Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2015:2418

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
30-06-2015
Datum publicatie
03-07-2015
Zaaknummer
HD 200.116.084_01
Formele relaties
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2015:1566
Einduitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2015:3746
Rechtsgebieden
Burgerlijk procesrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

spookpartij als eiser in eerste aanleg en appellant in hoger beroep

art. 245 Rv

Wetsverwijzingen
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 245
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

afdeling civiel recht

zaaknummer HD 200.116.084/01

arrest van 30 juni 2015

in de zaak van

J + J Unterhaltungs KG,

gevestigd en kantoorhoudende te [vestigingsplaats 1] (Duitsland),

appellante,

advocaat: mr. M.M. van den Boomen te Roermond,

tegen

1 Mr. [geïntimeerde 1] ,

2. Mr. [geïntimeerde 2] ,

3. Mr. [geïntimeerde 3] ,

allen in hun hoedanigheid van curator in het faillissement van [gefailleerde] (hierna [gefailleerde] ) en/of Easy Life Investments B.V. (hierna Easy Life),
kantoor houdende te respectievelijk [vestigingsplaats 2] , [vestigingsplaats 3] ( [vestigingsplaats 3] ) en [vestigingsplaats 4] ( [vestigingsplaats 4] ),

geïntimeerden,

advocaat: mr. B.A.P. Sijben te Helmond,

als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 28 april 2015 in het hoger beroep van de vonnissen van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 15 december 2010 en 11 juli 2012, gewezen tussen appellante -J+J- als eiseres in conventie en verweerster in reconventie en geïntimeerden -de curatoren- als gedaagden in conventie en eisers in reconventie. Het hof zal de nummering van voormeld tussenarrest voortzetten.

6 Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenarrest de 28 april 2015;

- de akte uitlating artikel 245 lid 2 Rv zijdens de advocaat van J+J.

Vervolgens is bepaald dat arrest zal worden gewezen. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

7 De beoordeling

7.1.

Het hof begrijpt dat (de advocaat van) J+J in de akte uitlating het hof verzoekt om terug te komen op zijn beslissing, kort gezegd, dat J+J geen vennootschap, natuurlijke persoon of rechtspersoon is en als procespartij niet bestaat. Een dergelijk verzoek is toewijsbaar indien sprake is van een onhoudbare feitelijke lezing van de gedingstukken dan wel van een juridische misslag. Het hof stelt het volgende voorop. Met de beslissing dat J+J geen vennootschap, natuurlijke persoon of rechtspersoon is en als procespartij niet bestaat, heeft het hof een geschilpunt tussen partijen uitdrukkelijk en zonder voorbehoud beslist. In beginsel is het hof hieraan in het verdere verloop van de procedure gebonden. Deze gebondenheid geldt echter niet onverkort. De eisen van een goede procesorde brengen immers mee dat de rechter aan wie is gebleken dat een eerdere door hem gegeven, maar niet in een einduitspraak vervatte eindbeslissing berust op een onjuiste juridische of feitelijke grondslag, bevoegd is om, nadat partijen de gelegenheid hebben gekregen zich dienaangaande uit te laten, over te gaan tot heroverweging van die eindbeslissing, teneinde te voorkomen dat hij op een ondeugdelijke grondslag een einduitspraak zou doen. In hetgeen de advocaat van J+J ter toelichting op het verzoek naar voren heeft gebracht ziet het hof evenwel geen aanleiding om van deze bevoegdheid gebruik te maken. Het hof blijft van oordeel op de in r.o. 4.4 van het tussenarrest vermelde gronden dat, kort gezegd, J+J zich in zoveel verschillende gedaanten heeft voorgedaan, dat niet met voldoende zekerheid kan worden geconcludeerd dat de betreffende procespartij zonder meer de natuurlijke persoon [eigenaar appellante] is. Het hof laat dan nog daar het antwoord op de vraag of, indien [eigenaar appellante] moet worden beschouwd als procespartij, de inleidende dagvaarding en de appeldagvaarding wat betreft de opgenomen personalia e.d. wel voldoen aan de betreffende voor eisers en/of appellanten in het Wetboek van Rechtsvordering opgenomen eisen, zoals in elk geval zijn vermeld in art. 45 Rv. Het hof acht gelet op dit oordeel geen termen aanwezig om de curatoren in staat te stellen zich uit te laten over het door de advocaat van J+J verzochte.

7.2

De advocaat van J+J heeft in de hiervoor genoemde akte aangevoerd dat in art. 245 Rv onder “de advocaat” moet worden verstaan de advocaat die het onoordeelkundig optreden heeft verricht. De huidige advocaat van J+J is, naar mede blijkt uit de rolaantekeningen, pas als advocaat van J+J opgetreden vanaf 24 februari 2015, dus lang nadat op 16 juli 2013 is bepaald dat arrest zal worden gewezen, en welk arrest is gewezen op 28 april 2015. Hij zelf heeft dus, totdat dit hof hem heeft gevraagd zich uit te laten over het verzoek van de curatoren om de advocaat in de kosten te veroordelen, geen enkele proceshandeling verricht.

7.3

Alvorens te beslissen omtrent de toewijsbaarheid van het verzoek van de curatoren en waar blijkens de door de advocaat van J+J genomen akte uitlating artikel 245 lid 2 Rv het er vooralsnog voor dient te worden gehouden dat [eigenaar appellante] de opdracht heeft gegeven tot het voeren van dit geding (in voornoemde akte is immers vermeld dat als materiële en formele procespartij [eigenaar appellante] moet worden aangemerkt) zal het hof [eigenaar appellante] dan ook, via mr. M.M. van den Boomen, in de gelegenheid stellen zijn standpunt hieromtrent (en dus alleen hieromtrent) naar voren te brengen en toe te lichten. Nu de curatoren zich niet hebben uitgelaten over de vraag of [eigenaar appellante] in de proceskosten zou moeten worden veroordeeld, zal het hof de curatoren toelaten om, nadat [eigenaar appellante] heeft gereageerd, nog op dat standpunt te reageren.

7.4

Elke verdere beslissing zal worden aangehouden.

8 De uitspraak

Het hof:

alvorens verder te beslissen:

verwijst de zaak naar de rol van 28 juli 2015 om door tussenkomst van de advocaat van J+J [eigenaar appellante] op de voet van art. 245 lid 2 Rv in de gelegenheid te stellen om bij akte zijn standpunt naar voren te brengen en toe te lichten omtrent het mogelijk te zijner laste brengen van de kosten zoals bedoeld in art. 245 lid 1 Rv;

bepaalt dat de curatoren desgewenst vier weken nadat [eigenaar appellante] zijn standpunt bij akte naar voren heeft gebracht en heeft toegelicht, een antwoordakte mogen nemen;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. M.G.W.M. Stienissen, J.R. Sijmonsma en J.H.C. Schouten en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 30 juni 2015.

griffier rolraadsheer