Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2015:2575

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
09-07-2015
Datum publicatie
31-07-2015
Zaaknummer
14-00423
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2014:1903, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Belanghebbende treedt op als artiest. De opdrachtgevers bestaan met name uit grote zorginstellingen met een professionele administratieafdeling. Hij heeft met deze opdrachtgevers steeds een nettoloonafspraak gemaakt. Hij sluit telkens een schriftelijke overeenkomst van korte duur, volgens het modelcontract van de Nederlandse Toonkunstenaarsbond. In deze overeenkomst is voor wat betreft de afdracht van de loonheffingen bepaald dat de opdrachtgever zorgdraagt voor het afdragen van loonheffingen. In 2009 had belanghebbende 63 opdrachtgevers. Van 24 opdrachtgevers heeft hij jaaropgaven ontvangen.

Het Hof oordeelt dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat bij alle opdrachtgevers inhouding van loonheffing heeft plaatsgevonden. Voorts oordeelt het Hof dat ten aanzien van de inhouding belanghebbende te goeder trouw mocht menen dat de opdrachtgevers de loonheffing zouden inhouden. Belanghebbende mag de ten onrechte niet ingehouden loonheffing als voorheffing op de inkomstenbelasting in aanmerking nemen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2015-1916
V-N Vandaag 2015/1669
Belastingadvies 2015/18.5
V-N 2015/48.13

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht

Meervoudige Belastingkamer

Kenmerk: 14/00423

Uitspraak op het hoger beroep van

[belanghebbende] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna: belanghebbende,

tegen de uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant te Breda (hierna: de Rechtbank) van 28 februari 2014, nummer AWB 13/2725 in het geding tussen

belanghebbende

en

de inspecteur van de Belastingdienst, [vestigingsplaats] ,

hierna: de Inspecteur

betreffende na te noemen aanslag.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Aan belanghebbende is voor het jaar 2009 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 11.964, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is verminderd tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 8.324.

1.2.

Belanghebbende is van deze uitspraak in beroep gekomen bij de Rechtbank. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van de Rechtbank van belanghebbende een griffierecht geheven van € 44.

De Rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar vernietigd, de aanslag verminderd tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 7.792, de beschikking heffingsrente dienovereenkomstig verminderd, de Inspecteur veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van € 974 en de Inspecteur gelast het door belanghebbende betaalde griffierecht te vergoeden.

1.3.

Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 122.

De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.4.

Op grond van artikel 8:58 van de Algemene wet bestuursrecht heeft belanghebbende vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan de wederpartij.

1.5.

De zitting heeft plaatsgehad op 29 april 2015 te ‘s-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord belanghebbende, zijn zakenpartner, de heer [A] , zijn gemachtigden, de heer [B] en mevrouw [C] en mevrouw [D] als deskundige van de Nederlandse Toonkunstenaarsbond, alsmede, namens de Inspecteur, de heer [E] .

1.6.

Belanghebbende heeft te dezer zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het Hof en aan de wederpartij.

1.7.

Het Hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.

1.8.

Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat in afschrift aan partijen is verzonden.

2 Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het Hof komen vast te staan.

2.1.

Belanghebbende treedt al diverse jaren als artiest op in een duo onder de naam ‘ [naam] ’. Daarvoor sluiten zij met steeds verschillende opdrachtgevers een schriftelijke overeenkomst van korte duur, volgens het modelcontract van de Nederlandse Toonkunstenaarsbond. In deze overeenkomst is voor wat betreft de afdracht van de loonheffingen de volgende passage opgenomen:

‘Contractant I

(…)

 draagt zorg voor het afdragen van loonheffingen en werknemersverzekeringpremies’.

2.2.

De opdrachtgevers bestaan met name uit grote zorginstellingen met een professionele administratieafdeling. In 2009 had belanghebbende 63 opdrachtgevers. Hij heeft met deze opdrachtgevers steeds een nettoloonafspraak gemaakt. Ter zake van de optredens in het onderhavige jaar heeft belanghebbende 24 jaaropgaven ontvangen betreffende 27 optredens. Ook na herhaaldelijke verzoeken heeft belanghebbende van de overige opdrachtgevers geen jaaropgaven ontvangen. Belanghebbende heeft de opdrachtgevers gemaand zich aan hun wettelijke verplichtingen te houden, doch zonder succes.

2.3.

Belanghebbende heeft over het jaar 2009 aangifte IB/PVV gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 11.964. Hierin is begrepen een bedrag van € 12.827 aan winst uit onderneming, genoten als artiest. Voor zover de omzet ziet op gages waarvoor belanghebbende geen jaaropgave heeft ontvangen, heeft hij zijn ontvangen gages gebruteerd en dit gebruteerde inkomen in de aangifte opgenomen als omzet. Hij heeft tevens € 7.475 ‘loonheffingen artiesten’ als ingehouden en afgedragen loonheffing aangegeven. Dit bedrag bestaat voor € 3.406 uit op de ontvangen jaaropgaven gespecificeerde loonheffingen en voor € 4.069 uit door hemzelf berekende loonheffing.

