Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2015:2267

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
18-06-2015
Datum publicatie
07-07-2015
Zaaknummer
HR 200.169.700-01
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beëindiging van de schuldsaneringsregeling zonder toekenning van de schone lei wordt bekrachtigd nu verzoeker de kernverplichtingen verwijtbaar niet naar behoren is nagekomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak : 18 juni 2015

Zaaknummer : HR 200.169.700/01

Zaaknummer eerste aanleg : 12/14 R SHB0211103195

in de zaak in hoger beroep van:

[appellant] ,

wonende te [woonplaats],

appellant,

hierna te noemen: [appellant],

advocaat: mr. A. Karacelik.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant van 6 mei 2015.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met productie, ingekomen ter griffie op 12 mei 2015, heeft [appellant] verzocht voormeld vonnis te vernietigen en primair te oordelen dat zijn schuldsaneringsregeling wordt beëindigd met toekenning van de schone lei, subsidiair dat zijn schuldsaneringsregeling van toepassing blijft en verlengd wordt voor de duur van maximaal twee jaren.

2.2.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 10 juni 2015. Bij die gelegenheid is [appellant], bijgestaan door mr. U. Karatas, waarnemend voor mr. Karacelik, gehoord.

Mevrouw [bewindvoerder ], hierna te noemen: de bewindvoerder en de heer [beschermingsbewindvoerder ], hierna te noemen: de beschermingsbewindvoerder zijn, met bericht van verhindering, niet ter zitting in hoger beroep verschenen.

2.3.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg d.d. 8 april 2015;

- het indieningsformulier met bijlagen van de advocaat van [appellant] d.d. 29 mei 2015;

- de brief met bijlagen van de bewindvoerder d.d. 5 juni 2015;

- de brief van de beschermingsbewindvoerder d.d. 8 juni 2015.

2.4.

Bij de aanvang van de mondelinge behandeling heeft het hof aan [appellant]

medegedeeld geconstateerd te hebben dat een aantal medische stukken, waaronder een brief

van een arbeidsdeskundige waarin door de rechtbank in het proces-verbaal van de

mondelinge behandeling in eerste aanleg d.d. 8 april 2015 aan wordt gerefereerd en een werkplan waaraan in het vonnis waarvan beroep wordt gerefereerd, niet zijn overgelegd. Tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft [appellant] (ongevraagd) nog een

deskundigenrapport willen overleggen, doch het hof heeft - nu deze stukken eerder in het

geding hadden kunnen en moeten worden gebracht, temeer daar het deskundigenrapport uit

januari en april 2009 zou dateren - met het oog op de goede procesorde en gelet op de

omstandigheid dat het hier niet om actuele stukken gaat nadrukkelijk geweigerd deze

stukken alsnog in ontvangst te ontnemen. Vervolgens heeft, nadat de mondelinge

behandeling was gesloten, [appellant] voornoemd deskundigenrapport toch nog naar het hof

opgestuurd en zonder dat is gebleken dat ook de bewindvoerder hiervan een kopie heeft

ontvangen. Het hof heeft dit deskundigenrapport dan ook niet meer bij de beoordeling

betrokken. In elk geval blijkt uit de mededelingen van [appellant] tijdens de mondelinge

behandeling in hoger beroep dat uit dit deskundigenrapport uit 2009 blijkt dat [appellant]

toentertijd gedeeltelijk (voor 35-45%) arbeidsongeschikt is verklaard.

3 De beoordeling

3.1.

Ter terechtzitting en uit de stukken is gebleken dat over de goederen die aan [appellant] als rechthebbende toebehoren of zullen toebehoren een bewind is ingesteld. Uit de brief van de beschermingsbewindvoerder van 8 juni 2015 blijkt dat deze bekend is met het hoger beroep dat [appellant] heeft ingesteld, zodat het hof daarmee rekening zal houden bij zijn beslissing.

3.2.

Bij vonnis van 9 januari 2012 is ten aanzien van [appellant] de toepassing van de schuldsaneringsregeling uitgesproken.

3.3.

