Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2015:2533

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
07-07-2015
Datum publicatie
09-07-2015
Zaaknummer
20-001914-14
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2014:5459, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Cassatie: ECLI:NL:HR:2016:1453, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Materieel strafrecht
Strafprocesrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Gevangenisstraf voor de duur van 9 jaar voor betrokkenheid bij overval op straat waarbij tijdens de vlucht vanuit de auto waarin de daders waren gezeten met een automatisch vuurwapen op de auto van het slachtoffer is geschoten. Hoewel niet kan worden vastgesteld of de verdachte degene is geweest die het slachtoffer heeft overvallen en daarna op de auto van het slachtoffer heeft geschoten, kan de verdachte worden aangemerkt als medepleger van deze feiten.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 317, geldigheid: 2013-10-22
Wetboek van Strafrecht 287, geldigheid: 2013-10-22
Wetboek van Strafrecht 47, geldigheid: 2013-10-22
Wetboek van Strafrecht 45, geldigheid: 2013-10-22
Wet wapens en munitie 26, geldigheid: 2013-10-29
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer : 20-001914-14

Uitspraak : 7 juli 2015

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Limburg van 13 juni 2014 in de strafzaak met parketnummer 03-700643-13 tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1984,

thans gedetineerd in de PI Limburg Zuid - Gev. De Geerhorst te Sittard.

Hoger beroep

Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte ter zake van afpersing gepleegd door twee of meer verenigde personen (feit 1), medeplegen van poging tot moord (feit 2 primair) en het voorhanden hebben van een vuurwapen van categorie III (feit 3) veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 jaren, met aftrek van voorarrest. Voorts zijn de in beslag genomen wapens onttrokken aan het verkeer en is de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De verdachte heeft tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het beroepen vonnis zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, bewezen zal verklaren dat de verdachte het onder 1, 2 primair en 3 ten laste gelegde heeft begaan en de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 jaren, met aftrek van voorarrest. Voorts heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof de in beslag genomen wapens aan het verkeer zal onttrekken en de vordering van de benadeelde partij zal toewijzen tot een bedrag van € 4.855,95, te vermeerderen met de wettelijke rente, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De verdediging heeft ten aanzien van het onder 1 en 2 ten laste gelegde vrijspraak bepleit en zich ten aanzien van een bewezenverklaring van het onder 3 ten laste gelegde gerefereerd aan het oordeel van het hof.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat in hoger beroep de tenlastelegging – en aldus de grondslag van het onderzoek – is gewijzigd.

Tenlastelegging

Aan verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep – ten laste gelegd dat:

1.

hij, verdachte, op of omstreeks 22 oktober 2013, in de gemeente Maastricht tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, op of aan de openbare weg, de [A-straat], in elk geval op of aan de openbare weg, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [aangever] heeft gedwongen tot de afgifte van een tas (met inhoud), in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan voornoemde [aangever], in elk geval toebehorende aan een ander of aan anderen dan aan hem, verdachte en/of aan zijn, verdachtes, mededader(s), welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij, verdachte, en/of (een van) zijn, verdachtes, mededader(s), terwijl hij, verdachte en/of (een van) zijn, verdachtes, mededader(s), een (integraal)helm droeg, in elk geval terwijl hij zijn hoofd/gezicht bedekt had/hield, op voornoemde [aangever] is toegelopen en staande op korte afstand van die [aangever] een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp op die [aangever] heeft gericht en/of gericht gehouden en/of voornoemd vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp heeft (door)geladen, althans met een voorwerp, verpakt in een/meerdere plastic zak(ken), een beweging met zijn handen heeft gemaakt, welke beweging werd gevolgd door een metaalachtige klik en/of (vervolgens) dit voorwerp op [aangever]’ (borst) heeft gericht en/of gericht gehouden, waardoor hij heeft doen voorkomen alsof hij/zij in die plastic zak(ken) een vuurwapen had, en/of tegen voornoemde [aangever] heeft gezegd: “Dit is een overval, geef me je tas” en/of “omdraaien”;

2.

hij, verdachte, op of omstreeks 22 oktober 2013 in de gemeente Maastricht ter uitvoering van het door hem, verdachte, voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en met voorbedachten rade [aangever] van het leven te beroven, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, vanuit een rijdende personenauto, in elk geval vanuit een rijdend voertuig meermalen, althans eenmaal met een vuurwapen (een) kogel(s), heeft/hebben afgevuurd op/in de richting van een achter de personenauto waarin verdachte en/of zijn mededaders waren gezeten, rijdende, door voornoemde [aangever] bestuurde, personenauto, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

hij, verdachte, op of omstreeks 22 oktober 2013 in de gemeente Maastricht ter uitvoering van het door hem, verdachte, voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [aangever] van het leven te beroven, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met dat opzet, vanuit een rijdende personenauto, in elk geval vanuit een rijdend voertuig meermalen, althans eenmaal met een vuurwapen (een) kogel(s) heeft/hebben afgevuurd op/in de richting van een achter de personenauto waarin hij, verdachte en/of zijn, mededader(s) waren gezeten, rijdende, door voornoemde [aangever] bestuurde, personenauto, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

3.

hij, verdachte, op of omstreeks 29 oktober 2013 in de gemeente Heerlen een wapen van categorie III, te weten een vuurwapen, pistool, merk Star, kaliber 6.35 mm, (zwart), voorhanden heeft gehad.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten of omissies voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Vrijspraak van het onder 2 primair ten laste gelegde

Het hof acht, zoals hierna zal worden overwogen, niet bewezen dat de verdachte voor wat betreft feit 2 heeft gehandeld met voorbedachte raad, zodat de verdachte van het onder 2 primair ten laste gelegde zal worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1, 2 subsidiair en 3 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

1.

hij, verdachte, op 22 oktober 2013 in de gemeente Maastricht tezamen en in vereniging met anderen op of aan de openbare weg, de [A-straat], met het oogmerk om zich en anderen wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [aangever] heeft gedwongen tot de afgifte van een tas met inhoud, toebehorende aan voornoemde [aangever], welke bedreiging met geweld hierin bestond dat hij, verdachte, of een van zijn, verdachtes, mededaders, terwijl hij, verdachte, of een van zijn, verdachtes, mededaders, een integraalhelm droeg, op voornoemde [aangever] is toegelopen en staande op korte afstand van die [aangever] met een voorwerp, verpakt in meerdere plastic zakken, een beweging met zijn handen heeft gemaakt, welke beweging werd gevolgd door een metaalachtige klik en vervolgens dit voorwerp op [aangever] heeft gericht en gericht gehouden, waardoor hij heeft doen voorkomen alsof hij in die plastic zakken een vuurwapen had, en tegen voornoemde [aangever] heeft gezegd: “Dit is een overval, geef me je tas” en “omdraaien”;

2 subsidiair.

hij, verdachte, op 22 oktober 2013 in de gemeente Maastricht ter uitvoering van het door hem, verdachte, voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk [aangever] van het leven te beroven, tezamen en in vereniging met anderen met dat opzet vanuit een rijdende personenauto met een vuurwapen kogels heeft afgevuurd in de richting van een achter de personenauto waarin verdachte en zijn mededaders waren gezeten, rijdende, door voornoemde [aangever] bestuurde, personenauto, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

3.

hij, verdachte, op 29 oktober 2013 in de gemeente Heerlen een wapen van categorie III, te weten een vuurwapen, pistool, merk Star, kaliber 6.35 mm, zwart, voorhanden heeft gehad.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Door het hof gebruikte bewijsmiddelen

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierna weergegeven bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd. Elk bewijsmiddel wordt – ook in zijn onderdelen – slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezen verklaarde feit, of die bewezen verklaarde feiten, waarop het, blijkens zijn inhoud, betrekking heeft.1

Feiten 1 en 2

1. De verklaring van [aangever], afgelegd bij de politie op dinsdag 22 oktober 2013, voor zover zakelijk weergegeven inhoudende:2

Ik ben woonachtig op de [A-straat] te Maastricht. Ik heb een growshop te Maastricht. Ik verlaat mijn woning altijd via de voordeur en vervolgens loop ik dan via het trottoir naar de oprit van mijn woning. Ik ga altijd met de auto naar het werk. Mijn personenauto, een Audi S8 voorzien van het Nederlandse kenteken [kenteken A], parkeer ik altijd op de oprit. Ik heb altijd mijn aktetas bij mij. Dit betreft een zwarte tas met een handvat. Deze tas had ik ook vanochtend [hof: 22 oktober 2013, de dag van het verhoor] bij me. In mijn tas zat onder andere een zwart mapje met geld. Vandaag zat er een contant geldbedrag van 6.500 à 7.000 euro in het mapje. Dit betreft geld dat ik dagelijks bij me heb in de zaak en waarmee ik leveranciers betaal. Nadat ik mijn tas had gepakt, ben ik in de richting van de voordeur gelopen. Vervolgens ben ik via het pad in de richting van het trottoir gelopen. Vervolgens ben ik naar links gelopen in de richting van de oprit. Naast de oprit ligt een brandgang. Deze brandgang verbindt de [A-straat] met de [B-straat]. Ik zag dat er 20 meter verderop een persoon stond die een lichtkleurige integraalhelm droeg met een donker vizier. Vervolgens heb ik mijn auto opengemaakt en heb ik de linker achterdeur geopend. Ik heb mijn tas achter de bestuurderszitplaats tussen de stoel en de achterbank in gezet. Vervolgens heb ik deze deur weer gesloten. Toen ik vervolgens opkeek, zag ik dat die persoon ineens een stuk dichterbij mij stond op een afstand van ongeveer 1 à 1,5 meter. Ik zag dat die man een voorwerp in zijn handen droeg, waarvan ik niet kon zien wat het betrof. Wel zag ik dat hij dit voorwerp had verpakt in twee losse plastic zakken. Ik zag dat hij een beweging met zijn handen maakte en hoorde dat deze beweging gevolgd werd door een metaalachtige klik. Op dat moment was het voor mij duidelijk dat die man een geweer of een shotgun in die plastic zakken had verpakt. Ik zag dat hij dit geweer/shotgun gericht hield op mijn borst. Ik hoorde dat die persoon zei: “Dit is een overval, geef me je tas”. Vervolgens heb ik de achterdeur weer geopend. Ik heb met mijn rechterhand de tas uit de auto gehaald en heb deze aan de man gegeven. Volgens mij bleef hij het geweer/shotgun op mijn borst gericht houden. Ik hoorde dat hij vervolgens zei: “Omdraaien”. Vervolgens heb ik mezelf omgedraaid, waardoor ik geen zicht meer op hem had. Ik hoorde dat de man wegrende. Vervolgens heb ik mezelf weer omgedraaid en keek ik de brandgang in. Ik zag dat de man in de richting van de [B-straat] liep.

