Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2015:2574

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
09-07-2015
Datum publicatie
31-07-2015
Zaaknummer
14-00346
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2014:1117, Bekrachtiging/bevestiging
Cassatie: ECLI:NL:HR:2015:3558
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Aanslag IB/PVV 2009

I. Heeft belanghebbende voldaan aan het grotendeels-criterium voor toepassing van de zelfstandigenaftrek en de MKB-winstvrijstelling?

Hof: nee, belh. heeft te dier zake niet aan de op hem rustende bewijslast voldaan.

II. Is het gebruikelijk loon op een te hoog bedrag vastgesteld?

Het Hof komt tot de conclusie dat de Inspecteur aannemelijk heeft gemaakt dat het gebruikelijk loon niet op een te hoog bedrag is vastgesteld.

Het Hof is van oordeel dat het belastbaar inkomen uit werk en woning op het juiste bedrag is vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2015-1924
V-N Vandaag 2015/1690
V-N 2015/44.1.3

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht

Meervoudige Belastingkamer

Kenmerk: 14/00346

Uitspraak op het hoger beroep van

[belanghebbende] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna: belanghebbende,

tegen de uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant te Breda (hierna: de Rechtbank) van 19 februari 2014, nummer AWB 13/3721 in het geding tussen

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor [vestigingsplaats] ,

hierna: de Inspecteur,

betreffende de hierna vermelde aanslag en beschikking heffingsrente.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Aan belanghebbende is voor het jaar 2009 een aanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 234.171. Tegelijkertijd is, in één geschrift met de aanslag verenigd, bij voor bezwaar vatbare beschikking een bedrag aan heffingsrente in rekening gebracht van € 8.536.

De aanslag en de beschikking heffingsrente zijn na gemaakt bezwaar bij uitspraak van de Inspecteur gehandhaafd.

1.2.

Belanghebbende is van deze uitspraak in beroep gekomen bij de Rechtbank. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van de Rechtbank van belanghebbende een griffierecht geheven van € 44.

De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

1.3.

Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 122.

De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.4.

Belanghebbende heeft schriftelijk gerepliceerd en de Inspecteur heeft schriftelijk gedupliceerd.

1.5.

Op grond van artikel 8:58 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) heeft de Inspecteur vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan de wederpartij.

1.6.

De zitting heeft plaatsgehad op 28 mei 2015 te ‘s-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord belanghebbende en zijn gemachtigden, de heren [A] en [B] (beide verbonden aan Administratiekantoor [naam] BV te [plaats] ), alsmede, namens de Inspecteur, de heer [C] .

Belanghebbende heeft te dezer zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het Hof en de wederpartij. De Inspecteur heeft verklaard bezwaar te hebben tegen overlegging van de bij deze pleitnota behorende bijlage. Het Hof zal op deze aangelegenheid hierna nader ingaan (zie onder 4.1).

1.7.

Het Hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.

1.8.

Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat in afschrift aan partijen is verzonden.

2 Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden als tussen partijen niet in geschil, dan wel door een van hen gesteld en door de andere niet, dan wel onvoldoende, weersproken voor het Hof komen vast te staan.

2.1.

Belanghebbende exploiteert een veehandel in de vorm van de eenmanszaak [D] (hierna: de eenmanszaak).

2.2.

Belanghebbende houdt tezamen met zijn echtgenote (ieder 50%) alle aandelen in [E] BV (hierna: [E] BV). De activiteiten van deze BV bestaan onder meer uit het voeren van het beheer over [F] BV (hierna: [F] BV), waarvan [E] BV alle aandelen houdt. De activiteiten van [F] BV bestaan uit de exploitatie van een internationale veehandel. Belanghebbende is de enige werknemer van [E] BV. [F] BV heeft geen personeel. Alle werkzaamheden binnen [E] BV en [F] BV worden door belanghebbende verricht. [E] BV en [F] BV zijn opgericht in 2008. [F] BV heeft de exploitatie van haar internationale veehandel overgenomen van de eenmanszaak. Daarbij is geen goodwill bedongen en zijn geen contracten opgesteld.

2.3.

De eenmanszaak, [E] BV en [F] BV, zijn gevestigd aan de [a-straat] 12A te [woonplaats] .

2.4.

Belanghebbende heeft voor het jaar 2009 aangifte IB/PVV (hierna: aangifte) gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 55.094. In die aangifte heeft belanghebbende een loon uit [E] BV verantwoord van € 60.000.

2.5.

