Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2015:2505

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
07-07-2015
Datum publicatie
09-07-2015
Zaaknummer
HD 200.151.900_01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

koopoptie

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ERF-Updates.nl 2015-0261

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer HD 200.151.900/01

arrest van 7 juli 2015

in de zaak van

  1. [appellante 1] , in haar hoedanigheid van executeur,
    wonende te [woonplaats 1] ,

  2. [appellant 2] ,
    wonende te [woonplaats 1] ,

appellanten in principaal hoger beroep,

geïntimeerden in incidenteel hoger beroep,

hierna aan te duiden als [appellante 1] c.s.,

advocaat: mr. K.A. Boshouwers te Utrecht,

tegen

1 [geïntimeerde 1] ,
wonende te [woonplaats 2] (Verenigde Staten),

2. [geïntimeerde 2] ,
wonende te [woonplaats 3] (Duitsland),

3. [geïntimeerde 3] ,
wonende te [woonplaats 4] (Nieuw Zeeland),

4. [geïntimeerde 4]

wonende te [woonplaats 5] (Verenigde Staten),

5. [geïntimeerde 5],

wonende te [woonplaats 6] ,

6. [geïntimeerde 6],

wonende te [woonplaats 7] (ZH),

7. [geïntimeerde 7],

wonende te [woonplaats 8] (Canada),

8. [geïntimeerde 8],

wonende te [woonplaats 9] (Canada),

9. [geïntimeerde 9],

wonende te [woonplaats 10] (Canada),

10. [geïntimeerde 10],

wonende te [woonplaats 11] (Canada),

11. [geïntimeerde 11] ,

wonende te [woonplaats 12] ,

12. [geïntimeerde 12],

wonende te [woonplaats 13] ,

13. [geïntimeerde 13],

wonende te [woonplaats 14] ,

14. [geïntimeerde 14],

wonende te [woonplaats 15] ,

geïntimeerden in principaal hoger beroep,

appellanten in incidenteel hoger beroep,

hierna aan te duiden als [geïntimeerden] ,

advocaat: mr. Ph.C.M. van der Ven te 's-Hertogenbosch,

op het bij exploot van dagvaarding van 23 mei 2014 ingeleide hoger beroep van het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 26 februari 2014, gewezen tussen [appellante 1] c.s. als gedaagden en [geïntimeerden] als eisers.

1 Het geding in eerste aanleg (zaaknr. C/02/259393 HA ZA 13-78)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis, het vonnis van 29 mei 2013 en het vonnis van 24 juli 2013.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding in hoger beroep met productie;

  • -

    de memorie van grieven met producties;

  • -

    de memorie van antwoord, tevens memorie van grieven in incidenteel hoger beroep met producties en eiswijziging;

  • -

    de memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep met producties en verzet tegen eiswijziging;

  • -

    de brief van 1 juni 2015 van de zijde van [appellante 1] c.s. met productie 74 en met productielijst;

  • -

    de brief van 8 juni 2015 van de zijde van [appellante 1] c.s. waarbij op verzoek van het hof de producties 67 en 68 bij memorie van grieven zijn overgelegd;

  • -

    de brief van 28 mei 2015 van de zijde van [geïntimeerden] waar bij mr M.S. van Gaalen als behandelend advocaat wordt geïntroduceerd;

  • -

    het H12 formulier d.d. 3 juni 2015 van de zijde van [geïntimeerden] waarbij een akte overlegging producties met producties 26 A, 26B, 27A, 27B,, 28 A, 28 B, 29 A, 29B 30, 31 A, 31 B, 32 is toegezonden;

  • -

    het H12 formulier d.d. 8 juni 2015 van de zijde van [geïntimeerden] waarbij vertalingen behorende bij 27 a, 29 A, 31 A zijn toegezonden;

  • -

    het pleidooi d.d. 17 juni 2015, waarbij partijen pleitnotities hebben overgelegd.

De bij voornoemde brieven en H12 formulieren genoemde stukken zijn bij pleidooi bij akte in het geding gebracht.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De beoordeling

in principaal en incidenteel hoger beroep

3.1.In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten.