Vervolgens ben ik in mijn auto gestapt en ben ik de oprit afgereden. Het was mijn intentie om achter hem aan te gaan. Ik ben de [C-straat] opgereden. Toen ik ongeveer 25 meter op de [C-straat] had gereden, zag ik op een afstand van 25 meter dat vanaf links, alwaar de [B-straat] gelegen is, een klein model personenauto kwam gereden. Het was een klein model, ik denk dezelfde grootte als een Peugeot 205 of een Ford Fiesta. Ik zag dat er drie personen in het voertuig zaten. Ik zag een persoon op de bestuurderszitplaats en ik zag een persoon op de bijrijderszitplaats. Ook zag ik dat een persoon op de achterbank zat, in het midden. Ik reed achter dit voertuig aan. Ik zag dat het voertuig vanuit de [B-straat] in de richting van de [D-straat] reed. Ik had niet de indruk dat die auto heel erg hard reed. Ik zag vervolgens dat een van de personen uit het raam aan de bijrijderszijde hing. Ik zag dat die persoon een man betrof. Ik zag dat hij met zijn linkerhand een wapen vasthield. Ik zag dat hij dit wapen in mijn richting bracht en vervolgens hoorde ik knallen. Ik denk twee knallen. Ik zag dat de bijrijder ineens op het raam zat en geheel uit het portier hing. Ik zag dat de man het wapen nog steeds op mij of op mijn voertuig richtte. Vervolgens hoorde ik een flinke tik op de motorkap. Dit was hetzelfde geluid zoals je dat hebt wanneer er een steen op je motorkap terecht komt. Vervolgens heb ik mijn auto tot stilstand gebracht en heb ik het alarmnummer gebeld.

2. De verklaring van [aangever], afgelegd bij de politie op 23 oktober 2013, voor zover zakelijk weergegeven inhoudende:3

Normaal gesproken vertrek ik om 08.55 uur naar mijn werk, Op dinsdag is dit iets anders. Dan heb ik een afspraak bij de masseur. Dit doe ik al zo’n 5 tot 10 jaar.

De man die uit de auto schoot, vuurde zonder te herladen. Hij schoot redelijk snel achter elkaar. Bij het derde en vierde schot zat hij op het raam en leek het alsof hij het wapen op het dak van het voertuig aanlegde. Op het moment dat hij toen vuurde, leek het alsof hij het vuurwapen met twee handen vasthield. Ik zag dat hij aan het richten was.

3. De verklaring van een anonieme getuige, afgelegd bij de politie op 24 oktober 2013, voor zover zakelijk weergegeven inhoudende:4

Op 22 oktober 2013 bevond ik mij in mijn woning gelegen aan de [D-straat] te Maastricht. Ik denk dat het ongeveer 08.45 uur was. Ik bevond mij in een slaapkamer op de bovenverdieping van mijn woning. Het raam van deze slaapkamer stond open. Ik heb vanuit dit raam goed zicht op al het verkeer dat over de [D-straat] rijdt. Ik keek naar buiten en ik zag dat er een donkerkleurige personenauto voorbij reed. Het was een kleiner type voertuig. Deze auto kwam uit de richting van de [C-straat]. Ik zag dat het raam aan de bijrijderszijde omlaag ging. In een flits dacht ik dat de man die zich aan die zijde van het voertuig bevond iets uit het voertuig haalde en buiten het voertuig bracht. Dat leek op een geweer. Met een geweer bedoel ik een langer model vuurwapen. Ik zag dat deze man probeerde om uit het raam te gaan hangen. Ik zag dat hij met zijn hoofd naar buiten kwam en naar het voertuig achter hem keek. Ik zag dat hij dat geweer naar achteren bracht. Het leek zelfs alsof hij dat voorwerp richtte op het voertuig dat achter hem reed. Vijf seconden later hoorde ik twee harde knallen. Nogmaals enkele seconden later hoorde ik volgens mij nog eens harde knallen.

4. De verklaring van de [getuige 1], afgelegd bij de politie op 25 oktober 2013, voor zover zakelijk weergegeven inhoudende:5

Op 22 oktober 2013 omstreeks 08.45 uur stond ik geparkeerd op de [C-straat]. Ik zag dat een kleine auto over de [C-straat] in onze richting kwam gereden. Achter deze auto reed een grotere zwarte auto. Volgens mij was dit een Audi. Deze auto’s reden vrij kort achter elkaar en ik had de indruk dat deze auto’s bij elkaar hoorden. De beide auto’s zijn langs mij gereden en vervolgens rechtsaf de [D-straat] in gereden. Vlak hierna hoorde ik harde knallen. Ik had meteen in de gaten dat dit schoten waren.

5. De bevindingen van de [verbalisanten van de politie], voor zover zakelijk weergegeven inhoudende:6

Op 22 oktober 2013 omstreeks 08.45 uur hoorden wij dat de centralist van de regionale meldkamer aan ons vroeg om te rijden naar de [D-straat] te Maastricht. Er zou iemand zijn overvallen. Het slachtoffer was achter de daders aangegaan en beschoten met een machinegeweer. Wij hoorden dat het slachtoffer bij zijn voertuig op de [D-straat] stond. Wij zagen ter plaatse een zwarte Audi S8 staan voorzien van het kenteken [kenteken A]. Wij zagen dat er vloeistof lekte uit het voertuig ter hoogte van de linker koplamp [het hof neemt op de foto’s van de auto op dossierpagina’s 243 tot en met 245 waar: de koplamp aan de bestuurderszijde]. Wij zagen in de motorkap, boven de linker koplamp [hof: de koplamp aan de bestuurderszijde], een kogelgat.

6. De bevindingen van de [forensisch onderzoekers van de politie], voor zover zakelijk weergegeven inhoudende:7

Op 22 oktober 2013 werd door ons een forensisch onderzoek naar sporen verricht. Tijdens het sporenonderzoek werden op de [D-straat] vier hulzen aangetroffen en veiliggesteld (respectievelijk veiliggesteld onder SIN AAFU5644NL, AAFU5643, AAFU5645NL en AAFY2202NL). In de motorkap van de auto van het slachtoffer, een zwarte Audi met het Nederlandse kenteken [kenteken A], zagen wij een beschadiging, vermoedelijk van een projectiel. Bij nader onderzoek onder de motorkap zagen wij dat er een vloeistofreservoir (koelvloeistof) geraakt was door het projectiel. Wij zagen een projectieldeel in de motorkap en onderin de motorruimte liggen (veiliggesteld onder SIN AAFU5646NL). Op de [D-straat] werd een projectieldeel aangetroffen (veiliggesteld onder SIN AAFU5647NL).

7. De bevindingen en conclusies van M.E. Bestebreurtje, NFI-deskundige wapens en munitie, voor zover zakelijk weergegeven inhoudende:8

Overzicht te onderzoeken materiaal:

AAFU5646NL: manteldelen

AAFU5647NL: projectiel

AAFU5643NL: huls

AAFU5644NL: huls

AAFU5645NL: huls

AAFY2202NL: huls

Vooronderzoek hulzen:

De vier hulzen zijn voorzien van het bodemstempel ‘ИК 1978’. De Cyrillische letters ‘ИК’ duiden op het munitiemerk Igman Konjic. Gezien de afmetingen zijn de hulzen van het kaliber 7,62x39mm. In de hulzen bevinden zich sporen die veroorzaakt zijn tijdens het verschieten uit een vuurwapen. Zo zijn er sporen te zien van een slagpin, een stootbodem, een hulsuitwerper, een patroontrekkerhaak en de kamer van de loop. De algemene vorm, plaats en grootte van deze systeemsporen komt overeen in de vier hulzen. In een deel van de systeemsporen bevinden zich kraslijnen en/of oneffenheden die veroorzaakt zijn tijdens het afvuren uit een vuurwapen. Deze sporen zijn geschikt voor vergelijkend hulsonderzoek.

Vooronderzoek kogeldelen:

Het SVO met SIN AAFU5646NL bestaat uit kwee koperkleurige manteldelen. Het SVO met SIN AAFU5647NL is een looddeel. Gezien de massa’s en de uiterlijke kenmerken passen de kogeldelen bij het kaliber 7,62x39mm. De uiterlijke kenmerken van de kogeldelen passen bij die van kogels van patronen van het merk Igman Konjic.

Vergelijkend onderzoek hulzen:

Tijdens het vergelijkend onderzoek tussen de afvuursporen in de hulzen is gebleken dat:

- de kraslijnen in de slagpingatsporen aansluiten;

- de oneffenheden in de uitsparingen van de stootbodemsporen overeenkomen;

- de kraslijnen in de patroontrekkerhaaksporen aansluiten;

- de oneffenheden in de hulsuitwerpsporen overeenkomen;

- de kraslijnen in de uitwerpsporen aansluiten;

- in de overige sporen geen kenmerkende overeenkomsten of verschillen werden waargenomen.

Interpretatie van de resultaten:

De waargenomen overeenkomsten tussen sporen in de hulzen passen goed bij de hypothese dat deze met hetzelfde vuurwapen zijn verschoten. Op basis van de structuur van de kraslijnen en oneffenheden zijn deze sporen als zeer kenmerkend voor het gebruikte vuurwapen beoordeeld. Hierdoor is het nagenoeg uitgesloten om deze mate van overeenkomst waar te nemen als de hulzen zijn verschoten met meerdere wapens.

Mogelijk gebruikt vuurwapen:

Patronen van het kaliber 7,62x39mm worden doorgaans verschoten uit geweren van het type AK‑47 (type Kalasjnikov) of wapens die daarvan zijn afgeleid. De systeemsporen in zowel de hulzen als het grote manteldeel passen bij wapens van dit type.

