Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2015:2471

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
07-07-2015
Datum publicatie
07-07-2015
Zaaknummer
HD 200 169 862_01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding, vordering tot ontruiming afgewezen.

Huurachterstand ingelopen ten tijde van zitting in hoger beroep. Belangenafweging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer HD 200.169.862/01

arrest van 7 juli 2015

in de zaak van

1 Café Le Journal v.o.f.,
gevestigd te [vestigingsplaats],

2. [appellant 2],
wonende te [woonplaats],

3. [appellante 3],
wonende te [woonplaats],

appellanten,

hierna aan te duiden als Le Journal,

advocaat: mr. G.J.A. van Dinter te Herten,

tegen

Brand Bierbrouwerij B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats],

geïntimeerde,

hierna aan te duiden als Brand Bierbrouwerij,

advocaat: mr. H.J. Heynen te Venlo,

op het bij exploot van dagvaarding van 13 mei 2015 ingeleide hoger beroep van het vonnis in kort geding van de kantonrechter van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, van 22 april 2015, gewezen tussen Le Journal als gedaagden in conventie en eisers in reconventie en Brand Bierbrouwerij als eiseres in conventie en verweerster in reconventie .

1 Het geding in eerste aanleg (zaaknummer 3961864\CV EXPL 15-2783)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding in hoger beroep met een incidentele vordering ex art. 351 Rv;

  • -

    de akte houdende dertien producties in het incident en in de hoofdzaak van de zijde van Le Journal;

  • -

    de memorie van antwoord, tevens incidentele antwoordconclusie van Brand Bierbrouwerij met negen producties;

  • -

    het pleidooi, waarbij partijen pleitnotities hebben overgelegd en waarbij tevens in het geding zijn gebracht de vooraf door Le Journal toegezonden producties 14 tot en met 17. Aan de pleitnota van Le Journaal zijn nog producties gehecht. Brand Bierbrouwerij heeft alleen bezwaar gemaakt tegen het alsnog in het geding brengen van de vijf pagina’s tellende productie met als kopje “Eerlijk Bier.nl”. Op die productie zal het hof geen acht slaan.

Tijdens het pleidooi heeft Brand Bierbrouwerij toegezegd het arrest in deze zaak af te wachten alvorens tot ontruiming over te gaan. Vervolgens heeft Le Journal haar incidentele vordering tot schorsing van de uitvoerbaarverklaring bij voorraad met instemming van Brand Bierbrouwerij ingetrokken, waarbij partijen compensatie van kosten in het incident zijn overeengekomen. Op die vordering hoeft derhalve niet meer beslist te worden.

Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De beoordeling

3.1.

In dit hoger beroep gaat het om het volgende

3.1.1.

Brand Bierbrouwerij heeft als onderdeel van het Heineken-concern de beschikking over een bedrijfspand, staande en gelegen te [vestigingsplaats] aan het [bedrijfspand] aldaar.

3.1.2.

Le Journal huurt het pand (cafébedrijf met bedrijfswoning) van Brand Bierbrouwerij vanaf 7 januari 2002. Café Le Journal v.o.f. exploiteert het cafébedrijf.

Er is sprake van huur van bedrijfsruimte ex art. 7:290 BW.

3.1.3.

De huurrelatie is laatstelijk schriftelijk vastgelegd in een huurovereenkomst van 6 juni 2008, gesloten tussen Brand Bierbrouwerij BV als verhuurder en Café Le Journal v.o.f. als huurder. De huidige huurprijs bedraagt € 5.573,12 (inclusief btw) per maand.

3.1.4.

Art. 9 van de huurovereenkomst luidt als volgt:

“9. Drankenafname

9.1

De huurder staat er tegenover de brouwerij voor in dat gedurende de gehele huurtijd en zolang hij het gehuurde daarna nog van de brouwerij in gebruik mocht hebben:

a. in het gehuurde tapbier van het pilsenertype uitsluitend van het merk Brand zal worden verkocht (…);

b. het voor het bedrijf benodigde pilsener tapbier tot nader order zal worden betrokken van BRAND BIERBROUWERIJ B.V.;
(…)”

3.1.4.

