Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2015:2436

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
30-06-2015
Datum publicatie
01-07-2015
Zaaknummer
HD 200.162.650_01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

Kinderalimentatie, lijfsdwang.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer HD 200.162.650/01

arrest van 30 juni 2015

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats],

appellant,

hierna aan te duiden als de man,

advocaat: mr. P.J.A. van de Laar te Eindhoven,

tegen

1 [geïntimeerde 1],
wonende te [woonplaats],

hierna aan te duiden als de vrouw,

2. [geïntimeerde 2],
wonende te [woonplaats],
hierna aan te duiden als [geïntimeerde 2],

3. [geïntimeerde 3],
wonende te [woonplaats],
hierna aan te duiden als [geïntimeerde 3],

geïntimeerden,

hierna aan te duiden als geïntimeerden,

advocaat: mr. L.G.A.A. de Hondt-Buijs te Best,

op het bij exploot van dagvaarding van 7 januari 2015 ingeleide hoger beroep van het door de voorzieningenrechter van de rechtbank Oost-Brabant gewezen vonnis van 11 december 2014 tussen de man als gedaagde en geïntimeerden als eiseressen.

1 Het geding in eerste aanleg (zaaknr. C/01/284774 / KG ZA 14-641)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding in hoger beroep;

  • -

    de memorie van grieven met producties;

  • -

    de memorie van antwoord met producties.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De beoordeling

3.1.

In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten.

  1. De man en de vrouw zijn op 15 december 1990 met elkaar gehuwd. Uit dit huwelijk zijn [geïntimeerde 2] en [geïntimeerde 3] geboren op [geboortedatum] 1991 respectievelijk [geboortedatum] 1995.

  2. Het huwelijk van de man en de vrouw is op 17 juni 2003 omgezet in een geregistreerd partnerschap. Dit geregistreerd partnerschap is geëindigd door inschrijving van de verklaring van beëindiging van het geregistreerd partnerschap door de ambtenaar van de burgerlijke stand in het daartoe bestemde register op 23 juni 2003.

  3. Bij echtscheidingsconvenant van 10 juni 2003 zijn de man en de vrouw een door de man te betalen bedrag aan kinderalimentatie overeengekomen van € 700,- per maand.

  4. Bij beschikkingen van de rechtbank ’s-Hertogenbosch d.d. 23 augustus 2010 en van dit hof d.d. 7 juli 2011, verbeterd bij beschikking van 13 september 2011 van dit hof, is de kinderalimentatie gewijzigd zoals in die beschikkingen is weergegeven.

  5. De voorzieningenrechter van de rechtbank Oost-Brabant heeft bij (verstek)vonnis van 3 april 2014 de door partijen getroffen regeling opgenomen, zoals in dat vonnis is weergegeven. Partijen waren onder meer, voor zover thans van belang, overeengekomen dat de man € 1.000,- per maand zou voldoen ter zake de aflossing van het restant van de achterstallige alimentatie (van op dat moment nog € 34.491,19) en de lopende betalingsverplichtingen, totdat de volledige achterstallige alimentatie en lopende termijnen zijn voldaan.

  6. De betalingsafspraak van € 1.000,- is de man niet nagekomen.

3.2.

Bij het bestreden vonnis heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Oost-Brabant, uitvoerbaar bij voorraad, aan geïntimeerden verlof verleend om voormeld vonnis van 3 april 2014 van de rechtbank Oost-Brabant dan wel de beschikking van 7 juli 2011 van dit hof, verbeterd bij beschikking van 13 september 2011 van dit hof, ten uitvoer te leggen bij lijfsdwang en deswege de man in gijzeling te doen stellen totdat het bedrag van de achterstand tot en met heden (door geïntimeerden begroot op € 37.461,01 te vermeerderen met kosten en rente), alsmede ten deze reeds gevallen en nog te vallen kosten zullen zijn voldaan, met de hulp van de sterke arm van politie en justitie, een en ander voor de tijd van ten hoogste twaalf maanden, met de veroordeling van de man in de kosten van het hem in gijzeling doen stellen.

Voorts heeft de voorzieningenrechter, uitvoerbaar bij voorraad, de man veroordeeld in de proceskosten, welke tot aan die uitspraak aan de zijde van geïntimeerden zijn begroot op € 904,77.

