Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2015:2582

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
26-06-2015
Datum publicatie
24-07-2015
Zaaknummer
13-00804
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Motorrijtuigenbelasting. Naheffingsaanslag en boete. Hoger beroep Inspecteur en incidenteel hoger beroep belanghebbende

Handelsvoorraad-auto wordt bij controle gefotografeerd zonder gebruik van handelaarskentekenplaten.

De Inspecteur maakt met de overgelegde foto aannemelijk dat het dit motorrijtuig betreft. Belanghebbende brengt geen enkel bewijs bij van het tegendeel. De naheffingsaanslag is terecht opgelegd.

Ook de boete is terecht opgelegd. Er is geen sprake van dubbele bestraffing en schending van artikel 6 EVRM. De boete is gericht op de overtreding, het ten onrechte niet gebruiken van het handelaarskenteken voor een auto die tot een bedrijfsvoorraad behoort. De periode waarin het motorrijtuig tot de handelsvoorraad behoort is – anders dan waarvan de Rechtbank is uitgegaan – in dit kader niet relevant en vormt dan ook geen reden om de boete te matigen.

Het Hof acht het bedrag van de opgelegde boete van € 412 (100% van de verschuldigde enkelvoudige belasting) in dit geval passend en geboden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2015/1648
V-N 2016/5.24.20
FutD 2015-1869
NTFR 2015/2190
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht

Meervoudige Belastingkamer

Kenmerk: 13/00804

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep van

de inspecteur van de Belastingdienst/Centrale administratie,

hierna: de Inspecteur,

en, naar het Hof begrijpt, het incidenteel hoger beroep van

[belanghebbende] B.V.,

gevestigd te [plaats] ,

hierna: belanghebbende,

tegen de uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant te Breda (hierna: de Rechtbank) van 14 mei 2013, nummer AWB 13/164, in het geding tussen

belanghebbende,

en

de Inspecteur,

betreffende de aan belanghebbende voor het tijdvak 4 februari 2011 tot en met 3 februari 2012 opgelegde naheffingsaanslag in de motorrijtuigenbelasting, aanslagnummer [aanslagnummer] , en de daarbij gegeven boetebeschikking.

Onderzoek ter zitting

De zitting heeft plaatsgehad op 12 juni 2015 te ‘s-Hertogenbosch.

Aldaar is toen verschenen en gehoord namens de Inspecteur, de heer [A] . Belanghebbende is niet verschenen.

De griffier heeft verklaard dat hij belanghebbende bij op 20 april 2015, met nummer [nummer] , aangetekend naar het door belanghebbende zelf opgegeven adres verzonden uitnodiging, waarvan een afschrift tot de stukken behoort, heeft kennis gegeven van datum, plaats en tijdstip van de zitting.

Tot de stukken van het geding behoort een kopie van het op de onderhavige uitnodiging betrekking hebbende gedeelte van de lijst van aangetekende verzendbewijzen en een schermprint van de op dat verzendbewijs betrekking hebbende statusinformatie.

Hieruit volgt dat de uitnodiging op 21 april 2015 op het door belanghebbende opgegeven adres is afgeleverd.

Na behandeling van de zaak heeft het Hof heden, 26 juni 2015, de volgende mondelinge uitspraak gedaan.

Beslissing

Het Hof

  • -

    verklaart het principaal hoger beroep gegrond;

  • -

    verklaart het incidenteel hoger beroep ongegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraak van de Rechtbank; en

  • -

    verklaart het tegen de uitspraak van de Inspecteur ingestelde beroep ongegrond.

Gronden

Vooraf en ambtshalve

1. Blijkens de hiervoor onder “Onderzoek ter zitting” vermelde stukken is de aldaar genoemde uitnodiging op 21 april 2015 uitgereikt.

Op grond hiervan is het Hof van oordeel dat de uitnodiging om op de zitting te verschijnen op de juiste wijze heeft plaatsgevonden.