Er is sprake geweest van aanzienlijke achterstanden van Le Journal met betrekking tot de betaling van huurpenningen. In dat kader heeft Brand Bierbrouwerij onder meer aanmaningen verzonden per e-mail op 29 november 2014 (er stond toen aldus Brand Bierbrouwerij een bedrag open ad € 31.750,67), 4 december 2014, 12 december 2014, 5 januari 2014, 20 januari 2014 en 30 januari 2014.

3.1.5.

In reactie op die aanmaningen heeft [appellant 2] meermalen om geduld van Brand Bierbrouwerij gevraagd en herhaalde betalingstoezeggingen gedaan die -grotendeels- niet, althans niet tijdig, zijn nagekomen.

3.1.6.

Bij brief van 18 februari 2015 heeft Brand Bierbrouwerij om betaling van € 38.917,98 verzocht (de door Brand Bierbrouwerij becijferde huurachterstand inclusief rente). Brand Bierbrouwerij heeft tevens aangekondigd bij niet tijdige en volledige betaling een ontruimingsprocedure te starten.

3.2.

Brand Bierbrouwerij heeft Le Journal op 19 maart 2015 gedagvaard en in eerste aanleg gevorderd bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

- Café Le Journal v.o.f. te veroordelen het gehuurde met alle aanhorigheden staande en gelegen te [postcode] [vestigingsplaats] aan het [bedrijfspand] binnen acht dagen na betekening van het te wijzen vonnis met al het hare en de haren te ontruimen en ontruimd te houden en onder afgifte van de sleutels ter vrije beschikking van Brand te stellen (…);

- gedaagden hoofdelijk te veroordelen tot betaling van de huurachterstand (met rente) gerekend tot en met 9 maart 2015, zijnde een bedrag van € 38.327,90 (inclusief btw), te vermeerderen met de contractuele rente van 1% per maand, subsidiair te vermeerderen met de wettelijke handelsrente, vanaf 10 maart 2015 tot de dag der voldoening;

- gedaagden hoofdelijk te veroordelen tot betaling van de nog te vervallen huurpenningen vanaf 1 april 2015 tot de dag van ontruiming van het gehuurde, zijnde een bedrag van € 5.573,12 per maand (inclusief btw), te vermeerderen met de contractuele rente van 1% per maand, subsidiair te vermeerderen met de wettelijke handelsrente, vanaf de vervaldata van de verschillende huurtermijnen (zijnde de eerste van iedere maand) tot de dag der voldoening;

- gedaagden hoofdelijk te veroordelen tot het betalen van buitengerechtelijke incassokosten van € 1.164,18;

- gedaagden hoofdelijk te veroordelen in de kosten van deze procedure met toewijzing van de wettelijke rente vanaf de achtste dag na betekening van het vonnis tot de dag der voldoening;

- gedaagden hoofdelijk te veroordelen in de nakosten.

3.2.1.

Le Journal heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Dat verweer zal, voor zover in hoger beroep van belang, in het navolgende aan de orde komen.

Le Journal heeft voorts in voorwaardelijke reconventie gevorderd Brand Bierbrouwerij bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad te veroordelen om op eerste verzoek van Le Journal aan haar te leveren Brand pilsener bier op tap ten behoeve van de kelderbierinstallatie zulks met de betalingsconditie dat de bestelling van Le Journal op factuur zal geschieden met een betalingstermijn van 14 dagen en op verbeurte van een dwangsom van € 5.000,-- per dag voor iedere dag dat Brand Bierbrouwerij, na een daartoe strekkend verzoek van Le Journal tot aflevering, weigert en/of blijft weigeren voornoemd Brand pilsener tapbier voor de kelderinstallatie aan Le Journal te leveren met de hiervoor genoemde betalingscondities.

3.3.

