Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2015:2499

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
07-07-2015
Datum publicatie
08-07-2015
Zaaknummer
HD 200.122.808_01
Formele relaties
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2015:206
Einduitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2016:615
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Tekortkomingen bij aanneming van werk (bouw woonhuis). Vervolg op hof ’s-Hertogenbosch 27 januari 2015, ECLI:NL:GHSHE:2015:206.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer HD 200.122.808/01

arrest van 7 juli 2015

in de zaak van

1 V.O.F. H.B.S.-Bouw,

gevestigd te [vestigingsplaats],

2. [appellant 2],

wonende te [woonplaats],

3. [appellant 3],

wonende te [woonplaats],

4. [appellant 4],

wonende te [woonplaats],

appellante in principaal hoger beroep,

geïntimeerde in incidenteel hoger beroep,

hierna tezamen aan te duiden als HBS c.s.,

advocaat: mr. P.J.T. Austen te Valkenburg aan de Geul,

tegen

1 [geïntimeerde 1],

2. [geïntimeerde 2],

beiden wonende te [woonplaats],

geïntimeerden in principaal hoger beroep,

appellanten in incidenteel hoger beroep,

hierna tezamen aan te duiden als [geïntimeerden c.s.],

advocaat: mr. M.J. Mookhram te Heerlen,

als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 27 januari 2015 (ECLI:NL:GHSHE:2015:206) in het hoger beroep van het door de rechtbank Maastricht onder zaaknummer 163163/HAZA 11-612 gewezen vonnis van 7 november 2012.

5 Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenarrest van 27 januari 2015;

  • -

    de memorie na tussenarrest van HBS c.s. met drie producties;

  • -

    de memorie van antwoord na tussenarrest van [geïntimeerden c.s.] met tien producties.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald.

6 De verdere beoordeling

in principaal en incidenteel hoger beroep

6.1.

Bij het tussenarrest van 27 januari 2015 heeft het hof de zaak naar de rol verwezen voor een memorie na tussenarrest aan de zijde van HBS c.s. met de in rov. 3.7.7, 3.10.3 en 3.12.2 van het tussenarrest vermelde doeleinden.

Met betrekking tot rov. 3.7.7 van het tussenarrest: in reconventie gevorderd meerwerk

6.2.1.

HBS c.s. vorderen in reconventie veroordeling van [geïntimeerden c.s.] tot betaling van € 25.960,15 ter zake meerwerk. De rechtbank heeft die vordering afgewezen en HBS c.s. zijn daartegen opgekomen met grief VII in principaal hoger beroep. Het hof heeft HBS c.s. vervolgens in de gelegenheid gesteld om

 in een inzichtelijke opstelling duidelijk te maken van welke concrete door hen in 2008 en 2009 verzonden meerwerkfacturen (en tot welke bedragen) zij nu betaling vorderen en hoe dat leidt tot het gevorderde totaalbedrag van € 21.815,25 exclusief btw ofwel € 25.960,15 inclusief btw;

 daarbij ten aanzien van elke factuur duidelijk aan te geven op grond waarvan zij menen dat die meerwerkfactuur terecht verzonden is.

Het hof heeft HBS c.s. daarbij opgedragen om de opbouw van het gevorderde bedrag van € 21.815,25 exclusief btw ofwel € 25.960,15 inclusief btw duidelijk te maken aan de hand van de facturen die HBS c.s. als productie 6 bij de memorie van grieven hebben overgelegd en waarnaar zij in alinea 126 van de memorie van grieven hebben verwezen, en derhalve niet onder verwijzing naar de voorlopige opstelling bij de conclusie van antwoord.

6.2.2.

HBS c.s. hebben bij hun memorie na tussenarrest uiteengezet dat de facturen die zij als prod. 6 bij de memorie van grieven hebben overgelegd, niet de meerwerkfacturen betreffen waarvan zij thans betaling vorderen maar facturen ter zake meerwerk dat al is betaald. Het bedrag van € 21.815,25 exclusief btw ofwel € 25.960,15 inclusief btw dat HBS c.s. thans vorderen, bestaat volgens hen uit meerwerk dat nog niet gefactureerd is. Naar het hof begrijpt, stellen HBS c.s. zich op het standpunt dat zij ter zake nog niet gefactureerd meerwerk recht hebben op € 21.815,25 exclusief btw ofwel € 25.960,15 inclusief btw zoals gespecificeerd in bijlage 3 bij de brief van 31 mei 2010 van de toenmalige advocaat van HBS c.s. aan de toenmalige gemachtigde van [geïntimeerden c.s.], die is overgelegd als productie 2 bij de conclusie van antwoord in conventie, tevens conclusie van eis in reconventie. Uit de memorie van antwoord en uit de antwoordmemorie na tussenarrest blijkt dat [geïntimeerden c.s.] dit ook zo hebben begrepen. Het hof zal de posten die op de genoemde bijlage voorkomen, hieronder voorzien van een letteraanduiding en stuk voor stuk bespreken.