Afgegeven energie en verwonding:

De ontvangen kogeldelen passen bij volmantelkogel(s). Kogels van dit type in het kaliber 7,62x39mm hebben genoeg energie om bij een rechtstreeks schot op korte afstand het menselijk lichaam te perforeren.

8. De verklaring van [aangever], afgelegd bij de politie op 19 november 2013, voor zover zakelijk weergegeven inhoudende:9

[medeverdachte] heeft ongeveer drie jaar lang bij mij gewerkt in de growshop. Op de vraag wat [medeverdachte] wist over de bedrijfsvoering antwoord ik dat ik geen geheimen voor hem had. Hij wist hoe ik werkte. Hij wist dat ik kasgeld mee naar huis nam. Toen [medeverdachte] hier nog werkte nam ik wel vaker grote geldbedragen mee naar huis. Destijds stopte ik dit geld in een plastic zak met een elastiekje erom. Deze plastic zak stopte ik vervolgens in mijn tas. Op de vraag wat [medeverdachte] wist van mijn dagelijks patroon antwoord ik dat ik vrijwel dagelijks om 08.50 à 08.55 uur vanuit mijn woning vertrek. [medeverdachte] wist ook welke auto ik had. Ik had die Audi al vanaf 2003. [medeverdachte] is ook wel eens bij mij thuis geweest.

9. De verklaring van medeverdachte [medeverdachte], afgelegd bij de politie op 13 november 2013, voor zover zakelijk weergegeven inhoudende:10

Ik heb in het verleden voor [aangever] gewerkt. Ik heb bij hem in de growshop gewerkt. Ongeveer twee maanden geleden zei [verdachte] [het hof begrijpt: de verdachte]: “Ik moet een tip hebben”. Hij zei: “Ik moet een klus hebben”. Hij vroeg aan mij: “Jij hebt toch bij een growshop gewerkt, heeft die vent pieken?”. Ik heb gezegd dat hij [het hof begrijpt: [aangever]] zeker geld had. Hij heeft meer geld dan een gemiddelde bewoner. Ik weet dat hij rijk is omdat ik voor hem heb gewerkt. Ik vertelde hem [hof: [verdachte]] dat hij [hof: [aangever]] in [woonwijk] [het hof begrijpt: een woonwijk te Maastricht] woonde. Hij [hof: [verdachte]] vroeg mij in welke auto hij [hof: [aangever]] reed. Ik zei dat hij een mooie Audi had. Ik heb hem [hof: [verdachte]] verteld dat het een dikke A8 of S8 betrof. Hij [hof: [verdachte]] vroeg mij waar die zaak precies lag. Ik deelde hem mede dat dat bedrijf in de [E-straat] lag. Ik ben wel eens met hem [hof: [verdachte]] door de [E-straat] gereden. Ik heb verteld dat de dikke Audi van [aangever] was. [verdachte] [hof: [verdachte]] vroeg mij strategisch om informatie. Op de vraag of [aangever] bepaalde routines had antwoord ik dat ik wist dat hij naar zijn werk kwam en weer naar huis ging. Ik wist waar hij woonde. De omzet van de dag nam hij mee. Hij deed altijd op het einde van de dag de kassa tellen. Hij stopte die omzet in zijn tas of in zijn portemonnee. Die portemonnee deed hij vervolgens in zijn [het hof begrijpt: tas].

10. De verklaring van de [getuige 2], afgelegd bij de politie op 29 oktober 2013, voor zover zakelijk weergegeven inhoudende:11

Ik beschik over een auto. Het kenteken van die auto is [kenteken] [het hof begrijpt dat dit een kennelijke verschrijving is en begrijpt – mede naar aanleiding van de foto van de kentekenplaat van de auto op dossierpagina 299 – dat is bedoeld: [kenteken B]]. Het is een Daihatsu Charade. Op 22 oktober 2013 heeft [verdachte] mijn auto gehad die ochtend. Die nacht [het hof begrijpt: de nacht van 21 op 22 oktober 2013] is hij bij mij [het hof begrijpt: in de woning van [getuige 2] bij de manage aan de [F-straat]] blijven slapen. Hij had de wekker gezet. Hij had de wekker heel vroeg gezet, volgens mij om half 6. Hij vertelde dat hij zaken moest doen in Maastricht. Vervolgens heeft hij de auto gepakt. Rond een uur of 10 of half 11 kwam hij terug. Hij vertelde mij dat ik naar de politie moest gaan om aangifte te doen van diefstal van mijn kentekenplaten. Hij zei dat die eraf waren genomen daar ‘waar hij bezig was geweest’. Toen ik buiten bij mijn auto kwam, waren de kentekenplaten eraf. Ik weet dat hij de auto van binnen heeft afgeveegd met een theedoek. Die theedoek ligt volgens mij ook nog in de auto. Toen ik buiten kwam, zag ik dat beide achterportieren van mijn auto open stonden en ik zag dat hij met een theedoek het achterportier aan de bijrijderszijde van binnen aan het afvegen was. Het was een geblokte theedoek. Ik heb hem nog gevraagd wat hij had gedaan. Ik hoorde toen dat hij zei dat ik daar niks mee te maken had. Toen hij eerder de woning was binnengekomen, zag ik dat hij een zwarte tas in zijn handen had. Het leek op een laptoptas. Ik weet dat hij daarna is gaan wandelen en dat hij die tas heeft meegenomen. Die tas heb ik daarna niet meer gezien dus ik denk dat die ergens in de omgeving van de manage ligt. Toen ik wegreed, zag ik hem samen met een andere man lopen op het terrein van de manage. Ik heb wel eens gehoord dat die man [medeverdachte] [het hof begrijpt op grond van de hierna weergegeven verklaring van de getuige [getuige 2]: medeverdachte [medeverdachte]] heet. [verdachte] heeft ook meerdere wapens. Eén was een wapen dat hij gewoon met twee handen kon vasthouden, maar hij kon dat wapen ook uitklappen en tegen zijn schouder zetten. Dan was het een lang wapen.

11. De verklaring van de [getuige 2], afgelegd bij de rechter-commissaris op 18 maart 2014, voor zover zakelijk weergegeven inhoudende:12

In de nacht van 21 op 22 oktober 2013 weet ik dat [verdachte] bij mij heeft geslapen. Het kenteken van mijn auto is [kenteken] of [cijfers] op het einde. Het merk is Daihatsu Charade. U vraagt mij of mijn auto een grote auto is. Nee, het is een kleine auto. U laat mij de foto op pagina 299 zien. U houdt mij voor dat op die foto [cijfers] in het kenteken is te zien, dit is mijn auto. U houdt mij voor dat ik op 22 oktober 2013 om 11.05 uur in het politiebureau in Sittard ben geweest om aangifte te doen van de diefstal van de kentekenplaten. U vraagt mij hoe ik merkte dat de kentekenplaten weg waren. Op 22 oktober 2013 kwam [verdachte] met een auto, hun veegde de binnenkant van de auto uit. [verdachte] was met de auto bezig, [medeverdachte] liep later weg. U vraagt mij wie ik bedoeld met “hun”? Ik bedoel daarmee [verdachte] en [medeverdachte], maar alleen [verdachte] veegde de auto schoon. Het ging om de bijrijders portier en het achterportier. U vraagt mij hoe laat dat was. Dat weet ik niet meer, tussen 9.00 uur en half 11. Nadat [verdachte] het tegen me had gezegd dat de kentekenplaten weg waren, ben ik aangifte gaan doen. Ik ben buiten gaan kijken bij de auto. Hij was op dat moment de bijrijdersportier en de achterportier aan het afvegen. Het betreft de binnenkant van de portieren. Het hele stuk waar je arm op leunt. U vraagt mij of hij een poetser is. Nee, dat was hij niet. Ik ben met de auto naar het politiebureau gereden, [verdachte] en [medeverdachte] liepen van het terrein van de manege af. U houdt mij voor dat ik bij de politie heb verklaard dat ik de tas herkende door de rafelige hengsels. Ik heb die tas eerder die dag gezien. Ik herkende hem inderdaad aan de hengsels. [verdachte] liep met die tas het veld in. Ik heb de tas alleen zien staan. Hij kwam er mee naar binnen, hij heeft de tas op de eetkamertafel gezet. Dat was op de ochtend dat ik ook aangifte heb gedaan van de diefstal van mijn kentekenplaten. Toen ik wegreed om aangifte te gaan doen en [verdachte] en [medeverdachte] zag, had [verdachte] de tas in zijn hand. U vraagt mij waarom ik aangifte ben gaan doen [het hof begrijpt: van diefstal van de kentekenplaten van de auto van de getuige]. [verdachte] zei dat ik aangifte moest gaan doen. U vraagt mij hoe ik weet dat hij die nacht bij mij sliep. Ik ben de dag erna aangifte gaan doen, daarom weet ik dat hij die nacht bij mij heeft geslapen. Dat heb ik wel onthouden. U, rechter-commissaris, vraagt mij hoe laat hij de wekker heeft gezet. Dat is tussen 5 en 6 uur geweest. U, raadsman, houdt mij voor dat [verdachte] vroeg is opgestaan. Ik weet dat dit zo is, ik weet niet wat in de tussentijd is gebeurd. Mijn auto stond er niet meer toen ik ging wandelen met de hond. Ik ben best vroeg wakker.