  1. Op 5 november 2010 is te [plaats 1] (Italië) overleden [erflaatster] . Ten tijde van haar overlijden was zij de niet-hertrouwde weduwe van [echtgenoot erflaatster] .

  2. Bij uiterste wil van 22 september 1995, opgemaakt bij notaris [notaris 1] te [plaats 2] , heeft [erflaatster] over haar nalatenschap beschikt. In het testament is bepaald dat op de vererving en afwikkeling van de nalatenschap Nederlands recht van toepassing is.

  3. Als executeurs zijn benoemd [executeur] en [appellante 1] (appellante sub 1).

  4. Op 9 juli 2004 is door [erflaatster] een document opgesteld, dat zij ‘codicil’ heeft genoemd. Hierin heeft zij geschreven

[erflaatster] (…)

Verklaart hierbij dat de heer Ir. [appellant 2] en zijn echtgenote Mr. [appellante 1] , na overleg met enkele familieleden, hebben besloten om na mijn overlijden mijn onroerend bezit in [plaats 1] , Italië, te kopen uit de boedel en de erven hun wettig erfdeel hierover te vergoeden, na taxatie van een beëdigd makelaar. Ik ga met dit voorstel volledig akkoord.”

Op 15 juli 2004 heeft [erflaatster] “herziene adviezen voor de executrices testamentaires” aan de executeurs op schrift gesteld. Hierin heeft zij geschreven:

Wat mijn onroerend bezit betreft, zal alles geregeld worden door [appellant 2] en [appellante 1] .

De makelaar die het onroerend goed, moet taxeren is [taxateur 1] , adres in [plaats 4] (…).”

Op 15 september 2011 heeft notaris [notaris 2] te [plaats 2] een verklaring van erfrecht afgegeven.

Alle erfgenamen hebben de nalatenschap zuiver aanvaard.

Op 15 september 2011 is overleden [executeur] , zij heeft 4 kinderen nagelaten die als erfgenaam voor haar in de plaats treden in nalatenschap van [erflaatster] (geïntimeerden sub 1 tot en met 4).

[appellante 1] heeft het beheer van de nalatenschap van [erflaatster] alleen voortgezet.

Bij beschikking van 5 februari 2015 heeft de rechtbank [woonplaats 12] , team kanton, locatie Den Haag, de verzoeken van [geïntimeerden] d.d. 12 juni 2014 tot ontslag van [appellante 1] als executeur en toekenning van het gezamenlijk beheer over de goederen van de nalatenschap van erflaatster aan [geïntimeerde 12] en [geïntimeerde 13] afgewezen.

3.2.1.

Bij dagvaarding van 18 december 2012 hebben de erfgenamen (bij wijze van plaatsvervulling) van [erflaatster] (hierna te noemen: erflaatster) de onderhavige procedure aanhangig gemaakt. Het voorgaande met uitzondering van [appellant 2] die erfgenaam en gedaagde (in eerste aanleg) is.

In incident hebben voornoemde erfgenamen, na vermindering van eis bij akte vermindering van eis in incident, kort gezegd gevorderd:

I. [appellante 1] op de voet van artikel 4:148 BW te veroordelen om, op straffe van een dwangsom, de navolgende bescheiden aan hen te verstrekken: 1. specificaties c.q. taxatierapportages van alle in de email van 2 oktober 2011 genoemde goederen en schulden waaruit de waarde van de desbetreffende goederen c.q. de hoogte van de schulden op 5 november 2010 kan worden bepaald; 2. specificaties van de doorlopende kosten en gemaakte kosten van beheer van de nalatenschap vanaf 5 november 2010 tot datum vonnis; 3. taxatierapportages opgesteld door een beëdigde taxateur met de waarde per 5 november 2010 van:

De inboedel van de woning te Italië;

De auto van erflaatster;

De kostbaarheden van erflaatster;

II. [appellante 1] te veroordelen om, op straffe van een dwangsom, inzage te verstrekken in de bankadministratie van erflaatster over de periode van 5 november 2010 tot de datum vonnis aan de fiscalist [fiscalist] van [X.] belasting adviseurs te [plaats 3] .