3.3.

Bij beschikking d.d. 3 maart 2015 heeft de rechtbank Oost-Brabant het verzoek van de man tot wijziging van de beschikking van dit hof van 7 juli 2011, verbeterd bij beschikking van 13 september 2011 van dit hof, afgewezen.

3.4.

Bij vonnis van 21 april 2015 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Oost-Brabant de vorderingen van de man om de vrouw te veroordelen om de executie van het vonnis van 11 december 2014 te staken en gestaakt te houden, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 10.000,- per dag en de vrouw in de proceskosten te veroordelen alsmede in de nakosten, afgewezen en de proceskosten tussen partijen gecompenseerd.

3.5.

In de onderhavige procedure vordert de man, zo nodig onder aanvulling, verbetering en/of wijziging van de gronden, uitvoerbaar bij voorraad, het bestreden vonnis van 11 december 2014 te vernietigen.

3.6.

Aan deze vordering heeft de man, kort samengevat, het volgende ten grondslag gelegd.

De man stelt dat geen sprake is van betalingsonwil, maar betalingsonmacht. Zijn twee bedrijven, PAR 7 Strategie en Creatie B.V. en PAR 7 B.V., waarmee hij vroeger zijn gezin prima kon onderhouden, zijn in 2005 respectievelijk 2006 gefailleerd. In november 2007 volgde het persoonlijke faillissement van de man, dat in april 2009 werd opgeheven wegens een gebrek aan baten. Van 2008 tot juni 2010 werkte de man in loondienst. Per 1 juli 2011 is hij fulltime in dienst getreden van zijn nieuwe onderneming, [Ltd.] Ltd. Het is de man echter niet gelukt hiermee een levensvatbare onderneming van de grond te krijgen. De zakenpartner van de man heeft gelden van opdrachtgevers aan hemzelf en zijn echtgenote laten uitbetalen. Geld om te procederen tegen deze zakenpartner en diens echtgenote, ontbreekt. Uit het overzicht dat zijn belastingadviseur, mr. [belastingadviseur], werkzaam bij [Belastingadviseurs] Belastingadviseurs, heeft opgesteld, blijkt een schuldenlast van € 198.740,78. Tezamen met de schulden die uit het persoonlijke faillissement van de man zijn blijven bestaan, bedraagt zijn schuldenlast circa € 407.000,-. De man heeft geen bezittingen.

De man stelt voorts dat geen belang gediend is bij een gijzeling. Als gevolg van zijn detentie is de man niet in staat inkomsten te verwerven. In februari 2015 was de man uitgenodigd voor twee sollicitatiegesprekken, die niet konden doorgaan omdat hij sinds 26 januari 2015 gedetineerd is. Gijzeling is bedoeld als prikkel tot nakoming, maar kan die functie niet vervullen.

3.7.

Geïntimeerden hebben gemotiveerd verweer gevoerd. Dat verweer zal, voor zover in hoger beroep van belang, in het navolgende aan de orde komen.

3.8.

Het hof is op grond van de in de onderhavige procedure overgelegde stukken en met inachtneming van het in dit kader door geïntimeerden gevoerde verweer, van oordeel dat de voorzieningenrechter in het bestreden vonnis terecht en op goede gronden heeft geoordeeld dat de man zijn stellingen op geen enkele wijze met in rechte geloof verdienende bescheiden heeft onderbouwd. In hoger beroep heeft de man niets, althans onvoldoende aangevoerd op grond waarvan het hof tot een ander oordeel dan de rechtbank zou kunnen komen.

3.9.