12. De verklaring van de [getuige 2], afgelegd op de terechtzitting van het hof van 22 april 2015, voor zover zakelijk weergegeven inhoudende:13

Het klopt dat verdachte in de nacht van 21 oktober 2013 op 22 oktober 2013 bij mij heeft geslapen zoals ik ook heb verklaard bij de politie. Mij wordt een foto van een auto [hof: de foto op dossierpagina 299] voorgehouden. Dat is inderdaad mijn auto. Het kenteken [kenteken B], klopt. Verdachte was die ochtend even weggeweest met de auto. Toen hij terugkwam zei hij dat de kentekenplaten gestolen waren. Ik heb mijn verklaring van destijds [het hof begrijpt: de door de getuige op 29 oktober 2013 bij de politie afgelegde verklaring] niet meer nagelezen. Als daar staat dat het de ochtend van 22 oktober 2013 was dan klopt dat. Dat was bij mijn appartement bij de manege in [plaats]. Verdachte zei mij dat ik aangifte van de diefstal van de kentekenplaten moest doen en dat ik dan nieuwe moest halen en die op de auto moest zetten. Ik heb toen aangifte gedaan bij het politiebureau en ben daarna gelijk naar [bedrijf] gereden en heb nieuwe kentekenplaten gehaald. Het klopt dat ik de achterkentekenplaat op de auto heb gezet en verdachte de kentekenplaat aan de voorkant heeft bevestigd. Verdachte is die ochtend samen met [medeverdachte] mijn appartement binnengekomen. Ze zijn toen even binnen geweest en verdachte heeft toen een theedoek gepakt. Ik heb ze daarna samen rond mijn auto gezien. Verdachte was de binnenkant van het bijrijdersportier en het achterportier aan het schoon poetsen. Het was ongeveer tussen 9.00 uur en 10.30 uur. Ik weet nu niet meer precies hoe laat het was. Mij wordt voorgehouden dat ik eerder heb verklaard dat ik verdachte hoorde binnenkomen, maar niet dat [medeverdachte] daar bij was. Ik weet dat ze samen bij mij in de woning hebben gestaan. Verdachte heeft mij niet verteld waar hij die ochtend geweest was. Hij zei altijd dat hij voor zaken weg moest. Ik zag dat de kentekenplaten weg waren omdat verdachte mij dat vertelde en ik vervolgens buiten ben gaan kijken. Mij wordt voorgehouden dat ik bij de politie heb verklaard dat ik, voordat ik aangifte ging doen, zag dat verdachte en [medeverdachte] het terrein afliepen. Dat klopt. Ik ging naar rechts, richting de grote weg en zij liepen naar links de [F-straat] op, richting de landweg, de [H-straat]. Vlak voordat verdachte wegliep zei hij tegen mij dat hij de laptoptas meenam en dat hij die weg zou brengen. Vervolgens ging verdachte de veldweg in en daarna heb ik de tas niet meer gezien. Ik heb verdachte met die tas weg zien lopen van het terrein. Ik had die tas eerder die dag op de tafel bij mij in huis zien liggen. Ik had die tas daarvoor niet eerder gezien. De voorzitter toont mij de foto op dossierpagina 161 [hof: een foto van dezelfde persoon als op de foto op de ID-staat van [medeverdachte] op dossierpagina 762]. Ik herken de persoon op de foto als [medeverdachte]. De voorzitter verzoekt mij om de foto op dossierpagina 762 te bekijken. Ik herken de persoon op de foto als [medeverdachte]. Mij wordt voorgehouden dat ik heb verklaard dat verdachte de wekker voor de ochtend van 22 oktober 2103 op een vroeg tijdstip had gezet. Mij wordt gevraagd op welk tijdstip de wekker was gezet. Vóór 7.00 uur ’s ochtends, want ik heb doorgeslapen. Ik sta meestal om 7.00 uur op, ga dan mijn tanden poetsen en laat de honden uit. Toen was verdachte weg en mijn auto ook. Mij wordt voorgehouden dat ik heb verklaard dat verdachte voor het incident op 22 oktober 2013 over wapens beschikte. Hij vond het denk ik stoer om die wapens te laten zien/hebben. Hij had een groot wapen dat je uit kunt klappen. Je moest het op je schouder laten rusten. Verdachte heeft het wapen uitgebreid getoond aan mijn huisgenoot [betrokkene]. Hij heeft het wapen meerdere malen te voorschijn gehaald. Hij had ook nog een kleiner wapen. Mij wordt door de jongste raadsheer voorgehouden dat ik bij de politie op 29 oktober 2013 niet heb verklaard dat [medeverdachte] die ochtend ook in mijn woning is geweest. Ik heb me dat op dat moment niet herinnerd. [medeverdachte] is samen met verdachte bij mij in de woning geweest. Verdachte poetste mijn auto nooit. Verdachte heeft de laptoptas in de woning gebracht en daarna meegenomen. Ik heb de tas daarna nooit meer gezien. Het klopt dat ik de dag dat ik de auto zonder kentekenplaten terugkreeg en aangifte ben gaan doen van diefstal van de kentekenplaten, verbindt aan de nacht dat verdachte heel vroeg is opgestaan. Ik meen dat verdachte tegen [betrokkene] heeft gezegd dat het wapen een Kalasjnikov was.

14. De verklaring van de [getuige 2], afgelegd bij de politie op 4 november 2013, voor zover zakelijk weergegeven inhoudende:14

Op de vraag wie de persoon is op de foto die mij wordt getoond [hof: de foto op dossierpagina 161, zijnde een foto van dezelfde persoon als op de foto op de ID-staat van [medeverdachte] op dossierpagina 762] antwoord ik dat dit absoluut [medeverdachte] is.

15. De verklaring van de [getuige 3], afgelegd bij de politie op 23 oktober 2013, voor zover zakelijk weergegeven inhoudende:15

Gisterenochtend [hof: 22 oktober 2013] verliet ik mijn woning en zag ik voor de vuilcontainer aan de overkant van de straat een auto staan. Ik ging om 08.15 uur naar buiten. Ik zag een auto staan met de voorzijde in de richting van de bocht van de [G-straat] [het hof begrijpt: te Maastricht] waar ook het fietspad ligt. Ik zag dat er twee mannen in de auto zaten. Een bestuurder en een bijrijder. Toen ik ze zag, zag ik dat ze naar mij keken. Ik zag dat ze vervolgens elkaar aankeken. Ik zag dat de bestuurder uitstapte en de kofferbak opende. Ik zag dat hij een fles cola eruit haalde en die gooide hij weg in de vuilcontainer. Ik zag dat deze man aarzelde. Ik zag namelijk dat het allemaal traag ging en dat hij om zich heen keek. De bijrijder bleef zitten. De bestuurder stapte weer in. Ik denk dat dat ik ze vijf à zes minuten heb gezien. Het is geen doorgaande weg. Het was een kleine donkere auto. Het was een oud model.

16. De verklaring van de [getuige 4], afgelegd bij de politie op 23 oktober 2013, voor zover zakelijk weergegeven inhoudende:16

Gisterenochtend [hof: 22 oktober 2013] ben ik opgestaan. Ik ben woonachtig in de [G-straat] te Maastricht. Aan de overzijde van de straat is een milieuperron gelegen. Dit perron bestaat uit zes ondergrondse bakken en één vuilnisbak. Omstreeks 08.15 uur heb ik mijn woning verlaten. Terwijl ik op de oprit stond, zag ik dat bij het milieuperron een oud model auto geparkeerd stond. Ik zag dat er twee personen in die auto zaten. Dit waren twee mannen. De auto was donker van kleur. Omdat ik het niet helemaal vertrouwde, heb ik toen ik wegfietste omgekeken en naar het kenteken gekeken. Ik meen het volgende kenteken te hebben gezien: [kenteken C]. De cijfers en de positie van [cijfers] weet ik zeker. Ik zag dat de bestuurder uit het voertuig stapte. Hij liep naar de kofferbak en opende deze. Hij nam hier iets uit en vervolgens gooide hij dit in een van de bakken. Vervolgens zag ik dat hij weer plaatsnam op de bestuurdersplaats. Toen ik om 08.30 à 08.35 uur weer terugkwam bij mijn woning, zag ik dat deze auto weg was.

17. De bevindingen van de [verbalisanten van de politie], voor zover zakelijk weergegeven inhoudende:17

Op 30 oktober 2013 werd door ons een onderzoek verricht aan een personenauto Daihatsu Charade voorzien van het kenteken [kenteken B]. Op de vloer rechtsvoor in de auto lagen twee theedoeken [het hof neemt op de foto’s op dossierpagina’s 302 en 303 waar: geblokte theedoeken]. In de kofferruimte stond een tas met flessen cola [het hof neemt op de foto’s op dossierpagina’s 307 en 308 waar: lege flessen cola].

18. De bevindingen van de [verbalisant van de politie], voor zover zakelijk weergegeven inhoudende:18

Op 22 oktober 2013 werd op de [A-straat] te Maastricht een gewapende overval gepleegd. Hierbij werd door de daders gebruikt gemaakt van een voertuig dat vermoedelijk geparkeerd stond op de [B-straat] te Maastricht. Beide straten zijn verbonden middels een brandgang. Deze brandgang is direct naast de oprit van perceel [A-straat] gesitueerd. Schuin tegenover genoemde brandgang is een woning [het hof begrijpt op grond van dossierpagina 49: de woning aan de [B-straat]] voorzien van 3 camera’s welke op een gedeelte van de rijbaan en het trottoir aan de overzijde van de woning zijn gericht. Op 24 oktober 2013 werden deze beelden door mij bekeken. Van deze beelden werden door mij screenshots gemaakt.

Op de beelden is het volgende waarneembaar:

08.29

uur: Een donkerkleurige auto, een klein vierkant model, passeert de woning en parkeert de auto aan de overzijde van de straat.

08.42

uur: Vanuit de zijde van de eerdergenoemde geparkeerde auto verschijnt een persoon welke de brandgang gaande in de richting van de [A-straat] in loopt. Deze persoon draagt vermoedelijk een helm.

08.43

uur: De betreffende persoon komt uit de brandgang gerend en rent in de richting van de aldaar geparkeerde auto. Direct hierop rijdt de auto weg.

19. De bevindingen van de [verbalisanten van de politie], voor zover zakelijk weergegeven inhoudende:19

Op 25 oktober 2013 bezochten wij een Toyota autodealer te Maastricht. Wij toonden de aanwezige werknemers een fotoafdruk van de videobeelden opgenomen vanaf het adres [B-straat] te Maastricht. Op deze fotoafdruk was een personenauto te zien. Wij vroegen de werknemers of zij wisten welk merk en type personenauto dit was. Zij deelden ons mede dat zij dachten dat het een ouder model Daihatsu Charade of een ouder model Toyota Starlet betrof.

