Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2015:2556

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
09-07-2015
Datum publicatie
10-07-2015
Zaaknummer
F 200.161.081_01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vervangende toestemming erkenning.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak: 9 juli 2015

Zaaknummer: F 200.161.081/01

Zaaknummer eerste aanleg: C/02/285057 / FA RK 14-4976

in de zaak in hoger beroep van:

[de moeder] ,

wonende te [woonplaats],

appellante,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: mr. J.J. Bronsveld,

tegen

[de vader] ,

wonende te [woonplaats],

verweerder,

hierna te noemen: de man,

advocaat: mr. C.A.F. Haans.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, van 1 oktober 2014.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met één productie, ingekomen ter griffie op 9 december 2014, heeft de moeder verzocht voormelde beschikking te vernietigen voor zover het betreft het verlenen van vervangende toestemming om de hierna nader te noemen minderjarige [de dochter] te erkennen.

2.2.

Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie op 6 februari 2015, heeft de man verzocht bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de beschikking waarvan beroep te bekrachtigen en het hoger beroep van de moeder af te wijzen.

De man heeft hierbij tevens incidenteel hoger beroep ingesteld en verzocht de beschikking waarvan beroep uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

2.3.

Bij verweerschrift in het incidenteel hoger beroep heeft de moeder verzocht het verzoek van de man in incidenteel hoger beroep af te wijzen.

2.4.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 4 juni 2015. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

  • -

    de moeder, bijgestaan door mr. Bronsveld;

  • -

    de man, bijgestaan door mr. Haans;

  • -

    de Raad voor de Kinderbescherming (hierna te noemen: de raad), vertegenwoordigd door mevrouw [vertegenwoordiger van de raad];

- mr. [curator], hierna: de bijzondere curator.

2.5.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg op 1 september 2014;

- de overige stukken van de eerste aanleg, ingekomen ter griffie op 29 december 2014;

- de brief van de bijzondere curator d.d. 19 maart 2015;

- de brief met bijlage van de raad d.d. 29 april 2015.

3 De beoordeling

In het principaal en incidenteel appel:

3.1.

Uit de moeder is op [geboortedatum] 2014 te [geboorteplaats] [de dochter] (hierna: [de dochter]) geboren.

De moeder oefent van rechtswege het gezag over [de dochter] uit.

[de dochter] verblijft bij de moeder.

3.2.

Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank, voor zover in hoger beroep van belang, het verzoek van de man tot het verlenen van vervangende toestemming als bedoeld in artikel 1:204 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek (BW) tot erkenning van [de dochter] als zijn kind, toegewezen en derhalve de man toestemming verleend, ter vervanging van de toestemming van de moeder, tot erkenning van [de dochter].

3.3.

De moeder kan zich met deze beslissing niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen.

De man is eveneens in hoger beroep gekomen. Hij verzoekt de beschikking waarvan beroep uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

3.4.

De moeder voert in principaal appel - kort samengevat - het volgende aan. De rechtbank heeft ten onrechte niet aannemelijk geacht dat door de erkenning de belangen van de moeder bij een ongestoorde verhouding met [de dochter] of de belangen van [de dochter] zelf worden geschaad. [de dochter] is niet geboren uit een vrijwillige bevruchtingshandeling aan de zijde van de moeder. Ter zitting in hoger beroep heeft de moeder verklaard dat de man haar heeft verkracht. Dit heeft tot gevolg dat bij de moeder weerstand bestaat tegen de erkenning door de man en de rechtbank heeft met deze gevoelens van de moeder onvoldoende rekening gehouden. Voorts is de erkenning van [de dochter] door de man niet in haar belang, nu hiervan het gevolg zal zijn (het hof begrijpt: omdat haar broer [de zoon] reeds de achternaam van de man en niet die van de vrouw draagt) dat [de dochter] ook de achternaam van de man zal dragen, hetgeen, gelet op de omstandigheden waaronder [de dochter] is verwekt, uitdrukkelijk niet de bedoeling van de moeder is. De moeder is van mening dat de rechtbank de behandeling van het onderhavige verzoek van de man had moeten aanhouden, zoals ook de behandeling van de overige verzoeken van de man -onder meer inzake een contactregeling- door de rechtbank is aangehouden. Er is sprake van een brede problematiek die partijen verdeeld houdt met betrekking tot [de zoon], het andere kind van partijen, en met betrekking tot de verzoeken van de man tot verkrijging van gezamenlijk gezag over [de dochter] en tot vaststelling van een contactregeling tussen de man en [de dochter]. Het eerste gezamenlijke gesprek van partijen bij Juzt vindt kort na de mondelinge behandeling bij het hof plaats.