Het hof acht met de voorzieningenrechter niet aannemelijk dat aan de zijde van de man sprake is van betalingsonmacht. Veeleer lijkt sprake te zijn van betalingsonwil. Tussen partijen is, op verzoek van de man, een executiegeding in eerste aanleg gevoerd, strekkende tot staking van de executie van het in deze procedure bestreden vonnis van 11 december 2014. Dat geding heeft geleid tot een vonnis in Kort Geding van de voorzieningenrechter van de rechtbank Oost-Brabant d.d. 21 april 2015, welk vonnis door geïntimeerden bij de memorie van antwoord is overgelegd. De voorzieningenrechter heeft in dat vonnis vastgesteld dat de man in het verleden over substantiële vermogensbestanddelen (onder meer na de verkoop van twee huizen) heeft beschikt, terwijl hij nimmer vrijwillig aan zijn alimentatieverplichtingen heeft voldaan en niet nader inzichtelijk heeft gemaakt waar dat vermogen thans is, dan wel waaraan dat vermogen is uitgegeven. Blijkens de in die procedure door de man overgelegde bankafschriften, zijn in de periode vanaf 1 augustus 2010 substantiële bedragen op de bankrekening van zijn onderneming [Concepts] Concepts Ltd. (hierna: [Concepts]) en op de bankrekening van zijn partner, mevrouw [partner van appellant], bij- en afgeschreven. Het gaat om bedragen tussen de € 20.000,- en € 263.519,12. Voorts heeft de man verklaard dat hij in die periode (tot en met 2014) zichzelf een salaris toekende van € 2.000,- tot € 3.000,- per maand en dat dit salaris werd gestort op de rekening van mevrouw [partner van appellant]. De man heeft van zijn eigen privébankrekening slechts afschriften overgelegd over de periode van 20 juli 2014 tot 20 oktober 2014 en hij heeft geen afschriften overgelegd van zijn bonusrenterekening. De voorzieningenrechter heeft op basis van de verklaringen van de man ter zitting vastgesteld dat hij in het verleden bedragen heeft weggesluisd teneinde niet te hoeven voldoen aan zijn verplichtingen jegens geïntimeerden en de man heeft ter zitting met zoveel woorden verklaard dat hij in het verleden wel bedragen had kunnen betalen, maar dat hij uit rancune heeft nagelaten aan zijn alimentatieverplichtingen te voldoen. Dat de man inmiddels zijn leven heeft gebeterd, is niet aannemelijk geworden. Integendeel, het heeft er volgens de voorzieningenrechter alle schijn van dat de man thans opnieuw vermogensbestanddelen probeert weg te maken via [Ltd.] Ltd. Volgens de voorzieningenrechter heeft de man ook op dit punt in het geheel geen openheid van zaken gegeven.

Gelet op het voorgaande en de gemotiveerde betwisting van de stellingen van de man door geïntimeerden, is het hof voorshands van oordeel dat de man zijn standpunt dat het hem aan draagkracht ontbreekt om de opgelegde onderhoudsbijdrage te betalen, onvoldoende heeft onderbouwd.

3.10.

Het hof is voorts, gelet op de weigerachtige houding van de man tot heden, van oordeel dat een minder stevig dwangmiddel onvoldoende is om de man tot betaling te bewegen.

3.11.

Geïntimeerden hebben naar het oordeel van het hof belang bij betaling van de onderhoudsbijdrage door de man. De omstandigheid dat de man vanwege zijn detentie niet in staat is te solliciteren en geen inkomen uit arbeid kan verwerven, heeft de man zelf in het leven geroepen door niet te betalen en dient naar het oordeel van het hof voor zijn rekening en risico te komen.

3.12.

Op grond van al het voorgaande is het hof van oordeel dat de voorzieningenrechter in het bestreden vonnis terecht de verzoeken van geïntimeerden in eerste aanleg heeft toegewezen.

3.13.

Voorts ziet het hof aanleiding om de man als verliezende partij te veroordelen in de door geïntimeerden in hoger beroep gemaakte proceskosten, die door geïntimeerden niet nader zijn gespecificeerd, maar die het hof op grond van het ‘liquidatietarief rechtbanken en gerechtshoven’ forfaitair begroot op € 1.158,- (voor het nemen van de conclusie van antwoord) en € 131,- (ter zake ‘nakosten’).

3.14.

Al het voorgaande leidt tot de volgende beslissing van het hof.

4 De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt de man in de kosten van de door geïntimeerden in hoger beroep gemaakte kosten, die het hof begroot op € 1.289,- in totaal.

Dit arrest is gewezen door mrs. C.D.M. Lamers, C.A.R.M. van Leuven en A.J. van de Rakt en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 30 juni 2015.

griffier rolraadsheer