Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2015:2276

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
23-06-2015
Datum publicatie
24-06-2015
Zaaknummer
HD 200.128.996_01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Samenwoning.

Vermogensrechtelijke afwikkeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer HD 200.128.996

arrest van 23 juni 2015

in de zaak van

[appellante],

wonende te [woonplaats]

appellante in principaal hoger beroep,

geïntimeerde in incidenteel hoger beroep,

hierna aan te duiden als [appellante],

advocaat: mr. L.E. van Hevele,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde in principaal hoger beroep,

appellant in incidenteel hoger beroep,

hierna aan te duiden als [geïntimeerde],

advocaat: M.M. van de Wijnckel,

op het bij exploot van dagvaarding van 21 maart 2013 ingeleide hoger beroep van de vonnissen van de rechtbank Middelburg van 22 juni 2011 en 26 september 2012 en van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 9 januari 2013, gewezen tussen [appellante] als gedaagde in conventie, eiseres in reconventie en [geïntimeerde] als eiser in conventie, verweerder in reconventie.

1 Het geding in eerste aanleg (77610/HA ZA 2011-103)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormelde vonnissen.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding in hoger beroep ;

  • -

    de memorie van grieven met producties;

  • -

    de memorie van antwoord, tevens houdende incidenteel appel met producties;

  • -

    de memorie van antwoord in incidenteel appel met producties;

  • -

    de pleitnotitie bij schriftelijk pleidooi zijdens [appellante] en

  • -

    de pleitnota bij schriftelijk pleidooi zijdens [geïntimeerde].

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De beoordeling

in principaal en incidenteel hoger beroep

3.1.

In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de feiten zoals vastgesteld in het vonnis van 26 september 2012 onder 2., tegen welke vaststelling geen grieven zijn gericht. Naar die feiten wordt hier verwezen.

3.2.

Tegen het vonnis van 22 juni 2011, waarbij een verschijning van partijen is bevolen, zijn geen grieven aangevoerd. [appellante] zal derhalve in haar beroep daartegen in een nog te wijzen eindarrest niet-ontvankelijk worden verklaard.

3.3.

[appellante] heeft negen grieven aangevoerd tegen het vonnis van 26 september 2012 en één grief tegen het vonnis van 9 januari 2013. [appellante] heeft geconcludeerd tot vernietiging van de beroepen vonnissen en tot het alsnog toewijzen van haar vorderingen en tot het afwijzen van de vorderingen van [geïntimeerde].

3.4.

[geïntimeerde] heeft drie grieven opgeworpen welke alle betrekking hebben op de vonnissen van 26 september 2012 en 9 januari 2013. [geïntimeerde] concludeert op grond hiervan tot vernietiging van deze vonnissen voor zover zijn vorderingen werden afgewezen en tot bepaling alsnog dat [appellante] € 14.688,61 aan [geïntimeerde] dient te voldoen.

3.5.

Hierna zullen de grieven worden besproken.

Grief 1 van [appellante]: Verwachting; wederhoor.

3.6.1.

In grief 1 werpt [appellante] tegen het vonnis van 26 september 2009 op dat partijen de verwachting hadden dat deskundigen zouden worden benoemd.

Echter enkel die verwachting maakt voormeld vonnis niet onjuist. Dit onderdeel van de grief faalt derhalve.

3.6.2.

Voorts voert [appellante] in grief 1 aan dat zij niet in de gelegenheid is gesteld te reageren op de vermeerdering van eis in conventie, zoals geformuleerd bij de conclusie van antwoord in conventie en dat in het vonnis van 26 september 2009 niet is aangegeven dat de vermeerdering van eis in reconventie door [geïntimeerde] niet werd toegestaan.

Ingevolge artikel 130 Rv. was [geïntimeerde] bevoegd zijn eis te vermeerderen omdat er nog geen eindvonnis was gewezen. [appellante] heeft tijdens de comparitie van partijen de gelegenheid gehad aan te voeren dat de vermeerdering van eis in strijd met een goede procesorde was en zij heeft de gelegenheid gehad inhoudelijk te reageren op de vermeerderde eis. Hierbij komt dat [appellante] in ieder geval in dit hoger beroep de mogelijkheid heeft om inhoudelijk te reageren op de vermeerderde eis.