a. Stelkozijnen: € 735,-- en € 560,--

Uit de stellingen van partijen volgt dat de wijze waarop de stelkozijnen moesten worden uitgevoerd, na ondertekening van de aanneemovereenkomst op verzoek van [geïntimeerden c.s.] is gewijzigd omdat [geïntimeerden c.s.] te allen tijde rolluikgeleiders wilden kunnen plaatsen. Het hof acht het in verband daarmee door HBS c.s. gevorderde bedrag van € 560,-- toewijsbaar omdat [geïntimeerden c.s.] onvoldoende hebben betwist dat deze aangepaste uitvoering meer werk voor HBS c.s. meebracht en dat dit voor [geïntimeerden c.s.] redelijkerwijs duidelijk moet zijn geweest. Het tevens door HBS c.s. gevorderde bedrag van € 735,-- acht het hof tegenover de betwisting door [geïntimeerden c.s.] onvoldoende onderbouwd, zodat dat bedrag zal worden afgewezen.

b. Reparaties plafond kelder: € 210,--

HBS c.s. vorderen een bedrag van € 210,-- als meerwerk voor in opdracht van [geïntimeerden c.s.] verrichte reparaties aan het plafond van de kelder. Volgens HBS c.s. was in de oorspronkelijke opdracht geen stucwerk opgenomen, hebben derden het plafond beschadigd en heeft HBS daarna op verzoek van [geïntimeerden c.s.] bij wege van meerwerk het plafond hersteld. [geïntimeerden c.s.] hebben daartegen aangevoerd dat de post voorkomt op de door HBS c.s. gevorderde gebrekenlijst. Volgens [geïntimeerden c.s.] kan dus geen sprake zijn van meerwerk. Naar het oordeel van het hof hebben [geïntimeerden c.s.] deze post hiermee onvoldoende betwist. Dat de post voorkomt op de gebrekenlijst doet er niet aan af dat het werk als meerwerk aan HBS is opgedragen (en vervolgens wellicht gebrekkig is uitgevoerd). De post is dus toewijsbaar.

c. Aanpassen metselwerk t.b.v. dorpels: € 280,--

d. Plaatsen hardstenen dorpel onder vluchtraam kelder: € 26,26

HBS c.s. vorderen een bedrag van € 280,-- ter zake “Aanpassen metselwerk tbv dorpels ivm toepassen [geïntimeerde 1] dikkere natuurstenen dorpels en 5cm overstekken natuursteen 8 m.u.”.

Het hof zal deze post afwijzen omdat HBS c.s. onvoldoende hebben onderbouwd dat het hier daadwerkelijk meerwerk betreft dat vooraf met [geïntimeerden c.s.] is overeengekomen of waarvan aan [geïntimeerden c.s.] duidelijk had moeten zijn dat dit een prijsverhoging tot gevolg zou hebben.

Het ter zake het plaatsen van een hardstenen dorpel onder het vluchtraam van de kelder gevorderde bedrag van € 26,25 wordt afgewezen omdat niet valt in te zien dat dit afzonderlijk in rekening mag worden gebracht naast de meerwerkfactuur die HBS ter zake andere natuurstenen dorpels al aan [geïntimeerden c.s.] had verzonden.

e. Betimmeringen: € 635,-- en € 324,--

Ter zake diverse betimmeringen vorderen HBS c.s. bedragen van € 635,-- en € 324,--. [geïntimeerden c.s.] hebben gemotiveerd betwist dat dit meerwerk betreft. HBS c.s. hebben deze posten daarna niet nader toegelicht. Het hof zal de posten afwijzen omdat HBS c.s. onvoldoende hebben onderbouwd dat het hier daadwerkelijk meerwerk betreft dat vooraf met [geïntimeerden c.s.] is overeengekomen of waarvan aan [geïntimeerden c.s.] duidelijk had moeten zijn dat dit een prijsverhoging tot gevolg zou hebben.

f. Draairichting deur hal/kelder wijzigen: € 362,50

Ter zake deze post vorderen HBS c.s. € 362,50. Ter onderbouwing van deze post hebben zij aangevoerd dat HBS de deuren heeft aangebracht met draairichtingen volgens de instructies van [geïntimeerden c.s.] en dat [geïntimeerden c.s.] ná het gereedkomen van de werkzaamheden (monteren kozijnen en afhangen deuren) heeft besloten dat de draairichting van de deur van de hal/kelder gewijzigd moest worden. Als gevolg daarvan moesten de deur en het kozijn weer gedemonteerd worden en opnieuw gesteld worden, waarna ook het metselwerk/stucwerk moest worden bijgewerkt.

[geïntimeerden c.s.] hebben deze gang van zaken niet betwist en zij hebben evenmin betwist dat het hen redelijkerwijs duidelijk is geweest dat deze aanpassing extra werk opleverde en een prijsverhoging tot gevolg zou hebben. Het hof zal deze post daarom als onvoldoende betwist toewijzen. Het verweer van [geïntimeerden c.s.] dat deze post al in rekening is gebracht via de door [geïntimeerden c.s.] als prod. 15 overgelegde factuur is in het licht van de tekst op die factuur onvoldoende onderbouwd. De stelling van [geïntimeerden c.s.] dat de draairichting van deze deur voorkomt op een gebrekenlijst is door HBS c.s. betwist en door [geïntimeerden c.s.] vervolgens in het geheel niet geconcretiseerd.