III [appellante 1] te veroordelen in de kosten van het incident.

Het incident zal hierna worden aangeduid als: eerste incident

Bij voornoemde dagvaarding is tevens de eis in hoofdzaak ingesteld, welke eis bij conclusie van antwoord in reconventie is vermeerderd, zie hierna onder 3.2.4.

3.2.2.

Bij conclusie van antwoord in incident in conventie tevens conclusie van eis tot het treffen van een voorlopige voorziening heeft [appellante 1] als voorlopige voorziening ex artikel 223 lid 1 Rv, kort gezegd, gevorderd eisers ieder naar rato van zijn aandeel in de nalatenschap van erflaatster te veroordelen om het onder 3.2.8. van die conclusie genoemde bedrag over te maken op de bankrekening van de Erven van [erflaatster] .

De gevorderde voorlopige voorziening ex artikel 223 lid 1 Rv zal hierna worden aangeduid als: tweede incident.

3.2.3.

Bij conclusie van antwoord in conventie tevens conclusie van eis in reconventie hebben [appellante 1] c.s., kort gezegd, in hoofdzaak een eis in reconventie ingesteld, welke is verminderd bij akte tot het in geding brengen van stukken, zie hierna onder 3.2.5.

3.2.4.

Bij conclusie van antwoord in reconventie hebben eisers hun eis in conventie in hoofdzaak vermeerderd. Na deze vermeerdering luidt de vordering in hoofdzaak in conventie, kort gezegd:

IV. [appellante 1] c.s. te veroordelen om medewerking te verlenen aan de verkoop en overdracht van de tot de nalatenschap behorende woning te [plaats 1] (Italië) zulks door mee te werken aan alle benodigde rechts- en feitelijke handelingen te bepalen en aan te wijzen door een door de rechtbank te benoemen makelaar in Italië;

V. [appellante 1] c.s. te veroordelen om medewerking te verlenen aan de verkoop en overdracht van de tot de nalatenschap behorende auto, inboedelzaken en kostbaarheden (roerende zaken);

VI. het resterende saldo der nalatenschap te verdelen tussen de erfgenamen;

VII. [appellante 1] c.s. te veroordelen in de proceskosten;

VIII. voor zover de rechtbank de taxatie door [taxateur 1] d.d. 21 maart 2011 beschouwt als bindend advies in de zin van artikel 7:904 lid 1 BW, voor recht te verklaren dat deze taxatie nietig is en de waarde van de woning met bijbehorende grond waartegen [appellante 1] c.s. deze kunnen overnemen vast te stellen, primair op € 960.000,00 dan wel

€ 930.000,00 dan wel € 900.000,00 conform de taxaties van [taxateur 2] dan wel [taxateur 3] , dan wel het gemiddelde van deze taxaties en subsidiair een deskundige te benoemen om de taxatiewaarde van de woning met bijbehorende grond te bepalen;

IX. [appellante 1] te veroordelen om aan [geïntimeerden] te voldoen een bedrag van

€ 18.863,70;

X. [appellant 2] te veroordelen om in het kader van de verdeling in de nalatenschap in te brengen een bedrag van € 9.102,70.

3.2.5.

Bij akte tot het in geding brengen van stukken d.d. 3 december 2013, hebben [appellante 1] c.s. hun eis in reconventie in hoofdzaak verminderd en bezwaar gemaakt tegen de vermeerdering van eis in conventie. Na deze vermindering van eis in reconventie luidt de eis in reconventie in hoofdzaak, kort gezegd, als volgt:

1.voor recht te verklaren dat erflaatster aan [appellante 1] c.s. een rechtsgeldige koopoptie heeft verleend van de woning in de gemeente [plaats 1] , met adres [adres] , [plaats 1] , Italië, met ondergrond, erf, tuin en aangrenzende terreinen.