2.4.

Op 28 november 2012 legt de Inspecteur de aanslag IB/PVV over 2009 op. De Inspecteur heeft de te verrekenen ‘loonheffing artiesten’ gecorrigeerd naar € 3.609. Op basis van de hem ter beschikking staande gegevens is dat het bedrag van de ter zake van belanghebbende afgedragen loonheffingen. Belanghebbende heeft tegen de aanslag bezwaar gemaakt. Bij de uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur het belastbaar inkomen uit werk en woning verminderd met € 4.067 zijnde het inkomen overeenkomend met de gecorrigeerde loonheffing.

3 Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1.

Het geschil betreft het antwoord op de vraag of belanghebbende recht heeft op verrekening van de loonheffing die op grond van contracten door de opdrachtgevers ingehouden en afgedragen had moeten worden, maar niet heeft plaatsgevonden.

Belanghebbende is van mening dat deze vraag bevestigend moet worden beantwoord. De Inspecteur is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

3.2.

Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken in hoger beroep de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt.

Voor hetgeen hieraan ter zitting is toegevoegd, wordt verwezen naar het van deze zitting opgemaakte proces-verbaal.

3.3.

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en van de uitspraak van de Inspecteur en tot een vermindering van de aanslag naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 11.964 met verrekening van loonheffing tot een bedrag van € 9.371. De Inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van belanghebbendes hoger beroep en bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4 Gronden

Ten aanzien van het geschil

4.1.

Loonbelasting wordt ingevolge artikel 27 van de Wet op de loonbelasting 1964 geheven door inhouding op het loon. Inhouding vindt plaats door het van een bepaald overeengekomen brutobedrag afzonderen van de loonbelasting met het oogmerk deze op aangifte af te dragen. Indien een nettoloon is overeengekomen in die zin dat de werkgever zich heeft verplicht de loonbelasting voor zijn rekening te nemen, vindt de inhouding plaats doordat de werkgever uit eigen middelen een bedrag afzondert voor de later op aangifte af te dragen loonbelasting. Ingevolge artikel 9.2 van de Wet inkomstenbelasting 2001 en artikel 15 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen kan geheven loonbelasting worden verrekend met de verschuldigde inkomstenbelasting.

4.2.

Het Hof zal allereerst onderzoeken of sprake is van inhouding en afdracht van loonbelasting door de opdrachtgevers van belanghebbende. De bewijslast daarvan rust op belanghebbende. Het Hof is van oordeel dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat de opdrachtgevers ter zake van de gagevergoedingen die niet zijn opgenomen in de door de Inspecteur verstrekte gegevens uit de Fibase, loonbelasting hebben ingehouden. Belanghebbende heeft daartoe geen enkel bewijs aangedragen. Het enkele feit dat belanghebbende met zijn opdrachtgevers steeds een nettoloonafspraak heeft gemaakt, betekent niet dat inhouding heeft plaatsgevonden.

4.3.

Zoals de Hoge Raad in het arrest van 22 juli 1981, nr. 20 680, ECLI:NL:HR:1981:AW9784, BNB 1981/306 heeft geoordeeld, kan een werknemer de niet ingehouden loonheffing echter toch met de aanslag inkomstenbelasting verrekenen, indien hij te goeder trouw is. Een werknemer is te goeder trouw indien hij meende en ook bij inachtneming van de door hem, gelet op de omstandigheden, te betrachten zorgvuldigheid redelijkerwijze mocht menen dat de werkgever aan zijn verplichting tot inhouding zou voldoen.

4.4.

In zijn arrest van 21 september 1983, nr. 21 953, BNB 1984/32 heeft de Hoge Raad geoordeeld dat in gevallen als de onderhavige, bij betwisting door de inspecteur, de bewijslast van de goede trouw bij de belanghebbende ligt.

4.5.

De vraag die voorligt is of belanghebbende te goeder trouw mocht menen dat de opdrachtgevers de loonbelasting zouden inhouden. De opdrachtgevers dienen binnen een maand na afloop van de kalendermaand waarin de gage is betaald, aangifte te doen en de loonbelasting af te dragen. Het peilmoment voor het bepalen van de goede trouw van belanghebbende ligt derhalve steeds rondom het tijdstip van het optreden.

4.6.

