Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2015:2446

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
02-07-2015
Datum publicatie
03-07-2015
Zaaknummer
F 200.155.144_01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Partneralimentatie

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak: 2 juli 2015

Zaaknummer: F 200.155.144/01

Zaaknummer eerste aanleg: C/01/273642 / FA RK 14-243

in de zaak in hoger beroep van:

[de man],

wonende te

[woonplaats],

appellant in principaal appel,

geïntimeerde in incidenteel appel

,

hierna te noemen: de man,

advocaat: mr. R.J.S. Houtackers,

tegen

[de vrouw],

wonende te

[woonplaats],

verweerster in principaal appel,

appellante in incidenteel appel

,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. M. Poort-van der Meeren.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 11 juli 2014.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 2 september 2014, heeft de man verzocht voormelde beschikking te vernietigen en:

1. het hoger beroep gegrond te verklaren;

2. het verzoek van de man om de partneralimentatie vast te stellen op nihil alsnog toe te wijzen, althans op een lager bedrag vast te stellen dan de rechtbank in voormelde beschikking heeft gedaan, derhalve op een lager bedrag dan € 713,- per maand, en daarbij te bepalen dat op de vrouw een terugbetalingsverplichting rust, alsmede alsnog te bepalen dat de man een te verrekenen vordering heeft op de vrouw van € 3.000,-.

2.2.

Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 17 oktober 2014, heeft de vrouw verzocht, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de man in zijn beroep tegen de bestreden beschikking niet-ontvankelijk te verklaren, althans hem zijn verzoeken te ontzeggen als ongegrond dan wel onbewezen, onder bekrachtiging c.q. aanvulling van de bestreden beschikking.

Tevens heeft de vrouw incidenteel appel ingesteld en verzocht voormelde beschikking te vernietigen voor zover het betreft de verlaging van de onderhoudsplicht van de man jegens de vrouw van € 1.159,87 bruto per maand naar € 713,- per maand en opnieuw rechtdoende het inleidende verzoek van de man tot nihilstelling van de partneralimentatie af te wijzen, de bestreden beschikking voor het overige in stand te laten, met veroordeling van de man in de proceskosten van de vrouw in beide instanties.

2.2.1.

Bij verweerschrift in incidenteel appel met producties, ingekomen ter griffie op

28 november 2014, heeft de man verzocht, uitvoerbaar bij voorraad, de vrouw niet-ontvankelijk te verklaren in haar verzoeken, het hoger beroep ongegrond te verklaren, althans de verzoeken van de vrouw af te wijzen.

2.3.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 28 mei 2015. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

  • -

    de man, bijgestaan door mr. Houtackers;

  • -

    de vrouw, bijgestaan door mr. Poort-van der Meeren.

2.4.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

  • -

    de brief van de advocaat van de man d.d. 13 januari 2015;

  • -

    de brief met bijlagen van de advocaat van de vrouw d.d. 11 mei 2015;

  • -

    de brief met bijlagen van de advocaat van de man d.d. 13 mei 2015.

3 De beoordeling

In het principaal en incidenteel appel

3.1.

Partijen zijn op 4 oktober 1974 met elkaar gehuwd.

3.2.

Bij beschikking van 31 maart 2006 heeft de rechtbank ’s-Hertogenbosch tussen partijen de echtscheiding uitgesproken. Bij deze beschikking, waarvan wijziging wordt gevraagd, heeft de rechtbank voorts, voor zover thans van belang, overeenkomstig het door partijen op 1 maart 2006 ondertekende echtscheidingsconvenant bepaald dat de man als bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw moet voldoen een bedrag van € 750,- per maand met ingang van de dag waarop de echtscheidingsbeschikking zal zijn ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand en vanaf de datum dat de vrouw de echtelijke woning aan [het adres] te [woonplaats] verlaat € 1.000,- per maand.

3.3.

Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank voornoemde beschikking van

31 maart 2006 alsmede het tussen partijen op 1 maart 2006 ondertekende convenant, voor wat betreft de onderhoudsbijdrage, door de man te voldoen, aldus gewijzigd dat deze bijdrage met ingang van 1 januari 2014 nader wordt bepaald op € 713,- per maand. Voorts heeft de rechtbank bepaald dat op de vrouw geen terugbetalingsverplichting rust voor hetgeen de man met betrekking tot de periode vanaf 1 januari 2014 meer heeft betaald dan hij op grond van de bij die beschikking vastgestelde onderhoudsverplichting dient te betalen.