De moeder wijst erop dat ook de raad ter zitting in eerste aanleg heeft geadviseerd het onderhavige verzoek van de man aan te houden.

3.5.

De man voert in principaal appel - kort samengevat - het volgende aan. De rechtbank heeft terecht overwogen dat niet aannemelijk is geworden dat door de erkenning de belangen van de moeder of die van [de dochter] worden geschaad. De man betwist dat [de dochter] niet is geboren uit een vrijwillige bevruchtingshandeling aan de zijde van de moeder, zoals de moeder heeft gesteld. Voorts staat de overige problematiek die partijen verdeeld houdt niet aan erkenning door de man van [de dochter] in de weg. [de dochter] heeft er recht op te weten van wie zij afstamt.

Verder onderbouwt de moeder niet waarom het niet in het belang van [de dochter] is dat zij na de erkenning de achternaam van de man gaat dragen.

De man heeft nog steeds geen contact gehad met [de dochter]. Hij vreest dat, indien hem geen toestemming wordt verleend om [de dochter] te erkennen, de moeder [de dochter] nooit zal informeren over haar afkomst.

In incidenteel hoger beroep verzoekt de man de beschikking waarvan beroep uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Partijen zijn verwezen naar Juzt, onder meer om te praten over het vaststellen van een zorg- en contactregeling ten aanzien van [de dochter]. Indien de man niet uitvoerbaar bij voorraad toestemming wordt verleend om [de dochter] te erkennen, dient hij de uitspraak in cassatie af te wachten. Dit zou tot de onwenselijke situatie leiden dat de man geen volwaardig gesprekspartner bij Juzt is.

3.6.

De moeder stelt zich in het incidenteel appel op het standpunt dat de rechtbank op goede gronden de beschikking waarvan beroep niet uitvoerbaar bij voorraad heeft verklaard. Uitvoerbaarverklaring bij voorraad zou tot gevolg hebben dat er onomkeerbare rechtsgevolgen aan de bestreden beschikking verbonden kunnen worden, hetgeen onwenselijk is.

3.7.

De bijzondere curator heeft geadviseerd de beschikking waarvan beroep te bekrachtigen en deze uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. De juridische situatie dient zo spoedig mogelijk in overeenstemming te worden gebracht met de biologische situatie. [de dochter] dient te weten wie haar vader is. De bijzondere curator deelt de vrees van de man dat de moeder [de dochter] niet zonder meer zal informeren omtrent haar afkomst.

3.8.

De raad heeft ter zitting geadviseerd de beschikking waarvan beroep te bekrachtigen. Uitgangspunt is dat de erkenning door de man in het belang is van [de dochter]. De erkenning zou als startpunt kunnen fungeren van het traject van partijen bij Juzt om tot een betere ouderrelatie te komen.

3.9.

Het hof overweegt het volgende.

3.9.1.

Ingevolge artikel 1:204 lid 3 BW kan de toestemming (tot erkenning) van de moeder wier kind de leeftijd van zestien jaar nog niet heeft bereikt, op verzoek van de man, die het kind wil erkennen door de toestemming van de rechtbank worden vervangen, indien de erkenning de belangen van de moeder bij een ongestoorde verhouding met het kind of de belangen van het kind niet zouden schaden en de man de verwekker is van het kind.

3.9.2.

Het hof stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat de man de verwekker van [de dochter] is.

3.9.3.

Verder overweegt het hof dat als uitgangspunt heeft te gelden dat zowel het kind als de verwekker er aanspraak op heeft dat hun relatie rechtens wordt erkend als een familierechtelijke betrekking.

Het belang van de man bij en zijn aanspraak op erkenning van het kind moeten worden afgewogen tegen de belangen van de moeder en het kind bij niet-erkenning.

Het belang van de moeder is in de wet nader omschreven als haar belang bij een ongestoorde verhouding met haar kind. Wanneer de moeder emotionele weerstand heeft tegen de erkenning is dit op zichzelf onvoldoende grond de vervangende toestemming tot erkenning te weigeren. Dit kan echter anders liggen indien de weerstand van de moeder belangrijke negatieve gevolgen heeft voor het kind.

