Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2015:2371

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
26-06-2015
Datum publicatie
22-07-2015
Zaaknummer
14-00501
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Belanghebbende heeft in haar aangifte reisaftrek geclaimd terwijl ze niet met openbaar vervoer naar haar werk reisde. De Inspecteur heeft na een telefonisch onderhoud met belanghebbendes vriend gemeend dat het bezwaarschrift ingetrokken werd, doch hij verzuimde de intrekking schriftelijk te bevestigen. Het hoger beroep van belanghebbende wordt wat betreft de reisaftrek afgewezen, ook voor zover belanghebbende stelt dat zij reiskosten heeft gemaakt ten behoeve van een studie. Wel krijgt belanghebbende een immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van redelijke termijn in de bezwaarfase.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2015/1640
V-N 2015/52.21.8
FutD 2015-1855
NTFR 2015/2375 met annotatie van DRS. J.C. DE ZEEUW
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht

Meervoudige Belastingkamer

Kenmerk: 14/00501

Uitspraak op het hoger beroep van

[belanghebbende],

wonende te [woonplaats],

hierna: belanghebbende,

tegen de uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant te Breda (hierna: de Rechtbank) van 20 maart 2014, nummer AWB 13/2618, in het geding tussen

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst Limburg/[vestigingsplaats],

hierna: de Inspecteur,

betreffende de aan belanghebbende voor het jaar 2008 opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV), aanslagnummer [aanslagnummer] H86.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Aan belanghebbende is voor het jaar 2008 een aanslag IB/PVV opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 17.447, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.

1.2.

Belanghebbende is van deze uitspraak in beroep gekomen bij de Rechtbank. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van de Rechtbank van belanghebbende een griffierecht geheven van € 44. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard en heeft de Inspecteur gelast het door belanghebbende betaalde griffierecht aan belanghebbende te vergoeden.

1.3.

Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij het Hof.

Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 122. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.4.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 13 mei 2015 te ‘s-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord belanghebbende, tot bijstand vergezeld van de heer

[A], alsmede, namens de Inspecteur, de heer [B] en de heer [C].

1.5.

Het Hof heeft aan het einde van zitting het onderzoek gesloten.

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden als tussen partijen niet in geschil, dan wel door een van hen gesteld en door de andere niet, dan wel onvoldoende, weersproken voor het Hof komen vast te staan:

2.1.

Belanghebbende heeft in de aangifte IB/PVV 2008 reisaftrek openbaar vervoer geclaimd, gespecificeerd als volgt:
Reisaftrek openbaar vervoer € 1.526
Vergoedingen van werkgever voor het openbaar vervoer € 746 -/-
Totaal reisaftrek openbaar vervoer € 780.

2.2.

De Inspecteur heeft in zijn brief van 13 oktober 2011 belanghebbende verzocht informatie te verstrekken om te kunnen beoordelen of belanghebbende recht heeft op de geclaimde reisaftrek. Specifiek heeft de Inspecteur verzocht om:
- een kopie openbaarvervoerverklaring of reisverklaring en de plaatsbewijzen;
- een opgave van de enkele reisafstand afgelegd met openbaar vervoer;
- betalingsbewijzen van plaatsbewijzen;
- opgave van de vergoeding van de werkgever;
- opgave van het aantal dagen dat doorgaans met het openbaar vervoer werd gereisd van de woning naar het werk.
Belanghebbende heeft deze informatie niet aan de Inspecteur verstrekt.

2.3.

Op 25 november 2011 is de definitieve aanslag IB/PVV 2008 opgelegd. Hierin is de door belanghebbende geclaimde reisaftrek gecorrigeerd en is het belastbare inkomen uit woning en werk vastgesteld op € 17.447.

2.4.

Belanghebbende heeft gedagtekend 23 december 2011 een bezwaarschrift ingediend tegen de opgelegde aanslag. Daarin vermeldt zij:
“(…)
Hierbij teken ik bezwaar aan tegen vermelde aanslag.
Reden: in de bijbehorende aangifte is een verliespost van het jaar 2009 niet verwerkt.
De onderhavige aangifte is schriftelijk ingediend en gezien eerdere gedane teruggave voor akkoord bevonden.
(…)”
2.5. De Inspecteur heeft op 31 januari 2012, na een telefonisch overleg met de heer [A] voornoemd, het bezwaarschrift als ingetrokken beschouwd. Deze intrekking is door de Inspecteur niet schriftelijk bevestigd.

