Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2015:2372

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
01-07-2015
Datum publicatie
01-07-2015
Zaaknummer
20-003811-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ontucht met minderjarige leerling; strafmaat bij artikel 249 van het Wetboek van Strafrecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 20-003811-13

Uitspraak: 1 juli 2015

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant van 14 november 2013 in de strafzaak met parketnummer 01-839562-12 tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1964,

wonende te [adres].

Hoger beroep

De officier van justitie heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Ontvankelijkheid van het hoger beroep ter zake van het onder 2 ten laste gelegde

Aan de verdachte is onder 2 ten laste gelegd, kort samengevat, het in bezit hebben van een groot aantal kinderpornografische afbeeldingen.

De rechtbank heeft op dit onderdeel van de tenlastelegging de dagvaarding nietig verklaard.

Het door de officier van justitie ingestelde hoger beroep is ook gericht tegen deze beslissing van de rechtbank.

Op 16 april 2014 is de terechtzitting in hoger beroep aangevangen, doch is het hof niet toegekomen aan een inhoudelijke behandeling van de zaak. Bij akte d.d. 10 december 2014 heeft de advocaat-generaal het van de zijde van de officier van justitie ingestelde hoger beroep voor wat betreft de beslissing van de rechtbank ter zake van het onder 2 ten laste gelegde, de nietigverklaring van de dagvaarding, ingetrokken.

Nu de inhoudelijke behandeling van de zaak nog niet is aangevangen en de advocaat-generaal door het ‘intrekken’ van het hoger beroep te kennen heeft gegeven dat de bezwaren van het openbaar ministerie tegen het beroepen vonnis terzake feit 2 niet worden gehandhaafd, zal het hof, nu het belang van het openbaar ministerie noch enig ander rechtens te beschermen belang gediend is met een behandeling van het hoger beroep, toepassing geven aan het bepaalde in artikel 416, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering en zal het hof het door het openbaar ministerie ingestelde hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 2 ten laste gelegde, niet-ontvankelijk verklaren.

Al hetgeen hierna wordt overwogen en beslist heeft uitsluitend betrekking op dat gedeelte van het beroepen vonnis dat aan het oordeel van het hof is onderworpen.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis van de rechtbank zal bevestigen, met uitzondering van de strafoplegging en de vordering van de benadeelde partij [naam slachtoffer] en te dien aanzien opnieuw rechtdoende, de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 12 maanden gevangenisstraf voorwaardelijk, met een proeftijd van vijf jaren, met daaraan verbonden de algemene en bijzondere voorwaarden zoals opgelegd door de rechtbank, met het verzoek tot het bevelen van de dadelijke uitvoerbaarheid van deze voorwaarden. Daarnaast heeft de advocaat-generaal gevorderd de oplegging van een taakstraf van 180 uren, subsidiair 90 dagen vervangende hechtenis. Voorts heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof de verdachte zal ontzetten van het recht het beroep van leraar uit te oefenen voor de duur van vijf jaren en de vordering van de benadeelde partij geheel zal toewijzen tot een bedrag van €8.650,- met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel tot dat bedrag, subsidiair 77 dagen vervangende hechtenis.

Door de raadsman van verdachte is vrijspraak bepleit van onderdelen van de tenlastelegging. Voorts heeft de raadsman een strafmaatverweer gevoerd en verweer gevoerd op de vordering van de benadeelde partij.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de eerste rechter.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.
hij een of meerdere malen in of omstreeks de periode van 01 juli 2010 tot en met 22 oktober 2012 te Valkenswaard (telkens) ontucht heeft gepleegd met de aan zijn zorg en/of opleiding en/of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige [naam slachtoffer], geboren op [geboortedatum slo], en bestaande de ontucht hierin dat hij (telkens)

- zijn, verdachtes, hand op de broek (ter hoogte van het geslachtsdeel) van die [naam slachtoffer] heeft gelegd en/of de hand van die [naam slachtoffer] naar zijn, verdachtes, geslachtsdeel heeft gebracht en/of (vervolgens) de hand van die [naam slachtoffer] op zijn, verdachtes, geslachtsdeel heeft gedrukt en/of

- die [naam slachtoffer] op de mond en/of in de nek en/of op het voorhoofd en/of op de wang en/of het oor, in elk geval het lichaam, van die [naam slachtoffer] heeft gezoend en/of

- zijn, verdachtes, tong in de richting van de mond van die [naam slachtoffer] heeft gebracht en/of met zijn mond en/of tong het gezicht en/of de mond van die [naam slachtoffer] heeft aangeraakt en/of

