te ontvangen kindgebonden budget in 2015, de bijdrage van de man in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen vaststellen op € 750,- per kind per maand, waarbij opgemerkt zij dat dit bedrag mede omvat de door de Marokkaanse rechter separaat vastgestelde vergoeding voor de verzorging van de kinderen en de woonkostenvergoeding.

Het hof zal de wijziging in laten gaan met ingang van de datum waarop het verzoekschrift van de vrouw in eerste aanleg is ingediend, derhalve 21 mei 2013. De man had vanaf die datum rekening kunnen houden met een wijziging van de eerder bij het vonnis door de Marokkaanse rechter vastgestelde bijdragen ten behoeve van de kinderen. Het hof realiseert zich dat dit voor de man kan leiden tot een nabetalingsverplichting van enige omvang, maar is van oordeel dat dat voor rekening en risico van de man komt nu van hem had mogen worden verwacht dat hij van meet af aan openheid had gegeven over zijn financiële positie en met name over de substantiële vergoedingen die hij boven op zijn salaris ontving.

Partneralimentatie

3.11.

Met betrekking tot het verzoek van de vrouw partneralimentatie vast te stellen overweegt het hof als volgt. In het Marokkaanse vonnis is de man veroordeeld aan de vrouw de ‘Mout’aa’ (schadeloosstelling) te betalen ad 100.000,- dirham (ongeveer € 9.201,-) en een woonkostenvergoeding voor de wachtperiode ad 4.000,- dirham (ongeveer € 368,-). Het Marokkaanse recht kent geen partneralimentatie in de zin van een uitkering tot levensonderhoud zoals in de Nederlandse wet is opgenomen (artikel 1:157 BW). Dat de Marokkaanse rechter geen onderhoudsbijdrage ten behoeve van de vrouw heeft bepaald, is derhalve niet in strijd met de Marokkaanse wettelijke maatstaven. Evenmin is dit, zoals hiervoor overwogen, strijdig met de Nederlandse openbare orde. Erkenning van het Marokkaanse vonnis (en aldus van de niet-toekenning van de partneralimentatie) impliceert dat het hof voor wat de partneralimentatie betreft niet toekomt aan een beoordeling op grond van artikel 1:401 BW. Voor zover het betreft de wel aan de vrouw toegekende - in het Nederlands recht in deze vorm niet voorkomende - schadeloosstelling en woonkostenvergoeding, acht het hof het niet aan de Nederlandse rechter om deze te beoordelen op strijd met de Marokkaanse wettelijke maatstaven, te meer nu zulks ook niet door de vrouw is aangevoerd. Het hof miskent hierbij niet dat er door de keuze van partijen de echtscheiding met nevenvorderingen voor de Marokkaanse rechter te brengen en aldaar, met toepassing van Marokkaans recht, af te doen, gevolgen voor de vrouw zijn ontstaan die zij achteraf gezien onwenselijk acht, doch overweegt dat deze gevolgen in huwelijken met internationale aspecten op kunnen treden en, in situaties als de onderhavige, niet zonder meer omkeerbaar zijn.

Proceskosten

3.12.

De vrouw heeft verzocht de man te veroordelen in de proceskosten. Het hof ziet geen aanleiding af te wijken van de gebruikelijke regel in procedures van familierechtelijke aard die inhoudt dat de proceskosten in hoger beroep worden gecompenseerd.

3.13.

Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.

4 De beslissing

Het hof:

op het principaal en incidenteel appel:

vernietigt de tussen partijen gegeven beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van

27 maart 2014, met uitzondering van de proceskostencompensatie;

en in zoverre opnieuw rechtdoende:

verklaart voor recht dat:

  • -

    [kind 1], geboren op [geboortedatum] 2004 te [plaats 2],

  • -

    [kind 2], geboren op [geboortedatum] 2008 te [plaats 2] en

  • -

    [kind 3], geboren op [geboortedatum] 2009 te [plaats 2]

het hoofdverblijf hebben bij de vrouw;

wijzigt de beschikking van de rechtbank van Casablanca van 24 juli 2012 als volgt:

stelt omtrent de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen de man en de vrouw met betrekking tot voornoemde minderjarigen de volgende regeling vast:

de kinderen verblijven bij de man gedurende een weekend per veertien dagen van vrijdagmiddag na school tot zondagavond 18.00 uur en de helft van de vakanties en feestdagen, tussen partijen nader in onderling overleg te bepalen en tenminste drie aaneengesloten weken in de zomervakantie;

bepaalt, eveneens met wijziging in zoverre van het vonnis van de Marokkaanse rechter van 12 juli 2012 tussen de partijen gewezen, dat de man aan de vrouw met ingang van 21 mei 2013 als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van voornoemde kinderen zal voldoen een bedrag van € 750,- per kind per maand, voor wat de nog niet verschenen termijnen betreft te voldoen bij vooruitbetaling;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de proceskosten in hoger beroep, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. C.A.R.M. van Leuven, C.D.M. Lamers en

J.H.J.M. Mertens-Steeghs en in het openbaar uitgesproken op 9 juli 2015.