Ten slotte is van belang dat de eis van [geïntimeerde] door de rechtbank is afgewezen en in dat licht heeft [appellante] niet (voldoende) duidelijk gemaakt welk belang zij bij deze grief heeft.

Gelet op al het voorgaande faalt ook dit onderdeel van grief 1.

Grief 2 van [appellante]: Meewerkvergoeding.

3.7.1.

[geïntimeerde] heeft in eerste aanleg € 10.000,- teruggevorderd, welk bedrag [appellante] aan zich heeft laten uitbetalen. [geïntimeerde] legt hieraan ten grondslag dat [appellante] onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld, althans zich ongerechtvaardigd heeft verrijkt. Tussen hen is namelijk geen overeenkomst tot stand gekomen ter zake betaling aan [appellante] van voormeld bedrag voor door [appellante] in 2007 gewerkte uren.

In haar grief stelt [appellante] dat voormeld bedrag ziet op nog niet in rekening gebrachte werkzaamheden in 2007 en dat genoemd bedrag met instemming en medeweten van [geïntimeerde] aan [appellante] is betaald.

3.7.2.

[appellante] voert in haar grief aan dat de rechtbank ten onrechte overweegt dat de afspraak over de meewerkvergoeding van € 10.000,- over de 2007 niet voorshands vaststaat. Gelet hierop en de opmerking van [appellante] dat zij in de gelegenheid wil worden gesteld bewijs te leveren voor zo ver op haar bewijslast rust, begrijpt het hof dat [appellante] ook de bewijslastverdeling aan de orde stelt en zal het hof allereerst die bewijslastverdeling beoordelen.

Aangezien [geïntimeerde] betaling van € 10.000,- vordert en hij daaraan onrechtmatig handelen, althans ongerechtvaardigde verrijking van [appellante] ten grondslag legt, dient [geïntimeerde] op grond van de hoofdregel van artikel 150 Rv, feiten en omstandigheden te bewijzen die meebrengen dat [appellante] onrechtmatig heeft gehandeld, althans zich ongerechtvaardigd heeft verrijkt. [appellante] heeft de vordering van [geïntimeerde] gemotiveerd betwist door aan te voeren dat partijen een overeenkomst hebben gesloten op grond waarvan € 10.000,- aan haar is betaald. Zodoende staat niet vast dat [appellante] onrechtmatig heeft gehandeld of zich ongerechtvaardigd heeft verrijkt. [geïntimeerde] zal overeenkomstig zijn aanbod bij inleidende dagvaarding in de gelegenheid worden gesteld bewijs te leveren

Grief 3 van [appellante] en grieven I tot en met III van [geïntimeerde]: Kosten van huishouding en privé-uitgaven.

3.8.1.

Aan zijn vordering tot betaling door [appellante] van € 14.688,61 aan hem, heeft [geïntimeerde] onder meer ten grondslag gelegd dat partijen, die vanaf januari 2008 een gezamenlijke huishouding voerden, zijn overeengekomen dat de kosten van de huishouding door iedere partij voor de helft zouden worden voldaan, waarbij privé-uitgaven en de hypothecaire lasten van beide woningen alsook de overige lasten welke verbruiksafhankelijk waren en welke verbonden waren aan beide woningen, niet tot de kosten van de huishouding behoorden (dagvaarding nr. 8). Het voorgaande heeft zich vertaald in een maandelijkse bijdrage van € 1.000,- per persoon ten behoeve van de gezamenlijke rekening.

[appellante] heeft volgens [geïntimeerde] tot een bedrag van € 7.712,43 en € 2.000,- niet voldaan aan voormelde afspraak om de helft van de kosten van de huishouding te dragen. Bovendien heeft [appellante] privé-uitgaven ten bedrage van € 4.678,85 en € 297,32 ten laste van het vermogen van [geïntimeerde] gebracht. Tezamen komt dit op € 14.688,60.