2. [geïntimeerden] ieder te veroordelen tot medewerking aan verkoop en levering van voornoemd onroerend goed aan [appellante 1] c.s. tegen inbreng in de nalatenschap van een bedrag van € 400.000,00, welke levering dient plaats te vinden ten overstaan van een door [appellante 1] c.s. aan te wijzen (Italiaanse) notaris.

3.indien de onder 1. bedoelde verklaring niet wordt afgegeven en de taxatie van [taxateur 1] niet bindend wordt geoordeeld de executeur te machtigen om tot verkoop van de onroerende zaak over te gaan;

4. de verdeling van de overige bestanddelen van de nalatenschap vast te stellen als gevorderd door [appellant 2] bij conclusie van antwoord tevens conclusie van eis in reconventie;

5. veroordeling van [geïntimeerden] in de proceskosten.

3.3.1.

Bij vonnis van 29 mei 2013 heeft de rechtbank:

in het eerste incident slechts de vordering met betrekking tot opgave van de kostbaarheden toegewezen en geoordeeld dat aan deze veroordeling geen dwangsom wordt verbonden.

In het tweede incident heeft de rechtbank de gevorderde voorlopige voorziening afgewezen.

In de hoofdzaak is het geschil naar de rol verwezen.

3.3.2.

Bij vonnis van 24 juli 2013 heeft de rechtbank een comparitie van partijen gelast.

3.3.3.

Van de comparitie gehouden op 19 december 2013 is proces-verbaal opgemaakt. Bij comparitie van partijen heeft de rechtbank de eisvermeerdering van eisers voor zover het onder IX en X gevorderde betreft niet toegelaten, als zijnde in strijd met artikel 130 Rv.

3.3.4.

Bij vonnis van 26 februari 2014 heeft de rechtbank, kort gezegd, in conventie en reconventie, bepaald dat de tussen [geïntimeerden] en [appellant 2] bestaande gemeenschap dient te worden verdeeld, zodanig dat aan iedere erfgenaam het aan hem of haar toekomende aandeel daarin zoals in sub 7 van de dagvaarding genoemd toekomt. Op de wijze als overwogen onder 3.11 t/m 3.17, 3.19, 3.21, 3.23, 3.25, 3.26, 3.30 en 3.32 van het vonnis ( r.o. 4.1.);

- [geïntimeerden] en [appellante 1] c.s. veroordeeld om medewerking te verlenen aan de verkoop en overdracht van de tot de nalatenschap behorende woning te [plaats 1] (Italië) voor een bedrag gelijk aan de vrije waarde in het economische verkeer, terwijl de verkoop dient te geschieden door tussenkomst van een door [appellante 1] c.s. in te schakelen makelaar in Italië, met uitzondering van de makelaars die reeds door of namens (een van ) partijen zijn ingeschakeld (r.o. 4.2.);

- [geïntimeerden] en [appellante 1] c.s. veroordeeld tot medewerking aan de benodigde verkoop en levering van de in de verdeling betrokken goederen (r.o. 4.3.);

- het anders of meer gevorderde is afgewezen (r.o.4.6.).

3.4.1.

In principaal appel hebben [appellante 1] c.s. vijf grieven gericht tegen het vonnis van de rechtbank van 26 februari 2014 en geconcludeerd tot vernietiging van dat vonnis en, kort gezegd, gevorderd:

2.1.

te verklaren voor recht dat erflaatster aan [appellante 1] c.s. een rechtsgeldige koopoptie heeft verleend van de woning in de gemeente [plaats 1] , met adres [adres] , [plaats 1] Italië, met ondergrond, erf, tuin en aangrenzende terreinen, aan welke [appellante 1] c.s. rechten kunnen ontlenen;

2.2.

[geïntimeerden] ieder voor zich te veroordelen tot het verlenen van medewerking aan het verkopen en leveren van de woning van erflaatster in de gemeente [plaats 1] , met adres [adres] , [plaats 1] Italië, met ondergrond, erf, tuin en aangrenzende terreinen aan [appellante 1] c.s. tegen inbreng in de nalatenschap van een bedrag van

€ 400.000,00 welke levering dient plaats te vinden ten overstaan van een door [appellante 1] c.s. aan te wijzen (Italiaanse) notaris, op verbeurte van een dwangsom;

2.3.