20. De bevindingen van de [verbalisant van de politie], voor zover zakelijk weergegeven inhoudende:20

Op donderdag 31 oktober 2013 werd door de [verbalisanten van de politie], een onderzoek in gesteld in de bosschages en aangelegen velden, gelegen in het verlengde van de [F-straat]. Dit onderzoek werd ingesteld naar aanleiding van de door [getuige 2] beschreven route, die [verdachte] vaker nam. In de aldaar gelegen bosschages werd een zwarte computertas met daarin een zwarte beurs aangetroffen.

21. De bevindingen van de [forensisch onderzoeker van de politie], voor zover zakelijk weergegeven inhoudende:21

Op 31 oktober 2013 werd door mij een forensisch onderzoek naar sporen verricht in verband met een overval gepleegd op dinsdag 22 oktober 2013 aan een in een bosschage aangetroffen tas. De ritsen van de laptoptas waren open. Ik zag dat in de tas een zwarte polstas aanwezig. De ritsen van deze polstas waren open en er bevond zich niets in deze polstas. De beide hengsels van de laptoptas werden mij in verband met een eventueel later uit te voeren DNA-onderzoek van de tas gesneden en afzonderlijk verpakt (veiliggesteld onder SIN AAFY2968NL en AAFY2969NL). Op 15 november 2013 werd op bevel van de officier van justitie van de verdachte [medeverdachte] DNA-wangslijmvlies afgenomen (SIN RAAV8890NL).

22. De bevindingen en conclusies van Y. van de Wal, NFI-deskundige forensisch onderzoek van biologische sporen en DNA, voor zover zakelijk weergegeven inhoudende:22

Op grond van de eerste resultaten van het standaard DNA-onderzoek is de bemonstering AAFY2969NL#01 van een hengsel van een tas onderworpen aan een zogenoemde LCN DNA-analyse. Bij het vergelijkend DNA-onderzoek is onder meer het DNA-profiel van de verdachte [medeverdachte] (RAAV8890NL) betrokken.

Resultaten, interpretatie en conclusie vergelijkend DNA-onderzoek:

AAFY2969NL#01: onvolledig DNA-mengprofiel van minimaal drie personen waarbij de verdachte [medeverdachte] niet kan worden uitgesloten.

Evaluatie van de bevindingen van het DNA-onderzoek:

Het is niet mogelijk om een standaard statistische berekening uit te voeren voor het vaststellen van de wetenschappelijke bewijswaarde van de gevonden overeenkomsten tussen het DNA-profiel van de verdachte [medeverdachte] RAAV8890NL en het onvolledige DNA-mengprofiel van het celmateriaal in de bemonstering AAFY2969NL#01 omdat niet alle DNA-kenmerken van alle donoren zichtbaar zijn in het DNA-mengprofiel. De wetenschappelijke bewijswaarde van de bevindingen van het vergelijkend DNA-onderzoek wordt daarom geformuleerd in verbale termen van waarschijnlijkheid.

Onder de aanname dat de bemonstering AAFY2969NL#01 celmateriaal bevat van drie personen, zijn de resultaten van het vergelijkend DNA-onderzoek beschouwd onder het volgende hypothesepaar:

Hypothese I: De bemonstering AAFY2969NL#01 bevat DNA van [medeverdachte] en twee onbekende personen, niet aan elkaar verwant of verwant aan [medeverdachte].

Hypothese II: De bemonstering AAFY2969NL#01 bevat DNA van drie onbekende personen, niet aan elkaar verwant of verwant aan [medeverdachte].

De bevindingen van het vergelijkend DNA-onderzoek zijn veel waarschijnlijker als hypothese I juist is dan als hypothese II juist is voor deze bemonstering.

23. De verklaring van [aangever], afgelegde bij de politie op 1 november 2013, voor zover zakelijk weergegeven inhoudende:23

Op de vraag wat ik kan verklaren over de tas op de afbeelding die mij wordt getoond [hof: de foto op dossierpagina 94, naar het hof begrijpt een foto van de tas die op 31 oktober 2013 door de politie is aangetroffen] antwoord ik dat dit volgens mij mijn tas is. Ik zie dat de hengsels versleten zijn en dat waren de hengsels van mijn tas ook.

Op de vraag wat ik kan verklaren over het mapje op de afbeelding die mij wordt getoond [hof: de foto op dossierpagina 95, naar het hof begrijpt een foto van het mapje/polstas in de tas die op 31 oktober 2013 door de politie is aangetroffen] antwoord ik dat dit absoluut mijn mapje is. Op de foto die u mij toont zie ik dat mijn mapje in de binnenkant van de tas zit. Ik kan nu ook volledig bevestigen dat de tas op de afbeelding mijn aktentas betreft.

24. De verklaring van de [getuige 2], afgelegd bij de politie op 4 november 2013, voor zover zakelijk weergegeven inhoudende:24

Op het moment dat hij [hof: verdachte] die dinsdagochtend [hof: 22 oktober 2013] thuis kwam, zag ik dat de kentekenplaten niet meer op het voertuig aanwezig waren. Dat zal ergens tussen 09.30 uur en 10.00 uur zijn geweest. Het lukte me niet de nieuwe kentekenplaat aan de voorzijde te bevestigen. [verdachte] heeft die plaat later aan de voorzijde bevestigd.

Op de vraag wat ik kan verklaren over de foto van een tas die mij wordt getoond [hof: de foto op dossierpagina 160, naar het hof begrijpt een foto van de tas die op 31 oktober 2013 door de politie is aangetroffen] antwoord ik dat [verdachte] die tas mee mijn woning heeft ingenomen. Ik bedoel hiermee de dag dat hij met mijn auto is teruggekomen en zei dat ik aangifte moest doen van diefstal van mijn kentekenplaten. Ik zie dit aan de handvaten. Ik weet nog dat ik zag dat deze handvatten waren versleten. Ik had die tas nooit eerder gezien.

25. De verklaring van [getuige 5], afgelegd bij de politie op 15 mei 2014, voor zover zakelijk weergegeven inhoudende:25

Ik ben een tijdje geleden door [verdachte] [hof: verdachte] gevraagd of [ik] iemand wist die twee vuurwapens wilde kopen. Ik zei dat ik daar niemand voor wist. Daarna vroeg hij of ik twee vuurwapens van hem wilde bewaren. Dit was een paar dagen nadat ik wist dat er een overval was geweest in de wijk [woonwijk] [het hof begrijpt: de overval op [aangever]].

26. De verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van het hof van 22 april 2015, voor zover zakelijk weergegeven inhoudende:26

Mijn roepnaam is [verdachte]. Ik ken de getuige [medeverdachte]. U vraagt mij hoe de gang van zaken was rond de aangifte van diefstal van de kentekenplaten van de auto van [getuige 2]. Het zou kunnen dat ik tegen haar gezegd heb dat ze aangifte moest doen. Ik heb haar geholpen met het aanbrengen van een kentekenplaat.

Feit 3

Gelet op de omstandigheid dat de verdachte feit 3 heeft bekend en ten aanzien van dit feit door de verdediging geen vrijspraak is bepleit, zal het hof, in het licht van het bepaalde in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering, volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.

Het hof acht het feit bewezen op grond van:

- de bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van het hof van 22 april 2015;27

- een kennisgeving van inbeslagneming d.d. 30 oktober 2013;28

- een ambtsedig proces-verbaal van 14 november 2013 van [verbalisant van de politie] relaterende een onderzoek aan een inbeslaggenomen wapen.29

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

De verdediging heeft ten aanzien van het onder 1 en 2 ten laste gelegde vrijspraak bepleit. Daartoe heeft de verdediging aangevoerd dat de verdachte steeds heeft ontkend bij de overval en het schieten op [aangever] betrokken te zijn geweest. Volgens de verdediging heeft de [getuige 2] op een aantal onderdelen leugenachtig verklaard en voorts heeft zij ook een motief om de verdachte te belasten, zodat de verklaringen van [getuige 2] niet voor het bewijs kunnen worden gebezigd. Voorts kan volgens de verdediging niet worden vastgesteld dat de auto van [getuige 2] bij de overval en het schieten op [aangever] is gebruikt en evenmin dat de verdachte een van de inzittenden van deze auto is geweest. Ook op basis van de kleding van de overvaller zoals door [aangever] beschreven en zoals te zien op de videobeelden van de beveiligingscamera’s bij de plaats van de overval kan, aldus de verdediging, niet worden geconcludeerd dat de verdachte de overvaller is geweest. De verdachte heeft voor het tijdstip van de overval en het schietincident een alibi nu door verschillende getuigen is verklaard dat de verdachte op dat moment samen met zijn moeder en een vriendin van zijn moeder op weg was naar een uitvaartondernemer om daar een glaasje voor het graf van zijn opa te halen. De verdediging heeft geconcludeerd dat onder deze omstandigheden niet kan worden bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan.

Voorts heeft de verdediging ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde aangevoerd dat, mocht het hof van oordeel zijn dat kan worden vastgesteld dat de verdachte tijdens het schietincident één van de inzittenden was van de auto van waaruit op de auto van [aangever] is geschoten, het voor de verdachte niet mogelijk was om het schieten te voorkomen. Volgens de verdediging heeft een en ander binnen een zeer kort tijdsbestek plaatsgevonden en kan van de persoon op de achterbank (waar de verdachte volgens de verdediging moet hebben gezeten) niet worden verwacht dat hij in de gegeven omstandigheden zou ingrijpen. De verdediging heeft geconcludeerd dat de verdachte mitsdien voor wat betreft feit 2 niet kan worden aangemerkt als medepleger, zodat niet kan worden bewezen dat de verdachte het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan.

Tot slot heeft de verdediging ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde aangevoerd dat slechts kan worden vastgesteld dat gericht op de auto van [aangever] is geschoten teneinde er voor te zorgen dat de auto zou worden uitgeschakeld en niet dat gericht op de bestuurder van die auto is geschoten. Volgens de verdediging kan niet zonder meer worden aangenomen dat door vanuit een rijdende auto op een andere auto te schieten, waarbij de schutter uit het raam van de auto hangt, daarmee opzet op de dood van [aangever] heeft bestaan, zodat niet kan worden bewezen dat de verdachte het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan.

Het hof overweegt als volgt.