- die [naam slachtoffer] (stevig) heeft vastgehouden en/of geknuffeld en/of

- samen met die [naam slachtoffer] onder een kleed op een bank heeft gelegen en/of

- die [naam slachtoffer] (met zijn hoofd) bij hem op schoot liet liggen en/of (terwijl) hij die [naam slachtoffer] streelde en/of betastte en/of vasthield (ter hoogte) van/aan het (onder)lichaam en/of

- de tepels van die [naam slachtoffer] heeft gestreeld en/of heeft betast en/of

- het (ontblote) geslachtsdeel van die [naam slachtoffer] heeft betast en/of aangeraakt en/of die [naam slachtoffer] heeft afgetrokken en/of

- zijn, verdachtes, (onder)lichaam heeft laten betasten door die [naam slachtoffer];

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:


A.

hij een of meerdere malen in of omstreeks de periode van 01 juli 2010 tot en met 23 april 2011 te Valkenswaard met de aan zijn zorg en/of opleiding en/of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige [naam slachtoffer], geboren op [geboortedatum slo], die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, (telkens) een of meer ontuchtige handeling(en) heeft gepleegd, en bestaande de ontuchtige handelingen hieruit dat hij (telkens)

- zijn, verdachtes, hand op de broek (ter hoogte van het geslachtsdeel) van die [naam slachtoffer] heeft gelegd en/of de hand van die [naam slachtoffer] naar zijn, verdachtes, geslachtsdeel heeft gebracht en/of (vervolgens) de hand van die [naam slachtoffer] op zijn, verdachtes, geslachtsdeel heeft gedrukt en/of

- die [naam slachtoffer] op de mond en/of in de nek en/of op het voorhoofd en/of op de wang en/of het oor, in elk geval het lichaam, van die [naam slachtoffer] heeft gezoend en/of

- zijn, verdachtes, tong in de richting van de mond van die [naam slachtoffer] heeft gebracht en/of met zijn mond en/of tong het gezicht en/of de mond van die [naam slachtoffer] heeft aangeraakt en/of

- die [naam slachtoffer] (stevig) heeft vastgehouden en/of geknuffeld en/of

- samen met die [naam slachtoffer] onder een kleed op een bank heeft gelegen en/of

- die [naam slachtoffer] (met zijn hoofd) bij hem op schoot liet liggen en/of (terwijl) hij die [naam slachtoffer] streelde en/of betastte en/of vasthield (ter hoogte) van/aan het (onder)lichaam en/of

- de tepels van die [naam slachtoffer] heeft gestreeld en/of heeft betast en/of

- het (ontblote) geslachtsdeel van die [naam slachtoffer] heeft betast en/of aangeraakt en/of die [naam slachtoffer] heeft afgetrokken en/of

- zijn, verdachtes, (onder)lichaam heeft laten betasten door die [naam slachtoffer];

en/of

B.

hij een of meerdere malen, in of omstreeks de periode van 01 juli 2010 tot en met 22 oktober 2012 te Valkenswaard een of meermalen (telkens) door giften of beloften van geld of goed, te weten het geven en/of beloven van een of meer belkaart(en) en/of misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht (als leraar en/of als volwassene ten opzichte van een minderjarige met PDD-NOS) of door misleiding een persoon, [naam slachtoffer], geboren op [geboortedatum slo], waarvan verdachte wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat deze de leeftijd van achttien jaren nog niet had bereikt (telkens) opzettelijk heeft bewogen ontuchtige handelingen te plegen en/of zodanige handelingen van verdachte te dulden en bestaande de ontuchtige handelingen hieruit dat hij (telkens)

- zijn, verdachtes, hand op de broek (ter hoogte van het geslachtsdeel) van die [naam slachtoffer] heeft gelegd en/of de hand van die [naam slachtoffer] naar zijn, verdachtes, geslachtsdeel heeft gebracht en/of (vervolgens) de hand van die [naam slachtoffer] op zijn, verdachtes, geslachtsdeel heeft gedrukt en/of

- die [naam slachtoffer] op de mond en/of in de nek en/of op het voorhoofd en/of op de wang en/of het oor, in elk geval het lichaam, van die [naam slachtoffer] heeft gezoend en/of

- zijn, verdachtes, tong in de richting van de mond van die [naam slachtoffer] heeft gebracht en/of met zijn mond en/of tong het gezicht en/of de mond van die [naam slachtoffer] heeft aangeraakt en/of

- die [naam slachtoffer] (stevig) heeft vastgehouden en/of geknuffeld en/of

- samen met die [naam slachtoffer] onder een kleed op een bank heeft gelegen en/of

- die [naam slachtoffer] (met zijn hoofd) bij hem op schoot liet liggen en/of (terwijl) hij die [naam slachtoffer] streelde en/of betastte en/of vasthield (ter hoogte) van/aan het (onder)lichaam en/of

- de tepels van die [naam slachtoffer] heeft gestreeld en/of heeft betast en/of

- het (ontblote) geslachtsdeel van die [naam slachtoffer] heeft betast en/of aangeraakt en/of die [naam slachtoffer] heeft afgetrokken en/of

- zijn, verdachtes, (onder)lichaam heeft laten betasten door die [naam slachtoffer].