Voor het geval het onder 2.2. gevorderde wordt afgewezen, een door het hof in goede justitie, ter plaatse bekende makelaar te benoemen die de waarde in het vrije economische verkeer van voornoemde onroerende zaak bindend vaststelt en te bepalen dat [appellante 1] c.s. de onroerende zaak tegen de door deze makelaar vastgestelde wijze kunnen kopen van de boedel tegen inbreng van de door deze makelaar vast gestelde waarde, en te bepalen dat als [appellante 1] c.s. de koopoptie niet ten uitvoer leggen, de woning via deze makelaar wordt verkocht aan een ander.

3.4.2.

In principaal hoger beroep is, kort gezegd, slechts aan de orde de afwikkeling van de nalatenschap voor zover deze de verkoop en levering van het onroerend goed te [plaats 1] , met adres [adres] , [plaats 1] Italië en de waardebepaling daarvan betreft.

Met de grieven 1 tot en met 5 betogen [appellante 1] c.s. dat erflaatster met haar verklaring d.d. 9 juli 2004 (hiervoor genoemd onder 3.1. d, hof) aan hen een geldige koopoptie heeft verleend betreffende de woning in de gemeente [plaats 1] , met adres [adres] , [plaats 1] Italië, met ondergrond, erf, tuin en aangrenzende terreinen en dat het in het onderhavige geschil niet gaat om toedeling van voornoemd onroerend goed uit de nalatenschap aan [appellant 2] , maar om nakoming door de overige erfgenamen van hun verplichting om voornoemd onroerend goed aan [appellante 1] c.s. te verkopen en wel, nu dit dwingend in haar herziene adviezen voor de executrices testamentaires d.d. 15 juli 2004 is opgenomen, tegen de door [taxateur 1] getaxeerde waarde ad

€ 400.000,00. Door [appellante 1] c.s. is, zo stellen zij, voldoende aannemelijk gemaakt dat de door [taxateur 1] getaxeerde waarde de vrije waarde in het economische verkeer betreft. Wanneer zou hebben te gelden dat [appellante 1] c.s. op grond van de redelijkheid en billijkheid geen beroep kunnen doen op verkoop van de woning tegen betaling van € 400.000,00 brengt dit zo stellen zij niet mee dat zij geen koopoptie hebben. Alsdan hebben zij het recht de woning te kopen tegen de dan vast te stellen vrije waarde in het economisch verkeer.

[geïntimeerden] hebben gemotiveerd verweer gevoerd voor zover van belang zal dat hierna aan de orde komen.

3.4.3.

In incidenteel appel hebben [geïntimeerden] hun vermeerderde eis gehandhaafd en geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep uitsluitend wat betreft het door de rechtbank onder rechtsoverweging 4.2 bepaalde ten aanzien van de keuze van de makelaar en opnieuw rechtdoende een makelaar te benoemen zoals in eerste aanleg (hiervoor onder 3.2.4. IV weergegeven, hof) gevorderd, met veroordeling van [appellante 1] c.s. in de kosten van het principaal en incidenteel appel. Het voorgaande met dien verstande dat voor makelaar dient te worden gelezen ‘agence immobiliere”.

3.4.4.

Grief 1 is gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat de verkoop van de woning in Italië geschiedt middels tussenkomst van een door de executeur aan te wijzen makelaar in Italië.

Met grief 2 hebben zij alsnog toewijzing gevorderd van het in eerste aanleg bij vermeerdering van eis onder IX en X gevorderde (zie hiervoor onder 3.2.4, hof).

Aan de vordering onder IX ad € 18.863,70 (bestaande uit € 9.102,70 + € 7.898,00 + € 1.863,00) hebben zij ten grondslag gelegd dat [appellante 1] haar taak als executeur onbehoorlijk heeft vervuld, door onterecht kosten ten laste van de nalatenschap te brengen, en zij daardoor schade aan de boedel heeft toegebracht. Deze schade dient zij aldus [geïntimeerden] te vergoeden, artikel 6:162 BW .