In het bestreden vonnis heeft de kantonrechter -kort gezegd-:

in conventie:

- Café Le Journal v.o.f. veroordeeld het gehuurde binnen 30 dagen na betekening van het vonnis met al het hare en de haren te ontruimen en ontruimd te houden en onder afgifte van sleutels ter vrije beschikking van eiseres te stellen;

- gedaagden hoofdelijk veroordeeld tot betaling van de huurachterstand (met rente) gerekend tot en met 9 maart 2015, zijnde een bedrag van € 38.327,90 (incl. btw), te vermeerderen met de contractuele rente van 1% per maand, doch onder aftrek van al hetgeen gedaagden inmiddels reeds blijkens een bericht van de beide gemachtigden van partijen d.d. 10 april 2015 daadwerkelijk in mindering aan eiseres hebben voldaan;

- gedaagden hoofdelijk veroordeeld tot betaling van de vervallen huurpenningen vanaf 1 april 2015 tot de dag van ontruiming van het gehuurde, zijnde een bedrag van € 5.573,12 per maand (incl. btw), te vermeerderen met de contractuele rente van 1% per maand telkens vanaf de huur vervaldatum tot aan de dag van algehele betaling;

in conventie en in reconventie:

- gedaagden in conventie, eisers in reconventie, hoofdelijk veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van eisers in conventie, gedaagde in reconventie begroot op € 1.638,60, bij gebreke van betaling binnen 8 dagen na de vonnisdatum te vermeerderen met de wettelijke rente daarover tot aan de dag van volledige betaling;

- gedaagden in conventie, eisers in reconventie, hoofdelijk veroordeeld in de nakosten, zoals bedoeld in art. 237 lid 4 Rv, tot een bedrag van € 131,-- in geval van aanschrijving van gedaagden in conventie, eisers in reconventie, doch zonder betekening en, in geval betekening van de uitspraak plaats mocht vinden, tot een bedrag van € 191,--.

- het vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad verklaard;

- het over en weer meer of anders gevorderde afgewezen.

3.3.1.

De kantonrechter heeft daartoe -kort gezegd- overwogen dat met de substantiële huurachterstand van Le Journal een dusdanig ernstige tekortkoming van gedaagden als huurders aan de orde is, dat een ontbinding van de huurovereenkomst tussen partijen in de aanhangig te maken bodemprocedure zonder meer valt te verwachten.

3.4.

Le Journal heeft in hoger beroep 5 grieven aangevoerd. Le Journal heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden vonnis en tot het niet-ontvankelijk verklaren van Brand Bierbrouwerij in haar vordering, althans haar deze te ontzeggen, met veroordeling van Brand Bierbrouwerij in de proceskosten vermeerderd met wettelijke rente en de nakosten. Het hoger beroep ziet -zo begrijpt het hof uit de grieven- uitsluitend op de in conventie ten aanzien van de gevraagde ontruiming gegeven beslissing in het bestreden vonnis.

3.4.1.

Le Journal voert in de kern aan dat de kantonrechter ten onrechte ongemotiveerd voorbij is gegaan aan de tenzij-clausule in art. 6:265 lid 1 BW, dat de kantonrechter heeft nagelaten de belangen in de zin van art. 254 Rv af te wegen en dat de kantonrechter overigens heeft nagelaten aan te geven waarom in een bodemprocedure de huurovereenkomst zou worden ontbonden, gegeven het feit dat ten tijde van de mondelinge behandeling uitsluitend de huur over de maand april 2015 niet was voldaan. Ook heeft de kantonrechter ten onrechte geen “terme de grace” verleend, aldus Le Journal. Aldus ligt de vraag of terecht de ontruiming is gelast in hoger beroep in volle omvang voor.

3.5.

De stellingen van Brand Bierbrouwerij in hoger beroep komen, voor zover relevant, hierna aan de orde.

Spoedeisend belang

3.6.

Bij de beantwoording van de vraag of een in kort geding gevorderde voorziening, hetzij na toewijzing hetzij na weigering daarvan, in hoger beroep voor toewijzing in aanmerking komt dient, zo nodig ambtshalve, te worden beoordeeld of de eisende partij ten tijde van het arrest van het hof bij die voorziening een spoedeisend belang heeft (HR 31 mei 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE3437 en HR 29 november 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE4553).

3.7.

Brand Bierbrouwerij heeft daartoe gesteld dat het niet betalen van huurpenningen door Le Journal ertoe leidt dat Brand Bierbrouwerij maandelijks schade lijdt. Brand Bierbrouwerij stelt maandelijks de eigenaarslasten ter zake het gehuurde te hebben en er groot belang bij te hebben dat zij het gehuurde zo spoedig mogelijk kan verhuren aan een huurder die voldoende solvabel is om de huurpenningen volledig en tijdig te betalen en die wel de dranken van Brand zal afnemen.