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten of omissies voorkwamen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

hij meerdere malen in de periode van 1 januari 2012 tot en met 22 oktober 2012 te Valkenswaard ontucht heeft gepleegd met de aan zijn zorg en opleiding toevertrouwde minderjarige [naam slachtoffer], geboren op [geboortedatum slo], en bestaande de ontucht hierin dat hij

- zijn, verdachtes, hand op de broek ter hoogte van het geslachtsdeel van die [naam slachtoffer] heeft gelegd en/of

- die [naam slachtoffer] op de mond en op de wang en het oor heeft gezoend en/of

- die [naam slachtoffer] (met zijn hoofd) bij hem op schoot liet liggen en die [naam slachtoffer] streelde en vasthield aan het (onder)lichaam en/of

- de tepels van die [naam slachtoffer] heeft gestreeld en/of

- het (ontblote) geslachtsdeel van die [naam slachtoffer] heeft betast of aangeraakt en die [naam slachtoffer] heeft afgetrokken.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Door het hof gebruikte bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkort arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort arrest. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort arrest gehecht.

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

Elk bewijsmiddel wordt - ook in zijn onderdelen - slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezen verklaarde feit, of die bewezen verklaarde feiten, waarop het, blijkens zijn inhoud, betrekking heeft.

Op basis van de door het hof gebezigde bewijsmiddelen komt het hof, evenals de rechtbank, tot een bewezenverklaarde periode van 1 januari 2012 tot en met 22 oktober 2012.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

Ontucht plegen met een aan zijn zorg en opleiding toevertrouwde minderjarige, meermalen gepleegd.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf of maatregel

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Naar het oordeel van het hof kan gelet op de ernst van het bewezen verklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd, niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor de hierna te vermelden duur met zich brengt.

Ten aanzien van de aard en ernst van het bewezen verklaarde heeft het hof in het bijzonder gelet op het navolgende:

- de verdachte heeft ontucht gepleegd met een aan zijn zorg en opleiding toevertrouwde minderjarige, die leerling was op een particuliere school voor speciaal onderwijs voor kinderen, waarvan verdachte (mede)schooldirecteur en leraar was. De verdachte wist ook dat het ging om een kwetsbare jongen;

- de verdachte heeft hierdoor op ernstige wijze de lichamelijke en geestelijke integriteit van deze minderjarige geschonden en het vertrouwen, dat door de minderjarige en de ouders van deze minderjarige in hem was gesteld, op grove wijze beschaamd. Het is een feit van algemene bekendheid dat door feiten als de onderhavige een normale seksuele ontwikkeling kan worden doorkruist en het slachtoffer nog geruime tijd te kampen kan hebben met de psychische gevolgen van hetgeen hem is aangedaan.

Ten aanzien van de persoonlijke omstandigheden van verdachte heeft het hof rekening gehouden met:

- de inhoud van het omtrent verdachte opgemaakte rapport van het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie, locatie Pieter Baan Centrum d.d. 22 april 2013 door B.H. Boer, klinisch psycholoog en R.J.P. Rijnders, psychiater, onder meer inhoudende als conclusie - kort gezegd - dat bij de verdachte sprake is van een gebrekkige ontwikkeling en ziekelijke stoornis van de geestvermogens, dat dit in substantiële mate heeft doorgewerkt in het bewezen verklaarde en dat het bewezen verklaarde in verminderde mate aan verdachte kan worden toegerekend. Voorts is geconcludeerd dat bij verdachte een licht tot matig verhoogde kans bestaat op herhaling van het bewezenverklaarde en is geadviseerd om een behandeling bij een forensisch psychiatrisch ambulante instelling in het kader van een bijzondere voorwaarde bij een voorwaardelijk strafdeel op te leggen alsmede oplegging van reclasseringstoezicht over een langere periode;