[appellante] heeft de vorderingen van [geïntimeerde] betwist.

Kosten huishouding (de vorderingen van [geïntimeerde] ten bedrage van € 7.712,43 en € 2.000,-).

Overeenkomst.

3.8.2.

Het hof stelt als onvoldoende betwist vast dat tussen partijen een afspraak is gemaakt om de kosten van de huishouding te delen, zoals [geïntimeerde] stelt. Hierbij betrekt het hof met name dat [appellante] in haar conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie in 6.3 heeft gesteld, dat de conclusie voor de hand ligt dat partijen het erover eens waren dat de verhouding in de bijdrage 1:1 zou zijn.

Ingangsdatum: januari 2008 of juni 2008?

3.8.3.

[appellante] merkt in de toelichting op haar grief (memorie van grieven, blz. 6, 1e alinea) onder meer op dat op het moment van samenwoning in december 2007 tussen partijen geen afspraken waren gemaakt over de verdeling van de financiële lasten en dat pas in juni 2008 een bijdrage van € 1.000,- per maand is afgesproken als bijdrage in de huishoudrekening.

3.8.4.

[geïntimeerde] heeft hiertegen aangevoerd (memorie van antwoord 3.2) dat met terugwerkende kracht alsnog de meewerkvergoeding voor [appellante] aan haar over de desbetreffende maanden is voldaan waardoor [appellante] een bijdrage had kunnen en moeten leveren in de kosten van de huishouding, hetgeen zij heeft nagelaten.

3.8.5.

Wat de ingangsdatum van de door [geïntimeerde] gestelde afspraak betreft, heeft [geïntimeerde] niet voldoende gesteld om tot de slotsom te kunnen komen dat tussen partijen is overeengekomen dat de afspraak met terugwerkende kracht per 1 januari 2008 inging. Door [geïntimeerde] is namelijk niet gesteld dat [appellante] die terugwerkende kracht heeft aanvaard. Het enkele feit dat [appellante] een meewerkvergoeding met ingang van januari 2008 heeft gekregen, brengt nog geen aanvaarding door [appellante] mee tot het dragen van de helft van de kosten van de huishouding met terugwerkende kracht. Derhalve heeft [geïntimeerde] onvoldoende gesteld dat met ingang van 1 januari 2008 tussen partijen krachtens overeenkomst zou gelden dat zij de kosten van de huishouding zouden delen. Daarmee vervalt de door [geïntimeerde] aangevoerde grondslag van zijn vordering over de periode januari 2008 tot juni 2008, voor zover die is gebaseerd op tekort schieten in de nakoming van gestelde afspraken (zie dagvaarding nr 15). Aangezien de vordering wegens onrechtmatig handelen evenzeer is gebaseerd op de door [geïntimeerde] gestelde afspraken over de betreffende periode (zie dagvaarding nr 15), volgt deze vordering het lot van de vordering gebaseerd op de beweerde afspraken.

Juni 2008-oktober 2008.

3.8.6.

Gelet op de overeenkomst tussen partijen, dat zij ieder de helft van de kosten van de huishouding dienden te dragen, dient allereerst vastgesteld te worden wat de kosten van de huishouding over deze periode waren. Vervolgens dient dan te worden bepaald wat de bijdrage van [appellante] in de kosten van de huishouding was. In het geval dat die bijdrage door [appellante] minder dan de helft zou zijn en [geïntimeerde] meer dan zijn deel heeft bijgedragen, dan dient [appellante] aan [geïntimeerde] alsnog te vergoeden hetgeen zij minder dan de helft heeft bijgedragen.

Aangezien echter [geïntimeerde] niet (voldoende) heeft gespecificeerd wat de kosten van de huishouding over de periode juni 2008 tot oktober 2008 waren, zal de vordering van [geïntimeerde] over voormelde periode reeds daarom moeten worden afgewezen.