3.8.

Aldus heeft Brand, ook naar het oordeel van het hof, een voldoende spoedeisend belang gesteld. In zoverre faalt grief 4.

3.9

Beoordelingsmaatstaf

3.9.1.

Voor toewijzing van de voorziening tot ontruiming is vereist dat voldoende aannemelijk is dat de bodemrechter de huurovereenkomst zal ontbinden. Ook dient het belang van Brand Bierbrouwerij bij toewijzing van de voorziening te worden afgewogen tegen het belang van Le Journal bij afwijzing van de voorziening, een en ander ten tijde van dit arrest.

3.9.2.

Brand Bierbrouwerij heeft drie grondslagen aangevoerd voor haar stelling dat het aannemelijk is dat een eventuele bodemrechter de huurovereenkomst zal ontbinden. Het hof zal die grondslagen achtereenvolgens beoordelen:

3.10

Geen goed huurderschap

3.10.1.

Bij pleidooi in hoger beroep heeft Brand Bierbrouwerij verwezen naar een door Le Journal overgelegd artikel d.d. 3 juni 2015 in Dagblad De Limburger,

Brand Bierbrouwerij voert aan dat in dat artikel door Le Journal onjuistheden worden vermeld die hun weerslag kunnen hebben op de verhuurbaarheid van het pand.

3.10.2.

Nu Le Journal hierop niet meer is ingegaan, acht het hof het in aanmerking nemen van deze eerst bij pleidooi in hoger beroep aangevoerde grondslag in strijd met de goede procesorde. De aard van de kort geding procedure verzet zich bovendien tegen een nadere aktewisseling. Het hof zal deze grondslag derhalve buiten beschouwing laten.

3.11.

Handelen in strijd met het afnamebeding

3.11.1

Bij dagvaarding in eerste aanleg (zij het kort en in de marge) en in de memorie van antwoord in hoger beroep heeft Brand Bierbrouwerij aangevoerd dat Le Journal handelt in strijd met haar in art. 9 van de huurovereenkomst vastgelegde exclusieve drankafnameverplichting. Het niet afnemen van dranken vormt, aldus Brand Bierbrouwerij, een ernstige tekortkoming die ontbinding van de huurovereenkomst rechtvaardigt.

Brand Bierbrouwerij heeft bij pleidooi ook aangevoerd dat Le Journal sinds 16 juni 2014 in het geheel geen dranken meer bij Brand Bierbrouwerij heeft besteld (behoudens een drietal bestellingen in april/mei 2015).

Le Journal voert aan dat zij altijd Brand pilsener tapbier heeft geschonken en dus niet in strijd met artikel 9 heeft gehandeld. Zij voert voorts aan dat Brand Bierbrouwerij kennelijk al vanaf juni 2014 op de hoogte was van het feit dat Le Journal niet bij Brand Bierbrouwerij afnam en dat Le Journal vóór de datum van de kort geding dagvaarding (19 maart 2015) nooit door Brand Bierbrouwerij is aangesproken of gesommeerd om deze verplichting na te komen. Integendeel, Brand Bierbrouwerij was in de persoon van dhr. [vertegenwoordiger van bierbrouwerij] (fonetisch, hof), vertegenwoordiger van Brand Bierbrouwerij, op de hoogte van het feit dat Le Journal Brand pilsener tapbier afnam van [dranken] Dranken en [vertegenwoordiger van bierbrouwerij] heeft daartegen geen bezwaar gemaakt. Hij gaf aan dat het voor zijn provisie niets uitmaakte, aldus Le Journal. Voorts voert Le Journal aan dat de drankafnameverplichting in strijd is met het mededingingsrecht.

3.11.2.

Beide partijen hebben aangegeven dat de vraag of het afnamebeding in strijd is met mededingingsrecht in een andere procedure beantwoord dient te worden. Brand Bierbrouwerij heeft aangevoerd dat het afnamebeding toelaatbaar is. Zij heeft daartoe verwezen naar de Beschikking van de NMa in de zaak 2036, waarin de NMa, aldus Brand Bierbrouwerij, heeft bevestigd dat afnamecontracten zoals door Brand Bierbrouwerij worden gesloten niet mededingingsbeperkend worden geacht.