Aan de vordering onder X ad € 9.102,70 hebben zij ten grondslag gelegd dat dit bedrag als onterecht ten laste van de nalatenschap gebrachte kosten op het aandeel in de nalatenschap van [appellant 2] dient te worden toegerekend, artikel 4:228 BW, dan wel met zijn aandeel in de nalatenschap dient te worden verrekend, artikel 6:127 BW.

3.5.

Het hof oordeelt dat tussen partijen niet in geschil is dat op de vererving en afwikkeling van de onderhavige nalatenschap Nederlands recht van toepassing is en dat ook de juridische betekenis van de verklaring van erflaatster d.d. 9 juli 2004 en hetgeen zij in haar herziene adviezen aan de executeurs d.d. 15 juli 2004 omtrent de waardering van haar onroerend goed heeft opgenomen naar Nederlands recht dient te worden beoordeeld.

Koopoptie?

3.5.1.

Naar het oordeel van het hof hebben [appellante 1] c.s. de verklaring van erflaatster d.d. 9 juli 2004 begrepen en mogen begrijpen als een onherroepelijk aanbod/optie tot koop van haar onroerend goed in [plaats 1] , Italië na haar dood, artikel 6:219 lid 3 BW. Tussen partijen is niet in geschil dat voornoemd onroerend goed de woning in de gemeente [plaats 1] , met adres [adres] , [plaats 1] Italië, met ondergrond, erf, tuin en aangrenzende terreinen betreft. Erflaatster heeft zich volledig akkoord verklaard met het voorstel van [appellante 1] c.s. om voornoemd onroerend goed na haar dood te kopen. Anders dan [geïntimeerden] betogen doet daar niet aan af dat de prijs niet is bepaald, nu de wijze waarop de prijs dient te worden bepaald, te weten door taxatie door een beëdigd makelaar, in de verklaring van erflaatster is opgenomen. Evenmin doet aan het voorgaande af dat erflaatster het document waarin haar verklaring is opgenomen ‘codicil’ heeft genoemd.

3.5.2.

In haar herziene adviezen aan de executrices testamentaires d.d. 15 juli 2004 (hiervoor genoemd onder 3.1. e) heeft erflaatster op schrift gesteld dat de makelaar die voornoemd onroerend goed moet taxeren [taxateur 1] , adres in [plaats 4] ” is. Zij heeft dit herhaald in haar “Herziene adviezen voor de executrices testamentaires” d.d 7 mei 2006.

3.5.3.

Naar het oordeel van het hof is daarmee voldoende komen vast te staan dat erflaatster de uitdrukkelijke wens had de taxatie van voornoemd onroerend goed door voornoemde makelaar te doen plaatsvinden. De verklaring van [familielid] , d.d 11 augustus 2011, dat erflaatster haar nooit heeft verplicht met [taxateur 1] te werken doet aan het voorgaande niet af. Evenmin volgt uit de brief van erflaatster d.d. 19 juli 2004 dat van voornoemde uitdrukkelijke wens geen sprake was.

Door het onderhavige onroerend goed door [taxateur 1] te doen taxeren hebben

[appellante 1] c.s. de nadere invulling van de in de koopoptie opgenomen wijze waarop de prijs dient te worden bepaald, geaccepteerd.

3.5.4.

Niet in geschil is dat [appellante 1] c.s. bij brief van 15 april 2011 aan boedelnotaris [boedelnotaris] te kennen hebben gegeven de koopoptie voor een bedrag van € 400.000,00 te aanvaarden. Voorts is niet betwist dat de aanvaarding de erfgenamen heeft bereikt.

Aldus is voor de erfgenamen een verbintenis ontstaan om aan de verkoop van het onroerend goed aan [appellante 1] c.s. tegen de door [taxateur 1] getaxeerde waarde ad € 400.000,00 medewerking te verlenen.