g. Post van € 105,--

Op het overzicht dat als bijlage 3 is gevoegd bij de brief van 31 mei 2010 van de toenmalige advocaat van HBS c.s. aan de toenmalige gemachtigde van [geïntimeerden c.s.] (productie 2 bij antwoord in conventie, tevens eis in reconventie) staat op blz. 2 een post van € 105,-- met als omschrijving:

“Overleg / inbouwen/sparing terras t.b.v. unit afzuigkap

overleg HBS /[onderaannemer]/schoonvader /leidingverloop buizen

op breedplaat 1e verdieping”

Deze post staat temidden van een uiteenzetting over tegelwerk (waarop het hof hierna onder h zal ingaan) maar betreft kennelijk een afzonderlijke post. Het hof acht deze post niet toewijsbaar omdat [geïntimeerden c.s.] de post als onderdeel van hun algemene betwisting van het meerwerk hebben betwist en HBS c.s. de post niet op inzichtelijke wijze hebben toegelicht.

h. Meerwerk in verband met tegelwerk: € 4.531,50

HBS c.s. vorderen ter zake met het tegelwerk verband houdend meerwerk € 4.531,50. Dit betreft een bedrag van € 9,50 per m2, maal 477 m2. Voor de goede orde merkt het hof op dat het bedrag van € 3.132,75, dan onderaan de eerste bladzijde van het reeds genoemde overzicht is genoemd, geen betrekking heeft op het tegelwerk maar het naar de volgende pagina te transporteren totaal betreft van de posten die het hof hiervoor als a tot en met f heeft besproken.

De onderbouwing die HBS c.s. voor de vordering ter zake het tegelwerk hebben gegeven, kan niet de stelling van HBS c.s. dragen dat het hier meerwerk betreft. De eigen stellingen van HBS c.s. komen er immers op neer dat het bedrag van € 9,50 per m2 begrepen was in het voor het zetten van de tegels in de oorspronkelijke aanneemsom opgenomen bedrag van €40,-- per m2. Nu het bedrag al onderdeel uitmaakt van de oorspronkelijke aanneemsom, valt niet in te zien waarom HBS c.s. het daarnaast ook als meerwerk zouden mogen vorderen. Het hof zal deze (door [geïntimeerden c.s.] gemotiveerd betwiste) post daarom afwijzen.

i. Estrich arbeid : € 1.812,--

Naar het oordeel van het hof hebben HBS c.s. tegenover de betwisting door [geïntimeerden c.s.] onvoldoende toegelicht dat deze post (naast de hierna te bespreken post m) als meerwerk voor vergoeding in aanmerking komt. Het hof zal deze post daarom afwijzen.

j. Rvs matten ter plaatse van vloerverwarming: € 1.029,--

Ter zake “Rvs matten tpv vloeren met vloerverwarming incl. aanbrengen 228 m2” vorderen HBS c.s. € 1.029,--. In de memorie van antwoord hebben [geïntimeerden c.s.] onder verwijzing naar het als prod. 7 overgelegde onderdeel van de begrotingsstaat, waarop verzinkte draadmatten zijn vermeld, gesteld dat deze post onderdeel uitmaakt van de oorspronkelijke overeenkomst en dus geen meerwerk betreft.

HBS c.s. hebben vervolgens in hun memorie na tussenarrest naar de kern genomen gesteld dat vanwege de grotere vloertegels die [geïntimeerden c.s.] hadden gekozen, scheurvorming kon ontstaan en dat [geïntimeerden c.s.] in verband daarmee aan HBS hebben gevraagd om een extra RVS mat aan te brengen, ook als [geïntimeerden c.s.] daarvoor extra kosten zou moeten betalen.

[geïntimeerden c.s.] hebben vervolgens in hun antwoordmemorie niet betwist dat zij om het aanbrengen van de extra RVS-laag, eventueel tegen meerkosten, hebben gevraagd. Volgens hen is dit meerwerk echter voldaan. Ter onderbouwing daarvan hebben zij een offerte van de firma [onderaannemer] overgelegd. Het hof verwerpt dit verweer omdat de op de offerte vermelde draadmatten geen extra draadmatten betreffen zoals door HBS c.s. bedoeld, maar de oorspronkelijk in de overeenkomst voorziene draadmatten. De post van € 1.029,-- is daarom als onvoldoende betwist toewijsbaar.

k. Afdekken vloeren: € 465,--

Ter zake “Afdekken vloeren met protektie karton na gereed komen tegelvloeren 308 m2” vorderen HBS c.s. € 465,--. Volgens HBS c.s. zouden aanvankelijk de door [geïntimeerden c.s.] ingeschakelde schilders de vloer afdekken (ter voorkoming van verfspatten) maar is die taak vervolgens door [geïntimeerden c.s.] aan HBS c.s. toebedeeld. [geïntimeerden c.s.] hebben betwist dat dit meerwerk oplevert. Het hof acht de post toewijsbaar omdat [geïntimeerden c.s.] niet hebben betwist dat de schilderwerkzaamheden geen onderdeel vormden van de overeenkomst. De in verband met het schilderwerk te treffen voorzorgsmaatregelen vallen dan in beginsel evenmin onder de oorspronkelijke overeenkomst. [geïntimeerden c.s.] hebben niet betwist dat het hen redelijkerwijs duidelijk had moeten zijn dat het opdragen van deze werkzaamheden aan HBS een meerprijs tot gevolg zou hebben.