2.6.

Bij brief van 22 januari 2013 heeft belanghebbende de Inspecteur medegedeeld dat zij het bezwaar niet heeft ingetrokken en hem verzocht om alsnog uitspraak op bezwaar te doen.

2.7.

Op 25 maart 2013 heeft de Inspecteur uitspraak op bezwaar gedaan en daarbij het bezwaar ongegrond verklaard.

3 Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1.

Het geschil betreft, naar het Hof verstaat, het antwoord op de volgende vragen:

1. Heeft belanghebbende recht op aftrek van de reiskosten gemaakt met de auto?
2. Dient de aanslag te worden vernietigd vanwege de gang van zaken in de bezwaarfase?
3. Is de redelijke termijn overschreden?

3.2.

Belanghebbende is van mening dat deze vragen bevestigend moeten worden beantwoord. De Inspecteur is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

3.3.

Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden, die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, waarvan de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt. Belanghebbende heeft hieraan ter zitting, zakelijk weergegeven, het volgende toegevoegd:

Ik kon niet met het openbaar vervoer reizen. Dat was niet mogelijk. Daarom reisde ik met de auto. Ik heb het verkeerd ingevuld in de aangifte. Ik deed een studie voor een detacheringsbureau waar ik werkte. Daarom heb ik de daarmee samenhangende reiskosten opgevat als woon-werkverkeer.
Kosten voor woon-werkverkeer zouden aftrekbaar moeten zijn, ook al is er geen gebruik gemaakt van het openbaar vervoer. Ik snap wel dat de wet niet opzij gezet kan worden.

Er zijn veel fouten gemaakt bij de Belastingdienst: miscommunicatie en de uitspraak op bezwaar heeft lange tijd op zich laten wachten. Daar gaat het mij om. De aanslag moet worden vernietigd.

3.4.

Belanghebbende concludeert, naar het Hof verstaat, tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, van de uitspraak op bezwaar en primair, tot vernietiging van de aanslag, subsidiair tot verlaging van het belastbare inkomen uit werk en woning met de in de aangifte geclaimde reisaftrek.
De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4 Gronden

Vooraf en ambtshalve

4.1.

Belanghebbende stelde in haar beroepschrift bij de Rechtbank, dat de Inspecteur haar bezwaarschrift ontvankelijk heeft verklaard, hetgeen belanghebbende “een compleet raadsel” is. In haar hoger beroepschrift stelt zij, dat de Inspecteur haar bezwaar “anderhalf jaar na indiening gegrond” heeft verklaard. Belanghebbende klaagt er in hoger beroep over dat de uitspraak van de Rechtbank hieromtrent niets vermeldt. Ter zake wijst het Hof er op, dat het bezwaar van belanghebbende terecht ontvankelijk werd verklaard door de Inspecteur, nu het tijdig was ingediend en dat de Inspecteur het bezwaar vervolgens ongegrond heeft verklaard omdat de Inspecteur aan belanghebbendes bezwaren niet was tegemoetgekomen. Dit laatste heeft de Rechtbank ook vastgesteld in r.o. 2.6 van haar uitspraak. Omtrent de ontvankelijkheid van het bezwaarschrift heeft de Rechtbank in haar uitspraak terecht niets opgenomen, omdat zulks niet gebruikelijk is in een geval, als hier aan de orde, dat het bezwaarschrift tijdig is ingediend.
Ten aanzien van het geschil

4.2.

Op grond van artikel 3.80 van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001) is belastbaar loon het loon verminderd met de reisaftrek. Artikel 3.87 Wet IB 2001 bepaalt, dat de reisaftrek in aanmerking wordt genomen voor de per openbaar vervoer afgelegde reisafstand tussen de woning of verblijfplaats en de plaats of plaatsen van werkzaamheden.

4.3.

Ter zitting van de Rechtbank heeft belanghebbende verklaard dat zij niet heeft gereisd met het openbaar vervoer, maar met de auto en dat het reizen niet het woon-werkverkeer betrof doch het volgen van een studie via haar werkgever. Deze verklaring heeft belanghebbende ter zitting van het Hof herhaald.

4.4.