Oktober 2008-januari 2009.

3.8.7.

In deze periode werd de en/of Raborekening [rekeningnummer 1] gebruikt om de kosten van de huishouding van te betalen.

Over deze periode is € 8.000,- door partijen uitgegeven aldus [geïntimeerde] (dagvaarding nr 14). Nu [geïntimeerde] zelf stelt dat € 594,64 hiervan privé-uitgaven betreft, begrijpt het hof dat volgens [geïntimeerde] de kosten van de huishouding in deze periode € 7.405.36 (€ 8.000 – € 594,64) bedroegen.

[appellante] brengt hier tegen in dat het bedrag van € 594,64 niet aan privé-uitgaven is besteed (conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie nr 6.10).

3.8.8.

Aangezien het hof de stelling van [geïntimeerde] begrijpt zoals hiervoor aangegeven, kan het verweer van [appellante] hier in het midden worden gelaten en zullen de kosten van de huishouding over deze periode als zijnde onvoldoende betwist op € 7.405,36 worden vastgesteld. [appellante] dient hiervan de helft te dragen, te weten € 3.702,68.

3.8.9.

[appellante] voert aan dat zij over deze periode € 4.000,- heeft voldaan. [geïntimeerde] beweert dat [appellante] in deze periode maar € 2.000,- heeft betaald.

Partijen zijn het eens over betalingen door [appellante] van telkens € 1.000,- op 13 november 2008 en op 19 december 2008 op de en/of rekening. Bewijs van andere betalingen door [appellante] op voormelde huishoudelijke rekening is door haar niet bijgebracht.

Het rekeningafschrift van ABN-AMRO rekening nr. [rekeningnummer 2] (memorie van grieven, productie 2, sub 13) laat slechts een overboeking zien van de spaarrekening van [appellante] met rekening nr [rekeningnummer 3] naar ABN-AMRO rekening nr [rekeningnummer 2] van € 2.000,- op 3 oktober 2008 onder de vermelding: “overboeking om rekeningen te betalen”. De ABN-AMRO rekening nr [rekeningnummer 2] is echter de privé-rekening van [appellante] welke, zo staat tussen partijen vast, ten tijde van de overboeking niet meer als huishoudrekening werd gebruikt. Daarbij komt dat de omschrijving: “overboeking om rekeningen te betalen” niet uitsluit dat het gaat om privé-rekeningen van [appellante]. Voormeld rekeningafschrift en daaruit blijkende overboeking zijn dus onvoldoende om een bijdrage in de kosten van de gezamenlijke huishouding van partijen aan te kunnen tonen. Daarmee is het verweer van [appellante] tegen de stelling van [geïntimeerde], dat [appellante] in deze periode te weinig heeft bijgedragen aan de huishouding, onvoldoende.

3.8.10.

[appellante] heeft nog gesteld dat zij in de periode oktober 2008 tot januari 2009 ten laste van haar ABN-AMRO rekening nr. [rekeningnummer 2] kosten heeft betaald die de gezamenlijke huishouding betreffen en daarmee heeft voldaan aan haar bijdrageplicht. Daarbij heeft zij verwezen naar de omschrijvingen op de rekeningafschriften en een opsomming gegeven van die kosten over de periode oktober tot en met december 2008. Echter uit die omschrijvingen en de opsomming volgt zonder nadere toelichting, welke ontbreekt, niet zonder meer af te leiden dat het kosten van de gezamenlijke huishouding betreft. Gelet op het voorgaande wordt het verweer van [appellante], dat zij in deze periode de helft heeft bijgedragen in de kosten van de huishouding, beoordeeld als een onvoldoende betwisting van de stelling van [geïntimeerde], dat [appellante] niet de helft heeft bijgedragen in de kosten van de huishouding.

3.8.11.