l. Kitwerk van tegelwerk: € 821,90

Volgens HBS c.s. maakte het kitwerk van het tegelwerk geen onderdeel uit van de oorspronkelijke overeenkomst. [geïntimeerden c.s.] hebben dat gemotiveerd betwist. Naar het oordeel van het hof blijkt uit de stellingen van HBS c.s. niet dat zij [geïntimeerden c.s.] voldoende duidelijk hebben gewezen op de extra kosten die gemoeid zouden zijn met deze werkzaamheden, terwijl het naar het oordeel van het hof aan [geïntimeerden c.s.] zonder een dergelijke mededeling niet redelijkerwijs duidelijk hoefde te zijn dat zij hiervoor apart moesten betalen. Reeds om deze reden is deze post niet toewijsbaar.

m. Extra behandeling terras: € 760,--

Ter onderbouwing van deze post hebben HBS c.s. bij memorie van grieven het volgende aangevoerd.

In onderling overleg met [geïntimeerden c.s.] is besloten dat het terras extra zou worden behandeld teneinde invriezen te voorkomen. Dit was noodzakelijk ten gevolge van de tegelkeuze van [geïntimeerde 1]. Door de grotere tegel kon namelijk geen specie worden aangebracht, doch moest een cementdekvloer worden aangebracht, inclusief estrichlaag. Estrich neemt veel vocht op en kan dientengevolge bevriezen. Teneinde dat te voorkomen was een extra waterwerende PCI laag bovenop de estrich nodig. Een estrichlaag zou niet noodzakelijk zijn geweest bij de keuze voor een kleinere tegel die in specie kon worden gelegd.

[geïntimeerden c.s.] hebben bij memorie van antwoord onder verwijzing naar een factuur van 25 september 2009 aangevoerd dat zij deze post al betaald hebben. HBS c.s. hebben gemotiveerd betwist dat de door [geïntimeerden c.s.] genoemde factuur ook de werkzaamheden ter zake de terrasbehandeling omvat. Het hof acht het door [geïntimeerden c.s.] gevoerde verweer onvoldoende onderbouwd. Nu [geïntimeerden c.s.] de stellingen van HBS c.s. ten aanzien van deze post voor het overige niet gemotiveerd hebben betwist en evenmin hebben bestreden dat het hen duidelijk was dat met de genoemde extra werkzaamheden een kostenverhoging gepaard zou gaan, zal het hof deze post toewijzen.

n. Inloopdouches / voegmateriaal: € 635,50

HBS c.s. maken aanspraak op € 635,50 ter zake meerwerk inloopdouches / voegmateriaal etc”. [geïntimeerden c.s.] hebben gemotiveerd en onder verwijzing naar verschillende producties gesteld dat deze werkzaamheden en materialen al gefactureerd zijn. Naar het oordeel van het hof moet de vordering worden afgewezen omdat HBS c.s. niet hebben kunnen aantonen dat zij, naast de al in rekening gebrachte bedragen (die hier niet ter discussie staan), hiervoor nog een nader bedrag zouden mogen vorderen.

o. Plinten ter plaatse van garage: € 72,50

Onder punt 52 van hun memorie na tussenarrest hebben HBS c.s. erkend dat zij deze post ten onrechte hebben opgevoerd. Deze post is dus niet toewijsbaar.

p. Plinten terras: € 115,50

HBS c.s. maken aanspraak op € 115,50 ter zake “Leveren plinten terras door HBS ivm andere hoogte 21 m”. HBS c.s. hebben deze post in hun memorie na tussenarrest, randnummers 26, 27 en 28, uitvoerig toegelicht. [geïntimeerden c.s.] hebben deze toelichting in hun antwoordmemorie na tussenarrest onweersproken gelaten. Het hof zal deze post daarom als onvoldoende betwist toewijzen.

q. Trespa vergoeding ivm verf onderkanten: € 500,--

HBS c.s. maken aanspraak op € 500,-- ter zake “Trespa vergoeding ivm verf onderkanten bekleden”. Het hof acht deze post onvoldoende onderbouwd. [geïntimeerden c.s.] hebben er terecht op gewezen dat HBS bij brief van 10 november 2009, aansluitend op een telefoongesprek, aan [geïntimeerden c.s.] heeft bevestigd dat “de € 500,00 vergoeding voor de Trespa i.v.m. verfvervuiling” gecrediteerd zal worden. Het valt niet in te zien op grond waarvan HBS c.s. eenzijdig op deze afspraak zouden kunnen terugkomen. De post is dus niet toewijsbaar.

r. Schoonmaken vloeren/ramen/kozijnen: € 450,--

HBS c.s. maken aanspraak op € 450,-- ter zake “Schoonmaken alle vloeren / ramen en kozijnen nergens in kontrakt”. Het hof overweegt over deze post het volgende. Uit de stellingen van partijen blijkt dat de schoonmaakwerkzaamheden door een derde zijn verricht, dat [geïntimeerden c.s.] die derde heeft betaald en dat HBS c.s. het betreffende bedrag aan [geïntimeerden c.s.] heeft vergoed op basis van een gemaakte afspraak. Dit blijkt ook uit de als prod. 4 bij de memorie van antwoord in principaal hoger beroep overgelegde creditnota van 25 november 2009. HBS c.s. hebben niet duidelijk gemaakt waarom zij nu eenzijdig op die afspraak zou mogen terugkomen. Het hof zal deze post daarom afwijzen.