A. Betrouwbaarheid van de verklaringen van de getuige [getuige 2]

Het hof stelt vast dat de [getuige 2] reeds tijdens haar eerste verhoor bij de politie op 29 oktober 2013 met opgaaf van redenen is teruggekomen op haar aanvankelijke, de verdachte ontlastende, verklaring en dat zij nadien in de kern steeds eensluidend heeft verklaard over hetgeen er op 22 oktober 2013 is gebeurd, namelijk dat de verdachte bij haar sliep en die dag vroeg is opgestaan en haar auto heeft meegenomen, dat toen de verdachte terug was de kentekenplaten van de auto waren verdwenen, dat de verdachte toen het achterportier aan de bijrijderszijde met een geblokte theedoek heeft afgeveegd, dat de verdachte is teruggekomen met een tas die hij later weer heeft meegenomen en dat de verdachte toen samen met [medeverdachte] was.

Deze verklaring vindt op belangrijke onderdelen steun in andere bewijsmiddelen, namelijk de omstandigheid dat in de auto van [getuige 2] geblokte theedoeken voor de bijrijdersstoel zijn aangetroffen, de omstandigheid dat in de nabijheid van de woning van [getuige 2] de door haar genoemde tas is aangetroffen en de omstandigheid dat op een handvat van de betreffende tas een onvolledig DNA-mengprofiel van minimaal drie personen is aangetroffen waarbij de hypothese dat de bemonstering DNA van [medeverdachte] en twee onbekende personen bevat, niet aan elkaar verwant of verwant aan [medeverdachte] veel waarschijnlijker is dan de hypothese dat de bemonstering DNA bevat van drie onbekende personen, niet aan elkaar verwant of verwant aan [medeverdachte].

De verklaring van [getuige 2] dat de kentekenplaten van haar auto waren verdwenen vindt steun in de omstandigheid dat op 22 oktober 2013 door [getuige 2] bij de politie aangifte is gedaan van diefstal van haar kentekenplaten30 en voorts in de verklaring van de verdachte zelf voor zover hij heeft verklaard dat hij [getuige 2] heeft geholpen met het aanbrengen van een kentekenplaat op haar auto.

Ter terechtzitting in hoger beroep31 is [getuige 2] ten overstaan van het hof nogmaals als getuige gehoord. Bij die gelegenheid is [getuige 2], terwijl zij op indringende wijze is ondervraagd, op authentieke wijze bij haar verklaring gebleven.

Gelet op het vorenstaande ziet het hof geen aanleiding om aan de verklaringen van de getuige [getuige 2] te twijfelen en acht het hof deze verklaringen betrouwbaar en bruikbaar voor het bewijs. In hetgeen door de verdediging is aangevoerd ziet het hof geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen.

B. Betrokkenheid van de verdachte bij de overval op [aangever] en het daarop volgende schietincident

Op grond van de hiervoor weergegeven bewijsmiddelen stelt het hof het volgende vast:

- De verdachte heeft ongeveer zes weken voor de overval op [aangever] tegen [medeverdachte] gezegd dat hij een klus moest hebben en heeft aan hem gevraagd of diens voormalig werkgever ([aangever]) geld had. Daarop heeft [medeverdachte] tegen de verdachte gezegd dat [aangever] zeker geld had en heeft hij aan de verdachte informatie verstrekt over de woonplaats, de auto en het bedrijf van [aangever].

- De verdachte had de beschikking over meerdere wapens. [getuige 2] geeft een omschrijving van een van de wapens, te weten een wapen dat met twee handen kon worden vastgehouden maar ook kon worden uitgeklapt en tegen de schouder worden gezet, die past bij de beschrijving van een Kalasjnikov zoals te vinden is op openbare bron Google. Volgens [getuige 2] heeft de verdachte tegen [betrokkene] gezegd dat het een Kalasjnikov was.

- De verdachte is 22 oktober 2013 ’s ochtends vroeg met de auto van [getuige 2] bij haar woning vertrokken. De verdachte heeft tegen [getuige 2] gezegd dat hij zaken moest doen in Maastricht.

- Getuigen hebben op 22 oktober 2013 omstreeks 08.15 uur in de [G-straat] te Maastricht (een wijk direct naast de wijk [woonwijk] waar [aangever] woonachtig is32) een auto met daarin twee mannen gezien, welke auto soortgelijk was aan die van [getuige 2]. Door de getuigen is gezien dat de bestuurder is uitgestapt, uit de kofferbak een colafles heeft gepakt en deze heeft weggegooid. Bij politieonderzoek is in de kofferbak van de auto van [getuige 2] een tas met daarin lege colaflessen aangetroffen.

- Een van de getuigen heeft verklaard dat hij meent dat het kenteken van de auto [kenteken C] was, waarbij de getuige heeft verklaard dat hij zeker is over de cijfers en de positie in het kenteken van [cijfers]. Het door de getuige genoemde kenteken vertoont een relevante overeenkomst met het kenteken van de auto van [getuige 2], te weten [kenteken B].

- Op 22 oktober 2013 om 08.29 uur wordt een auto soortgelijk aan die van [getuige 2] in de [B-straat] geparkeerd. De [B-straat] is via een brandgang verbonden met de [A-straat] te Maastricht. Werknemers van een autodealer hebben de auto op een fotoafdruk van de camerabeelden herkend als zijnde een oud model Daihatsu Charade of een ouder model Toyota Starlet. De auto van [getuige 2] is een Daihatsu Charade.

- [aangever] wordt vervolgens “overvallen” door een persoon met een integraalhelm, die om 08.42 uur de brandgang naar [A-straat] inloopt. De overvaller heeft daarbij een voorwerp verpakt in plastic zakken op [aangever] gericht, waarbij de overvaller een beweging met zijn handen heeft gemaakt, welke beweging werd gevolgd door een metaalachtige klik, waarmee de overvaller bij [aangever] heeft doen voorkomen dat hij in die plastic zakken een vuurwapen had. Onder deze bedreiging heeft [aangever] zijn zwarte tas met daarin een mapje met een groot geldbedrag afgegeven.

- Om 08.43 uur rent de persoon met de integraalhelm weer uit de brandgang in de richting van de auto. Direct hierop rijdt de auto weg.

- Na de overval is [aangever] in zijn auto gestapt om achter de daders aan te gaan. Hij achtervolgt een klein model auto met daarin drie personen. Vanuit het raam aan de bijrijderszijde van die auto wordt meermalen met een automatisch vuurwapen op de daarachter rijdende auto van [aangever] geschoten. De gebruikte patronen worden doorgaans verschoten uit geweren van het type AK-47 (type Kalasjnikov) of wapens die daarvan zijn afgeleid. De verdachte beschikte over een vuurwapen type Kalasjnikov.

- Op 22 oktober 2013 is de verdachte tussen omstreeks 09.00 en 10.30 uur met de auto van [getuige 2] teruggekomen bij de woning van [getuige 2]. De kentekenplaten waren van de auto af, naar het hof aanneemt met het doel om de betrokkenheid van de auto bij de overval en het schietincident te verbergen. De verdachte was in het bezit van de tas van [aangever]. Hij heeft vervolgens met een theedoek het portier aan de bijrijderszijde afgeveegd, naar het hof aanneemt met het doel om daarmee sporen weg te maken. De verdachte is vervolgens met de tas vertrokken en was toen in het gezelschap van [medeverdachte]. Hij heeft de tas in een bosschage achtergelaten. Het geld was er uit weggenomen.

- De verdachte heeft na de overval getracht wapens te verkopen dan wel bij een derde in bewaring te geven.

Uit de hiervoor weergegeven feiten en omstandigheden, in onderlinge samenhang en (tijds)verband bezien, leidt het hof af dat het niet anders kan zijn dan dat de auto van [getuige 2] bij de overval op [aangever] en het daarop volgende schietincident tijdens de vlucht is gebruikt en dat de verdachte één van de inzittenden van deze auto is geweest. Uit het onderzoek ter terechtzitting zijn geen feiten of omstandigheden naar voren gekomen die tot een ander oordeel zouden moeten leiden.

Het hof hecht geen geloof aan het door de verdachte gegeven alibi dat hij in de nacht van 21 op 22 oktober 2013 bij een vriendin van zijn moeder heeft geslapen en rond het tijdstip van de overval en het schietincident samen met zijn moeder en een vriendin van zijn moeder op weg was naar uitvaartondernemer [uitvaartondernemer] om daar een glaasje voor het graf van zijn opa te halen. De verklaringen van de verdachte en de door de verdediging genoemde getuigenverklaringen hieromtrent zijn niet alleen strijdig met de hiervoor door het hof op grond van de bewijsmiddelen vastgestelde feiten en omstandigheden, maar vinden ook weerlegging in de verklaring van de voornoemde [uitvaartondernemer] dat uit zijn administratie is gebleken dat hij de bestelling voor de moeder van de verdachte pas op 24 oktober 2014 heeft ontvangen en vervolgens de moeder van de verdachte heeft gebeld33, het zogenaamde ‘tracking formulier’ dat door [uitvaartondernemer] aan de politie is overgelegd waaruit blijkt dat [uitvaartondernemer] de bestelling op 24 oktober 2013 om 13.35 uur heeft ontvangen34 en de telefoongegevens waaruit blijkt dat [uitvaartondernemer] niet op 22 oktober 2013 maar op 24 oktober 2013 om 15.43 uur is gebeld door het telefoonnummer dat in gebruik is bij de moeder van de verdachte35. Hieruit leidt het hof af dat de verdachte niet op 22 oktober 2013 maar pas op zijn vroegst op 24 oktober 2013 samen met zijn moeder bij de uitvaartondernemer is geweest. Het hof zal de verklaringen van de verdachte en de door de verdediging genoemde getuigen over het vermeende alibi van de verdachte dan ook als in strijd met de waarheid terzijde schuiven.