Volgens de aangifte vennootschapsbelasting voor het jaar 2009 van [E] BV bestaan de opbrengsten van [E] BV uit managementvergoedingen van in totaal € 365.000, bestaande uit een bedrag van € 300.000 inzake [F] BV en een bedrag van € 65.000 inzake de eenmanszaak. De lasten van [E] BV bestaan onder meer uit een beloning aan belanghebbende van € 60.000.

2.6.

In de aangifte vennootschapsbelasting voor het jaar 2009 van [F] BV is als buitengewone last een bedrag van € 300.000 verantwoord met als omschrijving “management fee [E] BV”. Er zijn geen personeelskosten ten laste van het resultaat van [F] BV gebracht.

2.7.

De Inspecteur heeft belanghebbende bij brief van 10 juli 2012 mededeling gedaan van zijn voornemen af te wijken van de over het jaar 2009 ingediende aangifte. Belanghebbende heeft hier, ook na herhaald verzoek, niet op gereageerd. De Inspecteur heeft vervolgens bij wege van aanslag het belastbaar inkomen uit werk en woning vastgesteld op € 234.171, welk bedrag als volgt is opgebouwd:

Aangegeven belastbaar inkomen uit werk en woning: € 55.094

Correctie zelfstandigenaftrek: + € 9.251

Correctie MKB-winstvrijstelling: -/- € 124

Correctie gebruikelijk loon [E] BV: + € 169.950

----------

Vastgesteld belastbaar inkomen uit werk en woning: € 234.171

2.8.

De Inspecteur heeft het gebruikelijk loon als volgt berekend:

Opbrengst [E] BV: € 365.000

Werkgeverslasten en oudedagsvoorziening (10%) -/- € 36.500

-----------

€ 328.500

Doelmatigheidsmarge (30%) -/- € 98.550

-----------

Gebruikelijk loon: € 229.950

2.9.

De correctie gebruikelijk loon (€ 169.950) bestaat uit het gebruikelijk loon (€ 229.950) minus het uit [E] BV reeds in aanmerking genomen loon (€ 60.000).

2.10.

Tegen deze aanslag heeft belanghebbende bezwaar gemaakt. Het bezwaar is door de Inspecteur bij uitspraak van 4 juni 2013 afgewezen.

3 Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1.

Het geschil betreft het antwoord op de vraag of het belastbaar inkomen uit werk en woning tot het juiste bedrag is vastgesteld. Het geschil bestaat uit het antwoord op de volgende deelvragen:

I: heeft belanghebbende voldaan aan het grotendeels-criterium voor toepassing van de zelfstandigenaftrek en de MKB-winstvrijstelling?

II: is het gebruikelijk loon op een te hoog bedrag vastgesteld?

Belanghebbende is van mening dat beide vragen bevestigend moeten worden beantwoord. De Inspecteur is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

3.2.

Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt.

Voor hetgeen hieraan ter zitting is toegevoegd, wordt verwezen naar het van deze zitting opgemaakte proces-verbaal.

3.3.

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, tot vernietiging van de uitspraak van de Inspecteur en tot vermindering van de aanslag tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 55.094 en tot dienovereenkomstige vermindering van de beschikking heffingsrente.

3.4.

De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4 Gronden

Vooraf

4.1.

Belanghebbende heeft, met het oog op de bij de aanslag gecorrigeerde aftrek inzake de zelfstandigenaftrek en MKB-winstvrijstelling waarvoor een urencriterium geldt (zie hierna onder 4.4), ter zitting bij zijn pleitnota als bijlage een urenspecificatie verstrekt. De Inspecteur heeft tegen de overlegging van deze bijlage bezwaar gemaakt, omdat hij door de late indiening daarvan wordt overvallen en de inhoud van de urenspecificatie ter zitting niet kan verifiëren.

4.2.