s. Koplatten: € 651,--

HBS c.s. maken aanspraak op € 651,-- ter zake “Koplatten (afspraak waren stukkoppen) aanbrengen niet volgens kontrakt”. In de toelichting op grief VII (randnummer 142 memorie van grieven) hebben zij gesteld dat in de uittrekstaten was voorzien in stucstoppen maar dat [geïntimeerden c.s.] heeft verzocht om toepassing van koplatten, die HBS uiteindelijk heeft aangebracht. [geïntimeerden c.s.] hebben betwist dat op dit punt sprake is van meerwerk.

Het hof zal HBS c.s. met betrekking tot deze post toelaten te bewijzen dat zij met [geïntimeerden c.s.] zijn overeengekomen dat het aanbrengen van de koplatten als meerwerk zou worden verricht en in rekening gebracht. Bewijslevering kan plaatsvinden op een nader te bepalen moment na afloop van het na te melden deskundigenbericht.

t. Trespa kelder en dakkapel: € 85,-- en € 194,--

HBS c.s. maken aanspraak op € 85,-- ter zake “Trespa tpv negge kanten vluctdeur kelder” en € 194,-- ter zake “trespa tpv dakkapel onderzijde”. [geïntimeerden c.s.] hebben betwist dat zij voor deze werkzaamheden opdracht hebben gegeven. Het hof zal HBS c.s. met betrekking tot deze post toelaten te bewijzen dat zij met [geïntimeerden c.s.] zijn overeengekomen dat op de genoemde plaatsen in plaats van hechthout trespa zou worden aangebracht en dat dit als meerwerk in rekening zou worden gebracht. Bewijslevering kan plaatsvinden op een nader te bepalen moment na afloop van het na te melden deskundigenbericht.

u. Kozijnen plamuren: € 275,--

HBS c.s. maken aanspraak op € 275,-- ter zake “Kozijnen plamuren (Schilder niet in contract)”. Deze post is door [geïntimeerden c.s.], als onderdeel van hun algemene betwisting van het meerwerk, betwist en door HBS c.s. vervolgens niet voldoende toegelicht. Het hof zal deze post daarom afwijzen.

v. Grondwerk: € 1.170,--

HBS c.s. maken aanspraak op € 1.170,-- ter zake “Grondwerk Machine + handgrondwerk niet in aanneemsom tbv riool buiten zie offerte [onderaannemer]”. Ter onderbouwing van deze post hebben zij bij memorie van grieven gesteld dat het grondwerk niet was opgenomen in de begroting en dat [geïntimeerden c.s.] vervolgens opdracht hebben gegeven om dit werk toch door onderaannemer [onderaannemer] te laten uitvoeren.

[geïntimeerden c.s.] hebben bij memorie van antwoord gesteld dat het grondwerk al eerder in rekening is gebracht bij de facturen van 9 juni 2008 en 7 juli 2008 die zij als productie 11 bij die memorie hebben overgelegd.

HBS c.s. hebben vervolgens bij hun memorie na tussenarrest uiteengezet dat het grondwerk dat op de genoemde facturen is vermeld, betrekking heeft op het ontgraven van de kelder bij aanvang van de bouwwerkzaamheden, terwijl nadien grondwerk ten behoeve van de aanleg van het riool, dat niet besloten lag in de oorspronkelijke opdracht, als meerwerk is opgedragen.

Bij hun antwoordmemorie na tussenarrest hebben [geïntimeerden c.s.] zich op het standpunt gesteld dat de aanneemsom voor de uitvoering van de werkzaamheden van de firma [onderaannemer] volledig voldaan is. Ter onderbouwing van dat standpunt hebben [geïntimeerden c.s.] verwezen naar de door hen als prod. 17 overgelegde facturen van 6 oktober 2009 en 5 november 2009.

Het hof verwerpt dit verweer van [geïntimeerden c.s.] HBS c.s. hebben immers aan de hand van prod. 10 bij de memorie van grieven duidelijk gemaakt dat het graafwerk ten behoeve van de riolering géén onderdeel uitmaakt van dat deel van het meerwerk van [onderaannemer], waarop de facturen van 6 oktober 2009 en 5 november 2009 betrekking hebben.

[geïntimeerden c.s.] hebben bij hun antwoordmemorie na tussenarrest voorts aangevoerd: “Voor deze post is geen opdracht verstrekt.” Het hof verwerpt dat verweer omdat het gelet op de in artikel 347 Rv neergelegde tweeconclusieregel te laat is aangevoerd. Bovendien is het verweer onvoldoende onderbouwd aangezien niet in geschil is dat de betreffende werkzaamheden geen onderdeel uitmaakten van de oorspronkelijke opdracht, wel zijn uitgevoerd en [geïntimeerden c.s.] zich bij de memorie van antwoord nog op het standpunt stelden dat het onderhavige meerwerk inmiddels al betaald was.