C. Medeplegen van de overval op [aangever] en het daarop volgende schietincident

Uit de hiervoor weergegeven bewijsmiddelen en hetgeen hiervoor onder B ten aanzien van de betrokkenheid van de verdachte bij de overval en het schietincident door het hof is vastgesteld en overwogen, in onderlinge samenhang en (tijds)verband bezien, blijkt dat:

  • -

    verdachte op zoek was naar een persoon die hij geld afhandig wilde maken en aldus bij [aangever] is uitgekomen;

  • -

    verdachte heeft gezorgd voor het bij de overval gebruikte auto;

  • -

    verdachte zich in afwachting van het vertrek van [aangever] uit zijn woning met in ieder geval één andere persoon heeft opgehouden in de nabijheid van die woning, namelijk eerst in een wijk direct naast de wijk alwaar [aangever] woonachtig is en daarna in een straat die via een brandgang is verbonden met de straat waar [aangever] woonachtig is;

  • -

    verdachte zich in de auto bevond van waaruit de overvaller met de integraal helm op (met het kennelijke doel om daarmee onherkenbaar te blijven) en in handen twee plastic zakken met daarin een voorwerp is vertrokken en na de overval daar rennend met de buit in is teruggekeerd;

  • -

    verdachte één van de inzittenden van de auto was toen tijdens de vlucht na de overval vanuit die auto met een vuurwapen op de auto van [aangever] is geschoten;

  • -

    verdachte de tas die bij de overval onder bedreiging door [aangever] is afgegeven in een bosschage heeft achtergelaten, de auto in kwestie van sporen heeft ontdaan en door het doen/laten verdwijnen van de kentekenplaten de betrokkenheid van bedoelde auto bij de overval en het schietincident heeft trachten te verbergen.

Gelet op voornoemde feiten en/of omstandigheden is het hof van oordeel dat de verdachte bij de overval op [aangever] zo nauw en bewust met zijn mededaders heeft samengewerkt dat sprake is van medeplegen van afpersing. Het hof acht het daarbij niet van belang of de verdachte degene is geweest die de daadwerkelijke overval heeft gepleegd dan wel de chauffeur of de bijrijder van de auto is geweest.

Voorts overweegt het hof dat uit de hiervoor vastgestelde feiten en omstandigheden blijkt dat de daders van de overval goed voorbereid te werk zijn gegaan. Ook kan hieruit worden afgeleid dat de daders kennelijk rekening hielden met verzet van en/of achtervolging door [aangever]. Gedurende de overval hebben zij immers een geladen vuurwapen type Kalasjnikov bij de hand gehad en daarmee is door één van hen, direct nadat door [aangever] de achtervolging was ingezet en zich achter de auto van de daders bevond, gericht op [aangever] geschoten. Daarbij is de schutter eerst uit het raam gaan hangen en op enig moment zelfs op het raam gaan zitten en heeft het vuurwapen vervolgens op het dak van de auto aangelegd. Gelet op deze gang van zaken en de samenhang met de daaraan voorafgaande overval op [aangever], tegen de achtergrond van de hiervoor vastgestelde feiten en omstandigheden, is naar het oordeel van het hof de voor het medeplegen van de voor het beschieten van [aangever] relevante samenwerking tussen de in de auto aanwezige daders reeds in het kader van het daaraan voorafgegane medeplegen van de overval ontstaan en daarna voortgezet, zodat de verdachte ook voor wat betreft het schieten op de auto van [aangever] kan worden aangemerkt als medepleger.

D. Opzet op de dood en al dan niet voorbedachte raad

Met betrekking tot de vraag of bij het schietincident is gehandeld met het opzet om [aangever] van het leven te beroven stelt het hof op grond van de hiervoor weergegeven bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang en (tijds)verband bezien, vast dat:

  • -

    de auto van [aangever], die na de overval achter de daders is aangegaan, op korte afstand achter de auto waarin de verdachte en zijn mededaders waren gezeten reed;

  • -

    vier maal vanuit een raam aan de bijrijderszijde van de auto op de daarachter rijdende auto van [aangever] is geschoten;

  • -

    de schutter daarbij uit het raam hing, waarbij de schutter op enig moment op het raam van het portier zat en het leek alsof de schutter het wapen op het dak van de auto aanlegde en het wapen met twee handen vasthield toen hij gericht op de auto van [aangever] schoot;

  • -

    tenminste één kogel de auto van [aangever] bij de koplamp aan de bestuurderszijde van de auto heeft geraakt;

  • -

    is geschoten met munitie van het kaliber 7,62x39mm, welke munitie doorgaans wordt verschoten uit geweren van het type AK-47 (type Kalasjnikov) of wapens die daarvan zijn afgeleid;

  • -

    is geschoten met zogenaamde volmantelpatronen, welke kogels in het type 7,62x39mm genoeg energie hebben om bij een rechtstreeks schot op korte afstand het menselijk lichaam te perforeren.

Het hof is van oordeel dat de verdachte en zijn mededaders, door tijdens de vlucht na een overval meermalen met een aanvalswapen zoals een AK-47 of een daarvan afgeleid wapen met volmantelpatronen van het kaliber 7,62x39mm vanuit het raam van een rijdende auto gericht op de bestuurderszijde van een op korte afstand daarachter rijdende auto te schieten, zich minst genomen willens en wetens hebben blootgesteld aan de aanmerkelijk kans dat de bestuurder van die auto ([aangever]) zou worden geraakt en daardoor dodelijk zou worden verwond. Uit de uiterlijke verschijningsvorm van het handelen van de verdachte en zijn mededaders leidt het hof af dat de verdachte en zijn mededaders deze aanmerkelijke kans ook hebben aanvaard. Mitsdien acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte en zijn mededaders hebben gehandeld met het opzet om [aangever] van het leven te beroven.

Anders dan de rechtbank en de advocaat-generaal acht hof niet bewezen dat de verdachte en zijn mededaders bij het schietincident hebben gehandeld met voorbedachte raad nu naar het oordeel van het hof het bewijs ervoor te kort schiet dat de verdachte en zijn mededaders zich gedurende voldoende tijd hebben kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit om [aangever] opzettelijk van het beleven te beroven. Mitsdien zal de verdachte van het onder 2 primair ten laste gelegde worden vrijgesproken.

E. Conclusie

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 subsidiair ten laste gelegde heeft begaan, zoals hiervoor bewezen verklaard. Uit het onderzoek ter terechtzitting zijn ook overigens geen feiten of omstandigheden naar voren gekomen die zouden moeten leiden tot andere oordelen dan hiervoor gegeven.

De verweren worden verworpen.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het onder 1 bewezen verklaarde levert op:

Afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd wordt op de openbare weg en terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

Het onder 2 subsidiair bewezen verklaarde levert op:

Medeplegen van poging tot doodslag.

Het onder 3 bewezen verklaarde levert op:

Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf of maatregel

Bij de bepaling van de op te leggen straf heeft het hof gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Het hof heeft daarbij acht geslagen op de inhoud van de verdachte betreffende rapporten van reclassering Nederland d.d. 1 november 2013 en 29 januari 2014. Voorts heeft het hof rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die doorgaans voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

De verdachte heeft zich samen met zijn mededaders schuldig gemaakt afpersing en poging tot doodslag. Bij de overval op het slachtoffer [aangever] zijn de verdachte en zijn mededaders op planmatige wijze te werk gegaan. Zij hebben in de buurt van de woning van [aangever] gewacht tot het moment dat hij volgens zijn vaste routine zou vertrekken. Vervolgens hebben zij een tas met daarin een groot geldbedrag van [aangever] afhandig gemaakt. Daarbij is een voorwerp verpakt in plastic zakken op [aangever] gericht, waarbij een beweging met de handen is gemaakt, welke beweging werd gevolgd door een metaalachtige klik. De verdachte en zijn mededaders hebben daarmee kennelijk bij [aangever] de indruk willen wekken dat er een groot vuurwapen op hem werd gericht (hetgeen ook overigens een reële mogelijkheid is). Vervolgens is meermalen gericht met een automatisch vuurwapen op [aangever] geschoten. Een kogel heeft de motorkap aan de bestuurderszijde van de auto van [aangever] geraakt. [aangever] mag van geluk spreken dat hij zelf niet door een van de kogels is geraakt. Het schietincident heeft gedurende de ochtendspits plaatsgevonden op de openbare weg in Maastricht. Op dat moment waren veel mensen op weg waren naar hun werk of school. In de nabijheid van de plaats waar is geschoten was ook een school gelegen. Er was dan ook een aanzienlijk risico dat een toevallige passant door een (afketsende) kogel geraakt zou worden. Kennelijk hebben de verdachte en zijn mededaders ten koste van alles aan [aangever] willen ontkomen en zich daarbij niet bekommerd om de gezondheid, het welzijn en de veiligheid van [aangever] en/of omstanders. Het is bovendien een feit van algemene bekendheid dat gewelddadige feiten als de onderhavige die zich op straat afspelen leiden tot gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving. Het hof rekent de verdachte zijn handelen dan ook zwaar aan.

Voorts heeft de verdachte een vuurwapen van categorie III voorhanden gehad. Dit wapen is bij zijn aanhouding in zijn broekzak aangetroffen. Het ongecontroleerde bezit van een vuurwapen leidt tot gevoelens van onveiligheid in de samenleving en bergt het risico in zich dat deze zullen worden gebruikt, met niet zelden ernstig letsel of de dood ten gevolge.

Gelet op het vorenstaande is het hof van oordeel dat niet kan worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor aanzienlijke duur met zich brengt.

Het hof komt tot een gevangenisstraf voor een korte duur dan door de rechtbank is opgelegd en door de advocaat-generaal is gevorderd nu het hof, anders dan de rechtbank en de advocaat-generaal, van oordeel is dat voor wat betreft feit 2 geen sprake is van voorbedachte raad, zoals primair ten laste gelegd.

Een en ander in aanmerking genomen acht het hof een gevangenisstraf voor de duur van 9 jaren passend en geboden.

In de justitiële documentatie van verdachte d.d. 1 mei 2015 heeft het hof geen aanleiding gezien om tot strafverzwaring dan wel strafmatiging te komen.

Beslag

Bij gelegenheid van het onderzoek naar de onder 1 en 2 subsidiair bewezen verklaarde door de verdachte begane misdrijven zijn een vuurwapen en een wapenstok aangetroffen, welke voorwerpen nog niet zijn teruggegeven. Deze voorwerpen zijn vatbaar voor verbeurd verklaring nu het onder 3 bewezen verklaarde met betrekking tot het vuurwapen is begaan en de wapenstok, die aan de verdachte toebehoort, kan dienen tot het begaan of het voorbereiden van soortgelijke misdrijven. Het ongecontroleerde bezit van het vuurwapen en de wapenstok is in strijd is met de wet en het algemeen belang.

