Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2015:2555

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
09-07-2015
Datum publicatie
10-07-2015
Zaaknummer
F 200.161.088_01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Gezag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak: 9 juli 2015

Zaaknummer: F 200.161.088/01

Zaaknummer eerste aanleg: C/12/87489 / FA RK 13-304

in de zaak in hoger beroep van:

[de vader],

wonende te [woonplaats],

appellant,

hierna te noemen: de vader,

advocaat: mr. S. Kandemir,

tegen

[de moeder],

wonende te [woonplaats],

verweerster,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: mr. V.J.C. Pieters.

In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

de Raad voor de Kinderbescherming,

regio Zuidwest Nederland, locatie [locatie],

hierna te noemen: de raad.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van

5 november 2014 en naar de beschikking van die rechtbank van 30 oktober 2013.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 11 december 2014, heeft de vader verzocht voormelde beschikking van 5 november 2014 te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, uitvoerbaar bij voorraad:

1. het gezamenlijk gezag van partijen over het hierna nader te noemen kind [de zoon] te handhaven;

2. de moeder niet-ontvankelijk te verklaren in haar initiële verzoek haar alleen te belasten met het gezag, althans haar verzoek af te wijzen.

2.2.

Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 16 januari 2015, heeft de

moeder verzocht bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad, het verzoek van de vader in hoger beroep af te wijzen.

2.3.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 4 juni 2015. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- de vader, bijgestaan door mr. Kandemir en door de tolk mevrouw G. Dogruyol;

- de moeder, bijgestaan door mr. J.A.M. de Kerf, waarnemend voor mr. Pieters;

- de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de raad), vertegenwoordigd door de heer [vertegenwoordiger van de raad].

2.3.2.

Het hof heeft de hierna nader te noemen minderjarige [de zoon] in de gelegenheid gesteld zijn mening kenbaar te maken.

Hij heeft hiervan gebruik gemaakt door het hof een brief te sturen, die ter griffie is ingekomen op 18 mei 2015. Ter zitting heeft de voorzitter de inhoud van die brief zakelijk weergegeven, waarna alle aanwezigen de gelegenheid hebben gekregen daarop te reageren.

2.4.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- een uittreksel uit het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg op

23 augustus 2013;

- de brief van de raad d.d. 16 december 2014;

- de ter zitting door de advocaat van de moeder overgelegde pleitnotities.

3 De beoordeling

3.1.

Partijen zijn op 1 oktober 1999 met elkaar gehuwd.

Uit het huwelijk van partijen is geboren:

- [de zoon] (hierna: [de zoon]), op [geboortedatum] 2003 te [geboorteplaats].

[de zoon] heeft het hoofdverblijf bij de moeder.

3.2.

Bij beschikking van 3 april 2007 heeft de rechtbank Haarlem tussen partijen de echtscheiding uitgesproken, welke beschikking op 11 oktober 2007 is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

3.3.

De moeder heeft in eerste aanleg verzocht:

- te bepalen dat het gezamenlijk gezag met de vader over [de zoon] wordt beëindigd, primair op grond van gewijzigde omstandigheden en subsidiair omdat van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan bij het geven van de echtscheidingsbeschikking van 3 april 2007;

- te bepalen dat de moeder voortaan alleen het gezag over [de zoon] zal hebben.

De vader heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

3.4.

Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking heeft de rechtbank het gezamenlijk gezag van partijen over [de zoon] beëindigd en bepaald dat het gezag over [de zoon] voortaan wordt uitgeoefend door de moeder alleen.

3.5.

De vader kan zich met deze beslissing niet verenigen en hij is hiervan in hoger beroep gekomen.

3.6.