Het voorgaande voert tot de conclusie dat het bedrag van € 1.170,-- voor toewijzing vatbaar is.

w. Diverse werkzaamheden met betrekking tot de zolder: € 495,-- en € 1.160,--

HBS c.s. maken aanspraak op:

I. € 495,-- ter zake “Veranderen positie dakkapellen anders dan tekening overleg stelwerk / metselwerk / extra spant”;

II. € 1.160 ter zake “Bekleden binnenkant dakkapellen / vensterbank + ombouw c.v. units”.

Het hof zal de onder I genoemde post toewijzen. [geïntimeerden c.s.] hebben niet gemotiveerd betwist dat de positie van de dakkapellen op hun verzoek is gewijzigd en dat het hen duidelijk was dat dit extra kosten meebracht. De stelling van [geïntimeerden c.s.] dat deze post al eerder in rekening is gebracht is door HBS c.s. gemotiveerd betwist en vervolgens door HBS c.s. niet nader onderbouwd.

Het hof zal de onder II genoemde post afwijzen. Die post is onvoldoende onderbouwd omdat HBS c.s. bij memorie na tussenarrest zelf hebben gesteld dat de al in rekening gebrachte bedragen zoals blijkend uit productie 12 bij de memorie van antwoord “niet zien op de wijziging van de positie van de dakkapel, doch op de afwerking ervan nadat de positie is veranderd.” In het licht van deze stelling hebben HBS c.s. onvoldoende duidelijk gemaakt waarom zij naast de in prod. 12 genoemde bedragen ook nog het onder II genoemde bedrag van € 1.160,-- zouden mogen vorderen. Of [geïntimeerden c.s.] opdracht voor die werkzaamheden hebben verstrekt, wat door hen is betwist, kan dus in het midden blijven.

x. Drogers t.b.v. drogen kelder: € 995,--

Het hof zal elk oordeel over deze post aanhouden tot na afloop van het na te melden deskundigenbericht.

y. Mantelbuizen dichten: € 145,--

HBS c.s. maken aanspraak op € 145,-- ter zake het dichten van de mantelbuizen na het binnenbrengen van de dienstleidingen door de nutsbedrijven. Volgens HBS c.s. was in de oorspronkelijke overeenkomst wel opgenomen dat de mantelbuizen zouden worden ingemetseld, maar niet dat zij zouden worden gedicht. [geïntimeerden c.s.] hebben bij memorie van antwoord, als onderdeel van hun algemene betwisting, betwist dat zij voor deze post opdracht hebben verstrekt. HBS c.s. hebben hun stellingen daarna niet nader toegelicht, waarna [geïntimeerden c.s.] nogmaals expliciet hebben betwist dat zij voor deze post opdracht hebben gegeven.

Het hof zal de post afwijzen omdat uit de algemene stellingen van HBS c.s. in onvoldoende mate is af te leiden dat het aan [geïntimeerden c.s.] duidelijk had moeten zijn dat zij voor deze werkzaamheden een meerprijs verschuldigd waren.

z. a.k. en provisie over factuur [onderaannemer]: € 2.214,60

HBS c.s. maken tot slot aanspraak op € 2.214,60 ter zake “Weigering te betalen a.k. + provisie over meerwerk installatie en leveren en plaatsen sanitair (fakt. [onderaannemer] door HBS voldaan) 12% over € 18455,--“.

Het hof zal deze post afwijzen omdat HBS c.s. niet hebben gesteld dat overeengekomen is dat zij deze post in rekening mochten brengen en [geïntimeerden c.s.] gemotiveerd hebben betwist dat HBS c.s. deze post in rekening mocht brengen. Ten overvloede overweegt het hof dat [geïntimeerden c.s.] terecht hebben aangevoerd dat uit de facturen van 6 oktober 2009 en 5 november 2009 (prod. 17 bij antwoordmemorie van [geïntimeerden c.s.]) blijkt dat HBS c.s. de factuur van [onderaannemer] zonder opslag en provisie aan [geïntimeerden c.s.] hebben doorbelast. Dat vormt – ten overvloede – een bevestiging voor het feit dat tussen partijen niet is overeengekomen dat HBS c.s. deze opslagen mocht hanteren.

Tussenconclusie ten aanzien van het meerwerk

6.2.3.

Het bovenstaande voert tot de navolgende tussenconclusie ten aanzien van het meerwerk. Toewijsbaar zijn de volgende posten:

 € 560,-- € 560,-- ter zake post a;

 € 560,-- € 210,-- ter zake post b;

 € 560,-- € 362,50 ter zake post f;

 € 560,-- € 1.029,-- ter zake post j;

 € 560,-- € 465,-- ter zake post k;

 € 560,-- € 760,-- ter zake post m;

 € 560,-- € 115,50 ter zake post p;

 € 560,-- € 1.170,-- ter zake post v;

 € 560,-- € 495,-- ter zake post w;

Over post x (Drogers t.b.v. drogen kelder: € 995,--) zal het hof elk oordeel aanhouden tot na het deskundigenbericht.

Bewijslevering moet wellicht plaatsvinden over de volgende posten:

s. Koplatten: € 651,--;

t. Trespa kelder en dakkapel: € 85,-- en € 194,--.

6.2.4.