Het Hof overweegt als volgt. Nu belanghebbende niet met het openbaar vervoer heeft gereisd, is er geen wettelijke basis voor de reisaftrek als bedoeld in artikel 3.87 Wet IB 2001.

Voor zover belanghebbende bedoelt te stellen, dat zij reiskosten heeft gemaakt ten behoeve van het volgen van een opleiding of studie - scholingsuitgaven als bedoeld in artikel 6.27 Wet IB 2001 - kan het Hof haar in die stelling niet volgen. Artikel 6.28 Wet IB 2001 bepaalt dat de uitgaven in verband met reizen niet tot de scholingsuitgaven behoren. De reiskosten zijn derhalve niet aftrekbaar.

4.5.

Gelet op het vorenoverwogene heeft de Rechtbank het beroep terecht ongegrond verklaard.

4.6.

Belanghebbende stelde ter zitting van de Rechtbank en ter zitting van het Hof dat de aanslag zou moeten worden vernietigd vanwege het onzorgvuldig handelen van de Inspecteur in de bezwaarfase. De Inspecteur heeft na het telefonisch overleg met de heer [A] in januari 2012 aangenomen, dat het bezwaarschrift was ingetrokken, maar heeft verzuimd hiervan een schriftelijke bevestiging aan belanghebbende te zenden. De Inspecteur heeft pas ruim een jaar na indiening van het bezwaarschrift uitspraak gedaan, nadat belanghebbende hem er op wees, dat van intrekking geen sprake was.

4.7.

De Inspecteur heeft toegegeven onzorgvuldig te hebben gehandeld door de aangenomen mondelinge intrekking van het bezwaarschrift niet schriftelijk te bevestigen aan belanghebbende. Ter zitting van de Rechtbank heeft hij desgevraagd verklaard in deze gang van zaken aanleiding te zien het griffierecht aan belanghebbende te vergoeden. De Rechtbank heeft dan ook gelast dat de Inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht aan haar vergoedt. De opvatting van belanghebbende, dat het onzorgvuldig handelen van de Inspecteur in de bezwaarfase zou moeten leiden tot vernietiging van de aanslag, vindt echter geen steun in het recht en wordt mitsdien door het Hof verworpen.

4.8.

Ter zitting van de Rechtbank heeft belanghebbende geklaagd over de lange behandelduur van de procedure, naar zij in het hoger beroepsschrift onweersproken stelt, onder verwijzing naar artikel 1 van het Verdrag van Rome. Het Hof verstaat deze verwijzing als een beroep op artikel 6 EVRM en op vergoeding van immateriële schade geleden als gevolg van de overschrijding van de redelijke termijn.

4.9.

De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 22 april 2005, nr. 37984, ECLI:NL:HR:2005:AO9006, BNB 2005/337, geoordeeld dat als uitgangspunt heeft te gelden dat de redelijke termijn wordt overschreden, indien de rechtbank niet binnen twee jaar nadat die termijn is aangevangen, uitspraak doet. De termijn vangt aan op het moment van ontvangst van het bezwaarschrift door de Inspecteur. In belastingzaken heeft als regel te gelden dat de bezwaarfase onredelijk lang heeft geduurd voor zover de duur daarvan een half jaar overschrijdt en de beroepsfase voor zover zij meer dan anderhalf jaar in beslag neemt (HR 22 maart 2013, nr. 11/04270, ECLI:NL:HR:2013:BX6666, BNB 2013/152).

4.10.

Als uitgangspunt voor de schadevergoeding dient een tarief te worden gehanteerd van
€ 500 per half jaar, dat de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond (HR 10 juni 2011, nr. 09/05112, ECLI:NL:HR:2011:BO5080, ).
Deze regel geldt behoudens bijzondere omstandigheden.

4.11.

In de onderhavige zaak is het bezwaarschrift ingediend op of omstreeks 23 december 2011. De Inspecteur heeft uitspraak op bezwaar gedaan op 25 maart 2013 en de Rechtbank heeft op 20 maart 2014 uitspraak gedaan. Derhalve heeft de bezwaarfase een jaar en drie maanden geduurd en de beroepsfase bijna een jaar. De totale termijn vanaf de indiening van het bezwaarschrift tot aan de uitspraak van de Rechtbank bedraagt twee jaar en drie maanden. Hierdoor is de redelijke termijn met drie maanden (afgerond: half jaar) overschreden, welke overschrijding is toe te rekenen aan de bezwaarfase. Van bijzondere omstandigheden, die een langere termijn dan een half jaar voor het doen van uitspraak op bezwaar rechtvaardigen, is niet gebleken.