De betreffende specificatie is naar het oordeel van het Hof te laat overgelegd. Uit de stukken van het geding blijkt dat belanghebbende zowel in de aanslagregelende fase, in de bezwaarfase, in de procedure bij de Rechtbank alsmede in de procedure bij het Hof tot aan de zitting, vele malen de kans heeft gehad om een urenspecificatie te overleggen. De Inspecteur heeft diverse malen gewezen op het ontbreken van een urenspecificatie en ook de Rechtbank heeft in de uitspraak belanghebbende gewezen op de mogelijkheid tot het overleggen van een urenspecificatie als bewijs voor de stelling dat meer dan 50% van de door belanghebbende gewerkte uren binnen de onderneming hebben plaatsgevonden. De Inspecteur wordt nu met de urenspecificatie overrompeld en is niet of onvoldoende in staat daar ter zitting op te reageren. Belanghebbende heeft ook geen rechtvaardiging naar voren gebracht waarom dit overzicht niet eerder in het geding is gebracht. Het Hof kan deze bijlage alleen behandelen als het de zaak aanhoudt en de Inspecteur de gelegenheid biedt daaromtrent nader onderzoek te doen. Het Hof acht het belang van belanghebbende afwegend tegen het belang van een doelmatige procesgang – mede in aanmerking genomen de vele mogelijkheden die belanghebbende heeft gehad om dit overzicht eerder in te brengen – in deze te licht om een aanhouding te rechtvaardigen. Het Hof laat de urenspecificatie met het oog op een doelmatige procesgang als zijnde tardief buiten beschouwing.

Ten aanzien van het geschil

4.3.

In geschil is het antwoord op de vraag of het belastbaar inkomen uit werk en woning tot het juiste bedrag is vastgesteld. Het Hof zal deze vraag behandelen aan de hand van de twee onder 3.1 vermelde deelvragen:

Heeft belanghebbende voldaan aan het grotendeels-criterium voor toepassing van de zelfstandigenaftrek en de MKB-winstvrijstelling?

4.4.

Artikel 3.76, eerste lid, Wet IB 2001 bepaalt dat de zelfstandigenaftrek geldt voor de ondernemer die aan het urencriterium voldoet. Artikel 3.79a, eerste lid, Wet IB 2001 bevat eenzelfde bepaling voor de MKB-winstvrijstelling.

4.5.

Ingevolge artikel 3.6, eerste lid, Wet IB 2001 (tekst voor het jaar 2009) wordt onder urencriterium verstaan: “het gedurende het kalenderjaar besteden van ten minste 1225 uren aan werkzaamheden voor een of meer ondernemingen waaruit de belastingplichtige als ondernemer winst geniet, indien:

a. de tijd die in totaal wordt besteed aan die ondernemingen en het verrichten van werkzaamheden in de zin van de afdelingen 3.3 en 3.4, grotendeels wordt besteed aan die ondernemingen of

b. de ondernemer in een of meer van de vijf voorafgaande kalenderjaren geen ondernemer was.”

4.6.

De Inspecteur heeft onweersproken gesteld dat belanghebbende vanwege de exploitatie van de eenmanszaak in de vijf voorafgaande jaren (2004 t/m 2008) voor de inkomstenbelasting als ondernemer is aangemerkt. Het Hof zal daar ook van uitgaan, te meer nu op grond van de stukken van het geding niet is gebleken dat de Inspecteur daarbij van een onjuist standpunt is uitgegaan. Dit betekent dat artikel 3.6, eerste lid, onderdeel b, Wet IB 2001 toepassing mist.

4.7.

De Inspecteur betoogt dat belanghebbende niet aan het urencriterium voldoet, omdat belanghebbende niet voldoet aan het zogenoemde grotendeels-criterium van artikel 3.6, eerste lid, onderdeel a, Wet IB 2001.

4.8.

Voor de toepassing van het grotendeels-criterium gaat het in deze zaak, naar het Hof verstaat, om het antwoord op de vraag of belanghebbende in het jaar 2009 de tijd die hij in totaal aan zijn eenmanszaak, [E] BV en [F] BV heeft besteed grotendeels (dat wil zeggen voor meer dan 50%) aan zijn eenmanszaak heeft besteed.

4.9.

De bewijslast dat aan het grotendeels-criterium wordt voldaan rust op belanghebbende. Het Hof merkt hierbij op, dat een urenspecificatie - die ontbreekt - hiervoor niet is vereist, maar wel een licht op de feitelijke situatie had kunnen werpen.

4.10.

Belanghebbende betoogt dat hij in 2009 ruim meer dan 50% van zijn tijd en uren aan de eenmanszaak heeft besteed en dat de uren die belanghebbende in [E] BV heeft gewerkt relatief minimaal zijn en hoogstens 4 uur per week hebben belopen. Aanvankelijk betoogt belanghebbende ook dat hij in de eenmanszaak de meeste omzet en brutomarge realiseerde.

4.11.