Belanghebbende heeft in de contracten met zijn opdrachtgevers vastgelegd dat de ontvangen gages voor zijn optredens nettoloon vormen. Ook staat in de contracten vermeld dat de opdrachtgevers zorg zullen dragen voor het afdragen van de loonheffing. Deze contracten zijn gebaseerd op de standaardcontracten van de Nederlandse Toonkunstenaarsbond. Belanghebbende handelt zoals gebruikelijk in de artiestenbranche met gebruikmaking van de artiestenregeling, zoals aangegeven in het Handboek Loonheffingen van de Belastingdienst.

4.7.

De opdrachtgevers waarmee belanghebbende de contracten heeft gesloten bestaan voornamelijk uit grote zorginstellingen met een professionele administratie en een goede solvabiliteit en liquiditeit. De gages zijn voor het grootste deel per giro betaald en deze betalingen moeten administratief zijn verwerkt op de betalingsafdeling van de desbetreffende zorginstellingen. Het uitgekeerde loon komt overeen met de afspraken volgens de contracten. De hoogte van het loon is vergelijkbaar met het loon van andere artiesten en met het loon dat door andere opdrachtgevers is betaald. Niet ter discussie staat dat de optredens daadwerkelijk zijn uitgevoerd en dat van alle optredens gageverklaringen aanwezig zijn in de administratie van belanghebbende.

4.8.

Uit bijlage 4 en 5 van het hoger beroepsschrift blijkt dat opdrachtgevers soms wel en soms niet een jaaropgave hebben verstrekt, maar dat elk van de daar genoemde opdrachtgevers wel tenminste een keer een jaaropgave heeft verstrekt in de loop van de jaren. Het enkele feit dat er in het verleden niet altijd een jaaropgave is verstrekt, is – naar het oordeel van het Hof – dan ook onvoldoende om te kunnen stellen dat belanghebbende er op het moment van optreden vanuit had moeten gaan dat de opdrachtgevers in de toekomst geen loonheffing zouden inhouden.

4.9.

Het Hof is van oordeel dat belanghebbende, gelet op de in rechtsoverwegingen 4.6 tot en met 4.8 genoemde omstandigheden, de door hem te betrachten zorgvuldigheid in acht heeft genomen en op het moment van zijn optreden mocht menen dat de opdrachtgevers aan hun verplichting tot inhouding van loonheffing zouden voldoen. Nu belanghebbende te goeder trouw heeft gehandeld, kan de berekende loonheffing worden verrekend met de aanslag IB/PVV 2009.

Slotsom

4.10.

De slotsom is dat het hoger beroep gegrond is, dat de uitspraak van de Rechtbank dient te worden vernietigd met uitzondering van de beslissingen betreffende de proceskosten en het griffierecht, dat de uitspraak van de Inspecteur dient te worden vernietigd en dat de aanslag wordt vastgesteld naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 11.964 met verrekening van loonbelasting als voorheffing tot een bedrag van € 9.371.

Ten aanzien van het griffierecht

4.11.

Nu de uitspraak van de Rechtbank wordt vernietigd, dient de Inspecteur aan belanghebbende het door hem ter zake van de behandeling van het hoger beroep bij het Hof betaalde griffierecht ten bedrage van € 122 te vergoeden.

Ten aanzien van de proceskosten

4.12.

Aangezien het door belanghebbende ingestelde hoger beroep gegrond is, acht het Hof termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen tot betaling van een tegemoetkoming in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het hoger beroep bij het Hof redelijkerwijs heeft moeten maken. Het Hof stelt deze tegemoetkoming, mede gelet op het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht, op 2 (punten) x € 490 (waarde per punt) x 1 (factor gewicht van de zaak) is € 980. Het Hof acht de zwaarte van de zaak gemiddeld en ziet geen reden om een hogere wegingsfactor toe te passen.

5 Beslissing

Het Hof:

  • -

    verklaart het hoger beroep gegrond,

  • -

    vernietigt de uitspraak van de Rechtbank met uitzondering van de beslissingen betreffende de proceskosten en het griffierecht,

  • -

    verklaart het bij de Rechtbank ingestelde beroep gegrond,

  • -

    vernietigt de uitspraak van de Inspecteur,

  • -

    vermindert de aanslag naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 11.964 en stelt de te verrekenen loonbelasting vast op € 9.371,

  • -

    gelast dat de Inspecteur aan belanghebbende het door deze ter zake van de behandeling van het hoger beroep bij het Hof betaalde griffierecht ten bedrage van € 122 vergoedt, en

  • -

    veroordeelt de Inspecteur in de kosten van het geding bij het Hof aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 980.

Aldus gedaan op 9 juli 2015 door T.A. Gladpootjes, voorzitter, G.D. van Norden en H.J. Cosijn, in tegenwoordigheid van A.A. van Wendel de Joode, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.

  1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

  2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

  1. de naam en het adres van de indiener;

  2. een dagtekening;

  3. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

  4. e gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.