[appellante] heeft nog aangevoerd dat zij in 2009 nog diverse gezamenlijke kosten of kosten van [geïntimeerde] heeft voldaan. Hiermee heeft [appellante] echter niet betwist dat zij in de periode oktober 2008 tot januari 2009 niet aan haar verplichting om de helft bij te dragen in de kosten van de huishouding heeft voldaan. Hierbij komt dat de toelichtingen van [appellante] in haar memorie van antwoord in het incidenteel appel (blz 17 en 18) worden beschouwd als een onvoldoende betwisting van de stelling van [geïntimeerde], dat [appellante] in de periode oktober 2008 tot januari 2009 onvoldoende heeft bijgedragen aan de kosten van de huishouding. Immers uit die toelichtingen blijkt dat het om door [appellante] gekochte zaken ging, verbruiksafhankelijke lasten welke volgens de overeenkomst niet onder de kosten van de huishouding vielen, ten onrechte in rekening gebrachte verzekeringspremies en bedrijfskosten.

3.8.12.

Ten slotte wordt nog overwogen dat [geïntimeerde] zijn vorderingen ook baseert op ongerechtvaardigde verrijking (zie dagvaarding nr 16). [geïntimeerde] heeft echter niet gesteld en onderbouwd dat in het onderhavige geval van samenwoning schadevergoeding redelijk zou zijn (artikel 6:212 lid 1 BW). Deze grondslag faalt dus.

Al het voorgaande leidt er toe dat [appellante] € 1.702,68 (3.702,68-2.000) aan [geïntimeerde] verschuldigd is wegens het niet nakomen van haar verplichting de helft in de kosten van de huishouding bij te dragen. In een te wijzen einduitspraak zal [appellante] tot betaling van voormeld bedrag worden veroordeeld met in zoverre vernietiging van de bestreden vonnissen.

Privé-uitgaven (de vorderingen van [geïntimeerde] ten bedrage van € 4.678,85 en € 297,32).

3.8.13.

Voor zover [geïntimeerde] aan deze vordering niet nakoming van de overeenkomst om ieder voor de helft bij te dragen in de kosten van de huishouding ten grondslag heeft gelegd, wordt die afgewezen, nu die overeenkomst alleen ziet op de kosten van de huishouding. De vordering gegrond op onrechtmatig handelen wordt, nu die eveneens is gebaseerd op niet nakoming van voormelde overeenkomst, afgewezen.

3.8.14.

Onderzocht zal worden of de vordering wegens ongerechtvaardigde verrijking kan worden toegewezen.

Januari-oktober 2008.

3.8.15.

[geïntimeerde] stelt dat in bovengenoemde periode € 9.357,71 aan privé-uitgaven is gedaan door [appellante], welke zijn afgeschreven van haar ABN-AMRO rekening nr. [rekeningnummer 2], welke als gezamenlijke rekening diende. Voor toewijzing van deze vordering wegens ongerechtvaardigde verrijking is nodig dat [geïntimeerde] aangeeft hoe deze rekening is gevoed. [geïntimeerde] heeft weliswaar gesteld dat uit zijn vermogen € 19.750,- op ABN-AMRO rekening nr. [rekeningnummer 2] is gestort, maar hij laat na te stellen welk bedrag [appellante] vanuit haar vermogen op deze rekening heeft gestort. Reeds daarom heeft hij onvoldoende gesteld voor toewijzing van zijn vordering.

Oktober 2008-januari-2009.

3.8.16.

[geïntimeerde] stelt (dagvaarding nr. 14) dat € 594,64 door [appellante] aan privé-uitgaven (ziektekostenverzekeringspremie CZ en belastingdienst) is gedaan ten laste van zijn vermogen.

[appellante] voert aan dat ziektekostenverzekering een normale huishoudelijke uitgave is.

Tegen het aanmerken van de belastingdienst als privé-uitgave heeft [appellante] geen verweer gevoerd.