De Inspecteur bestrijdt deze stellingen van belanghebbende en wijst er daarbij onder meer op, dat vanuit [E] BV aan [F] BV een managementfee van € 300.000 in rekening is gebracht. Gelet op de hoogte van de in rekening gebrachte fee kan dit volgens hem onmogelijk voor 4 uur per week zijn. Ook geven de door [E] BV aan de eenmanszaak en [F] BV in rekening gebrachte fees zijns inziens aan dat de werkzaamheden binnen [E] BV en [F] BV meer tijd in beslag hebben genomen dan de werkzaamheden voor de eenmanszaak. De stelling van belanghebbende dat binnen de eenmanszaak de meeste omzet en brutomarge wordt behaald, wordt volgens de Inspecteur niet ondersteund door de feiten die volgen uit de aangifte IB/PVV 2009 en de aangifte vennootschapsbelasting van [F] BV voor het jaar 2009.

Het volgende overzicht getuigt hiervan:

Eenmanszaak

[F] BV

Omzet

Inkoopwaarde omzet

Brutowinst

In % van de omzet

In % van de inkoopwaarde

€ 2.171.300

2.070.961

100.339

4,62%

4,85%

€ 3.188.418

2.867.108

321.310

10,08%

11,21%

4.12.

Belanghebbende heeft hierop verklaard dat de constatering dat de meeste omzet en brutomarge binnen [F] BV worden behaald juist is, maar dat daaruit niet de conclusie mag worden getrokken dat niet aan het urencriterium wordt voldaan. Belanghebbende voert daarvoor aan dat belanghebbende in de eenmanszaak de meest intensieve werkzaamheden verricht, waarbij moet worden gedacht aan alle voorbereidende werkzaamheden aangaande koop en verkoop van vee. Afhankelijk van het risico dat de opdracht met zich brengt en uiteraard de wensen van de opdrachtgever, wordt uiteindelijk bepaald waar de omzet wordt gerealiseerd. Wanneer een opdracht risicovol is, zal de omzet worden gerealiseerd in [F] BV. Dit vanwege de hoofdelijke aansprakelijkheid. Belanghebbende heeft er daarbij op gewezen dat de omzet en winst van [F] BV vooral een gevolg is van inkopen in Duitsland en Denemarken waar veestapels gemiddeld drie keer zo groot zijn als in Nederland, waardoor het voor zich spreekt dat er ook veel groter kan worden ingekocht binnen een veel korter tijdsbestek. Belanghebbende verklaart dat hij voor deze inkoop vaak niet eens naar het buitenland hoeft te reizen en meestal alleen als tussenpersoon optreedt. In Nederland moet belanghebbende meerdere locaties af om tot eenzelfde inkoop te komen. Hierdoor zijn volgens belanghebbende automatisch meer uren nodig.

4.13.

De Inspecteur betoogt dat daar waar omzet en winst in [F] BV worden verantwoord, ook de bijbehorende uren en werkzaamheden aan die vennootschap dienen te worden toegerekend. De Inspecteur wijst er verder op dat belanghebbende geen urenspecificatie heeft overgelegd en dat de stelling van belanghebbende dat binnen de eenmanszaak meer arbeidsuren worden gemaakt te algemeen van aard is om aan te nemen dat belanghebbende aan de op hem rustende bewijslast heeft voldaan.

4.14.

Op grond van de stukken van het geding neemt het Hof als vaststaand aan, dat het er in grote lijnen op neerkomt dat omzet en winst in de eenmanszaak betrekking hebben op binnenlandse veehandel en dat de omzet en winst van [F] BV betrekking hebben op buitenlandse veehandel. Het Hof is gelet op de stukken van het geding, de verklaringen van partijen en hetgeen hiervoor is overwogen van oordeel dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat aan het grotendeels-criterium is voldaan. Het Hof wijst daarbij met name op het feit dat alle werkzaamheden binnen [E] BV en [F] BV door belanghebbende worden verricht, op de (omvang van de) door de eenmanszaak en door [F] BV met [E] BV overeengekomen managementfees en op de hiervoor opgenomen (niet langer in geschil zijnde) omzet- en winstverhouding tussen de eenmanszaak en [F] BV. Bovendien heeft belanghebbende naar het oordeel van het Hof een eventueel verschil in tijdsbeslag tussen binnenlandse en buitenlandse veehandel onvoldoende geconcretiseerd.

Vraag I dient dan ook ontkennend te worden beantwoord.

Is het gebruikelijk loon op een te hoog bedrag vastgesteld?

4.15.

