Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2015:2448

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
02-07-2015
Datum publicatie
03-07-2015
Zaaknummer
F 200.160.452_01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Gezag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak: 2 juli 2015

Zaaknummer: F 200.160.452/01

Zaaknummer eerste aanleg: C/02/271982 FA RK 13-6526

in de zaak in hoger beroep van:

[de moeder],

wonende te [woonplaats],

appellante,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: mr. P.R. Klaver,

tegen

[de vader],

wonende te [woonplaats],

verweerder,

hierna te noemen: de vader.

In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

de Raad voor de Kinderbescherming,

hierna te noemen: de raad.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, van 27 augustus 2014.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 26 november 2014, heeft de moeder verzocht voormelde beschikking te vernietigen en haar verzoek tot wijziging van het gezamenlijk gezag naar eenhoofdig gezag, door haar uit te oefenen over de hierna nader te noemen [de zoon], alsnog toe te wijzen.

2.2.

Er is geen verweerschrift ingekomen.

2.3.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 28 mei 2015. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- de moeder, bijgestaan door mr. J.J. Bronsveld namens mr. Klaver;

- de raad, vertegenwoordigd door mevrouw [vertegenwoordiger van de raad].

2.3.1.

De vader is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet ter zitting verschenen.

2.3.2.

Het hof heeft de hierna te noemen minderjarige [de zoon] in de gelegenheid gesteld zijn mening kenbaar te maken. Hij heeft hiervan gebruik gemaakt en hij is voorafgaand aan de mondelinge behandeling ter zitting buiten aanwezigheid van partijen en overige belanghebbenden gehoord. Ter zitting heeft de voorzitter de inhoud van dit verhoor zakelijk weergegeven, waarna alle aanwezigen de gelegenheid hebben gekregen daarop te reageren.

3 De beoordeling

3.1.

Partijen zijn op 29 juli 1998 met elkaar gehuwd.

Uit het huwelijk van partijen is op [geboortedatum] 2002 te [geboorteplaats] [de zoon] (hierna: [de zoon]) geboren.

3.2.

Bij beschikking van 13 november 2006 heeft de rechtbank Rotterdam tussen partijen de echtscheiding uitgesproken, welke beschikking op 7 april 2008 is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

Partijen oefenen gezamenlijk het ouderlijk gezag over [de zoon] uit.

[de zoon] heeft het hoofdverblijf bij de moeder.

3.3.

Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank het verzoek van de moeder tot wijziging van het gezamenlijk gezag naar het eenhoofdig gezag over [de zoon], door haar uit te oefenen, afgewezen.

3.4.

De moeder kan zich met deze beslissing niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen.

3.5.

De moeder voert - kort samengevat - het volgende aan.

Het is in het belang van [de zoon] dat zij alleen het gezag over hem heeft, omdat zij dan directer kan handelen en beslissingen kan nemen. Het nemen van beslissingen geeft thans problemen omdat de vader niet meewerkt. Met de vader is er geen communicatie geweest en bestaat er ook thans geen communicatie en niet te verwachten is dat dit in de toekomst anders zal zijn. De vader is niet in beeld als vader voor [de zoon]. [de zoon] heeft zijn vader niet gekend; er is nimmer contact geweest tussen hen beiden.

3.6.

De raad heeft ter zitting in hoger beroep aangegeven geen zwaarwegende argumenten te zien tegen het gezamenlijk gezag.

3.7.

Het hof overweegt het volgende.

3.7.1.

Het hof stelt vast dat de moeder en de vader na de echtscheiding gezamenlijk het ouderlijk gezag over [de zoon] zijn blijven uitoefenen.

3.7.2.

Ingevolge artikel 1:253n van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter op verzoek van de niet met elkaar gehuwde ouders of een van hen het gezamenlijk gezag beëindigen indien nadien de omstandigheden zijn gewijzigd of bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan.

De rechter bepaalt dat het gezag over een kind aan één ouder toekomt indien er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.

3.7.3.

Evenals de rechtbank en op dezelfde gronden als de rechtbank, die het hof overneemt en tot de zijne maakt, is het hof van oordeel dat niet is voldaan aan de wettelijke vereisten van artikel 1:253n BW. Het hof voegt daar het volgende aan toe.

Het is het hof niet gebleken dat zich een situatie heeft voorgedaan waarin de vader feitelijk en concreet een genomen of te nemen beslissing die [de zoon] aangaat heeft tegengewerkt.

Evenmin is het hof gebleken dat de vader onbereikbaar is voor de moeder. Het is eerder de moeder die de communicatie met de vader uit de weg gaat. De vader heeft verklaard graag het gezag over [de zoon] te behouden en een zakelijke communicatie met de moeder te onderhouden. Hij heeft zich bereid verklaard zijn medewerking te verlenen aan noodzakelijk geachte onderzoeken en behandelingen voor [de zoon]. Het toestemmingsformulier voor de aanvraag van een ID-kaart voor [de zoon] heeft hij op verzoek van de raad ondertekend en per ommegaande teruggezonden. Van een situatie dat [de zoon] zelf klem of verloren raakt tussen zijn ouders is het hof evenmin gebleken. Er is geen contact tussen [de zoon] en de vader, er doen zich op dat vlak op dit moment geen problemen voor.

3.8.

Op grond van het vorenstaande is het hof van oordeel dat er geen gronden aanwezig zijn om het gezamenlijk gezag te beëindigen. Het hof zal de beschikking waarvan beroep dan ook bekrachtigen.

4 De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de tussen partijen gegeven beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, van 27 augustus 2014;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. M.C. Bijleveld-van der Slikke,

C.A.R.M. van Leuven en A.M.M. Hompus en in het openbaar uitgesproken op 2 juli 2015.