Ten aanzien van de ziektekostenverzekeringspremie wordt vooropgesteld dat bij samenwonenden zoals partijen, in beginsel een ieder de eigen kosten draagt. Dit is slechts anders indien partijen zijn overeengekomen die kosten door beiden te laten dragen. In de onder 3.8.1 en 3.8.2. vermelde overeenkomst hebben partijen afgesproken de kosten van de huishouding bij helfte te delen. Van die kosten van de huishouding worden uitdrukkelijk door partijen uitgezonderd de privé-uitgaven. Zowel “kosten van de huishouding” als “privé-uitgaven” zijn geen vastomlijnde begrippen. [appellante] heeft in dat verband nagelaten toe te lichten wat partijen bij deze begrippen voor ogen heeft gestaan ten tijde van het sluiten van de overeenkomst. Gelet daarop wordt voormelde betwisting door [appellante] onvoldoende geacht.

3.8.17.

Bij een te wijzen einduitspraak zal deze vordering wegens privé-uitgaven van € 297,23 worden toegewezen.

Grief 4 van [appellante]: Vergoeding inwoning.

3.9.1.

[appellante] voert in deze grief aan dat elke redelijke grond ontbreekt om aan [geïntimeerde] een deel te doen toekomen van de door haar, [appellante], ontvangen vergoeding van [werknemer van geintimeerde] voor zijn inwoning. [geïntimeerde] betwist dit.

3.9.2.

[geïntimeerde] heeft in eerste aanleg onbestreden gesteld (dagvaarding nr. 17), dat partijen met [werknemer van geintimeerde] overeen kwamen dat [werknemer van geintimeerde] als vergoeding voor de kosten van inwoning een bedrag van € 300,- per maand zou voldoen aan [geïntimeerde] en [appellante]. Reeds op grond van deze overeenkomst dient te worden aangenomen dat iedere partij in beginsel recht heeft op de helft van de vergoeding. Gezien deze overeenkomst valt niet in te zien dat de door [appellante] genoemde omstandigheden – dat partijen over en weer met elkaars goedvinden elkaars woning bewoonden en [werknemer van geintimeerde] op uitdrukkelijk verzoek van [geïntimeerde] om in zijn bedrijf te komen werken, bij [appellante] inwoonde – maken dat in redelijkheid van deze afspraak moet worden afgezien.

De grief faalt en de bestreden beslissing, betaling van € 750,- door [appellante] aan [geïntimeerde], zal worden bekrachtigd in een te wijzen eindarrest.

Grief 5 van [appellante]: Kosten na beëindiging samenwoning.

3.10.1.

In deze grief voert [appellante] aan dat de rechtbank ten onrechte heeft aangenomen dat partijen over en weer slechts tot en met januari 2009 in elkaars woning hebben gewoond. [geïntimeerde] heeft tot 22 mei 2010 de beschikking gehad over de woning van [appellante] in [plaats] en [appellante] heeft tot 21 juli 2010 de beschikking gehad over de woning van [geïntimeerde]. Volgens [appellante] dient de afrekening met betrekking tot de energie te worden opgesteld na het verlaten van beide woningen door partijen en nu dat niet is gebeurd valt niet meer te reconstrueren welk bedrag de een ter zake van het energiegebruik aan de ander verschuldigd was.

[geïntimeerde] betwist het voorgaande.

3.10.2.

Deze grief zou pas kunnen slagen indien door [appellante] gesteld zou zijn – en bij betwisting aangetoond zou zijn – dat na januari 2009 iedere partij de energiekosten voor de woning waarin hij/zij toen niet woonde zou hebben betaald. Aangezien dit niet is gesteld, zal bij een te wijzen eindarrest de veroordeling tot betaling door [appellante] aan [geïntimeerde] van € 1.120,79 worden bekrachtigd.

Grief 6 van [appellante]: Pups.

3.11.1.

[appellante] brengt naar voren dat de rechtbank ten onrechte heeft aangenomen dat [geïntimeerde] de kosten van de dierenarts voor de pups heeft betaald en dat [appellante] geen stukken heeft overgelegd om haar stellingen te onderbouwen. [appellante] stelt dat zij facturen van de dierenarts heeft betaald en dat zij de verzorging van de pups voor haar rekening heeft genomen, zodat alleen al daarom in redelijkheid aan haar een vergoeding zou dienen te worden toegekend. Zij acht de helft van de verkoopopbrengst van de pups vermeerderd met de door haar betaalde veeartskosten een adequate vergoeding.