Ten aanzien van het geschil

2. Het geschil betreft het antwoord op de vraag of de naheffingsaanslag en de boetebeschikking terecht zijn opgelegd (incidenteel hoger beroep) en welke boete passend en geboden is (principaal hoger beroep).

3. Belanghebbende is van mening dat de auto van het merk [merk] met het kenteken [kenteken] (hierna: het motorrijtuig) op het moment van de overtreding in de showroom stond en er mogelijk gebruik is gemaakt van een valse kentekenplaat. Belanghebbende is al jaren in het bezit van handelaarskentekenenplaten, die zij altijd gebruikt voor testritten met de auto’s die deel uitmaken van de handelsvoorraad. Belanghebbende meent voorts dat het niet past om naast de naheffing ook nog eens een boete op te leggen, omdat dan twee keer een boete wordt opgelegd voor hetzelfde vergrijp. Zij beroept zich daarbij op soortgelijke uitspraken van het Hof, waartegen door de Minister van Financiën beroep in cassatie is ingesteld.

De Inspecteur is de opvatting toegedaan, dat de Rechtbank ten onrechte rekening heeft gehouden met de periode waarin het motorrijtuig tot de bedrijfsvoorraad heeft behoord in het kader van de vraag welke boete passend en geboden is. De Inspecteur acht de opgelegde boete van 100% passend en geboden.

Wettelijk kader

4. In artikel 1, tweede lid, van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 (hierna: de Wet MRB) is de volgende regeling vervat, die hierna wordt aangeduid als de handelaarsregeling:

“2. Voor motorrijtuigen die behoren tot een bedrijfsvoorraad en voor motorrijtuigen die voor het verrichten van werkzaamheden daaraan bij een herstelbedrijf zijn, kan de belasting, onder bij algemene maatregel van bestuur te stellen voorwaarden met betrekking tot het gebruik, in afwijking van het eerste lid worden geheven ter zake van de ten behoeve van die motorrijtuigen opgegeven kentekens als bedoeld in artikel 37, derde lid, van de Wegenverkeerswet 1994.”

5. Artikel 3 van het Uitvoeringsbesluit motorrijtuigenbelasting 1994 luidt als volgt:

“Met betrekking tot het gebruik van motorrijtuigen als bedoeld in artikel 1, tweede lid, van de wet zijn de krachtens artikel 37, derde en vierde lid, van de Wegenverkeerswet 1994 gestelde voorwaarden voor het gebruik van die motorrijtuigen en de aldaar bedoelde kentekens van toepassing.”

6. Artikel 37, derde lid, van de Wegenverkeerswet 1994 luidt als volgt:

“3. Voor motorrijtuigen en aanhangwagens, die behoren tot de bedrijfsvoorraad van een natuurlijke persoon of rechtspersoon aan wie een erkenning als bedoeld in artikel 62 is verleend of die voor herstel of bewerking ter beschikking zijn gesteld van een natuurlijke persoon of rechtspersoon, geldt het vereiste dat een kenteken voor een bepaald voertuig dient te zijn opgegeven niet, mits overeenkomstig bij algemene maatregel van bestuur vastgestelde regels gebruik wordt gemaakt van een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen, door de Dienst Wegverkeer aan die natuurlijke persoon of rechtspersoon dan wel aan een natuurlijke persoon of rechtspersoon aan wie een erkenning als bedoeld in artikel 62 is verleend en die het voertuig ten behoeve van eerstbedoelde natuurlijke persoon of rechtspersoon ten verkoop voorhanden heeft, opgegeven kenteken. De Dienst Wegverkeer kan aan deze opgaven voorschriften verbinden. Bij ministeriële regeling kunnen met betrekking tot die voorschriften regels worden vastgesteld. Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald in welke gevallen het gebruik van een zodanig kenteken verplicht is.”