Bij vonnis waarvan beroep, heeft de rechtbank op de voet van artikel 354 lid 1 Faillissementswet (Fw) bij wijze van eindoordeel in verband met het verstrijken van de looptijd van de schuldsaneringsregeling, geoordeeld dat [appellant] toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van één of meer uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen. De rechtbank heeft daarbij geen toepassing gegeven aan artikel 354 lid 2 Fw, zodat op grond van artikel 358 lid 2 Fw aan [appellant] geen “schone lei” is verleend. De rechtbank heeft verstaan dat de toepassing van de schuldsaneringsregeling eindigt op het moment dat de slotuitdelingslijst verbindend is geworden, doch dat de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen eindigen op 9 januari 2015.

3.4.

De rechtbank heeft dit als volgt gemotiveerd:

“Door de schuldenaar is erkend dat hij heeft nagelaten de bewindvoerder te informeren over hetgeen is uiteengezet in haar voordracht van 3 maart 2015. De rechtbank is van oordeel dat de schuldenaar had moeten zorgen dat de daarin uiteengezette informatie tijdig bij de bewindvoerder bekend zou zijn. Dat is niet gebeurd. (…)

Voorts is uit de stukken en het verhandelde ter zitting gebleken dat de schuldenaar totaal twee jaar lang geen sollicitaties naar betaalde arbeid heeft overgelegd aan de bewindvoerder. Ook dit is door schuldenaar niet weersproken. Evenmin zijn door de schuldenaar alsnog bewijzen van sollicitaties verstrekt waaruit blijkt dat hij zich gedurende vorenbedoelde periode wel heeft ingespannen om betaalde arbeid te verkrijgen. Verder is door de schuldenaar onvoldoende weersproken dat door zijn toedoen het WSW-dienstverband is geëindigd en de WSW-indicatie is ingetrokken. (…)

Ook thans ontbreken (medische) stukken waaruit volgt dat de schuldenaar om medische redenen al gedurende de afgelopen twee jaar niet in staat is 20 uur per week te werken. (…)

Ten aanzien van het gestelde ter zitting dat de schuldenaar een digibeet zou zijn en in verband daarmee geen kennis had van zijn verplichtingen wordt voorbijgegaan omdat deze stelling niet is onderbouwd. (…)

Aan het voorstel namens de schuldenaar ter zitting om de voorstand op de boedelrekening van € 328,06 ter beschikking van de schuldeisers te stellen wordt voorbijgegaan. Naar het oordeel van de rechtbank compenseert dit voorstel geenszins de vastgestelde tekortkomingen. Evenmin ziet de rechtbank aanleiding om de regeling te verlengen. Daarvoor zijn de tekortkomingen te ernstig en bovendien heeft de schuldenaar onvoldoende blijk gegeven zijn leven te willen beteren.”

3.5.

[appellant] kan zich met deze beslissing niet verenigen en hij is hiervan in hoger beroep gekomen. [appellant] heeft in het beroepschrift - zakelijk weergegeven - het volgende aangevoerd. [appellant] stelt dat hij tot op heden gedeeltelijk arbeidsongeschikt is met een afkeuringspercentage van 35-45% en dat hij een WAO uitkering ontvangt. Per 1 december 2012 is zonder zijn toedoen zijn WSW-indicatie ingetrokken; hij was naar eigen zeggen indertijd medisch gezien niet in staat het aangeboden werk te verrichten. Voorts stelt [appellant] dat hij reeds vanaf het begin van zijn regeling onder beschermingsbewind bij OBIN staat, maar dat zijn beschermingsbewindvoerder hem in geen enkel opzicht heeft begeleid. [appellant] geeft voorts aan dat hij, ondanks het feit dat hij vanwege zijn echtscheiding, de intrekking van zijn WSW-indicatie en het uitblijven van steun van zijn beschermingsbewindvoerder, sinds 1 december 2013 tien uur per week als vrijwilliger heeft gewerkt. Daarbij komt dat het UWV zijn kansen op de arbeidsmarkt zo slecht heeft ingeschat dat er geen traject naar werk is ingezet. Tot slot geeft [appellant] aan van mening te zijn dat het op de weg van de rechtbank had gelegen om gezien zijn goede trouw op zijn minst het advies van de bewindvoerder te volgen en de schuldsaneringsregeling te verlengen voor de duur van maximaal twee jaren.