3.4.

De man kan zich met deze beslissing niet verenigen en hij is hiervan in hoger beroep gekomen. De vrouw is van deze beslissing in incidenteel hoger beroep gekomen.

3.5.

De grieven van de man betreffen - zakelijk weergegeven - :

- de netto-inkomsten uit onderneming van € 100,- per maand (grief 1);

- het in aanmerking genomen spaarvermogen van € 57.000,- en de inkomsten daaruit van

€ 1.140,- per jaar (grief 2);

- het aandeel van de man in de behoefte van de stiefkinderen (grief 3);

- het recht van de man op verrekening van een bedrag van € 3.000,- (grief 4);

- de terugbetalingsverplichting van de vrouw (grief 5);

- de door de vrouw overgelegde gegevens (grief 6).

De grief van de vrouw betreft de door de rechtbank in aanmerking genomen verdiencapaciteit van de man.

3.5.1.

Bij voornoemde brief van 13 januari 2015 heeft de man grief 4 ingetrokken zodat deze geen nadere bespreking behoeft.

Behoefte vrouw

3.6.

Tussen partijen is niet in geschil dat de vrouw behoefte heeft aan een aanvullende bijdrage van de man in de kosten van levensonderhoud zoals die thans geldt.

Draagkracht man

3.7.

De man stelt dat zijn draagkracht ontoereikend is om de vastgestelde bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw van € 713,- per maand te voldoen.

3.8.

Met betrekking tot de financiële situatie van de man gaat het hof uit van de door de rechtbank in aanmerking genomen gegevens, voor zover deze door partijen niet, althans onvoldoende zijn betwist. Voor zover die gegevens in hoger beroep zijn betwist, zal het hof daarop gemotiveerd ingaan bij het desbetreffende onderdeel.

Inkomsten uit uitkering en stamrechtvergoeding (grief incidenteel appel vrouw)

3.9.1.

De vrouw stelt dat niet is komen vast te staan dat de man arbeidsongeschikt is dan wel niet in staat is om een inkomen te genereren en dat hij, gelet op zijn onderhoudsverplichting jegens de vrouw, ter zake een inspanningsverplichting heeft. Zij stelt zich op het standpunt dat bij de vaststelling van de alimentatie minimaal moet worden uitgegaan van het inkomen dat de man ten tijde van het vaststellen van de alimentatie genereerde, te weten een bedrag van € 58.537,21 bruto per jaar en geïndexeerd naar 2014 € 67.894,50 bruto per jaar. Voorts stelt de vrouw dat de man zijn ontslagvergoeding dient aan te wenden om aan zijn onderhoudsverplichting jegens de vrouw te voldoen.

3.9.2.

De man heeft de stellingen van de vrouw gemotiveerd betwist.

3.9.3.

Ter zitting is gebleken dat de man heeft geprobeerd om op projectbasis opnieuw bij zijn voormalig werkgever aan de slag te gaan, doch dat hij daar reeds na twee weken wegens lichamelijke klachten weer is uitgevallen. De man heeft stenose in de nek en neuralgische amyotrofie. Deze lichamelijke aandoeningen, alsmede de leeftijd van de man in aanmerking genomen (bijna 62 jaar), acht het hof het niet aannemelijk dat de man binnen afzienbare tijd in staat zal zijn opnieuw het inkomen te verwerven dat hij tot en met 2013 bij zijn toenmalige werkgever, [toenmalige werkgever], heeft verdiend.