Ingevolge artikel 3.81 Wet IB 2001 juncto artikel 12a, eerste lid, Wet op de loonbelasting 1964 (hierna: Wet LB 1964), wordt (voor zover hier van belang) het door een directeur/grootaandeelhouder in het kalenderjaar 2009 genoten loon ten minste gesteld op € 40.000 dan wel, indien aannemelijk is dat ter zake van soortgelijke dienstbetrekkingen waarbij een aanmerkelijk belang geen rol speelt, in het economische verkeer een hoger loon gebruikelijk is, gesteld op een zodanig bedrag dat het niet meer in belangrijke mate (dat wil zeggen: 30%) afwijkt van hetgeen gebruikelijk is. De bewijslast rust daarbij op de Inspecteur.

4.16.

Belanghebbende, die (voor 50%) aandeelhouder is van [E] BV, is enig werknemer van [E] BV. In de aangifte over het jaar 2009 heeft belanghebbende een loon aangegeven van € 60.000. Dit bedrag is hoger dan het in artikel 12a Wet LB 1964 opgenomen normbedrag. Dit brengt mee, dat op de Inspecteur de bewijslast rust aannemelijk te maken dat het gebruikelijk loon over het jaar 2009 hoger is dan € 60.000.

4.17.

De Inspecteur heeft met een beroep op het arrest van de Hoge Raad van 17 september 2004, nr. 38.378, ECLI:NL:HR:2004:AN8666, BNB 2005/50 (hierna: het arrest van 17 september 2004), het gebruikelijk loon berekend op basis van de opbrengsten van [E] BV, verminderd met de aan die opbrengsten toe te rekenen kosten (exclusief het loon van de werknemer), lasten en afschrijvingen, welke methode door hem wordt aangeduid als de afroommethode. Bij de berekening van het gebruikelijk loon heeft de Inspecteur tevens rekening gehouden met de in artikel 12a Wet LB 1964 voorgeschreven doelmatigheidsmarge van 30%.

4.18.

In zijn arrest van 17 september 2004 (r.o. 3.4) overweegt de Hoge Raad:

“3.4. Bij toepassing van artikel 12a van de Wet zal het loon dat ter zake van soortgelijke dienstbetrekkingen waarbij een aanmerkelijk belang geen rol speelt, gebruikelijk is (hierna: het gebruikelijke loon), bepaald kunnen worden aan de hand van het salaris dat toegekend is aan concrete andere werknemers met soortgelijke dienstbetrekkingen. In een geval als het onderhavige, waarin de opbrengsten van de BV (nagenoeg) geheel voortvloeien uit de door de directeur - in zijn hoedanigheid van werknemer van de BV - verrichte arbeid, is het echter ook mogelijk het gebruikelijke loon te berekenen op basis van de opbrengsten van de BV, verminderd met de aan die opbrengsten toe te rekenen kosten (exclusief het loon van die werknemer), lasten en afschrijvingen.”

Hieruit volgt dat de Inspecteur om aan de op hem rustende bewijslast te voldoen, anders dan belanghebbende betoogt, niet verplicht is het gebruikelijk loon op basis van de zogenoemde vergelijkingsmethode te berekenen.

4.19.

De Inspecteur heeft het gebruikelijk loon niet op basis van concrete gegevens omtrent het loon van andere werknemers met een soortgelijke dienstbetrekking als belanghebbende berekend, omdat hij niet over vergelijkingscijfers beschikte. Belanghebbende betoogt onder verwijzing naar een tot de gedingstukken behorend overzicht - door belanghebbende aangeduid met de omschrijving “loonwijzer”- weliswaar dat deze loonwijzer aantoont dat € 43.000 een meer dan acceptabel loon is voor een fulltime werkende veehandelaar, maar miskent daarbij naar het oordeel van het Hof dat dit overzicht niet meer inhoudt dan een uiterst summiere salarischeck, waarbij onvoldoende duidelijk is waarop dit overzicht is gebaseerd en hoe en of dit overzicht vergelijkbaar is met de positie van belanghebbende als werknemer van [E] BV. Dit klemt te meer nu belanghebbende tevens heeft betoogd dat het loon (€ 60.000) dat belanghebbende uit [E] BV geniet, kan worden vergeleken met dat van een directeur van een grotere onderneming en dat in zijn geval een uurtarief is gehanteerd van € 300 uitgaande van 50 werkweken van 4 uur.

4.20.