[geïntimeerde] betwist dit.

3.11.2.

[appellante] voert geen grondslag aan op grond waarvan haar een vergoeding toekomt. Alleen de gestelde redelijkheid kan niet tot het aannemen van een vergoedingsrecht leiden. Bovendien wordt geconstateerd dat [appellante], ondanks haar stelling dat zij dat wel zou hebben gedaan, geen facturen en betalingsbewijzen in het geding heeft gebracht. Ook deze grief wordt dus verworpen en de bestreden beslissing, dat [appellante] aan [geïntimeerde]€ 900,- is verschuldigd, zal worden bekrachtigd in een nog te wijzen eindarrest.

Grief 7 van [appellante]: Schade woning.

3.12.1.

[appellante] stelt dat de schade aan de vloer in de woning van [geïntimeerde] te Zuidzande door de rechtbank volledig aan [appellante] wordt toegerekend – ten onrechte: zo begrijpt het hof. [appellante] voert aan dat zij € 2.000,- en [geïntimeerde] € 3.000,- aan de vloer heeft betaald en dat de restwaarde € 3.000,- is, zodat zij aan [geïntimeerde] nog € 1.800,- is verschuldigd. [geïntimeerde] betwist dit.

3.12.2.

Vast staat dat de vloer eigendom is van [geïntimeerde] en dat [appellante] deze vloer zonder toestemming van [geïntimeerde] heeft toegeëigend.

[appellante] heeft een afschrift overgelegd van haar rekening [rekeningnummer 2] bij ABN AMRO, waaruit blijkt dat op 30 januari 2009 € 2.000,- is betaald aan [interieur] Interieur op rekening [rekeningnummer 4]. Bij de betaling is vermeld: “[meldnummer] order [ordernummer]”. Deze vermelding en voornoemd rekeningnummer zijn terug te vinden op de factuur [interieur] Interieur van 31 maart 2008. Het daarop vermelde bij oplevering te voldoen bedrag is € 2.112,-. Bij brief van 8 oktober 2018 is het openstaand bedrag door [interieur] Interieur op € 2.000,- gesteld.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat [appellante] van haar voormelde rekening, die toen niet meer voor de gezamenlijke huishouding werd gebruikt, € 2.000,- heeft voldaan ten behoeve van de aankoop door [geïntimeerde].

[geïntimeerde] voert aan dat [appellante] € 2.000,- van de door hem aan haar ter hand gestelde € 5.000,- in contanten, welke waren bestemd om de vloer te betalen, zich heeft toegeëigend. Hiermee heeft [geïntimeerde] echter niet (voldoende) betwist dat [appellante] € 2.000,- van haar rekening heeft betaald aan [interieur] Interieur. Voor het overige kan de stelling van [geïntimeerde], dat [appellante] zich € 2.000,- zou hebben toegeëigend, onbesproken blijven omdat [geïntimeerde] geen vordering ter zake daarvan heeft ingesteld.

3.12.3.

De stellingen van [appellante] omtrent de restwaarde zijn onvoldoende. Haar uitgangspunt om die op 60% van de nieuwwaarde te begroten als gevolg van gebruik en beschadiging, is onvoldoende onderbouwd. Daarbij komt dat niet is aangegeven om welke beschadigingen het gaat en wat daarvan de omvang is.

3.12.4.

Grief 7 slaagt dus gedeeltelijk. Op dit punt zal het beroepen vonnis worden vernietigd. In een te wijzen eindarrest zal worden toegewezen € 2.909,50 (4.909,50 – 2.000), te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 16 oktober 2010.

Grief 8 van [appellante]: Schade aan de woning in [plaats].

3.13.1.