3.11.3.

Het hof oordeelt als volgt. Ook indien moet worden aangenomen dat het afnamebeding rechtsgeldig is, is voor de beoordeling van deze grondslag nader feitenonderzoek nodig, waarvoor deze kort geding procedure zich niet leent. Met name de, door Brand Bierbrouwerij betwiste, stelling van Le Journal dat dhr. [vertegenwoordiger van bierbrouwerij], vertegenwoordiger van Brand Bierbrouwerij op de hoogte was van de afname van Brand Pilsener door Le Journal bij [dranken]-dranken en daar kennelijk mee instemde vergt nader feitenonderzoek.

Daarnaast kunnen vraagtekens geplaatst worden bij het spoedeisende karakter van het belang van Brand Bierbrouwerij bij drankafname, aangezien zij heeft aangevoerd dat Le Journal reeds sedert juni 2014 geen dranken meer afneemt bij Brand Bierbrouwerij en zij nadien geruime tijd geen actie heeft ondernomen. Ook in de kort geding dagvaarding in maart 2015 wordt slechts terloops melding gemaakt van handelen van Le Journaal in strijd met het afnamebeding.

Op grond van het vorenstaande acht het hof de kans dat een bodemrechter de huurovereenkomst op deze grondslag zal ontbinden nog te ongewis om thans een voor Le Journal ingrijpende voorziening tot ontruiming te gelasten. Dat geldt ook als deze grondslag in samenhang met de volgende wordt bezien.

3.12

Huurachterstand

3.12.1.

Aan Brand Bierbrouwerij kan worden toegegeven dat sprake is van substantiële tekortkomingen in de nakoming van de huurbetalingsverplichtingen aan de zijde van Le Journal. Niet alleen werd de huur, zoals blijkt uit het onder 3.1.4. tot en met 3.1.6. weergegevene niet tijdig betaald, maar er was ook sprake van een aanzienlijke huurachterstand, terwijl diverse betalingstoezeggingen niet werden nagekomen.

Anders dan Le Journal lijkt te betogen, kunnen die tekortkomingen niet ongedaan worden gemaakt. Het alsnog (te laat) voldoen van de huurtermijnen leidt er enkel toe dat de betalingsverplichting over de aldus betaalde huur is komen te vervallen.

Daar staat tegenover dat Le Journal ten tijde van het pleidooi in hoger beroep haar huurachterstand over de voorafgaande maanden volledig heeft ingelopen, de verschuldigde huurtermijnen over april en mei 2015 heeft betaald en dat zij als zekerheid voor de voldoening van toekomstige huurtermijnen een bedrag van tenminste € 7.500,-- op de derdenrekening van haar advocaat heeft gestort.

3.12.2.

Hoewel het hof de kans dat de bodemrechter, later oordelend, de huurovereenkomst zal ontbinden wegens de gestelde tekortkomingen zeker niet uitgesloten acht, is de kans dat een dergelijke ontbinding niet zal worden uitgesproken op grond van het feit dat (ten tijde van het begin van die bodemprocedure) de huur weer tijdig wordt betaald, evenmin te verwaarlozen. Daarbij komt dat toewijzing van de ontruiming leidt tot verstrekkende en onomkeerbare gevolgen voor Le Journal. Le Journal heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat daarbij de broodwinning van de beide vennoten en het personeel van Le Journal op het spel staat. Daartegenover is het aangevoerde (financiële) belang van Brand Bierbrouwerij, onderdeel uitmakend van het Heineken-concern, bij een ontruiming voorafgaand aan een bodemprocedure, mede gelet op het feit dat de huurachterstand tot 1 juni 2015 inmiddels volledig is ingelopen, te gering. De verwachting van Brand Bierbrouwerij dat Le Journal ook in de toekomst huurachterstanden zal laten ontstaan, is naar het oordeel van het hof te ongewis en speculatief om thans vooruitlopend op een bodemprocedure de ontruiming te gelasten.

3.12.3.