Het hof geeft partijen in overweging om in onderling overleg een regeling te treffen over deze posten s en t, zodat relatief kostenbare getuigenverhoren voor deze betrekkelijk geringe posten kunnen worden voorkomen. Partijen kunnen zich daarover uitlaten in hun memorie na deskundigenbericht. Na het deskundigenbericht zal het hof dan zo nodig de bewijsopdrachten geven.

Met betrekking tot rov. 3.10.3 van het tussenarrest: in conventie gevorderde schadevergoeding

6.3.1.

In rov. 3.10.3 van het tussenarrest heeft het hof de partijen in de gelegenheid gesteld om zich uit te laten over een door het hof voorgenomen deskundigenbericht.

6.3.2.

Beide partijen hebben ingestemd met de vragen, die het hof in rov. 3.10.2 van het tussenarrest heeft geformuleerd. Het hof zal die vragen daarom voorleggen aan de hierna te noemen deskundige.

6.3.3.

[geïntimeerden c.s.] hebben het hof verzocht om aan de deskundige ook nog de volgende vraag (bestaande uit een aantal deelvragen) voor te leggen:

“Constateert u een vochtprobleem en/of lekkages in de kelder en/of op het dakterras? Zo ja, kunt u de aard en de omvang daarvan beschrijven? Kunt u de oorzaak van het probleem omschrijven? Zijn de (lood)indekkingen op een juiste wijze aangebracht? Kunt u een gespecificeerde begroting maken van de met herstel gemoeide kosten?”

Het hof zal deze vraag (deelvragen) toevoegen aan de aan de deskundige voor te leggen vragen.

6.3.4.

Beide partijen hebben zich op het standpunt gesteld dat met de benoeming van één deskundige kan worden volstaan. Het hof zal, met inachtneming van de opmerkingen die de partijen over de te benoemen deskundige hebben gemaakt, de na te melden persoon als deskundige benoemen. Deze deskundige heeft geen banden met een van de partijen of met het notariskantoor [notariskantoor] Notarissen te [standplaats] of met de bouwkundige [bouwkundige].

6.3.5.

Het hof zal, zoals aangekondigd in rov. 3.10.4 van het tussenarrest, het voorschot op de kosten van de deskundige voorshands gelijkelijk ten laste van beide partijen brengen.

6.3.6.

Elk verder oordeel met betrekking tot de in conventie gevorderde schadevergoeding wordt nu aangehouden.

Met betrekking tot rov. 3.12.2: vordering van [geïntimeerden c.s.] in conventie ter zake gederfde huurinkomsten

6.4.1.

Grief I in incidenteel hoger beroep is gericht tegen de afwijzing van vordering van [geïntimeerden c.s.] in conventie ter zake gederfde huurinkomsten. HBS c.s. hebben bij memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep enkele nadere verweren gevoerd tegen die vordering. Het hof heeft [geïntimeerden c.s.] in de gelegenheid gesteld om op die nadere verweren te reageren. [geïntimeerden c.s.] hebben vervolgens volstaan met de mededeling dat zij hun stellingen over deze vordering, zoals neergelegd in de memorie van grieven in incidenteel hoger beroep handhaven.

6.4.2.

Het hof zal elk verder oordeel over deze vordering aanhouden tot nadat het deskundigenbericht is uitgebracht.

Conclusie

6.5.

Uit het voorgaande volgt de na te melden beslissing.

Het hof zal elk verder oordeel nu aanhouden.

7 De uitspraak

Het hof:

op het principaal en incidenteel hoger beroep

7.1.

bepaalt dat een deskundigenonderzoek wordt verricht naar de volgende vragen:

I. Welke schadeposten die genoemd zijn in de schadebegroting die als bijlage is gevoegd bij het rapport van [bouwkundige] van 30 maart 2011 (prod. 15 bij inleidende dagvaarding) en die geen betrekking hebben op gebreken die genoemd zijn in het proces-verbaal van eerste oplevering van 20 februari 2010 (prod. 31 bij inleidende dagvaarding), waren op 20 februari 2010 nog zodanig verborgen dat [geïntimeerden c.s.] deze schadeposten/gebreken op 20 februari 2010 nog niet redelijkerwijs hadden moeten ontdekken?

II. Welke van de in antwoord op vraag I genoemde gebreken (die op 20 februari 2010 nog niet redelijkerwijs hadden moeten worden ontdekt) zijn het gevolg van aan HBS c.s. toe te rekenen tekortkomingen bij de uitvoering van de overeengekomen werkzaamheden?

III. Hoeveel bedragen volgens uw inschatting de herstelkosten van de gebreken die (getypt en handgeschreven) genoemd zijn in het proces-verbaal van eerste oplevering van 20 februari 2010. Wilt u uw antwoord op deze vraag specificeren per gebrek en wilt u daarbij aangeven hoeveel deze herstelkosten bedragen uitgaande van het prijspeil van februari 2010. In hoeverre wijkt dat prijspeil af van het prijspeil op de datum van uw rapport? Wilt u, als u tot relevante afwijkingen komt van de bedragen die genoemd zijn in de bijlage bij het rapport van [bouwkundige] van 30 maart 2011, die afwijkingen kort van een motivering voorzien?