3.6.

Hieraan is door en namens [appellant] ter zitting in hoger beroep - zakelijk weergegeven - het volgende toegevoegd. [appellant] erkent dat hij de voor hem uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende sollicitatie- en informatieplicht niet naar behoren is nagekomen maar voegt daaraan toe dat hij tot december 2012 op basis van zijn WSW-indicatie 20 uur per week bij de [groep] Groep heeft gewerkt. Omdat hij zichzelf niet geschikt achtte voor de arbeid die hem in december 2012 werd aangeboden heeft hij deze arbeid, welke bestond uit werkzaamheden in een spoelkeuken, geweigerd, waarop zijn WSW-indicatie is ingetrokken. [appellant] stelt dat hij niet had begrepen dat hij vanaf dat moment weer moest gaan solliciteren. Wel is het zo dat hij vanaf december 2013 voor 10 uur per week vrijwilligerswerk verricht. [appellant] voegt hieraan toe dat solliciteren in zijn geval naar zijn idee zinloos is, zodat het feit dat hij niet heeft gesolliciteerd heeft volgens hem dan ook niet heeft geleid tot een lagere boedelstand. Dit geven zou volgens [appellant] moeten worden meegewogen bij een beoordeling van de feiten ex artikel 354 lid 2 Fw. Dat hij, ondanks het feit dat hij op 18 maart 2014 een brief van zijn bewindvoerder heeft ontvangen waarin de sollicitatieplicht (nogmaals) nadrukkelijk uiteen was gezet, niet had begrepen dat hij weer moest gaan solliciteren wijt [appellant] aan zijn ziektebeeld en het feit dat hij soms wat suf is door het hieraan gerelateerde medicijngebruik. Ook is hij van mening dat zijn beschermingsbewindvoerder hem, gelet op zijn specifieke problematiek en beperkingen, wat nadrukkelijk bij de hand had dienen te nemen, hetgeen niet is geschied. Indien zijn schuldsaneringsregeling niet alsnog wordt beëindigd met toekenning van de schone lei maar wordt verlengd, geeft [appellant] aan voornemens te zijn om alsdan weer een WSW-indicatie aan te vragen en aansluitend te trachten om via zijn oude werkgever, de [groep] Groep, weer aan het werk te gaan. Desgevraagd geeft hij aan tot op heden hierop nog geen actie te hebben ondernomen dan wel enige andere sollicitatie te hebben verricht.

3.7.

De bewindvoerder heeft bij brief van 5 juni 2015 haar meest recente verslaglegging, een crediteurenlijst alsmede haar voordracht tot beëindiging van de schuldsaneringsregeling overgelegd.

3.8.

Het hof komt tot de volgende beoordeling.

3.8.1.

Bij het einde van de termijn gedurende welke de toepassing van de schuldsaneringsregeling van kracht is, dient op de voet van artikel 354 lid 1 Fw te worden vastgesteld of de schuldenaar toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van één of meer uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen. Bij deze vaststelling geldt als maatstaf of een tekortkoming, in het licht van alle omstandigheden van het geval, een duidelijke aanwijzing vormt dat het bij de schuldenaar aan de van hem te vergen medewerking aan een doeltreffende uitvoering van de schuldsaneringsregeling heeft ontbroken. Ingevolge artikel 354 lid 2 Fw dient de rechter voorts na te gaan of er aanleiding bestaat om te bepalen dat een tekortkoming gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis buiten beschouwing blijft.

3.8.2.