4.12.

Voor de berechting van de zaak in hoger beroep heeft in beginsel als uitgangspunt te gelden dat het Hof uitspraak doet binnen twee jaar nadat het rechtsmiddel is ingesteld. Het hoger beroepschrift van belanghebbende is bij het Hof ingekomen op 2 mei 2014. Gelet op de uitspraak van heden is de redelijke termijn voor het hoger beroep bij het Hof niet overschreden.

4.13.

In de hoger beroepsfase is de overschrijding van de redelijke termijn genoemd in 4.11 zelfs ingelopen, doch nu belanghebbende reeds in de beroepsfase beroep heeft gedaan op de overschrijding van de redelijke termijn, kan de voortvarende behandeling van het hoger beroep er niet toe leiden, dat daarmee de overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg wordt gecompenseerd (zie Hoge Raad 12 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3562, BNB 2015/43).

Aan belanghebbende dient derhalve een immateriële schadevergoeding van € 500 te worden toegekend ten laste van de Inspecteur wegens overschrijding van redelijke termijn in de bezwaarfase.

Slotsom

4.14.

De slotsom is dat het hoger beroep gegrond is. De uitspraak van de Rechtbank dient te worden vernietigd. Doende wat de Rechtbank had behoren te doen, veroordeelt het Hof de Inspecteur tot vergoeding van de door belanghebbende geleden immateriële schade tot een bedrag van € 500.

Ten aanzien van het griffierecht

4.15.

Nu de uitspraak van de Rechtbank wordt vernietigd, dient de Inspecteur, naast het door belanghebbende voor de behandeling van het beroep bij de Rechtbank betaalde griffierecht van € 44, aan belanghebbende het door haar ter zake van de behandeling van het hoger beroep bij het Hof betaalde griffierecht ten bedrage van € 122 te vergoeden.

Ten aanzien van de proceskosten

4.16.

Nu het door belanghebbende ingestelde hoger beroep gegrond is, acht het Hof termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen in de kosten, die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep bij de Rechtbank en het hoger beroep bij het Hof redelijkerwijs heeft moeten maken.

4.17.

Het Hof kent een vergoeding toe ter zake van reiskosten van belanghebbende zelf voor het bijwonen van de zitting bij de Rechtbank, te berekenen op de kosten van het openbaar vervoer tweede klasse voor het traject [woonplaats] - Eindhoven en vice versa van € 17,18 en een vergoeding ter zake van reiskosten van belanghebbende zelf voor het bijwonen van de zitting bij het Hof, te berekenen op de kosten van het openbaar vervoer tweede klasse voor het traject [woonplaats] - ‘s-Hertogenbosch en vice versa van € 36,96.

4.18.

Gesteld noch gebleken is dat belanghebbende overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten als bedoeld in artikel 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft gemaakt.

5 Beslissing

Het Hof

  • -

    vernietigt de uitspraak van de Rechtbank;

  • -

    verklaart het tegen de uitspraak van de Inspecteur ingestelde beroep gegrond;

  • -

    bevestigt de uitspraak van de Inspecteur;

  • -

    veroordeelt de Inspecteur tot vergoeding van de door belanghebbende geleden immateriële schade tot een bedrag van € 500;

  • -

    gelast dat de Inspecteur aan belanghebbende het door deze ter zake van de behandeling van het beroep bij de Rechtbank en het hoger beroep bij het Hof betaalde griffierecht ten bedrage van € 44 en € 122, is in totaal € 166 vergoedt, en

  • -

    veroordeelt de Inspecteur in de kosten van het geding bij de Rechtbank en het Hof aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op in totaal € 54,14.

Aldus gedaan op 26 juni 2015 door J. Swinkels, voorzitter, P. Fortuin en B.G. van Zadelhoff, in tegenwoordigheid van A.A. van Wendel de Joode, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.

  1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

  2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

  1. de naam en het adres van de indiener;

  2. een dagtekening;

  3. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

  4. e gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.