Het voorgaande is slechts anders indien een beroep door [appellante 1] c.s. op de door [taxateur 1] vastgestelde waarde van het onroerend goed ad € 400.000,00 naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, artikel 2:6 lid 2 BW. Wanneer van dit laatste sprake is doet dat niet af aan het bestaan van een koopoptie, maar wel aan de verplichting van de erfgenamen om medewerking te verlenen aan de verkoop voor een bedrag van € 400.000,00.

3.5.5.

[appellante 1] c.s. hebben de waardering door [taxateur 1] , waarvan het taxatierapport d.d. 21 maart 2011 als productie 7 bij inleidende dagvaarding door [geïntimeerden] is overgelegd, onderbouwd. Zij hebben daartoe overgelegd een offerte van Immobiliare [plaats 4] d.d. 3 september 2014 (productie 65 bij memorie van grieven) en een taxatierapport van Studio Technico [taxateur 3] , [landmeter] ,landmeter, d.d. 12 januari 2015, met een Nederlandse vertaling, ( productie 72 bij memorie van antwoord in incidenteel appel).

[geïntimeerden] – op wie de last rust te bewijzen dat een beroep door [appellante 1] c.s. op de door [taxateur 1] getaxeerde waarde van het onderhavige onroerend goed, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is - hebben de waardering van de woning door [taxateur 1] gemotiveerd betwist. Zij hebben daartoe een taxatierapport van [taxateur 2] , landmeter, d.d. 13 mei 2011, met beëdigde vertaling en een deskundigentaxatie d.d. 12 mei 2011 van [taxateur 3] , landmeter, met beëdigde vertaling, overgelegd.

3.5.6.

Daar met voornoemde van de zijde van [appellante 1] c.s. overgelegde stukken, de waardering van [taxateur 1] , kort gezegd, wordt bevestigd, maar anderzijds de waarde van het onderhavige onroerend goed in de door [geïntimeerden] overgelegde taxaties beduidend hoger wordt getaxeerd, acht het hof een deskundigenonderzoek noodzakelijk.

3.5.7.

Het hof is voornemens aan de te benoemen deskundige(n) de volgende vragen voor te leggen:

1. Kunt u aangeven wat de vrije waarde in het economisch verkeer was van de onderhavige woning in de gemeente [plaats 1] , met adres [adres] , [plaats 1] Italië, met ondergrond, erf, tuin en aangrenzende terreinen op 11 maart 2011 (datum taxatierapport [taxateur 1] ), dan wel kort voor of kort na deze datum.

2. Op grond waarvan komt u tot de waarde als door u getaxeerd.

3. Kunt u aangeven tussen welke bedragen het bedrag waarvoor de onderhavige woning

op 11 maart 2011 (datum taxatierapport [taxateur 1] ), dan wel kort voor of kort na deze datum, in het economische verkeer verkocht zou kunnen worden, fluctueert en welke factoren u daarbij bepalend acht.

3.5.8.

Partijen kunnen zich (gelijktijdig) bij akte uitlaten over het aantal, de deskundigheid en - bij voorkeur eensluidend - de persoon van de te benoemen deskundige(n). Voorts kunnen partijen suggesties doen over de aan de deskundige(n) voor te leggen vragen.

Voor zover een partij voorstelt een deskundige in Italië te benoemen dient zij zich er over uit te laten hoe zij zich een dergelijke benoeming vanuit Nederland voorstelt.

3.5.9.

Het hof is voornemens de kosten van de deskundige(n) voorshands ten laste van [geïntimeerden] te brengen, artikel 195 Rv .

4 De uitspraak

Het hof:

op het principaal en incidenteel hoger beroep

verwijst de zaak naar de rol van dinsdag 4 augustus 2015 voor akte aan de zijde van beide partijen gelijktijdig met het onder 3.5.8. opgenomen doel;

houdt ieder verder oordeel aan;

Dit arrest is gewezen door mrs. B.A. Meulenbroek, Y.L.L.A.M. Delfos-Roy en P.S. Kamminga en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 7 juli 2015.

griffier rolraadsheer