7. Artikel 44 van het Kentekenreglement luidt als volgt:

“Gebruik

1. Een handelaarskenteken mag slechts worden gebruikt door degene aan wie het is opgegeven dan wel een door deze aangewezen persoon. Het gebruik is slechts toegestaan voor de categorie waarvoor het is opgegeven.

2. Een handelaarskenteken mag worden gebruikt voor voertuigen die ter bewerking of herstel aan degene aan wie het kenteken is opgegeven ter beschikking zijn gesteld.

3. Een handelaarskenteken moet worden gebruikt voor voertuigen die behoren tot de bedrijfsvoorraad van degene aan wie het kenteken is opgegeven.

4. Een handelaarskenteken mag uitsluitend worden gebruikt indien met het voertuig als bedoeld in het tweede en derde lid gebruik van de weg wordt gemaakt in het kader van bedrijfsactiviteiten van het erkende bedrijf of de natuurlijke persoon of rechtspersoon aan wie het handelaarskenteken is opgegeven.

5. Voor overtreding van het eerste tot en met vierde lid is degene aan wie het handelaarskenteken is opgegeven aansprakelijk.”

8. Artikel 69 van de Wet MRB luidt voor zover relevant als volgt:

“1. Indien met betrekking tot een motorrijtuig uit een bedrijfsvoorraad of een motorrijtuig dat voor het verrichten van werkzaamheden daaraan bij een herstelbedrijf is, niet is voldaan aan de krachtens artikel 1, tweede lid, gestelde voorwaarden, kan de belasting worden nageheven.

2. De na te heffen belasting wordt berekend over een tijdsduur van twaalf maanden, waarbij als laatste dag geldt de dag waarvan wordt geconstateerd dat op die dag niet wordt voldaan aan de krachtens artikel 1, tweede lid, gestelde voorwaarden.

3. (…)”

9. Artikel 70 van de Wet MRB luidt als volgt:

“In het geval als bedoeld in artikel 69, is artikel 67c van de Algemene wet inzake rijksbelastingen van overeenkomstige toepassing.”

10. Artikel 67c van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) bepaalt voor zover hier van belang dat de inspecteur aan de belastingplichtige een verzuimboete kan opleggen van ten hoogste € 4.920.

De naheffingsaanslag

11. De Inspecteur heeft een foto overgelegd, waarop een auto van het merk [merk] met het kenteken [kenteken] staat afgebeeld. Daarbij is vermeld dat deze auto op vrijdag 3 februari 2012 om 12:35 uur door camera [camera] is waargenomen. Het Hof is met de Rechtbank van oordeel, dat de Inspecteur met deze foto aannemelijk heeft gemaakt dat het motorrijtuig zonder handelaarskenteken van de openbare weg gebruik heeft gemaakt. Belanghebbende heeft haar stelling, dat het motorrijtuig op het moment van de overtreding in de showroom stond, niet nader onderbouwd. De stellingen van belanghebbende dat altijd de bij haar in bezit zijnde handelaarskentekenplaten worden gebruikt en dat mogelijk gebruik is gemaakt van een valse kentekenplaat, kunnen haar niet baten. Belanghebbende heeft te dier zake geen enkel bewijs bijgebracht. Het Hof is – evenals de Rechtbank – van oordeel dat de naheffingsaanslag terecht is opgelegd. Nu de hoogte van de naheffingsaanslag als zodanig niet in geschil is, heeft de Rechtbank het beroep terecht ongegrond verklaard voor zover het betreft de naheffingsaanslag.

Boete

12. Belanghebbende heeft gesteld dat het niet past om naast de naheffing ook nog eens een boete op te leggen, omdat dan twee keer een boete wordt opgelegd voor hetzelfde vergrijp. Zij beroept zich daarbij op soortgelijke uitspraken van het Hof, waartegen door de Minister van Financiën beroep in cassatie is ingesteld.