IV. Hoeveel bedragen volgens uw inschatting de herstelkosten van de gebreken die u in antwoord op vraag II hebt genoemd? Voor de goede orde: het gaat hier dus om eventuele gebreken die pas na 20 februari 2010 aan het licht zijn getreden en wel een gevolg zijn van aan HBS c.s. toe te rekenen tekortkomingen bij de uitvoering van de overeengekomen werkzaamheden. Wilt u, als u tot relevante afwijkingen komt van de bedragen die genoemd zijn in de bijlage bij het rapport van [bouwkundige] van 30 maart 2011, die afwijkingen kort van een motivering voorzien?

V. Zijn bepaalde van de bij vragen III en IV bedoelde gebreken al hersteld? Zo ja, kunt u vaststellen wanneer dat herstel is uitgevoerd en hoeveel de herstelkosten hebben bedragen? Wijken die herstelkosten in relevante mate af van de kosten die u als antwoord op de vragen III en IV hebt genoemd? Zo ja, hoe is dat te verklaren?

VI. Constateert u een vochtprobleem en/of lekkages in de kelder en/of op het dakterras? Zo ja, kunt u de aard en de omvang daarvan beschrijven? Kunt u de oorzaak van het probleem omschrijven? Zijn de (lood)indekkingen op een juiste wijze aangebracht? Kunt u een gespecificeerde begroting maken van de met herstel gemoeide kosten?

VII. Hebt u verder nog opmerkingen die voor het hof van belang kunnen zijn bij het nemen van een beslissing in het onderhavige geschil?

7.2.

benoemt tot deskundige ter beantwoording van deze vraag/vragen:

A.J. Peters, verbonden aan [Bouwkundig Adviesbureau] Bouwkundig Adviesbureau,

desgewenst met assistentie van de aan hetzelfde adviesbureau verbonden ing. W. van Strien,

[adres], [postcode] [kantoorplaats],

tel. [telefoonnummer], mobiel [mobiel telefoonnummer];

7.3.

bepaalt dat de griffier van dit hof een afschrift van dit arrest aan de deskundige toezendt;

bepaalt dat partijen binnen één week na de datum van dit arrest (een afschrift van) de verdere processtukken aan de deskundige ter beschikking zullen stellen en alle door deze gewenste inlichtingen zullen verstrekken;

7.4.

bepaalt dat de deskundige eerst met het onderzoek begint nadat daartoe van de griffier bericht is ontvangen;

bepaalt dat de datum en tijd waarop de deskundige ter plaatse onderzoek zal verrichten, door de deskundige zal worden vastgesteld in overleg met de advocaten van partijen; partijen en hun eventuele adviseurs dienen in de gelegenheid te worden gesteld bij het onderzoek aanwezig te zijn;

bepaalt dat de deskundige bij het onderzoek – en ten aanzien van de conceptrapportage – partijen in de gelegenheid stelt opmerkingen te maken en verzoeken te doen, en dat uit het schriftelijk bericht van de deskundige moet blijken of aan dit voorschrift is voldaan, terwijl in het bericht tevens melding wordt gemaakt van de inhoud van zodanige opmerkingen en verzoeken;

verzoekt de deskundige een schriftelijk en met redenen omkleed bericht, met een duidelijke conclusie, in te leveren ter griffie van dit hof en tegelijkertijd een afschrift van het bericht aan de advocaten van partijen toe te zenden;

bepaalt de termijn waarbinnen het schriftelijk, ondertekend bericht ter griffie van dit hof (postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch) moet worden ingeleverd op drie maanden nadat door de griffier is bericht dat met het onderzoek kan worden begonnen;

7.5.

bepaalt het voorschot op de kosten van de deskundige op het door de deskundige begrote bedrag van € 1.512,50 inclusief btw (€ 1.250,-- excl. btw), tenzij (één van) partijen binnen veertien dagen na deze uitspraak bij brief aan de griffier van dit hof met afschrift aan de wederpartij (die binnen twee dagen hierop kan reageren bij brief aan de griffier van dit hof met afschrift aan de wederpartij) tegen de hoogte van het voorschot bezwaar heeft/hebben gemaakt, in welk geval het hof op het bezwaar/de bezwaren zal beslissen en de hoogte van het voorschot zal bepalen;

bepaalt dat ieder van partijen de helft van genoemd voorschot van € 1.512,50 inclusief btw, derhalve € 756,25 inclusief btw, zal overmaken na ontvangst van de nota met betaalinstructies die door het Landelijk Dienstencentrum voor de Rechtspraak zal worden verzonden;

verzoekt de deskundige, indien zijn kosten het voorschot te boven mochten gaan, het hof daarover tijdig in te lichten;

7.6.

benoemt mr. I.B.N. Keizer tot raadsheer-commissaris tot wie de deskundige zich, door tussenkomst van de griffier, dient te wenden met (procedurele) vragen en verzoeken indien het onderzoek daartoe aanleiding geeft;

7.7.

verwijst de zaak naar de rol van dinsdag 10 november 2015 in afwachting van het deskundigenbericht;

verstaat dat de zaak na ontvangst van het deskundigenbericht naar de rol wordt verwezen voor memorie na deskundigenbericht aan de zijde van [geïntimeerden c.s.];

7.8.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. I.B.N. Keizer, O.G.H. Milar en Th.J.A. Kleijngeld en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 7 juli 2015.

griffier rolraadsheer