De vader voert - kort samengevat - het volgende aan. De rechtbank heeft ten onrechte het gezamenlijk gezag over [de zoon] beëindigd. De vader stelt dat de raad bij zijn onderzoek zijn oren teveel heeft laten hangen naar de moeder. Zowel het klem- en verloren criterium als het noodzakelijkheidscriterium zijn door de moeder onvoldoende onderbouwd en niet van toepassing. Volgens de vader is het de bedoeling van de moeder om hem te elimineren uit het leven van [de zoon]. De moeder is degene die al jaren iedere vorm van contact tussen partijen afhoudt. De vader is altijd bereid geweest om met de moeder in contact te treden. Het standpunt van de moeder dat geen herstel van de communicatie tussen partijen mogelijk is, is niet onderbouwd. Er is nooit een poging gedaan om de communicatie tussen partijen te verbeteren. Zo weigert de moeder om met de vader in mediation te gaan. De moeder heeft er ook nooit aan gewerkt om haar echtscheidingsgerelateerde problemen onder controle te krijgen. Onder deze omstandigheden kan de vader geen verwijt worden gemaakt ten aanzien van het ontbreken van communicatie tussen partijen.

De moeder heeft voorts niet gesteld wat de noodzaak is van de verzochte gezagswijziging. De vader heeft weliswaar in 2010 geen toestemming gegeven voor psychologische hulp aan [de zoon], maar de reden voor die weigering was gelegen in de omstandigheid dat de moeder de vader niet behoorlijk heeft geïnformeerd over de aard van de behandeling. Later heeft de vader wel toestemming verleend om een paspoort voor [de zoon] aan te vragen. Voor het overige zijn er sinds 2010 geen gezagsbeslissingen geweest waarvoor de moeder de toestemming van de vader nodig had.

Het argument van de moeder dat de vader de Nederlandse taal onvoldoende beheerst is, wat daar ook van zij, onvoldoende om tot een wijziging van het gezag over te gaan.

De vader verzoekt subsidiair de behandeling van de zaak aan te houden in afwachting van de resultaten van een op te starten hulpverleningstraject om de communicatie tussen partijen te verbeteren.

3.7.

De moeder voert - kort samengevat - het volgende aan. Zowel aan het klemcriterium als aan het noodzakelijkheidscriterium is voldaan. Vanwege de ernstig verstoorde relatie tussen de ouders is er geen enkele vorm van communicatie mogelijk waardoor [de zoon] klem of verloren zal raken tussen de ouders. Gelet op de ernst van de strafbare feiten die de vader in het verleden tegen de moeder heeft gepleegd, kan van de moeder niet gevergd worden dat zij samen met de vader het gezag over [de zoon] uitoefent. De moeder heeft onverminderd grote angst voor de vader. Die angst zal zijn weerslag op [de zoon] hebben wanneer de moeder in het kader van de uitoefening van het gezag in het bijzijn van [de zoon] met de vader geconfronteerd wordt. Nu de vader geen zelfinzicht heeft, is niet te verwachten dat in deze situatie binnen een afzienbare termijn verbetering komt. Van de moeder kan ook niet verwacht worden, gelet op hetgeen er tussen partijen is gebeurd, dat zij met de vader in mediation zal gaan.

Het is tevens noodzakelijk dat het gezamenlijk gezag wordt gewijzigd, aangezien de ouders van mening verschillen over fundamentele zaken aangaande [de zoon]. De vader heeft eerder toestemming geweigerd voor psychologische hulp voor [de zoon]. Verder is de vader niet ingeburgerd in de Nederlandse cultuur en de moeder wel. De vader spreekt ook nagenoeg geen Nederlands.

3.8.

De raad heeft ter zitting gepersisteerd bij zijn advies om het gezamenlijk gezag te beëindigen. De vader bagatelliseert de gebeurtenissen uit het verleden. Hij heeft geen inzicht in zijn eigen aandeel in die gebeurtenissen. De vader ontkent zijn problemen en heeft geen hulp gezocht.

3.9.1.

Ingevolge artikel 1:253n van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter op verzoek van de niet met elkaar gehuwde ouders of een van hen het gezamenlijk gezag beëindigen indien nadien de omstandigheden zijn gewijzigd of bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan.

De rechter bepaalt dat het gezag over een kind aan één ouder toekomt indien:

a. er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of

b. wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.

3.9.2.