[appellante] heeft ook in hoger beroep haar stelling dat zij € 20.000.- schade heeft geleden door toedoen van [geïntimeerde] onvoldoende onderbouwd. Immers ook in hoger beroep laat zij onverklaard dat de woning ook al bij de taxatie op 13 mei 2008 € 19.000,- in waarde was gedaald ten opzichte van de taxatie op 5 februari 2007. In laatstgenoemde taxatie was het binnen- en buitenonderhoud en de bouwkundige constructie als “goed” beoordeeld, terwijl de algemene onderhoudstoestand in eerstgenoemde taxatie als “voldoende” werd aangemerkt. Gelet op het voorgaande en bij gebreke van een andersluidende toelichting door [appellante], wordt geconcludeerd dat tijdens de bewoning door [appellante] de onderhoudstoestand van haar woning is verminderd van “goed” naar “voldoende”. In dat licht gezien is het temeer van belang dat [appellante] voldoende concreet had moeten stellen wat bij aanvang van het gebruik door [geïntimeerde] de onderhoudstoestand van de woning was. De enkele verwijzing naar de taxatie van 13 mei 2008 is daarvoor onvoldoende omdat daarin de onderhoudstoestand onvoldoende concreet wordt beschreven. Evenmin zijn de overgelegde schriftelijke verklaringen voldoende concreet om de staat van onderhoud ten tijde van de ingebruikneming door [geïntimeerde] te kunnen bepalen. Dit geldt ten slotte ook voor de overgelegde foto’s.

3.13.2.

[appellante] heeft nog aangevoerd dat de schade bestond uit het vervangen van de vloer in de woonkamer, het vervangen van de buitendeur en vensterbanken, het reinigen, plamuren en schilderen van alle binnenmuren, het opnieuw aanleggen van de tuin, het verwijderen van onkruid, het opnieuw aanleggen van de vijver, het herstellen van erfafscheiding en terras, het ontsmetten en reinigen van de keuken en het verwijderen van ernstige verontreiniging. [appellante] heeft echter nagelaten deze schadeposten concreet te begroten. Ook deze stelling wordt dus als onvoldoende bepaald verworpen.

Deze grief wordt op grond van het voorgaande verworpen en in zoverre zal het bestreden vonnis in een te wijzen eindarrest worden bekrachtigd.

Grief 9 van [appellante]: Toelaten tot bewijsvoering en uitlaten over posten als bedoeld in rechtsoverweging 4.10.4.

3.14.

[appellante] heeft de gelegenheid gehad zich in dit hoger beroep uit te laten. [appellante] constateert zelf dat zij deze posten in dit hogere beroep aan de orde heeft kunnen stellen. Gelet op het voorgaande wordt deze grief bij gebrek aan belang verworpen.

Grief 10 van [appellante]: Vonnis van 9 januari 2013.

3.15.

[appellante] stelt dat in het vonnis van 9 januari 2013 de rechtbank ten onrechte de in het tussenvonnis ingenomen standpunten heeft herhaald en bevestigd. Deze grief heeft dus geen zelfstandige betekenis en wordt daarom verworpen.

3.16

Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

4 De uitspraak

Het hof:

op het principaal hoger beroep

laat [geïntimeerde] toe feiten en omstandigheden te bewijzen waaruit volgt dat [appellante] onrechtmatig heeft gehandeld dan wel zich ongerechtvaardigd heeft verrijkt door als vergoeding voor onbetaalde gewerkte uren in 2007 aan zich € 10.000,- te laten betalen;

bepaalt, indien [geïntimeerde] dit bewijs door getuigen wil leveren, een verhoor op een nader te bepalen datum in het gerechtsgebouw aan de Leeghwaterlaan 8 te ’s-Hertogenbosch, ten overstaan van de raadsheer-commissaris mr. O.G.H. Milar;

verwijst de zaak naar de rolzitting van 28 juli 2015 voor het schriftelijk opgeven door mr. Van Hevele van de verhinderdata van partijen in de maanden september, oktober en november 2015;

op het principaal en incidenteel hoger beroep

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. O.G.H. Milar, W.Th.M. Raab en G.J. Vossestein en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 23 juni 2015.

griffier rolraad