- de inhoud van de omtrent verdachte opgemaakte rapporten van Reclassering Nederland d.d. 7 mei 2013 en 26 mei 2015, waarin geadviseerd wordt een (gedeeltelijk) voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen met als bijzondere voorwaarden een meldplicht en de verplichting tot ambulante behandeling. Door de reclassering wordt het recidiverisico ingeschat als laag/gemiddeld en voorts wordt ingeschat dat er een laag tot gemiddeld risico is op onttrekken aan de voorwaarden;

- het uittreksel van het Justitieel Documentatieregister de verdachte betreffend d.d. 4 mei 2015, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder ter zake van gelijksoortige strafbare feiten is veroordeeld;

- de inhoud van de door de verdediging overgelegde brief van de heer S. Koeck, GZ-psycholoog bij instelling De Omslag, GGzE De Woenselse Poort d.d. 29 mei 2015, waaruit naar voren komt dat verdachte na een intakegesprek op 27 mei 2013 (wekelijks) gesprekken heeft met voornoemde psycholoog in het licht van een psychotherapeutisch traject en dat verdachte zich strikt aan de gemaakte afspraken heeft gehouden en bereid is om de behandeling voort te zetten.

Met de advocaat-generaal en de verdediging oordeelt het hof dat gelet op de hierboven beschreven feiten en omstandigheden in het onderhavige geval kan worden volstaan met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf die gelijk is aan de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Daarnaast zal het hof een voorwaardelijke gevangenisstraf opleggen die gelijk is aan de duur zoals door de advocaat-generaal is gevorderd en waaraan de hierna in de beslissing te noemen bijzondere voorwaarden worden verbonden. Hierbij neemt het hof in het bijzonder in aanmerking dat verdachte reeds op 2 september 2013 is gestart met een behandeling bij een forensische instelling van de GGzE, dat verdachte zich sindsdien aan de afspraken heeft gehouden en zich bovendien gemotiveerd toont om een verdere behandeling te ondergaan en te proberen risicovolle situaties te vermijden.

Met oplegging van een gedeeltelijk voorwaardelijke straf wordt enerzijds de ernst van het bewezen verklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.

Voorts zal het hof een taakstraf opleggen van hierna te melden duur.

Ondanks de kennelijke bereidheid van verdachte tot medewerking aan zijn behandeling acht het hof, gelet op de omstandigheid dat verdachte door zijn bewezen verklaarde handelen het in hem als leraar gestelde vertrouwen op ernstige wijze heeft geschonden, oplegging van de bijkomende straf van ontzetting van het recht tot uitoefening van het beroep van leraar, voor zover het betreft onderwijs aan/begeleiding van minderjarigen, voor na te melden duur geïndiceerd.

Anders dan de advocaat-generaal en de rechtbank komt het hof tot vaststelling van een proeftijd van drie jaren, zijnde de maximumduur van de proeftijd, zoals bepaald in artikel 14b, tweede lid, Wetboek van Strafrecht.

Oplegging van een proeftijd van meer dan drie jaren is immers op grond van het bepaalde in artikel 14b, tweede lid, Wetboek van Strafrecht, enkel toegestaan indien er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de veroordeelde wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen.

Door B.H. Boer, klinisch psycholoog en R.J.P. Rijnders, psychiater, is gerapporteerd dat bij verdachte een licht tot matig verhoogde kans bestaat op herhaling van het bewezenverklaarde. Door de reclassering wordt het recidiverisico ingeschat als laag/gemiddeld. De verdachte is niet eerder veroordeeld voor soortgelijke feiten.

Gelet hierop zijn er dan ook onvoldoende concrete aanwijzingen dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de veroordeelde wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. Derhalve is aan de wettelijke voorwaarde voor het bepalen van een proeftijd van meer dan drie jaren niet voldaan.

Het hof merkt in dit kader op dat op grond van artikel 14f Wetboek van Strafrecht de proeftijd op vordering van het openbaar ministerie kan worden verlengd.

De advocaat-generaal heeft vanwege het belang van een snel aanvangende behandeling verzocht tot dadelijke uitvoerbaarheid van de bijzondere voorwaarden. Hoewel het hof met de advocaat-generaal dit belang onderkent, kan het een bevel daartoe niet geven.

Zoals bepaald in artikel 14e, eerste lid, Wetboek van Strafrecht kan dadelijke uitvoerbaarheid alleen worden bevolen indien er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de veroordeelde wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meerdere personen. Gelet op de hiervoor genoemde rapporten zijn hiervoor onvoldoende concrete aanwijzingen zodat aan de wettelijke voorwaarde voor het bevelen van de dadelijke uitvoerbaarheid niet is voldaan.