Vordering van de benadeelde partij [aangever]

De benadeelde partij [aangever] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 8.055,95, bestaande uit de kosten van het herstel van de schade aan de auto (€ 2.655,95), het afgeperste geldbedrag voor zover dit niet door de verzekering is vergoed (€ 2.200,-) en immateriële schade (€ 3.200,-), te vermeerderen met de wettelijke rente.

Bij vonnis waarvan beroep is deze vordering toegewezen tot een bedrag van € 4.855,95, te vermeerderen met de wettelijke rente, en is de gevorderde immateriële schade afgewezen.

De benadeelde partij [aangever] heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd zodat de vordering in hoger beroep in volle omvang aan de orde is.

Het hof overweegt als volgt.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij [aangever] als gevolg van verdachtes onder 1 en 2 subsidiair bewezen verklaarde handelen rechtstreeks schade heeft geleden zoals door de benadeelde partij is gevorderd. De vordering is door de verdediging niet betwist. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat het gevorderde bedrag volledig toewijsbaar is.

Het toe te wijzen bedrag aan schadevergoeding zal worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 22 oktober 2013, zijnde de dag waarop de strafbare feiten waardoor de schade is veroorzaakt hebben plaatsgevonden, tot aan de dag der algehele voldoening.

Het hof zal de verdachte voorts verwijzen in de door de benadeelde partij [aangever] gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten. Het hof begroot deze kosten tot op heden op nihil.

Schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht

Het hof ziet aanleiding om aan de verdachte – ter meerdere zekerheid van de betaling van de schadevergoeding aan de benadeelde partij [aangever] – de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen als na te melden. Verdachte is naar burgerlijk recht aansprakelijk voor de schade die door de strafbare feiten is toegebracht.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 36c, 36d, 36f, 45, 47, 57, 287, 312 en 317 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 subsidiair en 3 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 (negen) jaren.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Beveelt de onttrekking aan het verkeer van de volgende in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen:

- wapen STAR 6.35 (nummer 2264275);

- wapenstok TW 1000 (nummer 2264200).

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [aangever] ter zake van het onder 1 en 2 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 8.055,95 (achtduizend vijfenvijftig euro en vijfennegentig cent) bestaande uit € 4.855,95 (vierduizend achthonderdvijfenvijftig euro en vijfennegentig cent) materiële schade en € 3.200,00 (drieduizend tweehonderd euro) immateriële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 22 oktober 2013 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [aangever], ter zake van het onder 1 en 2 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 8.055,95 (achtduizend vijfenvijftig euro en vijfennegentig cent) bestaande uit € 4.855,95 (vierduizend achthonderdvijfenvijftig euro en vijfennegentig cent) materiële schade en € 3.200,00 (drieduizend tweehonderd euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 75 (vijfenzeventig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 22 oktober 2013 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Aldus gewezen door

mr. H. Eijsenga, voorzitter,

mr. A.J.M. van Gink en mr. P.M. Frielink, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. F. Gerritsen, griffier,

en op 7 juli 2015 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

De griffier is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

1 Voor zover hierna bij de bewijsmiddelen in de voetnoten wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn deze afkomstig uit het dossier van Politie Regio Limburg-Zuid, High Impact Crime Team (H.I.C.), PV-nummer 2013115110, aantal doorgenummerde pagina’s 1 tot en met 867 (nummering rechts bovenaan de pagina).

2 Ambtsedig proces-verbaal van aangifte van 22 oktober 2013 inhoudende de verklaring van [aangever], dossierpagina’s 75 tot en met 81.

3 Ambtsedig proces-verbaal van verhoor aangever van 23 oktober 2013 inhoudende de verklaring van [aangever], dossierpagina’s 84 tot en met 88.

4 Ambtsedig proces-verbaal van verhoor getuige van 24 oktober 2013 inhoudende de verklaring van een anonieme getuige, dossierpagina’s 127 en 128.

5 Ambtsedig proces-verbaal van verhoor getuige van 26 oktober 2013 inhoudende de verklaring van de [getuige 1], dossierpagina’s 130 en 131.

6 Ambtsedig proces-verbaal van bevindingen van 22 oktober 2013 inhoudende het relaas van de [verbalisanten van de politie], dossierpagina’s 103 en 104.

7 Ambtsedig proces-verbaal van sporenonderzoek van 24 december 2013 inhoudende het relaas van de verbalisanten [forensisch onderzoekers van de politie], dossierpagina’s 225 tot en met 228.

8 NFI-rapport d.d. 13 januari 2014 getiteld ‘Munitieonderzoek naar aanleiding van een schietincident in Maastricht op 22 oktober 2013’ inhoudende de bevindingen en conclusies van M.E. Bestebreurtje (NFI-deskundige wapens en munitie), dossierpagina’s 273 tot en met 281.

9 Ambtsedig proces-verbaal van verhoor aangever van 19 november 2013 inhoudende de verklaring van [aangever], dossierpagina’s 99 tot en met 102.

10 Ambtsedig proces-verbaal van verhoor verdachte van 13 november 2013 inhoudende de verklaring van [medeverdachte], dossierpagina’s 786 tot en met 796.

11 Ambtsedig proces-verbaal van verhoor getuige van 29 oktober 2013 inhoudende de verklaring van de [getuige 2], dossierpagina’s 137 tot en met 148.

12 Proces-verbaal van de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank Limburg, van 18 maart 2014 inhoudende de verklaring van de [getuige 2]. Dit proces-verbaal maakt geen deel uit van het doorgenummerde politiedossier maar is los gevoegd in het dossier.

13 Verklaring van de [getuige 2], afgelegd op de terechtzitting van het hof van 22 april 2015, weergegeven op pagina’s 11 tot en met 16 van het proces-verbaal van die terechtzitting.

14 Ambtsedig proces-verbaal van verhoor getuige met bijlagen van 4 november 2013 inhoudende de verklaring van de [getuige 2], dossierpagina’s 149 tot en met 162.

15 Ambtsedig proces-verbaal van verhoor getuige van 23 oktober 2013 inhoudende de verklaring van de [getuige 3], dossierpagina’s 116 tot en met 118.

16 Ambtsedig proces-verbaal van verhoor getuige van 24 oktober 2014 inhoudende de verklaring van de [getuige 4], dossierpagina’s 119 en 120.

17 Ambtsedig proces-verbaal van sporenonderzoek van 3 januari 2014 inhoudende de bevindingen van [verbalisanten van de politie], dossierpagina’s 283 tot en met 285.

18 Ambtsedig proces-verbaal van bevindingen met bijlagen van 24 oktober 2013 inhoudende bevindingen van [verbalisant van de politie], dossierpagina’s 318 tot en met 322.

19 Ambtsedig proces-verbaal van bevindingen met bijlagen van 25 oktober 2013 inhoudende het relaas van [verbalisanten van de politie], dossierpagina’s 323 tot en met 325.

20 Ambtsedig proces-verbaal van 22 januari 2014 inhoudende het relaas van de [verbalisant van de politie], dossierpagina’s 50 en 51.

21 Ambtsedig proces-verbaal van sporenonderzoek van 3 januari 2013 inhoudende de bevindingen van de [forensisch onderzoekers van de politie], dossierpagina’s 336 tot en met 339.

22 NFI-rapport d.d. 15 april 2014 getiteld ‘Aanvullend DNA-onderzoek naar aanleiding van een overval gepleegd in Maastricht op 22 oktober 2013’ (herzien rapport) inhoudende de bevindingen en conclusies van Y. van de Wal (NFI-deskundige forensisch onderzoek van biologische sporen en DNA). Dit rapport maakt geen deel uit van het doorgenummerde politiedossier maar is los gevoegd in het dossier.

23 Ambtsedig proces-verbaal van verhoor aangever met bijlagen van 1 november 2013 inhoudende de verklaring van [aangever], dossierpagina’s 91 tot en met 96.

24 Ambtsedig proces-verbaal van verhoor getuige met bijlagen van 4 november 2013 inhoudende de verklaring van de [getuige 2], dossierpagina’s 149 tot en met 162.

25 Ambtsedig proces-verbaal van verhoor verdachte van 15 mei 2014 inhoudende de verklaring van [getuige 5]. Dit proces-verbaal maakt geen deel uit van het doorgenummerde politiedossier maar is los gevoegd in het dossier.

26 Verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van het hof van 22 april 2015, weergegeven op pagina’s 3 en 4 van het proces-verbaal van die terechtzitting.

27 Verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van het hof van 22 april 2015, weergegeven op pagina 3 van het proces-verbaal van die terechtzitting.

28 Kennisgeving van inbeslagneming (artikel 94 Sv) d.d. 3 oktober 2013, dossierpagina’s 416 en 417.

29 Ambtsedig proces-verbaal van 14 november 2013 inhoudende de bevindingen van de [forensisch onderzoeker van de politie], dossierpagina’s 421 tot en met 424.

30 Ambtsedig proces-verbaal van aangifte van 22 oktober 2013 inhoudende de verklaring van [getuige 2], dossierpagina’s 400 tot en met 402.

31 De verklaring van de [getuige 2], afgelegde op de terechtzitting van het hof van 22 april 2015, weergegeven op pagina’s 11 tot en met 16 van het proces-verbaal van die terechtzitting.

32 Zie: https://maps.google.nl.

33 Ambtsedig proces-verbaal van bevindingen van 3 december 2013 inhoudende het relaas van de [verbalisant van de politie] met betrekking tot een telefonisch gesprek met de [uitvaartondernemer], dossierpagina 197.

34 Een geschrift, te weten een afdruk van een ‘tracking formulier’, dossierpagina 198.

35 Ambtsedig proces-verbaal van bevindingen van 7 november 2013, inhoudende het relaas van de [verbalisant van de politie] met betrekking tot de controle van de historische telefoongegevens van de aansluiting van de [uitvaartondernemer], dossierpagina’s 191 en 192; ambtsedig proces-verbaal van bevindingen van 17 december 2013, inhoudende het relaas van de [verbalisant van de politie] met betrekking tot de controle van de historische telefoongegevens van de aansluiting van de [uitvaartondernemer], dossierpagina’s 199 en 200.