Vast staat, temeer nu hij zulks bij gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep nadrukkelijk en bij herhaling heeft erkend en hij bovendien in zijn beroepschrift tegen deze overwegingen van de rechtbank ook geen grieven heeft gericht, dat [appellant] de voor hem uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende sollicitatie- en informatieplicht niet naar behoren is nagekomen. Een en ander klemt temeer nu [appellant] zelf verantwoordelijk is gebleken voor het in december 2012 vervallen van zijn WSW-indicatie en het als een gevolg daarvan wegvallen van zijn arbeidsbetrekking bij de [groep] Groep. [appellant] heeft bij gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep immers uiteengezet dat hij zichzelf al op voorhand, dus zonder een en ander daadwerkelijk te ervaren, medisch niet in staat achtte tot het gaan verrichten van de hem in december 2012 aangeboden werkzaamheden, welke weigering hem vervolgens zijn WSW-indicatie en zijn dienstbetrekking kostte, waarbij [appellant] zijn door hem gestelde medische beperkingen destijds noch thans middels medische stukken heeft onderbouwd; in elk geval heeft [appellant] ook in hoger beroep geen (stukken) overgelegd waaruit blijkt dat hij om medische redenen al gedurende de afgelopen twee jaar niet in staat is 20 uur per week te verrichten (vgl. het vonnis waarvan beroep blz. 3) afgezien nog van de omstandigheid, dat hij in 2009 “slechts” voor 35-45% arbeidsongeschikt zou zijn verklaard (waarmee op [appellant] dus in elk geval vanaf dat moment een aanvullende sollicitatieplicht rustte). Daarbij acht het hof het volslagen onaannemelijk dat [appellant], zoals hij zelf bij gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft verklaard, niet wist dat hij in het kader van zijn schuldsaneringsregeling na het verlies van zijn dienstbetrekking (weer) diende te gaan solliciteren, nog daargelaten het feit dat [appellant], nu zijn voormalige dienstbetrekking slechts 20 uur per week omvatte, gedurende dit dienstverband ook al aanvullend had dienen te solliciteren. Bij de toelating tot de schuldsaneringsregeling heeft [appellant] immers een formulier met daarop de regels van de schuldsaneringsregeling ondertekend en bovendien heeft zijn bewindvoerder hem op 18 maart 2014 een brief gezonden waarin de strekking en reikwijdte van de sollicitatieplicht nogmaals nadrukkelijk uiteen zijn gezet geheel daargelaten nog dat niet is gebleken dat van de door [appellant] gestelde mededeling van de arbeidsdeskundige als bedoeld in nr. 9 van het appelschrift. Voor zover de beschermingsbewindvoerder, zoals door [appellant] is gesteld, al tekortgeschoten is in de begeleiding van [appellant] merkt het hof op dat, nog los van het feit dat de taken van een beschermingsbewindvoerder met name op het financiële vlak liggen, een saniet te allen tijde zelf verantwoordelijk blijft voor een correcte nakoming van de voor hem uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende kernverplichtingen, waaronder de sollicitatie- en informatieplicht. Het hof ziet dan ook geen enkele aanleiding om op de voet van artikel 354 lid 2 Fw te bepalen dat de geconstateerde en door [appellant] erkende tekortkoming gezien hun bijzondere aard of geringe betekenis buiten beschouwing blijven.

3.8.3.

Voorts acht het hof een verlenging van de schuldsaneringsregeling, zoals door [appellant] subsidiair is verzocht, evenmin in de reden liggen. Daarvoor zijn de tekortkomingen te ernstig en bovendien heeft [appellant], nu hij ondanks het feit dat hij in beroep is gekomen van het vonnis waarbij zijn schuldsaneringsregeling zonder toekenning van de schone lei is beëindigd nog steeds geen enkele sollicitatie heeft verricht dan wel stappen heeft ondernomen om zijn WSW-indicatie terug te krijgen zodat hij wellicht weer bij zijn voormalige werkgever in dienst kan treden, onvoldoende blijk gegeven zijn gedrag te willen verbeteren.

3.8.4.

Al hetgeen hiervoor is overwogen voert het hof dan ook tot de slotsom dat de rechtbank terecht en op goede gronden heeft geoordeeld dat de schuldsaneringsregeling van [appellant] dient te worden beëindigd zonder de toekenning van de schone lei.

3.9.

Het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd.

4 De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep.

Dit arrest is gewezen door mrs. L.Th.L.G. Pellis, A.P. Zweers-van Vollenhoven en A.J. Coster en in het openbaar uitgesproken op 18 juni 2015.