Vordering van de benadeelde partij [naam slachtoffer]

De benadeelde partij [naam slachtoffer] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van in totaal € 12.150,- (€ 7.500,- aan immateriële schade en € 4.650,- aan materiele schade), te vermeerderen met de wettelijke rente. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 3.650,-, waarvan € 2.500,- aan immateriële schade en € 1.150,- aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, en voor het overige niet-ontvankelijk verklaard.

De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd ter zake van het niet toegewezen gedeelte van de vordering, met dien verstande dat de schadepost met betrekking tot de inkomstenderving van de ouders van de benadeelde partij is komen te vervallen, waarmee de vordering is verlaagd met € 3.500,-, hetgeen uitkomt op een totale vordering in hoger beroep van € 8.650,-, te vermeerderen met de wettelijke rente.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij [naam slachtoffer] als gevolg van verdachtes bewezen verklaarde handelen rechtstreeks immateriële en materiële schade heeft geleden tot na te melden bedrag.

Met betrekking tot de gevorderde immateriële schade ten bedrage van € 7.500,- stelt het hof vast dat bij de onderbouwing van deze schadepost is uitgegaan van een langere periode dan door het hof bewezen is verklaard. De immateriële schade zal door het hof naar de maatstaven van redelijkheid en billijkheid worden geschat op een bedrag van € 5.000,-.

Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is, met een beslissing omtrent de kosten als hierna zal worden vermeld.

Het hof is van oordeel dat voor de resterende € 2.500,- aan immateriële schade de behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding zou opleveren. De benadeelde partij kan daarom thans in haar vordering niet worden ontvangen en haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Het hof ziet aanleiding te dezer zake de maatregel van artikel 36f Wetboek van Strafrecht op te leggen als na te melden.

Verdachte is naar burgerlijk recht aansprakelijk voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 14d, 22c, 22d, 28, 31, 36f, 57, 249 en 251 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart het door de officier van justitie ingestelde hoger beroep niet-ontvankelijk, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 2 ten laste gelegde.

Vernietigt het vonnis waarvan beroep, voor zover dit vonnis aan het oordeel van het hof is onderworpen, en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 primair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 (achttien) maanden.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 12 (twaalf) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 3 (drie) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden of geen medewerking heeft verleend aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen, dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd.

Stelt als bijzondere voorwaarden:

- dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd houdt aan de aanwijzingen te geven door of namens de Reclassering Nederland;

- dat de veroordeelde gedurende de proeftijd op geen enkele wijze - direct of indirect - contact zal opnemen, zoeken of hebben met [naam slachtoffer] (behoudens via een advocaat);

- dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd niet zal bevinden in de straat [adres slachtoffer] dan wel in een andere straat waar [naam slachtoffer] woont;

- dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd onder ambulante behandeling zal stellen van de forensische kliniek "De Omslag" van de GGzE te Eindhoven of een andere vergelijkbare zorginstelling, op de tijden en plaatsen en voor de duur als door of namens die zorginstelling te bepalen;

- dat de veroordeelde gedurende de proeftijd geen activiteiten en/of werkzaamheden zal verrichten met minderjarigen, voor zolang de reclassering zulks noodzakelijk oordeelt.

Geeft opdracht aan de Reclassering Nederland tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarde(n) en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 180 (honderdtachtig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 90 (negentig) dagen hechtenis.

Ontzet de verdachte van het recht tot uitoefening van het beroep van leraar, voor zover het betreft onderwijs aan/begeleiding van minderjarigen, voor de duur van 5 (vijf) jaren.

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [naam slachtoffer] ter zake van het bewezen verklaarde tot het bedrag van € 6.150,00 (zesduizend honderdvijftig euro) bestaande uit € 1.150,00 (duizend honderdvijftig euro) materiële schade en € 5.000,00 (vijfduizend euro) immateriële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verklaart de benadeelde partij in haar vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat zij in zoverre haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan materiële- en immateriële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 22 oktober 2012 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [naam slachtoffer], ter zake van het bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 6.150,00 (zesduizend honderdvijftig euro) bestaande uit € 1.150,00 (duizend honderdvijftig euro) materiële schade en € 5.000,00 (vijfduizend euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 65 (vijfenzestig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de materiële- en immateriële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 22 oktober 2012 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Aldus gewezen door

mr. M.J.H.J. de Vries-Leemans, voorzitter,

mr. N.J.M. Ruyters en mr. M.A.M. Wagemakers, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. M.C.H. Verhoeven-van der Heijden, griffier,

en op 1 juli 2015 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

mr. N.J.M. Ruyters en mr. M.A.M. Wagemakers zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.