Voor wat betreft de belangen van het kind heeft de Hoge Raad aanvaard (zie Hoge Raad 16 februari 2001, LJN AB0032) dat van schade aan de belangen van het kind, als bedoeld in artikel 1:204 lid 3 BW, slechts sprake is, indien ten gevolge van de erkenning er voor het kind reële risico’s zijn, dat het wordt belemmerd in zijn evenwichtige sociaal-psychologische en emotionele ontwikkeling. Dit zou onder meer het geval kunnen zijn wanneer de moeder ten gevolge van de erkenning in een zodanig onevenwichtige psychische toestand komt te verkeren dat zij niet in staat is het kind het stabiele opvoedingsklimaat te bieden dat het nodig heeft. Het enkele feit dat het kind (enige) weerslag zou ondervinden van de inbreuk die de erkenning maakt op zijn of haar gezinsleven met de moeder, kan niet worden aanvaard als schade aan zijn of haar belangen.

3.9.4.

Evenals de rechtbank is het hof van oordeel dat het verzoek van de man tot verkrijging van vervangende toestemming tot erkenning van [de dochter] kan worden toegewezen, nu het verzoek van de man voldoet aan de wettelijke vereisten van artikel 1:204 lid 3 BW. Naar het oordeel van het hof heeft de moeder onvoldoende gesteld en is overigens niet aannemelijk geworden dat door de erkenning de belangen van de moeder bij een ongestoorde verhouding met [de dochter] of de belangen van [de dochter] zelf worden geschaad. Het hof stelt vast dat de weerstand die de moeder heeft tegen de erkenning door de man voornamelijk is gebaseerd op de wijze waarop [de dochter] naar haar stelling is verwekt. De man heeft deze stelling echter betwist, zodat deze niet vaststaat. De moeder heeft voorts niet aannemelijk gemaakt dat zij ten gevolge van de erkenning in een zodanig onevenwichtige psychische toestand zal komen te verkeren dat zij niet in staat is [de dochter] het stabiele opvoedingsklimaat te bieden dat zij nodig heeft. De moeder heeft op de zitting van het hof verklaard dat het goed met haar gaat en dat er bij haar geen sprake is van psychische stoornissen. Daarnaast heeft de moeder weliswaar verklaard dat zij momenteel traumatherapie volgt, maar zij heeft nagelaten om met stukken te onderbouwen wat de aard van het trauma is waarvoor zij wordt behandeld, zodat niet kan worden vastgesteld of dit trauma enige belemmering oplevert voor de erkenning. Voor zover de bezwaren van de moeder tegen de erkenning betrekking hebben op het al dan niet laten plaatsvinden van omgang tussen de man en [de dochter], overweegt het hof met de rechtbank dat deze bezwaren los staan van de erkenning.

Het hof is voorts niet gebleken van enig zwaarwegend belang van [de dochter] bij niet-erkenning door de man. De moeder heeft ter zitting verklaard dat het goed gaat met [de dochter]. Voor zover het bezwaar van de moeder zich toespitst op het feit dat bij een erkenning [de dochter] de achternaam van de man zal gaan dragen, is het hof evenals de rechtbank van oordeel dat dit onvoldoende reden is om de erkenning niet toe te staan.

Het hof is met de rechtbank van oordeel dat het in het belang van de identiteitsontwikkeling van [de dochter] is dat haar relatie met de man in rechte als een familierechtelijke betrekking wordt erkend. In dit verband overweegt het hof bovendien dat in het feit dat [de zoon], de broer van [de dochter], wel is erkend door de man, een aanvullend belang is gelegen voor het verlenen van vervangende toestemming aan de man om ook [de dochter] te erkennen.

3.10.

Op grond van het vorenstaande zal het hof de beschikking waarvan beroep bekrachtigen, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen. Het hof zal het verzoek van de man in incidenteel appel afwijzen, nu een beslissing inzake afstamming als de onderhavige naar zijn aard niet uitvoerbaar bij voorraad kan worden verklaard.

4 De beslissing

Het hof:

op het principaal appel:

bekrachtigt de tussen partijen gegeven beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, van 1 oktober 2014, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

op het incidenteel appel:

wijst het verzoek van de man in hoger beroep af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. H. van Winkel, O.G.H. Milar en A.M.M. Hompus en in het openbaar uitgesproken op 9 juli 2015.