Tevens is het hof van oordeel dat de rechtbank bij de berekening van de draagkracht van de man de stamrechtvergoeding op de juiste wijze in aanmerking heeft genomen. De man heeft een bruto beëindigingsvergoeding van € 65.852,- van zijn werkgever ontvangen waarvoor hij een stamrecht heeft gekocht. Indien de man in de komende jaren zijn uitkering van het UWV van thans € 35.694,- (jaar 2014) met stamrechtuitkeringen zou moeten suppleren tot het inkomen van € 67.894,50 bruto dat hij (geïndexeerd naar 2014) ten tijde van de vaststelling van de onderhoudsbijdrage ontving en waarvan de vrouw stelt dat van dit bedrag bij de vaststelling van de draagkracht minimaal moet worden uitgegaan, zou de man in circa twee jaren na 1 januari 2014 de stamrechtuitkeringen hebben verbruikt. Gelet op de aanmerkelijk verslechterde financiële situatie van de man met ingang van 1 januari 2014, is het hof van oordeel dat de man in redelijkheid en billijkheid de beëindigingsvergoeding heeft mogen beleggen zoals hij heeft gedaan en ten gevolge waarvan hij jaarlijks een stamrechtvergoeding ontvangt van € 5.077,- per jaar.

De grief van de vrouw faalt derhalve.

Inkomsten uit eenmanszaak (grief 1 appel man)

3.10.1.

De man stelt dat de rechtbank er ten onrechte van uit is gegaan dat de man inkomsten heeft uit de eenmanszaak. De vrouw heeft de stelling van de man gemotiveerd betwist.

3.10.2.

Blijkens de door de man overgelegde en door de vrouw in feitelijke zin niet betwiste aangifte omzetbelasting over 2014, had de man in dat jaar geen omzet en derhalve geen inkomen uit zijn eenmanszaak. Het hof zal bij de berekening van de draagkracht van de man dan ook geen inkomsten uit onderneming in aanmerking nemen. Grief 1 van de man slaagt.

Inkomsten uit gespaard vermogen (grief 2 appel man)

3.11.1.

De man stelt dat de rechtbank ten onrechte rekening heeft gehouden met inkomsten uit vermogen van € 57.000,-, nu een deel van dit vermogen eigendom is van zijn echtgenote en dat slechts ter voorkoming van beslaglegging dit deel op zijn rekening is ‘geparkeerd’.

De vrouw heeft de stelling van de man gemotiveerd betwist.

3.11.2.

Het hof is van oordeel dat tegenover de betwisting van de vrouw de man onvoldoende heeft aangetoond dat een gedeelte van het door de rechtbank in aanmerking genomen vermogen eigendom is van de huidige echtgenote van de man. Dit geldt te meer nu uit de overgelegde stukken blijkt dat deze zogenoemde bijschrijvingen van de vrouw overboekingen betreffen van de zakelijke rekeningen van de man naar zijn privérekening. Grief 2 van de man slaagt niet.

Aandeel man in de behoefte van de stiefkinderen (grief 3 appel man)

3.12.1.

De man stelt dat de rechtbank ten onrechte geen rekening heeft gehouden met zijn aandeel in de behoefte van zijn stiefkinderen, [stiefzoon 1] en [stiefzoon 2] [achternaam 1], en van zijn jongmeerderjarige stiefzoon, [stiefzoon 3] [achternaam 2], van in totaal € 632,- per maand. Voorts stelt de man dat bij de bepaling van die behoefte niet aangesloten moet worden bij het inkomen van de juridische ouders ten tijde van het uiteengaan, doch bij het gezinsinkomen van de man en de moeder van de kinderen op 1 januari 2014, nu de juridische vader geen bijdrage levert en er geen inkomensgegevens van hem bekend zijn.

3.12.2.

Ter zitting heeft de vrouw erkend dat de man naast de juridische ouders onderhoudsplichtig is jegens zijn stiefkinderen.

De vrouw betwist evenwel dat de behoefte van de stiefkinderen vastgesteld dient te worden op basis van het huidig inkomen van de man en zijn echtgenote. Voorts betwist zij dat de jongmeerderjarige stiefzoon niet in de eigen behoefte kan voorzien.

3.12.3.

Het hof volgt de vrouw in haar standpunt dat de jongmeerderjarige stiefzoon [stiefzoon 3] in de eigen behoefte kan voorzien, omdat hij een volledige Wajonguitkering ontvangt ([stiefzoon 3] is volledig arbeidsongeschikt, hulpbehoevend en niet zelfstandig), alsmede een zorgtoeslag van € 52,- per maand. Met deze uitkering vermeerderd met de zorgtoeslag wordt [stiefzoon 3] naar het oordeel van het hof in staat geacht geheel in het eigen levensonderhoud te voorzien.

In zoverre faalt grief 3 van de man.

3.12.4.