13. Het Hof is van oordeel dat het punitieve karakter van de berekening van de na te heffen belasting over een termijn van twaalf maanden niet voorop staat, maar dat sprake is van een praktische maatregel die ertoe strekt de uitvoerbaarheid te bevorderen, zodat in zoverre geen sprake is van dubbele bestraffing en schending van artikel 6 van het EVRM (zie Hoge Raad 19 december 2014, nr. 14/00478, ECLI:NL:HR:2014:3599).

14. Zoals volgt uit het arrest van de Hoge Raad van 19 december 2014, nr. 13/01874, ECLI:NL:HR:2014:3612, BNB 2015/44, is de mogelijkheid van naheffing van motorrijtuigenbelasting in een geval als het onderhavige gekoppeld aan de omstandigheid dat wordt geconstateerd dat met betrekking tot een motorrijtuig uit een bedrijfsvoorraad of een motorrijtuig dat voor het verrichten van werkzaamheden daaraan bij een herstelbedrijf is, niet is voldaan aan een van de voorwaarden van artikel 1, tweede lid, van de Wet MRB. Voorts heeft de Hoge Raad geoordeeld dat uit de wetsgeschiedenis volgt, dat in verband met de bijzondere naheffingsbepalingen in de Wet MRB met artikel 69 van de Wet MRB is beoogd uitbreiding te geven voor de toepassing van artikel 67c van de AWR (Kamerstukken II 1995/96, 24 800, nr. 3, blz. 3), door het geval bedoeld in artikel 69 van de Wet MRB gelijk te stellen met de gevallen bedoeld in artikel 67c van de AWR. Dit is door de wetgever tot uitdrukking gebracht door in artikel 70 van de Wet MRB, artikel 67c van de AWR in die gevallen van overeenkomstige toepassing te verklaren. Dit betekent dat het niet voldoen aan de voorwaarden van artikel 1, tweede lid, van de Wet MRB moet worden gelijkgesteld met een betalingsverzuim.

Het Hof is van oordeel dat de boete is gericht op de overtreding, namelijk het ten onrechte niet gebruiken van het handelaarskenteken voor een auto, die tot een bedrijfsvoorraad behoort. De periode, waarin het motorrijtuig tot de handelsvoorraad behoort is – anders dan waarvan de Rechtbank kennelijk is uitgegaan – in dit kader niet relevant en vormt dan ook geen reden om de boete te matigen.

15. Naar het oordeel van het Hof is de boete opgelegd in overeenstemming met het bepaalde in artikel 37 van de Wet MRB in samenhang met artikel 67c van de AWR. Het Hof acht het bedrag van de opgelegde boete van € 412 (100% van de verschuldigde enkelvoudige belasting) passend en geboden.

Ten aanzien van het griffierecht

16. Gelet op het feit dat de uitspraak van de Rechtbank niet in stand blijft, is voor het heffen van griffierecht van de Inspecteur inzake het hoger beroep geen plaats.

Ten aanzien van de proceskosten

17. Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

Slot

18. Gelet op al het vorenoverwogene moet worden beslist als bovenvermeld.

Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal.

Aldus gedaan door J. Swinkels, voorzitter, T.A. Gladpootjes en H.J. Cosijn, en voor wat betreft de beslissing in tegenwoordigheid van J.W.J. van der Heijden, griffier, in het openbaar uitgesproken op 26 juni 2015.

Aangetekend in afschrift aan partijen verzonden op 9 juli 2015.

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH

‘s-Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.

  1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

  2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in
cassatie is gericht.

d. de gronden van het beroep in cassatie

Tenzij de Hoge Raad anders bepaalt, zal het gerechtshof deze mondelinge uitspraak vervangen door een schriftelijke. In dat geval krijgt de indiener de gelegenheid de gronden van het beroep in cassatie alsnog aan te voeren of aan te vullen.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep ontvangt de indiener een nota griffierecht van de Hoge Raad.

In het beroepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.