De door de moeder in haar inleidende verzoekschrift gestelde gewijzigde omstandigheden zijn door de vader niet betwist, zodat deze vaststaan. De moeder is derhalve ontvankelijk in haar inleidende verzoek.

3.9.3.

Het hof is met de rechtbank van oordeel dat de moeder alleen dient te worden belast met het gezag over [de zoon] en overweegt daartoe als volgt.

Voor gezamenlijk gezag is vereist dat de ouders in staat zijn tot een behoorlijke gezamenlijke gezagsuitoefening en dat zij beslissingen van enig belang over hun kind in gezamenlijk overleg kunnen nemen, althans ten minste in staat zijn vooraf afspraken te maken over situaties die zich rond het kind kunnen voordoen, zodanig dat het kind niet klem of verloren raakt tussen de ouders.

Uit het rapport van de raad van 27 februari 2014 blijkt dat er tussen de ouders in het geheel geen communicatie meer plaatsvindt. De verhouding tussen de ouders is zeer gespannen.

De moeder heeft door hetgeen zij tijdens het huwelijk van de vader heeft ervaren (mishandeling van de moeder in bijzijn van [de zoon]) een grote angst voor hem. De moeder heeft in 2006 aangifte gedaan van zware mishandeling door de vader en zij heeft vervolgens met de kinderen in een crisisopvang verbleven. Enige tijd later is aan de vader een civielrechtelijk contact- en straatverbod opgelegd. Ondanks dit verbod is de vader toch bij de woning van de moeder verschenen, waarna de politie is ingeschakeld.

Uit hetgeen de vader op de zitting van het hof heeft verklaard blijkt dat de vader nog steeds geen stappen heeft ondernomen om door middel van psychologische behandeling (agressie-regulatietraining en verslavingszorg) aan zijn persoonlijke problematiek te werken. De vader heeft het bestaan van enige problematiek zelfs ontkend. Het hof stelt evenwel vast dat de vader ten tijde van een eerder raadsonderzoek heeft erkend dat er bij hem sprake was van alcohol- en gedragsproblematiek. Het ontbreekt de vader derhalve aan enig zelfinzicht.

Evenals de rechtbank en met de raad kan het hof op grond van het voorgaande niet anders dan concluderen dat de ouders niet in staat moeten worden geacht tot een behoorlijke gezamenlijke gezagsuitoefening en er een onaanvaardbaar risico is dat [de zoon] klem of verloren zal raken tussen de ouders op het moment dat zij gezamenlijk beslissingen over hem moeten nemen. Gelet op de ernstig verstoorde verstandhouding tussen partijen, de angst van de moeder en het gebrek aan zelfinzicht bij de vader acht het hof het niet aannemelijk dat deze situatie binnen een afzienbare termijn zal verbeteren. Onder de huidige omstandigheden kan van de moeder ook niet worden verwacht dat zij met de vader in mediation gaat of een andersoortig hulpverleningstraject met de vader opstart. Het verzoek van de vader om de behandeling daartoe aan te houden zal het hof dan ook afwijzen.

De vader heeft voorts weliswaar gesteld dat hij in het verleden geen gezagsbeslissingen ten aanzien van [de zoon] heeft belemmerd, maar, wat hiervan zij, dit doet niet af aan het oordeel van het hof dat de ouders op grond van de hiervoor weergegeven omstandigheden in de toekomst niet tot een behoorlijke gezagsuitoefening in staat moeten worden geacht.

3.10.

Op grond van het vorenstaande zal het hof de beschikking waarvan beroep bekrachtigen.

4 De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de tussen partijen gegeven beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 5 november 2014;

verzoekt de griffier krachtens het bepaalde in het Besluit Gezagsregisters een afschrift van deze uitspraak toe te zenden aan de griffier van de rechtbank Oost-Brabant, afdeling civiel recht, team familie- en jeugdrecht ter attentie van het centraal gezagsregister;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. O.G.H. Milar, H. van Winkel en

A.M.M. Hompus en in het openbaar uitgesproken op 9 juli 2015.