Ten aanzien van de behoefte van de andere twee minderjarige stiefkinderen is het hof evenals de rechtbank van oordeel dat hiervoor het netto gezinsinkomen ten tijde van de samenleving van de ouders van deze kinderen als uitgangspunt heeft te gelden. De enige informatie hieromtrent evenwel zijn de inkomensgegevens van de echtgenote. Voor zover de man heeft gesteld dat er van de juridische vader geen inkomensgegevens bekend zijn, overweegt het hof dat niet blijkt dat de man of zijn echtgenote enige moeite hebben gedaan deze gegevens te achterhalen en het hof ter zake behoorlijk te informeren. Gelet hierop zal het hof de behoefte van de stiefkinderen begroten op een bedrag van € 150,- per kind per maand en bij de berekening van de onderhoudsbijdrage voor de vrouw daarvan uitgaan.

Het hof is van oordeel dat de man voor 1/3e dient bij te dragen in de behoefte van zijn stiefkinderen, derhalve met € 50,- per kind per maand. Het hof overweegt hiertoe dat de onderhoudsverplichtingen van de juridische ouders en de stiefouder in beginsel gelijk van rang zijn en de man naar het oordeel van het hof geen feiten of omstandigheden heeft aangevoerd die een andere verdeling rechtvaardigen. De in het echtscheidingsconvenant van de juridische ouders opgenomen bepaling dat geen alimentatie ten aanzien van de kinderen wordt overeengekomen met de summiere toelichting daarop in het beroepschrift, is daartoe onvoldoende.

Gegevens van de vrouw (grief 6 man)

3.13.

De grief van de man tegen de gebrekkige gegevensverstrekking door de vrouw betreft, zo is ter zitting gebleken, het kostgeld van de meerderjarige zoon van partijen. Ter zitting is hieromtrent door de vrouw duidelijkheid verschaft. De zoon betaalt aan de vrouw een bijdrage van € 350,- per maand, waarvan € 100,- in mindering wordt gebracht op de woonlasten van de vrouw. Het overige bedrag van € 250,- per maand betreft naar het oordeel van hof een reële vergoeding voor kost en inwoning (energie en water alsmede boodschappen).

Conclusie

3.14.

De jusvergelijking met inachtneming van hetgeen hierboven is overwogen, wijst uit dat de vrouw door het ontvangen van een bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud van
€ 447,- bruto per maand niet in een financieel gunstiger positie komt te verkeren dan de man. Het hof zal deze bijdrage dan ook vaststellen.

Terugbetalingsverplichting (grief 5 appel man) en ingangsdatum

3.15.1.

De ingangsdatum van de wijziging van de eerder vastgestelde onderhoudsbijdrage, zijnde 1 januari 2014, is door de vrouw voorwaardelijk betwist, namelijk voor het geval het hof van oordeel is dat voor de vrouw een terugbetalingsverplichting bestaat voor de bedragen die zij sinds 1 januari 2014 ten onrechte van de man heeft ontvangen.

De vrouw stelt zich op het standpunt dat op haar geen terugbetalingsverplichting rust. De bedragen die zij sinds 1 januari 2014 heeft ontvangen zijn opgesoupeerd, zo stelt zij.

De man stelt dat het feit dat de vrouw in weerwil van de voorstellen van de man is blijven incasseren voor haar rekening en risico dient te blijven. Hij betwist dat de vrouw door de terugbetalingsverplichting in financiële problemen zal komen, dan wel is gekomen.

3.15.2.

Het hof hanteert bij de beoordeling of de vrouw teveel ontvangen alimentatie moet terugbetalen de maatstaf zoals neergelegd in de uitspraak van HR 25 april 2014, NJ 2014, 225. Deze maatstaf houdt het volgende in:

(i) De rechter die beslist op een verzoek tot wijziging van een eerder vastgestelde bijdrage in het levensonderhoud, zal in het algemeen behoedzaam gebruik moeten maken van zijn bevoegdheid de wijziging te laten ingaan op een vóór zijn uitspraak gelegen datum, met name indien dit ingrijpende gevolgen kan hebben voor de onderhoudsgerechtigde in verband met een daardoor in het leven geroepen verplichting tot terugbetaling van hetgeen in de daaraan voorafgaande periode in feite is betaald of verhaald.