Al deze belangen afwegend zal het hof de voorlopige voorziening afwijzen. Dit betekent dat het vonnis, voor zover daarbij de ontruiming is gelast, zal worden vernietigd en dat die vordering van Brand Bierbrouwerij alsnog wordt afgewezen. In zoverre slagen de grieven 1 tot en met 3 en 5.

3.13

Wellicht ten overvloede merkt het hof nog het volgende op. Ter zitting is gebleken dat tussen partijen een impasse bestaat ten aanzien van de hervatting van drankenleveranties door Brand Bierbrouwerij. Brand Bierbrouwerij heeft aangegeven dat zij enkel tegen contante betaling wenst te leveren en dat zij na het bestreden vonnis, waarin de ontruiming werd gelast, in afwachting van die ontruiming geheel niet meer wenste te leveren.

Le Journal voert aan dat Brand Bierbrouwerij niet voldoet aan haar contractuele verplichting om op rekening te leveren met een betalingstermijn van 14 dagen en heeft in afwachting van nakoming van die verplichting door Brand Bierbrouwerij haar huurbetaling over de maand juni 2015 opgeschort. Le Journal heeft overigens aangegeven dat zij enkel de huurverplichting over die maand zal opschorten.

3.14.

In reactie daarop heeft Brand Bierbrouwerij aangegeven dat zij op grond van art. 6f van de toepasselijke leverings- en betalingsvoorwaarden het recht heeft om vooruitbetaling of contante afrekening te verlangen. Het hof acht het beroep van Brand Bierbrouwerij op deze voorwaarde reëel, mede gelet op het betalingsverleden van Le Journal.

Dit betekent dat het beroep op opschorting van Le Journal geen stand kan houden als Brand Bierbrouwerij levering tegen contante betaling hervat. Het hof gaat er vanuit dat partijen de contractuele afspraken zullen naleven in afwachting van de uitkomst van een bodemprocedure.

3.15.

Proceskosten

Brand Bierbrouwerij zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten in hoger beroep.

Ten aanzien van de proceskosten in eerste aanleg geldt het volgende. Ten tijde van de betekening van de inleidende dagvaarding was sprake van een aanzienlijke huurachterstand. De vordering van Brand Brouwerij tot betaling van de huurachterstand is in eerste aanleg toegewezen; daarvan is niet geappelleerd. Gelet op de hoogte van de huurachterstand is Le Journal de partij geweest die door haar gedraging aanleiding heeft gegeven tot de vordering tot ontruiming. Ook een dergelijke partij geldt als de in het ongelijk gestelde partij in het kader van een kostenveroordeling. Het hof zal de beslissing over de proceskosten in eerste aanleg derhalve in stand laten. In zoverre faalt grief 5.

3.16.

Nu de overige geschilpunten niet tot een ander oordeel leiden, hoeven zij geen bespreking en beslist het hof als volgt.

4 De uitspraak

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep, voor zover daarbij de vordering tot ontruiming van het gehuurde is toegewezen en in zoverre opnieuw rechtdoende:

wijst de vordering van Brand Bierbrouwerij tot ontruiming van het gehuurde met alle aanhorigheden, staande en gelegen aan het [bedrijfspand] te [vestigingsplaats], af;

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep voor het overige;

veroordeelt Brand Bierbrouwerij in de proceskosten van het hoger beroep, welke kosten tot op heden aan de zijde van Le Journal worden begroot op € 801,68 aan verschotten (€ 711,-- griffierecht en € 90,68 kosten betekening dagvaarding) en op € 2.682,-- aan salaris advocaat, en bepaalt dat deze bedragen binnen veertien dagen na de dag van deze uitspraak moeten zijn voldaan, bij gebreke waarvan deze bedragen worden vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW daarover vanaf het einde van voormelde termijn tot aan de dag der voldoening;

en voor wat betreft de nakosten op € 131,-- indien geen betekening plaatsvindt, dan wel op € 199,-- vermeerderd met de explootkosten indien niet binnen veertien dagen na de datum van dit arrest is voldaan aan de bij dit arrest uitgesproken veroordelingen en betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden;

verklaart de beslissing over de proceskosten uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. M.G.W.M. Stienissen, P.P.M. Rousseau en Th.J.A. Kleijngeld en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 7 juli 2015.

griffier rolraadsheer