De Inspecteur is in zijn berekening van het gebruikelijk loon volgens de afroommethode uitgegaan van de opbrengst van [E] BV, die (nagenoeg) geheel uit managementfees bestaat. Belanghebbende betoogt echter dat de managementfees in werkelijkheid geen managementfees zijn. Belanghebbende heeft in dit verband aanvankelijk verklaard dat de managementfees gezien dienen te worden als de overwinst van de eenmanszaak en van [F] BV waaruit [E] BV in de toekomst activiteiten van [F] BV en de eenmanszaak zal gaan financieren. Nadien heeft belanghebbende verklaard dat de managementfees een concernbijdrage vormen voor door belanghebbende verrichte werkzaamheden, voor toekomstige investeringen, voor organisatie en structuur door de snelle ontwikkelingen binnen de landbouw en veeteelt in de wereldeconomie, en voor uitgaven ter realisering van toekomstige commerciële en technische doelstellingen.

4.21.

De Inspecteur betwist de opvatting van belanghebbende dat de managementfees geen managementfees zouden zijn. De Inspecteur wijst er op dat belanghebbende wisselende en deels tegenstrijdige verklaringen aflegt over de wezenlijke aard van de managementfees, dat de beide vennootschappen ( [E] BV en [F] BV) de managementfee van € 300.000 als zodanig hebben betiteld en in de afzonderlijke aangiften vennootschapsbelasting hebben verwerkt en dat ook de managementfee van € 65.000 als zodanig bij de eenmanszaak en [E] BV is betiteld en verwerkt. Daarnaast wijst de Inspecteur er op dat alle werkzaamheden binnen [E] BV en [F] BV door belanghebbende worden verricht.

4.22.

Het Hof is van oordeel dat belanghebbende, tegenover de gemotiveerde betwisting door de Inspecteur, niet of onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de in de aangifte vennootschapsbelasting 2009 bij [E] BV tot de winst gerekende managementfees geen aan diens arbeid gerelateerde beloning vormen.

4.23.

Belanghebbende heeft nog betoogd dat het gebruikelijk loon op een te hoog bedrag is vastgesteld omdat daarbij geen rekening is gehouden met in de jaren 2008 (€ 13.744), 2011 (-/- € 3.324) en 2012 (-/- € 5.450) door [E] BV behaalde resultaten. Het Hof gaat aan dit betoog - wat daar op zichzelf bezien ook van zij - reeds voorbij, omdat belanghebbende de resultaten over die jaren geenszins heeft toegelicht, gespecificeerd of anderszins heeft geconcretiseerd.

4.24.

Belanghebbende heeft ook gesteld dat de Inspecteur er geen rekening mee heeft gehouden dat belanghebbende in 2009 slechts parttime in dienst is bij [E] BV. Belanghebbende, op wie in deze de bewijslast rust, heeft tegenover de betwisting door de Inspecteur naar het oordeel van het Hof echter niet of onvoldoende aannemelijk gemaakt dat belanghebbende parttime in dienst is van [E] BV. Daar komt bij dat de opbrengst 2009, die aan de berekening van de afroommethode ten grondslag ligt, geen wijziging ondergaat indien de werkzaamheden die belanghebbende voor [E] BV heeft verricht als parttime werkzaamheden zouden moeten worden aangeduid.

4.25.

Aan het Hof is niet gebleken dat de berekening van het gebruikelijk loon door de Inspecteur, welke berekening door belanghebbende voor het overige niet is bestreden, niet voldoet aan de omschrijving in rechtsoverweging 3.4 uit het arrest van 17 september 2004.

4.26.

Het Hof concludeert dat de Inspecteur aannemelijk heeft gemaakt dat het gebruikelijk loon niet op een te hoog bedrag is vastgesteld. Vraag II dient dan ook ontkennend te worden beantwoord.

4.27.

Nu beide vragen ontkennend zijn beantwoord, is het Hof van oordeel dat het belastbaar inkomen uit werk en woning op het juiste bedrag is vastgesteld.

Slotsom

4.28.

De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is en dat de uitspraak van de Rechtbank dient te worden bevestigd.

Ten aanzien van het griffierecht

4.29.

Het Hof is van oordeel dat er geen redenen aanwezig zijn om te gelasten dat de Inspecteur aan belanghebbende het door hem betaalde griffierecht geheel of gedeeltelijk vergoedt.

Ten aanzien van de proceskosten

4.30.

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb.

5 Beslissing

Het Hof

  • -

    verklaart het hoger beroep ongegrond, en

  • -

    bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Aldus gedaan op 9 juli 2015 door T.A. Gladpootjes, voorzitter, F.P.G. Pötgens en W.P.J. Schramade, in tegenwoordigheid van J.W.J. van der Heijden, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.

  1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

  2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

  1. de naam en het adres van de indiener;

  2. een dagtekening;

  3. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

  4. e gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.