(ii) Deze behoedzaamheid geldt ook voor de rechter in hoger beroep die met ingang van een vóór zijn uitspraak gelegen datum een zodanige wijziging brengt in de door de rechter in eerste aanleg vastgestelde of gewijzigde bijdrage dat zij kan leiden tot de hiervoor bedoelde ingrijpende gevolgen.

(iii) Deze behoedzaamheid brengt mee dat de rechter naar aanleiding van hetgeen partijen hebben aangevoerd, zal moeten beoordelen of, en in hoeverre, in redelijkheid van de onderhoudsgerechtigde terugbetaling kan worden verlangd van hetgeen in overeenstemming met diens behoefte aan levensonderhoud reeds is uitgegeven, en dat de rechter, indien dit naar zijn oordeel het geval is, van zijn beoordeling rekenschap zal moeten geven in de motivering.

In het vorenstaande ligt besloten dat de rechter die een onderhoudsverplichting verlaagt met ingang van een vóór zijn uitspraak gelegen datum, steeds aan de hand van hetgeen ten processe is gebleken, zal moeten beoordelen in hoeverre een daaruit voortvloeiende terugbetalingsverplichting in redelijkheid kan worden aanvaard (vgl. HR 26 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH2288, NJ 2009/304, en HR 4 november 2011, ECLI:NL:HR:2011:BR5310, NJ 2011/514). Hij is derhalve bij die beoordeling niet afhankelijk van een door de onderhoudsgerechtigde gevoerd, op die terugbetaling betrekking hebbend verweer.

3.15.3.

Het hof is van oordeel dat in de onderhavige zaak een terugbetalingsverplichting voor de vrouw in redelijkheid niet kan worden aanvaard. Het hof acht aannemelijk dat de door de vrouw ontvangen bedragen in overeenstemming met haar behoefte zijn uitgegeven en de vrouw over onvoldoende inkomen of vermogen beschikt om aan een terugbetalingsverplichting te kunnen voldoen. Hoewel de man een belang heeft bij terugbetaling verkeert hij, naar het oordeel van het hof, in omstandigheden die minder bezwarend zijn bij het niet terugontvangen van hetgeen onverschuldigd betaald zal blijken, ten opzichte van wat het voor de vrouw betekent wanneer zij zou moeten terugbetalen. Dit leidt ertoe dat het hof de bijdrage van de man in het levensonderhoud van de vrouw in navolging van de rechtbank met ingang van 1 januari 2014 zal wijzigen, met bepaling dat hetgeen de vrouw tot de datum van deze beslissing teveel aan partneralimentatie heeft ontvangen, niet door haar behoeft te worden terugbetaald aan de man.

Proceskosten

3.16.

De vrouw heeft verzocht de man te veroordelen in de proceskosten van de vrouw in beide instanties. Gelet op de familierechtelijke aard van de procedure ziet het hof geen aanleiding om af te wijken van de gebruikelijke regel die inhoudt dat de proceskosten in beide instanties worden gecompenseerd.

3.17.

Het voorgaande leidt ertoe dat het hof de beschikking waarvan beroep zal vernietigen.

4 De beslissing

Het hof:

op het principaal en incidenteel appel:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 11 juli 2014, voor zover daarbij partneralimentatie is bepaald,

en in zoverre opnieuw rechtdoende:

wijzigt de beschikking van 31 maart 2006 van de rechtbank ’s-Hertogenbosch alsmede het door partijen op 1 maart 2006 ondertekende echtscheidingsconvenant;

bepaalt dat de man aan de vrouw voor haar levensonderhoud zal voldoen een bedrag van

€ 447,- per maand met ingang van 1 januari 2014, voor wat de nog niet verschenen termijnen betreft te voldoen bij vooruitbetaling;

bepaalt dat hetgeen de vrouw tot heden teveel aan partneralimentatie heeft ontvangen, niet door haar behoeft te worden terugbetaald aan de man;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

bekrachtigt de bestreden beschikking voor het overige;

compenseert de op dit hoger beroep gevallen proceskosten tussen partijen aldus, dat ieder van hen de eigen kosten draagt;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. M.C. Bijleveld-van der Slikke,

C.A.R.M. van Leuven en A.M.M. Hompus en in het openbaar uitgesproken op 2 juli 2015.